achtste druk, De Geus, Amsterdam 2017

Birney – Tolk van Java, 24-26

[Surabaya 2 – no. 5.] 

Terwijl hij in Amsterdam voet aan wal zette in de haven aan het IJ, kreeg zijn moeder in Soerabaja bezoek van vijf tot de tanden toe gewapende pemoeda’s, jonge Indonesische vrijheidsstrijders. In Japanse stijl hadden ze rode haarbanden krijgshaftig rond hun verhitte hoofden gestrikt. Ze namen de moeite niet om fatsoenlijk langs het hek naar binnen te komen. Zij sprongen, nee vlogen, over de vlijmscherpe hekpunten heen, die Arto ooit met zijn beide broers met engelengeduld had bijgevijld, zodat indringers hun leven als saté zouden eindigen. Het vijftal pemoeda’s lachte erom maar kreeg de tijd niet met de van gecapituleerde Japanners gejatte geweren het deurslot van de woning aan de Oendahan Koelon numero 5 kapot te schieten.
Arno’s moeder was in de deuropening verschenen, met een vorsende blik die haar kleine gestalte op een of andere manier hoog boven hen deed uittorenen. Haar sarong was de aarde, haar kabaja de lucht, haar hoofd de hemel.
De vijf pemoeda’s brachten de Chinese vrouw de sembah, de oosterse groet, en lichtten haar zich omstandig excuserend hun missie toe.
‘Schiet mij maar dood’, zei ze.
‘Mevrouw Sie, het spijt ons, we willen uw zoon, de jongste, we willen Arto’.
‘Arto zit in Nederland’.
‘Wat? Is Arto naar Nederland gevlucht?’
‘Zeg, stelletje melkmuilen, jullie vrienden zijn hier al eerder aan de deur geweest. Had Arto hier op jullie kogels moeten wachten?’
Een van hen stak een kretekje op. Peinzend blies hij de kruidnageltabaksrook omhoog en hij zei in welluidend Nederlands: ‘Mevrouw Sie, het ware beter geweest wanneer uw zoon zich door ons had laten berechten. Dan hadden onze doden rustig kunnen gaan slapen.’
‘Goed, neem mijn leven dan voor dat van mijn zoon’.
‘Dank u, mevrouw, u bent een goed mens, wij zullen voor u bidden’.
Ze trokken het hek zachtjes open en liepen een voor een achteruit de voorgalerij af naar buiten, terwijl ze de Chinese vrouw met gevouwen handen groetten. Eenmaal op straat wendden ze zich van haar en het huis numero 5 af, hieven de geweren met gestrekte armen en riepen: ‘Leve de Republik Indonesia!’

Birney – Tolk van Java, 88-90

[Surabaya 1 – Stationsweg] 

Omdat ik niet erkend was door mijn vader kreeg mijn moeder de volgende epistels onder ogen:
Soerabaja, den 20 November 1925
Aan Mejuffrouw Sie Swan Nio, Koninginnelaan 3 te Soerabaja
De Wees- en Boedelkamer te Soerabaja geeft U bij deze in overweging het kind genaamd Sie Arend van hetwelk U blijkens opgave van den Ambtenaar van den Burgerlijke Stand te Soerabaja moeder is/zijn, geboren den 28 September 1925, zoo spoedig mogelijk te erkennen, kunnende zulks zoowel bij notariëele acte als bij den Ambtenaar van den Burgerlijken Stand geschieden. Zonder zoodanige erkenning bestaat van rechtswege geen verwantschap tusschen U en het kind, terwijl eene erkenning tengevolge heeft:
a. Dat U de voogdij en dus het wettelijk toezicht over het kind heeft, terwijl in het ontkennend geval op voorstel der Kamer door den Raad van Justitie een ander tot voogd over het kind zal worden benoemd. (Wordt intusschen het kind erkend of mede erkend door hem die het verwekt heeft, hetgeen natuurlijk zeer aan te bevelen is, dan wordt deze van rechtswege voogd).
b. Dat het kind bij het aangaan van een huwelijk op minderjarigen leeftijd Uwe toestemming behoeft,
c. Dat op het kind de verplichting rust om U, indien U in behoeftige omstandigheden mocht komen te verkeeren behoorlijk te onderhouden.
d. Dat U eventueel erfgename wordt van het kind en omgekeerd het kind van U (zonder erkenning hiervan is geen sprake).
Ten slotte zij U medegedeeld, dat indien U niet binnen drie maanden na dato dezer Uw kind heeft erkend, waaromtrent bericht wordt ingewacht de Kamer onmiddellijk door den Raad van Justitie in de voogdij zal doen voorzien.
De Wees- en Boedelkamer te Soerabaja.
Secretaris (signatuur onleesbaar).
[2de document.] No. 38 Erkenning
Heden Woensdag den drie en twintigsten December negen tien honderd vijf en twintig.
Verscheen voor mij, Just Townsend, Notaris te Soerabaia, in tegenwoordigheid van de na te noemen, mij bekende getuigen:
Mejuffrouw Sie Swan Nio, zonder beroep, wonende te Soerabaia, Koninginnelaan 3, volgens hare verklaring oud vijf en dertig jaren en ongehuwd.
De comparante is mij, de notaris, bekend.
De comparante verklaarde als haar natuurlijke zoon te erkennen het kind, dat bij de aangifte aan den ambtenaar van den Burgerlijken Stand te Soerabaia verklaard is geboren te zijn te Soerabaia den acht en twintigsten September negentien honderd vijf en twintig, haar tot moeder te hebben en aan hetwelk de voornamen Sie Arend gegeven zijn.
Waarvan Acte.
Verleden te Soerabaia ten dage voorgeschreven in tegenwoordigheid van Loo Lam Twan en Sie Khwan Djioe, beiden notarisemployé, wonende te Soerabaia, die deze acte onmiddellijk na door mij, notaris, aan de comparante voorgehouden vertolking der acte in de Maleische taal hebben geteekend met de comparante en mij, de notaris.
Verleden met een bijvoeging en een doorhaling zonder renvooien.
(Geteekend) Sie Swan Nio, Loo Lam Twan, Sie Khwan Djioe, Townsend.
Uitgegeven voor afschrift
(stempel en signatuur Townsend).

Birney – Tolk van Java, 116-117

[Surabaya 3 – Ziekenhuis] 

Het lesgeven werd gestaakt en toen ik op de fiets stapte om naar huis te gaan, werd ik buiten de poort geroepen door een Javaanse buurman. Hij vertelde me dat onze woning aan de Pasar Besar Wetan Gang IV, vlak bij de gebouwen van de elektriciteitsmaatschappij, getroffen was door vliegtuigbommen. Onze hele voorgevel lag in puin. Er patrouilleerden agenten tegen plunderaars. Ze lieten me door. Onze antieke Chinese vazen van elk een meter hoog lagen aan scherven. Mijn kamer was een puinhoop, in de keuken was een vliegtuigbom geëxplodeerd. Het interieur van de eetkamer was volledig verwoest. De muren aan de achterkant van ons huis waren doorzeefd met mitrailleurkogels.
Ik schreeuwde om wraak, maar een politieagent kalmeerde me en verwees me naar het Centraal Burger Ziekenhuis (CBZ) aan de Simpang. Door de chaos kon ik dat niet bereiken. Een Javaanse buurman, wiens woning ook aan puin lag, bood me onderdak aan bij zijn familie ergens aan de Baliwerti, een kilometer van ons huis. Ik werd er hartelijk ontvangen en kreeg een klein kamertje waar een balèh-balèh stond, een ligbed van bamboe. Baden kon ik bij de put op de binnenplaats.
Een dag later fietste ik naar het CBZ, op zoek naar mijn familie. Mijn moeder en Ella verkeerden in een lichte shock. Ina was gewond aan haar rechterarm en linkerbeen. Een van onze baboes had een hoofdwond. Ze mochten een paar dagen in het ziekenhuis blijven. Zus Ina betrok daarna met broer Karel een voorlopig onderkomen in Soerabaja. Jacob regelde de evacuatie van Mama, Ella, Poppy, kokkie Tas, baboe Tenie en mij naar Blitar, zo’n 130 kilometer zuidwaarts, waar ik ooit als baby was verzorgd door oom Soen. Ik pakte mijn rieten koffertje, nam afscheid van mijn Javaanse gastfamilie aan de Baliwerti en liet mijn fiets achter. Mijn moeder wachtte me op bij het ziekenhuis en van daar liepen we naar station Gubeng. De trein was overvol, het was heet en de reis duurde lang.

