Rees, W.A. van – Herinneringen uit de loopbaan van een Indisch officier, Deel II

Nieuwe herziene uitgave, Bolle, Rotterdam (1862)

Rees - Herinneringen uit de loopbaan van een Indisch officier II, 186-188

[Yogyakarta 2 – Vredeburg] 

Te Djokjokarta, bij verkorting Djoko, logeerde ik bij mijn vriend Bijsterbos, die in het fort woonde. Mijn verlangen om een hofpartij bij te wonen had tot dit uitstapje aanleiding gegeven. De indruk dien de plaats op mij maakte, was alleraangenaamst; wellicht bracht de groote toeloop van vreemden en het aantreffen van onderscheiden kennissen daartoe bij.
De lezer zal mij gaarne verschoonen van het geven eener nauwkeurige plaatselijke beschrijving, nadat een gevierd schrijver, Dr. van Höevel zich van die taak op een meesterlijke wijze kweet, in zijne schetsen ‘uit het Indisch leven’. Die dus meer van de geschiedenis der vorstenlanden wenscht te weten of een boeiend verhaal van de ‘Garebek Moeloed’ wil lezen, neme het bedoelde werk in handen. Kortheidshalve zal ik mij bepalen, met een paar woorden te spreken:
a. van een vrij groot, ouderwetsch, steenen fort waarin het garnizoen huisvestte;
b. van den kraton of versterkte stad, met de woningen van den sulthan en ettelijke duizenden Javanen; en
c. van de huizen van den resident en andere europeesche ambtenaren, nette villa’s, hier en daar in rijen naast elkander; van kampen voor menschen van verschillende rassen, ambachten, enz.
Het fort met zijn europeesche bezetting diende om den kraton te beschermen, d.i. in bedwang te houden.
In den kraton, een groot vierkant met muren en grachten van buiten, met pleinen en straatjes van binnen, zat de sulthan op zijn woord van eer gevangen; want hij mocht er niet uitgaan zonder voorkennis van den resident. In gezelschap van zijn vrouwen, vrienden en magen, verteerde hij daar een enorm traktement, dat het nederlandsche gouvernement hem uitbetaalde, en bovendien nog de opbrengst van zijn gebied. – De vijftien-duizend kratonianen leefden van de kruimels die van hoogst-deszelfs tafel vielen.
De resident, zoude men zeggen, leefde daar voor zijn plezier; uit zuivere vriendschap hielp hij den sulthan en diens rijkbestierder zoo wat te regeeren. De secretaris hielp ook wat mede, en de andere ambtenaren insgelijks; zoodat zijn hoogheid met eenige juweeltjes van vrouwen en met een schat van bijwijven zich geheel aan het genoegen van ’t aardsche leven kon wijden.
Heerschte er een vrolijke drukte op de hoofdplaats van het djokjosche rijk, de officieren van het garnizoen waardeerden het niet en pruttelden braaf over de hoffeesten, die hen minstens drie malen ’s jaars nutteloos ‘in het touw zetten’. Bijsterbos althans vond het een schande dat men officieren verplichtte een rol in die ‘apencomedie’ te spelen; hij noemde het een vernedering voor de epauletten. Voor den vertegenwoordiger des konings, voor zijn chefs wilde hij dag en nacht en haye staan, duizendmaal met den sabel saluëeren, maar buigen voor een ‘vet varken’, dat wilde hij niet. En dan moest men nog zoo voorzichtig zijn geen oogenblik de étiquette uit het oog te verliezen – étiquette met een vet varken, verbeeld u!
Wie bedoelde hij met ‘ ’t vette varken’?
“Wie anders als den sulthan! morgen zult gij zijn doorluchtigheid van aangezicht tot aangezicht aanschouwen. pas maar op, Robert! er zit nog een officier voor hem in de provoost.”
“Wat heeft die misdaan?”
“Die danste bij den resident met zijn liefje, geloof ik, en zag meer naar háár oogen, dan naar de beenen van den sulthan, daar ook present; met dat gevolg, dat hij onder het walsen den voet van Zijn Dikheid aanraakte. Deze bemerkte het niet eens, maar de opperceremoniemeester, die zich zat te vervelen, verklaarde het met eigen oogen gezien te hebben, en eischte voldoening voor deze majesteitschennis. Nu kreeg de etiquettelooze luitenant veertien dagen provoost! Is ’t geen schande? ik ga mijn overplaatsing verzoeken, en als ieder officier hetzelfde deed, zou men ons in ’t vervolg wel buiten aanraking met het hof laten.”
“Meent ge dat, pruttelaar? ik twijfel er aan. ’t Is immers hooge politiek; door de etiquette te eerbiedigen, kan het gouvernement voor de rest den baas spelen.”
“Dat is onwaardig voor ieder gouvernement en vooral voor het nederlandsche.”
“Bravo, goed gesproken, amice! Doch zeg eens: is die sulthan inderdaad zoo’n varken?”
“Ja, een varken, een os, een ezel! vijf-en-twintig jaren oud en bijna drie-honderd pond zwaar; honderd vrouwen en bijwijven en geen enkel kind. In plaats van hersenen, heeft die ezel zijn hoofd met vet gevuld. Ik zal u een enkel staaltje van zijn gering verstand vertellen.