Birney – Tolk van Java, 123

[Surabaya 1 – Krembangan] 

Op een morgen had ik vrij en ging ik voor Mama naar de Pasar Toeri om wat vis te kopen. Daar op de markt ontmoette ik mijn Javaanse vriend Soedjono van de KES. Toen ik de boodschappen had gedaan ging ik met Soedjono mee naar zijn huis ergens in de beruchte wijk Krembangan. Onderweg ontmoetten wij nog meer ex-KES’ers, zoals Soenarjo, Soetopo, Soemarsono, Soetjipto en Soemarno. Met de hele groep gingen wij naar Soedjono’s woning. Er werd over de Japanse bezetting gesproken. Van Soedjono hoorde ik dat alle ex-leden van het Vernielingskorps van de Koningin Emma School door de Kem Pei Tai gezocht werden. Een Chinese jongen genaamd Lim Tan Ko-Ko had zich inmiddels ontpopt als een berucht spion van de Kem Pei Tai. Hij had Indische ex-scholieren van de KES verraden, waardoor zij gearresteerd, verhoord en gemarteld waren. Onze leiders, de leraren Sonneville en de gebroeders Trestorff, waren al gearresteerd, gemarteld en onthoofd. Dus ook ik werd gezocht.

Birney – Tolk van Java, 133-135

[Surabaya 1 – Raad van Justitie] 

Karel waarschuwde me dat ik me rustig moest houden en niet zo veel door de stad moest fietsen. Hij vreesde dat Lim Tan Ko-Ko en zijn baas Oei Boen Pong mij al een poos hadden geschaduwd. Maar het was al te laat. Ik had van mijn inheemse vrienden de opdracht gekregen om dat tweetal in de gaten te houden, maar de zaak was door mijn onoplettendheid omgedraaid: zij hadden juist mij in de gaten gehouden. Op een avond ter hoogte van de Pasar Besar zag ik aan de overkant Oei Boen Pong staan, met zijn handen in zijn zakken. Hij keek strak in mijn richting en ik merkte niet dat ik door vier leden van de Kem Pei Tai werd omsingeld. Ze kwamen op mij af, trapten me in elkaar en sleurden me mee naar hun hoofdkwartier, gevestigd in het voormalige Paleis van Justitie, tegenover het gouvernementskantoor aan de Pasar Besar. Daar werd ik in een geblindeerde ruimte met beide polsen vastgebonden aan een kabel en met een katrol opgetakeld, met mijn voeten een paar decimeter boven de vloer hangend. Een beul sloeg me met een baseballknuppel op mijn maag, ribben, rug en benen. Ik verloor snel mijn bewustzijn. Toen ik bijkwam, lag ik in een cel. Ik zag het gezicht van broer Karel voor me en hoorde hem weer zeggen: ‘Schrap de woorden “bang” en “angst” uit je woordenboek. Al word je nog zo hard geslagen, dood ga je niet’.
Twee jappen legden me op een plank en bonden me erop vast met dikke touwen. Eén duwde een trechter in mijn mond, een ander goot met een emmer de trechter steeds vol water. Ik moest het water doorslikken, voelde mijn maag opzwellen en werd daarna hard op mijn maag getrapt, zodat het water door mijn mond, neus, en anus naar buiten werd geperst. Deze foltering werd vier maal herhaald, totdat er bloed uit mijn anus kwam. De touwen werden losgemaakt en ik werd in de hoek van de cel getrapt. De verhoorder trapte me bij elke vraag die hij stelde, half in het Japans, half in het Maleis: ‘Waar heb je je wapens verstopt? Wie zijn jouw vrienden? Voor wie heb je gespioneerd?’
Ik verging van de pijn, alles duizelde, maar ik bleef zwijgen.
Ik wist niet hoeveel dagen en nachten ik in die cel zat, het was er zo donker dat ik dag en nacht niet van elkaar kon onderscheiden. Op een gegeven moment kwam er een officier mijn cel binnen met eten. Hij maakte mij duidelijk dat het mijn galgenmaal was en dat ik om half twee in de middag zou worden onthoofd. Ik kon niet eten, alleen maar kermen van de pijn. De deur ging weer dicht en later weer open. Twee jappen pakten me beet en gaven me ondersteuning op weg naar het bureau van de wachtcommandant. Tot mijn blijdschap zag ik daar oom Soen zitten.
‘Arend, ik kom jou halen. Je bent vrijgekocht. Vraag me niet hoe’, zei hij.
De wachtcommandant verontschuldigde zich voor het ‘ongemak’ dat mij was overkomen.
‘Bakeiro’, mompelde ik.
Hij werd zo kwaad dat ik hem ‘idioot’ had genoemd, dat hij onmiddellijk zijn samoeraizwaard trok. Oom Soen en een andere jap kwamen tussenbeide. Mopperend sleurde oom Soen me naar buiten. Op de Pasar Besar riep oom Soen een betjak, want ik kon nauwelijks lopen. Het leek hem beter om mij niet direct naar huis te brengen, bang dat Mama een zenuwinzinking zou krijgen. Ik zat onder de bloedvlekken en stonk naar urine en stront, als gevolg van de waterfoltering.
Oom Soen bracht me naar tante Kiep in Simo Kwagean. Ze barstte in tranen uit. Ze ontdeed mij voorzichtig van mijn kleren, waste me en wreef me in met kruidenolie, terwijl oom Soen schone kleren voor me haalde bij de buren. Tante Kiep liet me een poosje op de divan liggen en jammerend maakte ze een kruidendrank voor me. Ze vermoedde dat ik een maagbloeding had opgelopen. Die drank deed me vrijwel direct goed.
Oom Soen vertelde me dat hij was ingelicht door een kennis van hem, die had gezien dat ik gearresteerd werd. Oom Soen was allerlei invloedrijke Chinezen langsgegaan om geld in te zamelen waarmee hij enkele kopstukken van de Kem Pei Tai had kunnen omkopen. Volgens hem had ik vier dagen in dat gebouw vastgezeten.

Birney – Tolk van Java, 135-136

[Surabaya 2 – Boeboetan Kerk] 

Op een dag zei Mama: ‘Arend, ik heb besloten ons te laten dopen in de protestantse kerk aan de Boeboetan. Ik heb al een afspraak gemaakt met dominee Laloe, voor de aanstaande zondag. Jij, Ella, je halfzus Poppy en ik worden dan gedoopt. Ik hoop dat jij dan zal opgroeien tot een flinke, brave jongen, die bovendien gelovig is.
Als in een terugdraaiende film zag ik mijn ‘protestantse opvoeding’ op de lagere school voor me. De protestantse onderwijzers die me sloegen met de rotanstok of paardenzweep wanneer ik stotterde bij het opdreunen van psalmen, gezangen en bijbelse teksten. Mijn broers die met me mee naar school gingen om eens een hartig woordje te spreken met die gewelddadige onderwijzers en mijnheer Claproth die door mijn broer Jacob in elkaar werd geslagen, waarop dat ‘protestantse getreiter’ eindelijk eens was opgehouden. Maar Mama’s wil was wet en medio juni 1943 namen we plaats op de voorste rij in de protestantse kerk aan de Boeboetan. Tijdens de dienst moesten we een voor een naar het doopvat, om er in geknielde houding door dominee Laloe te worden gedoopt. Na de dienst hadden we in de consistoriekamer nog een lang onderhoud met deze fantastische geestelijke.
Dominee Laloe was afkomstig uit de Minahasa op Celebes. Merkwaardig genoeg voelde ik me een ander mens na de doopdienst. Het was net alsof God dichterbij was dan ooit tevoren. Mama drukte me op het hart om voortaan veel te bidden, want alleen van God kon ik wonderen verwachten. Zelf had zij altijd de leer van Confusius gevolgd, die van generatie op generatie was overgeleverd en die tot de adat van de Chinezen behoorde. Maar door haar omgang met christenen was ze zich gaan verdiepen in de Maleise bijbel, die haar op andere gedachten had gebracht. Haar zuster tante Kiep en broer oom Soen respecteerden haar nieuw ingeslagen weg maar bleven zelf aanhangers van de leer van Confusius. Veel woorden aan geloofskwesties werden trouwens niet vuilgemaakt in onze familie.

Birney – Tolk van Java, 154

[Surabaya 1 – Kantoor van de Gouverneur] 

Toen de zestiende augustus aanbrak, liep ik gewapend met een gevechtsdolk door de Pasar Besar in de richting van het gouvernementsgebouw. Daar zag ik dat de Japanse vlag werd neergehaald. Even later werd het rood-wit-blauw gehesen. Uit veel woningen boven de winkels hoorde ik het Wilhelmus door de radio schallen. Ik schreeuwde het uit van blijdschap. Maar in korte tijd was ik omsingeld door kwaadwillende Javanen, die hun onafhankelijkheidskreet ‘Merdeka!’ schreeuwden. Ze kwamen dreigend op mij af, ik trok mijn dolk en gaf de eerste die mij naderde een haal over zijn gezicht. Toen de anderen het bloed zagen, deinsden ze terug en waarschuwden ze elkaar: ‘Kijk uit voor die jongeman, hij is een gevaarlijke vechter!’
De volgende dag prikte ik mijn speldje met de Chinese vlag van Nationalistisch China op mijn blouse en weer gewapend met mijn vechtdolk liep ik van Oendahan Koelon naar Djagalan en van daar naar Aloen Aloen Tjontong, waar ik een goed uitzicht had op het gouvernementsgebouw. Tot mijn verbazing zag ik dat het rood-wit-blauw werd gestreken en de rood-witte vlag van Indonesia werd gehesen. Het aanwezige Indonesische volk in de straten was buiten zichzelf van vreugde. Overal werd ‘Merdeka!’ geschreeuwd. De weinige Japanse soldaten die daar nog met het geweer over de schouder door de straten liepen, keken verslagen toe.

Birney – Tolk van Java, 155-156

[Surabaya 1 – Bioscoop Luxor] 

Tegenover de Luxorbioscoop aan de aloen-aloen begon die dag de terreur tegen de jappen. Ik zag een Javaanse jongen met een takeyari een nietsvermoedende Japanse soldaat van achteren aanvallen. Hij stak die speer dwars door het lichaam van die soldaat en riep ‘Sendjata makan toean!’
Er ging een luid gebrul door de menigte en in een mum van tijd werden de aanwezige Japanse soldaten overhoopgestoken met speren. Zelfs als ze dood waren, werd met klewangs op hen ingehakt. Geweren en uitrustingen werden buitgemaakt. Die jappen werden door woedende Javanen totaal verminkt. Het was een verschrikkelijk gezicht. Ik werd er beroerd van.
Ik werd omringd door een stel van die bloeddorstige Javanen en zij schreeuwden mij toe: ‘Meer dan driehonderd jaar hebben de Belanda’s ons gekoloniseerd en vertrapt. Toen hebben de Jappen ons vertrapt. Nu zijn wij de baas! Wij willen onafhankelijkheid! Dat heeft president Soekarno ons beloofd. Wij hebben de proclamatie over de radio gehoord. Na de jappen zijn de Belanda’s aan de beurt. Allen moeten sterven!’
Ik knikte en verwijderde me van het bloedbad. Ik liep in de richting van het viaduct Soeloeng, om te zien wat er gaande was rond het gouvernementsgebouw. Er heerste complete chaos. De inheemse politie had daar niets te vertellen. Rebellerende jongeren hadden zelfs agenten ontwapend. De rebellen ontnamen alle Japanse soldaten hardhandig de wapens en schoten hen koelbloedig neer. Ook enkele Indische mannen werden het slachtoffer van de losgeslagen bende. Toen werd het mij te benauwd en ik haastte me terug naar de Pasar Besar en van daar naar Baliwerti. Maar ook daar was ik getuige van moordpartijen. De menigte was dolgedraaid.
Plotseling werd ik vastgegrepen door een vijftal van die bloeddorstige rebellen. Ze vroegen mij of ik NICA-geld bij me had. Ik wist nog niet wat dat was en ontkende bij hoog en bij laag. Ik haalde mijn identiteitsbewijs tevoorschijn en toen zij dat Chinese pasje zagen, lieten ze mij gaan. Onderweg van Baliwerti naar huis dacht ik bij mezelf: ‘Ik ben een peranakan, gewapend met een dolk. Ik kan alle kanten op, me overal bij aansluiten. Maar er staat maar één weg voor mij open’.

Birney – Tolk van Java, 281-282

[Surabaya 2 – Oranje Hotel] 

Toen op 17 augustus 1945 Soekarno de Republiek Indonesia had uitgeroepen, schreeuwde men meteen om wraak op de Belanda’s. In de avonduren werd feestgevierd en gemoord. Ik stond alleen in de familie. Geen enkel lid had trouw gezworen aan Nederland. Na de Japanse bezetting walgde ik ook nu in deze pas aangebroken Bersiapperiode van die slappe houding, terwijl Jacob en Karel mij bespotten omdat ik die Nederlandse koningin nog nooit had gezien. Ik liet ze maar en verliet de volgende dag gewapend met mijn vechtdolk het huis. Bij de Gentengbrug zag ik Harry Tjong. Hij liet mij zijn boksbeugels zien en riep me mee te gaan naar het Rode Kruisgebouw tegenover het Oranje Hotel, waar gevochten werd tussen Indischen en Hollanders aan de ene, en pelopors aan de andere kant. We haastten ons naar Toendjoengan. Het autoverkeer was ontwricht. Politieagenten en Japanse soldaten renden in de richting van het Oranje Hotel. Een Indische jongen had de moed gehad op het dak van het hotel te klimmen en de Nederlandse vlag aan de vlaggenstok te binden. Enkele pemoeda’s waren ook op het dak geklommen met hun rood-witte vlag en spietsten hem en een Nederlander die hem wilde verdedigen aan hun takeyari’s. We kwamen in een bloedige strijd tussen Indischen en verhitte pemoeda’s en pelopors terecht. De Indonesiërs waren in de meerderheid, gewapend met van de Japanners afgepakte geweren, samoeraizwaarden, revolvers, klewangs en allerlei slag- en steekwapens. Ik trok mijn vechtmes en stak er de eerste de beste pemoeda die ik tegenkwam mee door zijn strot. Ik werd geraakt door een steen en rende weg naar een winkelgalerij aan de Embong Malang en van daar over Simpang naar Ketabang. Daar dacht ik een beetje te kunnen uitpuffen, maar overal zag ik vechtende, moordende en plunderende Javanen. Zelfs vrouwen en kinderen waren niet veilig. Auto’s met inzittenden werden onder vuur genomen en in brand gestoken. Terwijl ik daar liep te wankelen – mijn hoofd deed enorm pijn – kwamen een paar pemoeda’s naar mij toe. Toen zij zagen dat ik een Chinees speldje droeg, boden ze mij hun hulp aan. Een nam zijn zakdoek en veegde het bloed van mijn gezicht. Mijn kleren zaten onder het bloed. Ze vroegen me waar ik gevochten had. Ik loog hun wat voor en liep verder. Ze schreeuwden mij nog ’Merdeka!’ na en liepen een andere richting op. ik nam de kleine zijstraatjes om gevechten te vermijden en bereikte zo ons huis aan de Oendahan Koelon.