Rees - Herinneringen II, 190-191

[Yogya 1 – Masjid] 

De duizende en tienduizende Javanen, die op de hoofdplaats samengevloeid waren, wisten niet meer van hunne godsdienst, dan dat Mohammed Gods profeet was en dat hij het eten van varkensvleesch had verboden. Zij waren dan ook recht gelukkig den geboortedag van dien profeet te kunnen vieren.
De lust tot feestvieren van den Javaan is even opmerkelijk, als de eentonigheid zijner uitspanningen en de kalmte van zijn genot. Of hij een wajang (comedie), een serimpi-dans, een trouwplechtigheid of een godsdienstig feest bijwoont, altijd vermaakt hij zich op dezelfde wijs door ‘niet te werken’. Snoepen aan de warongs, bloemen koopen en die in den hoofddoek steken, naar de vrouwen kijken en er intrigues mede aanknoopen, zooveel mogelijk zitten of liggen, ziedaar het genot dat elk feest hem verschaft.
Stroomde er in de laatste dagen voor de Garebek-Moeloed groote scharen van mannen, vrouwen en kinderen naar den tempel van den kraton, ’t was inderdaad niet om te bidden, boete te doen, of god te danken voor zijne goedheid dat Hij hun een profeet had geschonken; van het een noch het ander hadden zij eenig denkbeeld. Men vergaderde in den tempel, omdat er de vorstelijke gamelang, de sekaten, werd geslagen, omdat iedereen daar kwam, omdat daar feest gevierd en niet gewerkt werd; immers de uitoefening der godsdienst werd overgelaten aan de honderde priesters, die met lange uitgestreken gezichten en neêrgeslagen oogen, in heiligen ernst bij elkander zaten.

Rees - Herinneringen uit de loopbaan van een Indisch officier II, 191-192

[Yogyakarta 2 – Residentie] 

Al wat in gouvernementsdienst was en niet in den kraton thuis behoorde vergaderde bij den resident. Er was foule in de voorgalerij, foule van gecostumeerde ambtenaren en gepluimde officieren. Onder de laatsten bevonden zich verscheidene Javanen; de meesten waren in hoofdofficiers-uniform sommigen gedecoreerd allen gekapt met een hoofddoek waarop een chacot of steek waggelde. Spoedig kwam er een sleep van rijtuigen voor en gaf de resident het voorbeeld tot instijgen. Op de eerste wagens met vier paarden bespannen volgde de tweespannen, allen even oud, vuil en onooglijk. Ieder haastte zich om een plaats te krijgen; men wachtte niet dat de voertuigen opreden, maar men liep er om het snelst heen. Denkende dat er wellicht gebrek aan transportmiddelen zoude zijn, zorgde ik niet te laat te komen en drong in een wagen, tegelijk met een javaanschen majoor, die dadelijk zijn chacot van het hoofd nam, toen glimlachte en zeide dat het warm was.
Op dit doorslaand bewijs van ’s mans beschaving (om over het weêr te praten), meende ik niet achter te mogen blijven, en verklaarde dat ik het ook warm vond. Mijne sympathische gevoelens over den toestand van den atmospheer schenen den majoor te bevallen, want hij glimlachte nog eens. Dit gaf mij moed te vragen bij welk corps hij diende, en toen vernam ik dat de majoor een prins was, een neef van een vrijen vorst, van den pangerang Pakoe Alam (Spijker van het Heelal).
Waarschijnlijk drukte mijn gelaat iets meer eerbied uit dan een oogenblik te voren, toen ik den prins, den neef van den Spijker, zoo zag loopen om een plaats; ten minste Zijn Hoogheid maakte er dadelijk gebruik van door te vragen of ik ook manilla-sigaren bij mij had.