Birney – Tolk van Java, 292-293

[Surabaya 2 – Oendahan Wetan] 

Toen ik een dag later over de Oendahan Koelon wandelde, zag ik aan de overzijde van het kanaal pantserwagens en jeeps rijden. Ik rende over de voetgangersbrug naar de Oendahan Wetan om de militaire voertuigen van dichtbij te zien. Inderdaad, het waren Engelse voertuigen. Een van de trucks met Indiase soldaten stopte vlak bij mij. Een Punjabiofficier stapte uit en wenkte mij. ‘Are you Indonesian?’ vroeg hij.
‘No sir, I am Chinese, half-caste Chinees’, antwoordde ik. Vervolgens legde ik hem in het Engels uit, waar hij tegenstand van pemoeda’s kon verwachten. Hij nam een notitieboek uit zijn schoudertas en noteerde mijn inlichtingen. Hij leek me bijzonder dankbaar. Ik vroeg die Punjabiluitenant of ik als gids mee mocht gaan, maar dat weigerde hij. Hij vond dat de tegenstand veel te groot was.
Gedesillusioneerd keerde ik terug naar mijn wijk. Boven Ngemplak zag ik zware rookpluimen hangen. De volgende morgen liep ik over de Gentengbrug naar Ngemplak. In het water dreven onthoofde lijken van Engelse en Indiase soldaten. De straten waren bezaaid met lijken, ook van Indonesiërs. Er hing een vreselijke stank in de tropische hitte.

Birney – Tolk van Java, 293

[Surabaya 1 – Roode Brug] 

Begin november liep ik via Djagalan over de Pasar Besar en de Aloen-Aloen langs kapotgeschoten gebouwen, woningen en omgevallen lantaarnpalen. Mensen zochten vertwijfeld naar slachtoffers en bezittingen. Ik gebruikte veelvuldig het wachtwoord Merdeka om tussen de pemoeda’s door te kunnen laveren. Op de Aloen-Aloen Tjontong aangekomen, ontmoette ik enkele wapenbroeders van Soedjono. Ze vertelden me dat de avond tevoren een Engelse brigadegeneraal was vermoord door de BKR en dat zijn verminkte lijf als voer in de Kali Mas bij de Rode Brug was geworpen. In alle wateren die door onze stad stroomden, leefden talloze vraatzuchtige kleine krokodillen en leguanen en grote rivierschildpadden.

Birney – Tolk van Java, 298

[Surabaya 2 – Kali] 

Vanuit Djagalan liep ik langs de Kali Peneleh weer terug naar Oendahan. Langs de hele oever van de Kali Peneleh zag ik ten dode opgeschreven melaatsen. Sommigen gedroegen zich als kannibalen tussen de leguanen en de dwergkrokodillen. Ze aten het vlees van overledenen, omdat er geen voedsel meer te vinden was. Er hing een ondraaglijke stank. Dergelijke toestanden kwamen voor bij elke rivier die door de stad naar de zee stroomde. Mijn route om later door te breken naar de Britse linies zou langs en door deze rivieren moeten gaan. Ik werd er beroerd van. Waarom hadden die arme stakkers hun laatste rustplaats langs die rivieren gezocht? Ik vermoedde dat er gevluchte romusha’s tussen zaten, dwangarbeiders die na de capitulatie van Japan totaal berooid naar Soerabaja terug waren gekeerd, geen familie meer hadden en in deze geteisterde stad geen voedsel of werk of onderdak meer konden vinden, en zelfs geen aansluiting bij de vechtende pemoeda’s en pelopors. Geplaagd door honger, ziekte en nog meer ontberingen nestelden zij zich in wanhoop en berusting uiteindelijk langs de oevers van de rivieren, wachtend op de dood.

Birney – Tolk van Java, 299-301

[Surabaya 1 – Djagalan] 

Eindelijk brak de nacht aan waarin ik kon uitbreken naar de Engelse linies. Vroeg in de avond had ik tegen Mama gezegd dat ik weer moest wachtlopen maar een paar dagen lang niet thuis zou komen en dat zij zich dus niet ongerust over mij hoefde te maken. Ik ging naar de woning van oom Soen. Volgens afspraak overhandigde ik hem mijn takeyari, mijn zwaar vergiftigde vechtdolk en zakmes. Ik was slechts gekleed in een wit overhemd met korte mouwen en een versleten kakishort. Opzettelijk droeg ik geen insignes. Wel droeg ik mijn portefeuille met de foto’s van mijn ouders en de akte van gelijkstelling aan Europeanen bij me.
Oom Soen vertelde me dat het gouvernementsgebouw onder vuur lag, dat het gebouw van de Kem Pei Tai (het voormalige Paleis van Justitie) aan puin was geschoten, dat de Werfstraatgevangenis was ontzet door Punjabi- en Ghurkagevechtsgroepen en dat daar de meeste Nederlandse en Indische gevangenen tijdig waren bevrijd: hun voedselvoorraden waren vergiftigd door Indonesische cipiers. Die cipiers werden gedood. Ook de hele Chinese wijk vanaf de Rode Brug was heroverd door Engelse troepen.
‘Nu zal ik jou de juiste ontsnappingsroute geven. Volg die nauwgezet! Je loopt van hier naar de Kali Peneleh, langs de oever en dan onder de Djagalanbrug door rechtstreeks naar de spoorwegovergang van het viaduct Soeloeng. Je moet onder het viaduct door naar de rangeerplaats en daar zul je de wacht van een Engelse voorpost tegenkomen. Steek je handen omhoog en spreek hem aan in de Engelse taal. Vraag hem om jou voor te geleiden bij zijn commandant en vertel hem alles over jezelf. Dan kun je hun je diensten als gids aanbieden. Als je straks weg bent, dan zal ik wierook branden en Allah hulp afsmeken voor jou. Ik krijg nu al het gunstige voorgevoel dat je er veilig doorheen komt. De zegen van Allah zij met jou, mijn jongen. Ook Pah Tjillih zal voor jou bidden. Via een koerier onderhoud ik contact met hem’.
ILW Surabaya benedenstad DjagalOom Soen greep mij bij mijn schouders en drukte mij tegen zijn borst. Het liep al tegen middernacht. Ik liep dwars door de kampong Oendahan naar de Peneleh-rivier. Onderweg kwam ik veel pemoeda’s tegen. Ze waren nerveus, keken bedrukt, of waren verdrietig. Gelukkig sloegen ze geen acht op me. Ik zag ook gewondentransporten en trucks met opgestapelde lijken van gesneuvelde pemoeda’s. Dat stemde me tevreden. Bij de Kali Peneleh daalde ik af naar de oever, die bezaaid was met lijken van romusha’s en melaatsen. Talloze leguanen en dwergkrokodillen scharrelden er rond. Het rivierwater stonk verschrikkelijk. Ik vond een lang stok en sloeg ermee op de reptielen die mij in de weg liepen. Hier en daar moest ik tot mijn knieën door dat stinkende water waden. Ik strompelde onder de Djagalanbrug door, richting viaduct. Het was een heldere nacht, maanloos maar met talloze sterren. Gelukkig kon ik in het donker uitstekend en vooral vér zien. Terwijl over en weer werd geschoten, liep ik dwars door die hel naar de spoorweg-rangeerplaats en ik zag daar een Ghurkaschildwacht staan. Niet ver van hem zag ik groepjes soldaten met mortieren schieten. Ik liep recht op die schildwacht af. Hij zag mij al van ver aankomen en nam zijn stengun in de aanslag. Ik hief mijn handen op en riep hem toe: ‘I am a dutchman! A friend!’

Detail kaart Gemeente Soerabaja, Drukkerij v/h H. van Ingen 1940.

Birney – Tolk van Java, 302

[Surabaya 2 – Toendjoengan] 

Die zelfde nacht trok ik mee als gids dwars door de stad naar Dharmo en Wonokromo. Op de door mij aangewezen plekken legden Ghurkasoldaten een dozijn pemoeda’s neer.
Nadat ik in Wonokromo afscheid had genomen van de Ghurkasoldaten, kreeg ik van een legerkapitein een lift tot Toendjoengan, de drukste en voornaamste winkelstraat van Soerabaja, waar van de winkels en andere gebouwen niet meer dan wat puinhopen over was. Over de straat lagen elektriciteitskabels van de tram. Er scharrelden plunderaars rond. Bij het kruispunt naar Genteng dicht bij de resten van het beroemde Whiteaway Laidlaw-warenhuis sprong ik uit de jeep, salueerde en dankte de kapitein. Op zijn beurt dankte hij mij voor mijn hulp als gids.

Birney – Tolk van Java, 302-303

[Surabaya 2 – Brunet] 

Begin december nam ik vroeg weer afscheid van mijn moeder. Ik zei tegen haar dat ik mij aan ging melden bij de politie. Dat stelde haar gerust. Gekleed in een overhemd met witte pantalon met mijn portefeuille in mijn achterzak wandelde ik over Oendahan Koelon langs Gentengkali naar Toendjoengan en verder naar Embong Malang, waar het hoofdkwartier van de AMA Police Force was gevestigd. Ik meldde me bij de wacht. Een agent ontving mij en begeleidde mij naar het kantoor van de inspecteur. Die stond op van achter zijn bureau en drukte mij de hand. Hij liet mij plaatsnemen en stelde mij allerlei vragen. Natuurlijk moest ik hem vertellen dat ik een onwettige Nolan was. Dat kon hij mij natuurlijk niet kwalijk nemen, maar hij vond het wel tragisch.
Na afhandeling van de administratie kreeg ik mijn uniform en verdere politie-uitrusting. Mijn bewapening bestond louter uit een gummiknuppel. Ik vond dat een lachertje, maar onthield me van commentaar. Ik liep van het hoofdkwartier aan de Embong Malang naar Kaliasin, waar ik in het vermaarde Hotel Brunet een kamer kreeg samen met agent Albert Toorop, een blonde Indische jongen, nogal forsgebouwd en introvert van aard.
De volgende morgen was het aantreden geblazen voor het hotel en afmarcheren naar een veldje bij het telefoonkantoor aan de achterzijde van het hoofdkwartier.

Birney – Tolk van Java, 305

[Surabaya 2 – Brunet] 

De straatkant van de voortuin van de politiekazerne in Hotel Brunet, waar ik een kamer deelde met de zwijgzame Albert Toorop, was betegeld. Tussen enkele grote bomen waren zitjes aangebracht voor de personeelsleden en hun gezinnen. Op zekere dag kwamen enkele politie-inspecteurs bij ons hun intrek nemen met hun gezinnen. Ze waren pas bevrijd door Engelse troepen uit Indonesische concentratiekampen, die ironisch genoeg bewaakt werden door Japanners die op hun repatriëring wachtten. Allen droegen kleding gegeven door het Rode Kruis. Op hun gezichten stonden de doorstane ontberingen en emoties nog scherp getekend. Die avond was ik vrij van dienst en hing ik wat rond bij de bar in de prachtige salon van het hotel. Ik nam een pilsje, toen een politie-inspecteur naast mij kwam staan.
‘Goedenavond. Ik ben Van Meeuwen. Hoe is het leven hier?
Ik drukte hem zijn toegestoken hand en antwoordde: ‘Ik ben Nolan, een gewoon agentje 1ste klas. Ik zit hier al sinds 7 december 1945. Hier kunt u met uw gezin veilig leven. De hele omgeving tot aan de zuidgrens van Soerabaja is gezuiverd van pelopors en plunderaars. In dit hotel is het prettig leven en wonen. Het eten is uitstekend. De bediening prima. Meer kan een normaal mens niet wensen in deze rommelige tijd’.
‘Nolan heet je toch, hè? Ik betaal je volgende glas’.
Net had ik mijn glas geleegd of er kwamen twee meisjes naar inspecteur Van Meeuwen en kusten hem op de wangen. Het waren zijn dochters Truusje en Lotje. Hun moeder was in het kamp overleden.

Birney – Tolk van Java, 316

[Surabaya 3 – Politiebureau] 

Het was december 1946. Ik was nog altijd agent der 1ste klasse bij de Algemene Stadspolitie, ingedeeld bij de 2de Sectie aan de Kaliasin. Het werk verveelde me en hoewel het contact tussen mij en Truusje was bekoeld, mocht ik nog altijd de politiemotorfiets van inspecteur Van Meeuwen gebruiken: de Harley Davidson met een tweecilindermotor van 1500 cc.
Op een dag was ik vrij van dienst en toerde ik op de Ardjoeno Boulevard, toen ik mijn oude sobat Nono Sloesen ontmoette. Hij was gekleed in het kakiuniform van de mariniers. Hij vertelde me uitvoerig over de Veiligheidsdienst Mariniersbrigade, waar hij diende. Ik vroeg hem of ik ook in dienst bij de mariniers kon komen. Hij gaf me het advies me te melden bij de kapitein der mariniers Mulder, eveneens een Indische jongen.

Birney – Tolk van Java, 320-321

[Surabaya 2 – Boeboetan Kerk] 

Op een morgen kreeg ik de opdracht om met nog vier andere tolken vijf gevangen pemoeda’s te verhoren. Zij waren leden van de BPRI, een zeer fanatieke guerrillagroepering. Een van de beschuldigingen was dat zij deel uitmaakten van een groep van acht die niemand minder dan dominee Laloe had vermoord op het dorpsplein te Porong. Drie van hen waren nog voortvluchtig. Uit de bekentenissen van het vijftal kwam naar voren hoe deze protestantse geestelijke aan zijn einde was gekomen. Ik vertelde mijn maten dat ik die sympathieke Menadonese dominee Laloe goed had gekend. Dat hij mijn moeder, zuster, nichtje en mij had gedoopt in de protestantse kerk aan de Boeboetan in de Japanse bezettingstijd. De vijf moordenaars zaten geduldig op de grond en keken onverschillig voor zich uit. Ik gelastte hun om snel op te staan. Ik heb ze toen met mijn maten tegen de grond getrapt. Ze kronkelden van de pijn. Toen vroeg ik ze wie dominee Laloe met touwen aan de trekhaak van de truck had vastgebonden. Twee pemoeda’s bekenden. Die heb ik bewusteloos getrapt. Toen ze bijkwamen, vroeg ik ze wie de truck had bestuurd waarmee ze dominee Laloe over het plein dood hadden gesleurd. Ze zwegen. Toen heb ik hun ribben kapotgetrapt. De andere tolken zetten zich achter de schrijfmachines en typten de verhoorrapporten uit.
Dag in dag uit, naast de militaire exercities, moest ik met andere tolken gevangenen verhoren. Het ging er zeer hardhandig aan toe. Telkens zag ik de folteringen voor me die ik voorheen had moeten ondergaan.

Birney – Tolk van Java, 392-395

[Surabaya 2 – Resident] 