Rees - Herinneringen II, 192-193

[Yogya 1 – Bangsal Kencono] 

Stapvoets was de trein aan den kraton gekomen. Men steeg uit, ontving militaire eerbewijzen van de lijfwacht des sulthans, en kwam aan de woning van pangerang Mangkoe Boemi, sulthans broeder. De resident maakte Zijne Hoogheid het compliment van den dag, nam een oogenblik plaats, stond toen weer op, en werd door den pangerang naar den sulthan geleid. Dat alles bijzonder deftig in zijn werk ging, behoef ik nauwelijks te zeggen. Het europeesche gezelschap volgde nu, en kwam weldra aan de pandopo van den sulthan, die even als de paus, op een gouden tabouret was gezeten.
Sulthan Hamangkoe Boeono, d.i. ‘de vorst die de aarde op zijn schoot draagt’, zag er werkelijk welvarend uit, was prachtig gekleed en versierd met sterren en kruisen. Aan een schitterend gevolg ontbrak het hem natuurlijk niet, als men slechts in aanmerking neemt, dat het schoonhouden van de pandopo eigenhandig door ‘regenten’ werd verricht. Het aantal kamerheeren en hofdames was groot, en ieder had iets te dragen. De meesten waren altijd ‘van dienst’. Daar evenwel de geheele hofstoet zàt, en de persoon die iets moest aangeven króóp, moest die dienst aan een oostersch hof benijdenswaardig toeschijnen aan westersche hofbeambten, die altijd stáán en zich tot búígen bepalen moeten.
De sulthan stond op, om zijne bezoekers te ontvangen, en zeeg ook spoedig weêr neder. De resident plaatste zich naast hem; de Europeanen en eenige voorname javaansche prinsen rechts en links op de voor hen bestemde stoelen. Voor den vorm bleven de autoriteiten eenige oogenblikken kalm en rustig voor zich zien, terwijl wij luitenants den drom van bijwijven en vrouwelijke bedienden bewonderden, die tot het gevolg van den vorst behoorden. Kort daarna verhief zich het gezelschap op het voorbeeld van Zijn Hoogheid, die met den resident aan den arm zich naar de sulthane begaf.

Rees - Herinneringen II, 195-196

[Yogya 1 – Bangsal Witono] 

Toen het bezoek was afgeloopen, nam de sulthan weêr den arm van den resident en begaf zich met grote statie naar een hoogte vóór het plein van zijn paleis, waar zich ook een pandopo bevond. Daar zat de machtige vorst in alle heerlijkheid op zijn gouden stoel en liet zijn blikken gaan over de duizende onderdanen die zijn troon omringden; naast hem de resident en de blanken in europeesch hoftenue; dicht achter hem neêrgehurkt zijn persoonlijk gevolg, misschien wel vijfhonderd kamerheeren en hofdames in javaansch hoftenue, de mannen naakt en besmeerd tot de middel, even als koelie’s met een kapmes in den gordel, de vrouwen dito dito en het een of ander gouden of zinnebeeldig voorwerp dragende; rechts en links van de hoogte een met rood laken opgesmukte olifant, en in den omtrek de tallooze menigte, eerbiedig neêrgehurkt op den bodem.
Terwijl nu de vorst in het aanzien van het volk sirih pruimde speelde de europeesche muziek afgewisseld door en soms gelijktijdig met de inlandsche en begon de lijfwacht of liever het leger van den sulthan langs de hoogte te defileeren. Het schouwspel was prachtig!
Verbeeld u eenige duizende Javanen, verkleed als soldaten van de achttiende eeuw, de beenen gestoken in korte broeken met kuitgespen, in witte kousen en lage schoenen, de meesten met driekanten steken op het hoofd, en gewapend met pieken of steenslotgeweren; voeg die lui, zoo goed en zoo kwaad als het valt, in pelotons en sectiën bijéén; laat er pijpers, tamboers, hoornblazers en gamelangspelers voor marcheeren; plaats er als pelotons-kommandanten potsenmakers (badoet’s) of dansmeesters bij, zoo dwaas uitgedost als gij ’t u van carnavalsgekken kunt voorstellen, met melatie-kransen om den hals, met bloemen op den steek, met ontzaggelijk groote brillen op den neus, met pruiken op het hoofd; laat die als bezetenen voor het peloton springen en dansen en met groote sabels om zich heen slaan, – gij zult u nog slechts een flauw denkbeeld kunnen vormen van sulthan’s lijfwacht en van hare parade.

Rees - Herinneringen II, 198-199

[Yogya 1 – Gouden koets] 
[Yogyakarta 2 – Residentie] 