Het liep tegen december in mijn 22ste levensjaar. Majoor der mariniers Versteeg stond bekend als een briljant advocaat. Verder werd ik naast commandant de kolonel der mariniers Roelofs bijgestaan door mijn bataljonscommandant, de luitenant-kolonel der mariniers Aberson. Dat was voor mij een geruststellende gedachte. Ook de jongens van het tweede gevangenentransport konden rekenen op de steun van deze opperofficieren. Iedereen in de kazerne was verontwaardigd dat er zo veel tamtam gemaakt werd over die transporten van gevangenen. Politici en bestuursambtenaren maakten zich kennelijk minder druk over de talloze door Indonesische vrijheidsstrijders vermoorde Nederlandse vrouwen en kinderen. Dat zat ons niet lekker. Er werd overal gemopperd, gekankerd en gevloekt.
Terwijl ik stadsarrest had hangende het onderzoek en de berechting, hield ik mij bezig met het intelligencewerk op het AHK. Op een middag in de slaapzaal van de kazerne kwam adjudant Mulder binnenwandelen en zei: ‘Nolan, vanavond moet je met die andere jongens van het tweede transport verschijnen voor een stel hoge pieten in het Residentiepaleis. Er zullen jullie vragen gesteld worden. Je moet wel gekleed zijn in je beste kakiuniform met een das’.
Ik sprong in de houding: ‘Jawel, adjudant!’
‘Je weet waar mijn kamer is. Kom je melden om omstreeks half zeven vanavond en dan gaan we samen weg. Ik breng je daarheen met de jeep. Ik zal jou één ding maar vast verklappen. De gouverneur Van der Plas wil per se een gesprek met jou hebben. Hij kent jouw familie heel goed. Oké, Nolan, tot straks’.
Even na zessen die avond liep ik vanuit mijn barak naar de kwartieren van de onderofficieren en ik zag de jongens van het tweede transport al staan wachten op vervoer. Ik kwam bij adjudant Mulder op de kamer en vroeg hem mij te helpen met het strikken van mijn das, aangezien ik nog nooit zo’n das had gedragen. Hij schoot in de lach, maar hielp mij. Verbaasd keek ik op toen ik de kapitein der mariniers Groeneveld zag aankomen. Ik sprong in de houding en salueerde.
Kapitein Groeneveld zei: ‘Ja, Nolan, ik moet ook van de partij zijn. Maar ik heb je hele zaak goed gelezen. Het wordt inderdaad een krijgsraadbakje, je hoeft nergens bang voor te zijn, gelet op wat jij tot op heden aan het front gepresteerd hebt. Je hebt gehandeld volgens het boekje. Alle kopstukken van de brigadestaf staan achter jou en de anderen van het tweede transport.
Kapitein Groeneveld en adjudant Mulder stapten in de jeep en ik sprong achterin. Bij het Residentiepaleis aangekomen zag ik in de ontvangsthal vele stafofficieren van diverse krijgsmachtonderdelen. Er heerste een bedrukte stemming. Even later kwam de truck met de jongens van het tweede transport. Ook zij waren in gala gestoken. Onwennig keken we elkaar aan. Een landmacht officier begeleidde ons naar een grote zaal. Daar liet hij ons op prachtige stoelen plaats nemen. Vanuit de zaal konden wij af en toe een blik werpen op de grote vergaderzaal, waar alle kopstukken druk over onze noodlottige transporten van gevangenen discussieerden. Ik zag daar onder meer generaal Spoor, gouverneur Van der Plas en kolonel Roelofs. Niemand van ons voelde zich op zijn gemak.
Na lang wachten werden we met zijn allen toegelaten tot de vergaderzaal. We kwamen oog in oog te staan met alle militaire en politieke kopstukken. Generaal Spoor en kolonel Roelofs verdedigden ons, de verantwoordelijken voor beide noodlottige transporten, op felle en hartstochtelijke wijze. Het beroerde was dat wij helemaal niets mochten zeggen.
Maar na afloop van de vertoning werd ik apart geroepen door gouverneur Van der Plas. In de bibliotheek had ik een fijn en langdurig onderhoud met deze grootse man. Hij zei onder meer: ‘Zeg, Nolan, ik ken jouw familie uit het Djemberse heel goed. Voor de oorlog kwam ik nogal vaak bij hen over de vloer. Van welke Nolan ben jij een zoon?’
‘Van advocaat meester Willem Nolan’, antwoordde ik, ‘ik ben de jongste zoon. Heeft u hem gekend? Veel kopstukken hier in Soerabaja kenden wijlen mijn vader’.
‘Jazeker, hij was niet een van die planters, maar ja nu weet ik het weer’, antwoordde de gouverneur.
Daarna vroeg hij mij om hem nog eens het hele voorval van mijn gevangenentransport te vertellen. Uitvoerig heb ik alles opgerakeld. Af en toe kwam een militaire ober ons van koele dranken en sigaretten voorzien. Toen probeerde de gouverneur mij duidelijk te maken hoe de politieke zaken er in werkelijkheid voor stonden. Hij gaf mij de raad om niet alles te bezien vanuit zuiver militair standpunt.
Als militair ben je slechts een instrument van politici, kreeg ik zo zoetjes aan in de gaten. Mijn bloed kookte eerst van woede. Toen volgde verbittering en desillusie. Ik had nog zo gehoopt op een terugkeer naar het leven van voor de oorlog, maar na dit gesprek kon ik alle hoop en illusie wel laten varen. Ik kreeg het gevoel dat we politiek het spel zouden verliezen en alleen militair konden winnen. Aan het eind van het onderhoud sprong ik in de houding en ik dankte de gouverneur, salueerde en verliet met een totaal verslagen gevoel het Residentiepaleis. Van daaruit liep ik linea recta naar Toendjoengan, naar de Marinierskantine om daar alle ellende te vergeten.

Birney – Tolk van Java, 418-420

[Surabaya 2 – Resident] 

Verjaardagen van het Koninklijk Huis warden in Nederlands-Indië veelal op uitbundige wijze gevierd. Daarom zorgde ik er meestal voor dat ik tijdens die feestdagen frontdienst had, want het was geen lolletje om dan in Soerabaja te zijn. Maar op de 31ste augustus 1948 kon ik er niet aan ontsnappen.
Piet Dikotta had me de avond tevoren bij zich geroepen: ‘Arto, morgen is koningin Wilhelmina jarig en overal in de stad worden festiviteiten gehouden. Er is ook een militaire parade en de route gaat onder meer langs de Palmenlaan, de Simpang, over Toendjoengan naar de Pasar Besar en verder. Jij gaat morgen in burger en zonder vuurwapen op pad. Je begeeft je tussen het publiek, vooral langs de route van die militaire parade, en luistert alle gesprekken af. Jij weet wel bij welke personen jij gesprekken moet afluisteren en jij weet ook wel infiltranten te onderscheiden tussen de inheemse bevolking. Begeef je onder hen en denk erom géén geweld! Dat mag alleen als zij jou slaan of bedreigen met de dood. En verder géén contact met meisjes! Breng mij die avondlaat verslag uit van jouw bevindingen. Succes, Arto’.
Waarom ik? Andere tolken, en vooral de getrouwden, hadden meestal vrij van dienst op feestdagen. Altijd was ik de klos als er iets bijzonders moest gebeuren. Ging de brigadecommandant op inspectie langs vrijwel alle frontposten en had hij een dardanel nodig, dan werd ik uitgekozen. Al zat ik ver verwijderd op een frontpost, ze wisten mij altijd wel te vinden. En nu kreeg ik dan weer zo’n counterintelligenceklusje op die feestdag. Dat was geen ongevaarlijk karwei. Het enige wapen dat ik had, was mijn onafscheidelijke vechtmes.
Ik ging al vroeg in de morgen, direct na het ontbijt, in burgerkleding op pad. Mijn dolk had ik aan mijn broekriem bevestigd, met mijn blouse er los overheen. In een betjak reed ik alle pasars langs. Daar liep ik in mijn witte lange pantalon en felgekleurd overhemd tussen het publiek door. Ik merkte talloze infiltranten en spionnen op. Quasi-nonchalant begaf ik mij onder het Indonesische publiek en ik luisterde hun gesprekken af. Met sommige Indonesiërs van wie ik dacht dat zij spionnen waren, maakte ik een praatje. Tijdens die gesprekken kwam ik tot de weinig verbazingwekkende conclusie dat bij de meesten de haat jegens de Hollanders erg diep zat. Zij wilden hun Merdeka ten koste van alles en ik kreeg een onbehaaglijk gevoel over me. Van enkelen hoorde ik het een en ander omtrent sabotageplannen. Steeds wanneer ik voldoende informatie had vergaard, ging ik op zoek naar een radiowagen van onze MP. Kon ik zo’n omroepwagen niet vinden, dan stapte ik een winkel of apotheek binnen en vroeg daar of ik van de telefoon gebruik kon maken. Ik belde dan naar het AHK en maakte een afspraak met Piet Dikotta. Ruim een half uur later ontmoette ik dan een of twee kopstukken op een afgesproken plaats en deelde mijn bevindingen mee. En zo duurde die feestdag voor mij langer dan mij lief was, tot diep in de nacht.

Birney – Tolk van Java, 438-439

[Surabaya 2 – Dienstwoning] 

Ik werkte verder als informant van de inlichtingendienst van de A-Divisie onder leiding van Piet Dikotta en kapitein Groeneveld. Het was geduldig speurwerk.
Mijn eerste grote vis was de 1ste luitenant der mariniers Hoenholtz. Ofschoon ik al uit dienst was, mocht ik nog altijd in de Marinierskantine komen. Door het personeel werd ik nog steeds behandeld als een marinier en dat deed mij goed. Op een avond maakte ik aan de bar kennis met die luitenant Hoenholtz. Hij was van origine een Indische jongen, net zo bruin als ik, zelfs nog veel donkerder. Ook hij sprak Nederlands met het bekende typische Indische accent. Onder het drinken begon hij stevig te kankeren en te schelden op de marine en de achterstelling van kleurlingen, die duidelijk merkbaar was in alle geledingen. Ik kon hem helaas geen ongelijk geven omtrent zijn gevoelens van haat jegens een dergelijke discriminatie. Maar tijdens het gesprek lokte ik hem uit de tent. Hij schold op het Koninklijk Huis, de Nederlandse regering en het hele Nederlandse volk. Ik viel hem geen moment in de rede en liet hem maar uitrazen. Maar alles ging in mijn achterhoofd: een mooi verhaal voor mijn counterintelligencereport. Ik bestelde extra drank en liet Hoenholtz zuipen. Toen sloeg hij door. Hij gaf mij een waslijst van namen van mariniers die overgelopen waren naar de ALRI. De naam van Freddie Onsoe kwam mij natuurlijk bekend voor. Het verbaasde me niets dat hij was overgelopen. Toen Hoenholtz laveloos was, excuseerde hij zich en ging weg. Hij salueerde voor mij met de uitroep: ‘Tetep!’
Dat was een herkenningswoord dat alleen gebruikt werd door leden van APRA-eenheden. Ik koesterde ergens wel bepaalde sympathieën voor deze strijdgroepering. Ze was immers fel gekant tegen het dictatoriale bewind van president Soekarno en stond een federalistische onafhankelijkheidspolitiek voor.
Ik stelde thuis een lijvig rapport op en overhandigde dat aan Piet Dikotta. Hij was niet verbaasd over die ommezwaai van Hoenholtz en gaf mij de opdracht hem verder te schaduwen.
Op een avond stond ik op de hoek van Simpang en keek in de richting van Ketabang. Vanuit de Palmenlaan zag ik een militaire colonne komen. Voorop zes Indonesische MP’s op Harley Davidsonmotorrijwielen en daarachter twee luxe Amerikaanse cabriolets. In de voorste auto zag ik zowaar Hoenholtz in een smetteloos kakiuniform van de ALRI zitten. Aan zijn onderscheidingsteken kon ik zien dat hij de rang had van commodore. Snel lopend volgde ik de stoet en ik zag dat die stilhield in de grote tuin van de voormalige woning van schout-bij-nacht Koenraad. In de voorgalerij wemelde het van de officieren van Indonesische strijdmachtonderdelen. Allen waren kwartiermakers. Terwijl de Nederlandse strijdkrachten zich langzamerhand terugtrokken en zich gereedmaakten om dit mooie land te verlaten, werden al hun opengevallen plaatsen bezet door eenheden van de Indonesische strijdkrachten.

Birney – Tolk van Java, 439-440

[Surabaya 2 – Resident] 

Ik zal die 31ste augustus nooit vergeten. Nog altijd werd de verjaardag van koningin Wilhelmina gevierd. Op de Simpang werd door de gouverneur en andere hoogwaardigheidsbekleders een militaire parade afgenomen. Behalve eenheden van de Nederlandse strijdkrachten namen ook enkele eenheden van de TNI aan de parade deel, als teken van verzoening tussen beide strijdmachten. Zo kon ik met geen mogelijkheid in een feeststemming komen. Het was al bijna middag toen de troepen voorbij de eretribune paradeerden. Eerst kwamen de mariniers, direct gevolgd door de marine en daarna de vele onderdelen van de landmacht. Vervolgens kwamen de diverse onderdelen van het KNIL met daarachter verschillende eenheden van de TNI en de ALRI. Toen de vijandelijke strijdkrachten voorbij marcheerden, keek ik met verbijstering naar hun moderne bewapening, die ze via smokkel hadden verkregen. Ik kreeg een verbitterd gevoel, mijn bloed begon te koken toen ik al die pelopors voorbij zag marcheren. Velen hadden zelfs geen schoenen aan. Het was een belachelijk gezicht. Maar ik zag ook dat die TNI-onderdelen betere typen bazooka’s hadden, betere typen mortieren dan wij bij de mariniers. Ik vloekte.
Na de parade reed ik in een betjak door de meest obscure achterbuurten in de benedenstad. Daar ontmoette ik mijn oude Indonesische vrienden uit onze KES-schooltijd: Soekaton, Soedjono, Soetjipto en Soemarsono. Allen droegen hun TNI- en ALRI-uniformen. Ik werd door hen omhelsd en gezamenlijk gingen we in een Javaanse cafetaria zitten eten, drinken en babbelen.
Raden Soekaton zei tegen me: ‘Arto, nu zijn wij vrij om onze uniformen en wapens te dragen. Binnenkort krijgen we onze Merdeka en dan is het definitief afgelopen met het kolonialisme. Wij voelen ons erg gelukkig, maar we zien grote droefheid in jouw ogen. Waarom, Arto? Jij bent toch ook een kind van dit land. Wij zijn sinds de KES-tijd gezworen kameraden. Ooit hebben wij samen kattekwaad uitgehaald. In de jappentijd hebben we samen verzet gepleegd. Alleen met onze revolutie heb jij aan Nederlandse zijde gevochten en dat vinden wij niet juist. Toch hoor je bij ons. Jij bent voor altijd onze vriend, ja zelfs onze broeder. Arto, je bent nu uit dienst. Wat let jou om aan onze kant te komen.
Meewarig keek ik Soekaton aan en ik verzuchtte: ‘Sorry Soekaton, ik haat jullie strijdkrachten, vooral vanwege hun onmenselijk wrede optreden tegen onschuldige burgers en het in stukken snijden van lichamen van soldaten. Daarbij moeten jullie niet vergeten dat kort na de proclamatie van jullie Merdeka door president Soekarno talloze vrijheidsstrijders zich schuldig hebben gemaakt aan gruwelijke massamoorden. Ik heb het met eigen ogen gezien.
Nadat ik dat gezegd had, zweeg iedereen en ik zag dat mijn Indonesische vrienden het moeilijk kregen met zichzelf.
‘Maar Nolan, Arto’, probeerde Soetjipto zich te verontschuldigen, ‘bij elke revolutie en elke oorlog worden onschuldigen geofferd. Dat is door de hele geschiedenis van de mensheid al zo, dat weet je’.
‘Oké, dat ben ik met jou eens. Maar de manier waarop die onschuldigen aan hun eind komen is te veroordelen. Wanneer je iemand tegen de muur plaatst en hem neerknalt, nou ja, daar kan ik inkomen. Maar zo’n persoon eerst verkrachten, dan langzaam doden, daarna in stukken snijden en aan de krokodillen voeren, wat is dat voor manier van doen? Of iemand levend begraven? Dat kan er bij mij niet in. Begrijpen jullie dat?
‘Nou jongens, broeders, laten we maar over prettiger onderwerpen praten. De oorlog is nu voorbij. We moeten alle wreedheden zo snel mogelijk vergeten’, besloot Soemarsono.
Ik had ook geen behoefte meer om verder die gruweldaden te discussiëren. En wéér begon ik innerlijk die verscheurdheid te voelen terwijl ik tussen mijn oude sobats zat.