Reeds had de lijfwacht, waarvan op dien merkwaardigen dag veel gevergd werd, zich en haye geschaard van den kraton tot het residentiehuis; reeds verdrong zich de groote volksmassa in dichte drommen aan den weg, waar langs de stoet zich zou bewegen, en pakte zich het meest samen in de nabijheid van de residentswoning, reeds stond het vol in de voorgalerij van ambtenaren en officieren, en hield de resident zich gereed om bij de hand te zijn als zijn hoogen gast zou aankomen, – toen het geschut van het fort aan de menigte verkondigde, dat sulthan Mangkoe Boeono V den kraton had verlaten.
Welk een pracht, welk een heerlijkheid! Ik zal ze niet beschrijven, die javaansche herauten, die groepen van grooten, die trossen van panakawans, die rissen van kamerheeren, van mismaakte en gebulte hofnarren, en die slepen van rijtuigen; noch dat geschiet, dat geknal, dat geschreeuw, dat gekletter en dat geraas; noch die menschen, die kinderen, die paarden en die olifanten!
Een gouden koets met vier paarden bespannen komt eindelijk voor; ’t is een klein nauw koetsje op een kolossaal onderstel, een geheel verguld koetsje waarin de zwaarlijvige sulthan juist past. De resident vliegt de trappen af, biedt den edelen vorst den arm en geleidt hem als een dame naar binnen, naar de groote zaal, naar zijn plaats aan het hoofd der tafel. Een legio prinsen en grooten der aarde zijn hem gevolgd; naar rang en ancienniteit wordt om den ander een inlander en een Europeaan zijn zitplaats aangewezen.
Daar het aantal bruine prinsen in verhouding grooter is dan dat der blanke hoofdpersonaadjes, kom ik als eerste luitenant ongeveer in het midden der lange tafel te zitten, tusschen twee prinsjes in, die beiden hoofdofficiers-epauletten dragen. Zij nemen hoegenaamd geene notitie van hunne buren, maar vallen op het eten aan, alsof zij denken; “wij zijn hier niet gekomen om den tijd met praten te verbeuzelen.” Het dessert verdwijnt het eerst; een schotel met gebak wordt in een oogwenk leeggeschoven op den schoot of in de handen van begeerige kawan’s, die rechts en links bij den stoel neêrgehurkt zitten. Dit is de oostersche manier; ieder neemt mede wat hij niet kan opeten. Dit rooven, dat zich in onze beschaafde kringen tot suikerwerk bepaalt, gaat zoo ver, dat eertijds – zoo beweert men althans – toen de couverts nog van zilver waren, menige lepel en vork gesimpand (weggenomen) werd. Om dit tegen te gaan, smeedde men later het couvert met kettingjes aan de tafel vast, terwijl men er eindelijk toe overging om berlijnsch zilver in te voeren, dat ten huidige dage nog wordt gebruikt.

Rees - Herinneringen II, 275, 276-277

[Jakarta 6 – Gebouw] 

Aan den kant van het Waterlooplein die tegen het ‘Groote Huis’ ziet, rechts van den breeden weg naar het Koningsplein, stond indertijd een groot houten huis, met pannen gedekt, dat een reeks van jaren door de eerste militaire autoriteit in de afdeeling bewoond maar sedert eenigen tijd afgekeurd was. Ruime voor- en achter-, binnen- en buitengalerijen, een achttal kamers, een groot erf met vruchtboomen, dat zich tot aan de snelstroomende Tjiliwong uitstrekte, een stal voor acht paarden, een breed koetshuis en een menigte bijgebouwen, ziedaar ten naastenbij de woning, die voor hare bestemming ongeschikt was geworden en eerlang zou worden gesloopt.
Daar het garnizoen in de laatste jaren grooter geworden en er geen nieuwe huizen bijgebouwd werden, was de behoefte aan officierswoningen zeer toegenomen. [...]
Ditmaal kwam die lauwe, langzame manier van handelen mij zeer te stade, want de bedoelde, voor een kolonel onbewoonbare kolonels-woning was voor mij nog zeer bewoonbaar. Daar er voor het oogenblik niets anders open was en ik later een gehuwde-kapiteinswoning (zooals men ze noemde) zou moeten betrekken; daar de kolonel mij buitendien in zijne nabijheid wilde houden, kreeg ik zonder moeite zijne toestemming, om voorloopig mijn bivak in de afgekeurde woning op te slaan
Bivak? ja waarlijk, veel beter was het niet. Er heerschte een patriarchale, bijna inlandsche eenvoud. In de voorgalerij stond niets in de binnengalerij een tafel met eenige gewone en een paar luierstoelen; en in plaats van kanapé’s twee bamboe bali-bali’s met een matje en een kapokkussen versierd. In het vertrek, door mij tot slaapsalet uitgekozen, stonden een kast en eenige kofferstellingen; dat was alles. Van vloermatten of gordijnen was geen sprake. Het servies tot den hoogsten graad van eenvoudigheid teruggebracht, prijkte op een bamboestelling. Moet ik de waarheid zeggen – mijn bedienden waren oneindig beter ingericht.
Maar aan genoegen, tevredenheid en vroolijkheid ontbrak het niet in dat groote huis. Alléén was ik er nooit, want acht dagen na mijn installatie (waarbij een paar lieve dames tegenwoordig waren) woonden er reeds een viertal vrienden bij in, een paar namelijk die, van Bali terugkomende, geen dak in het kampement vonden, en een paar gombongsche vrienden – Tament en Spyker – die te Batavia geplaatst, in hetzelfde geval verkeerden.