Birney – Tolk van Java, 467

[Surabaya 1 – Kantoor van de Gouverneur] 

Kort nadat ik het rechtbankvonnis omtrent mijn weigering te opteren voor de Indonesische nationaliteit had ontvangen, ging ik naar het gouvernementskantoor aan de Pasar Besar. Daar vroeg ik een paspoort aan. Aan de balie werd ik te woord gestaan door een lieftallig Indisch meisje.
‘U heeft een paspoort nodig voor Holland, meneer Nolan?’ vroeg zij met een lieflijk stemmetje.
‘Ja, juffrouw. Hier heeft u mijn rechtbankvonnis omtrent die nationalisatiekwestie.’
‘O, meneer Nolan’, vervolgde dat meisje, ‘u heeft de Indonesische nationaliteit afgewezen, lees ik hier. Waarom meneer? Ik heb het warga negara-schap wel geaccepteerd. Mij wacht hier een rooskleurige toekomst, weet u? Ik heb een Indische vader en hij is van het Indo Europees Verbond. Hij heeft mij erg veel lelijke dingen verteld over de Nederlandse regering en het Indische gouvernement’.
Ik had er geen zin om met dergelijke overlopers in discussie te treden. Ik vroeg dat meisje om mij spoedig te helpen aan een paspoort voor Nederland. Enkele dagen later kwam het bericht van de burgerlijke stand dat ik mijn paspoort kon afhalen. Tegelijkertijd kreeg ik met Ben de Lima, Harry Rijckaerdt en Jonker Laperia het verzoek van de chef d’equipage ons te melden in het Rode Kruisgebouw aan de Toendjoengan voor het in ontvangst nemen van de nodige winterkleding.

Birney – Tolk van Java, 467-468

[Surabaya 2 – Loge] 

We gingen eerst naar het gouvernementsgebouw aan de Pasar Besar. Ik meldde mij bij een van de loketten en een ambtenares overhandigde mij mijn paspoort. Het document had een groen omslag. Binnenin stond vermeld ‘Nederlands onderdaan’. Dus was ik nog steeds geen officiële Nederlander. Onverschillig haalde ik de schouders op.
Gedrieën gingen we verder naar het gebouw van het Rode Kruis voor onze winterkleding. Het was daar een gezellige drukte. Enkele hulpvaardige dames taxeerden ons eerst van top tot teen voor de maten van de kledingstukken die wij zouden moeten hebben. Elk van ons kreeg eerst twee hemden met lange mouwen, twee onderbroeken met lange pijpen, drie overhemden en een zwarte dikke pantalon. We bekeken dat ondergoed en schoten in de lach. Ook andere Indischen begonnen te lachen om die komische hemden met lange mouwen en onderbroeken met lange pijpen. We noemden dat ‘spookpakken’. Kostuums en overjassen kregen we niet, omdat die kledingstukken voor ons niet voorradig waren. Ten slotte kregen we elk nog twee dassen. Lachend en grappend liepen we het gebouw uit en wij gingen naar de Marinierskantine om wat te drinken.
Terug in de kazerne ontmoette ik de chef d’equipage en ik liet hem mijn paspoort zien. Hij verslikte zich zowat en tierend riep hij uit: ‘Godverdomme, hoe halen die ellendelingen het in hun hoofd om jou niet de Nederlandse nationaliteit te geven? Jij bent in dienst van de Koninklijke Marine, jij staat onder de maritieme krijgstucht. Jij bent een Nederlander, godverdomme, voor de hele marine ben jij Nederlander, godverdomme, zijn die lui nou helemaal de-god-gloeiende-godverdomd, godverdomme!’

Birney – Tolk van Java, 529-532

[Surabaya 1 – Roode Brug] 

Volgens Nana hebben de Spanjaarden hem ‘stijlvol en doelmatig’ begraven. Wat mij betreft hadden ze hem voor de krokodillen en de haaien gegooid in Soerabaja, waar hij op de wereld is gekomen. Niet uit wraak voor wie hij wat ook aandeed, maar als idee voor de ultieme thuisvaart. De perfecte recycling. In zijn geliefde Amerika schijnt het mode te zijn, dat ecologisch sterven: zieken lopen er de woestijn of bossen in en laten zich opvreten door de gieren of alligators. Maar de krokodil leeft niet meer in de kali van zijn geboortestad, die staat alleen nog in het stadswapen van Soerabaja.
De geschiedenis luidt dat Soerabaja in 1293 is gesticht door ene Radèn Wijaya. De naam Soerabaja komt van de haai Soera en de krokodil Baja, tegenwoordig gespeld: Sura en Baya. In het stadswapen zijn de dieren in een eeuwig gevecht verwikkeld, verstild in de rivier de Kali Mas: de Gouden Rivier. Ik ben er ooit een kijkje wezen nemen, die ene keer dat ik in Indonesië was. De Kali had nog het meest weg van een vervuilde Amsterdamse gracht, bij een temperatuur van 32 graden. Dat daar ooit krokodillen zwommen, kon ik me gemakkelijk voorstellen, maar een haai moet wel erg de weg kwijt zijn geweest.
Onmogelijk is het niet, de Kali Mas stroomt immers naar zee en de dieren kunnen elkaar in brak water hebben ontmoet. Hier in Holland is ooit een walvis in de Rijn aangetroffen. Die hebben ze netjes weer naar zee geloodst, want Hollanders zijn erg menselijk als het om dieren gaat. En mijn vader ook, te oordelen naar zijn memoires.
Sinds de Arend dood is, valt er weinig meer voor mij te haten. Er zijn zelfs ogenblikken waarop ik met zoiets als liefde aan hem terugdenk. Ik ben nu dan tóch net zo’n sterveling als ieder ander geworden die ‘over de doden niets dan goeds’ zegt. Maar ik heb zijn begrafenis gemist, heb mijn warme hand niet op zijn koude voorhoofd kunnen leggen. Vreemd dat vanaf zijn dood mijn nachtmerries zijn verdwenen. En dat ik weer overdag leef, net als ieder ander mens.
Ik heb met Kleine Zus besproken om onze vader over vijf jaar, wanneer zijn graf zal moeten worden geruimd, omdat het voor die periode verzekerd is, met kist en vlag en wimpel alsnog te laten cremeren. Ik neem dan het vliegtuig naar Java met zijn as in een urn, die ik bijzet bij het graf van zijn moeder. Maar misschien is het beter om naar de Rode Brug over de Kali Mas te gaan om zijn as over het water uit te strooien.
Onlangs vond ik een mislukte foto terug van mij op de Rode Brug daar in Soerabaja. Mijn neefje, de kleinzoon van die vermoorde Japanse officier, heeft mijn fototoestel bewogen toen hij afdrukte. Het is net alsof een spook zich over de brugleuning buigt en diep in het water kijkt. Ik was in mijn vaders voetsporen getreden, maar zonder dat ik er erg in had. Ik was er vreemd. Ik voelde mij er vreemd. Hij was gekomen van heel ver, als eeuwige vreemdeling, hij had zich opgericht als een monster uit een grauwe en koude zee, waar hij dacht zijn verleden van zich af te kunnen spoelen. Het waren er velen die hij achter zich liet: geslagen, verkracht, vermoord, drijvend in de kali die stonk naar de dood en die hem begeleidde naar de haven van vertrek aan de monding van de rivier op de noordoostelijke punt van Java. Hij vertelde me zijn verhalen van de oorlog, avondenlang, zoals een ander zijn kinderen sprookjes vertelt. Hij vertelde me hoe hij dood en verderf zaaide met zijn krijgsmakkers in de dorpen van zijn jeugd. Wilde hij zijn jeugd met vlammenwerpers en granaten te lijf gaan, om zo de sporen van zijn schaamte en de schande van zijn onwettigheid uit te wissen? Hij werd nooit erkend door zijn vader, maar zijn moeder gaf hem het leven niet om de levens van anderen te verwoesten. Bleef hij innerlijk altijd dat jochie dat niets anders wilde dan schieten op vleermuizen, muizen en ratten toen hij later met steeds betere geweren grotere prooien najoeg? Een stel vrienden van die grotere prooien joegen op hun beurt hem op toen de strijdbijl tussen Nederland en Indonesië eigenlijk al was begraven. Hollandse mariniers zorgden voor zijn vrijgeleide naar de boot. Zes weken lang voer hij op zee en toen hij Holland zag, werd hij zo wanhopig dat hij niets liever had gewild dan overboord springen om terug te zwemmen naar Java. Was hij nou gek geworden in de oorlog of eenvoudig gek geboren? Het moet in hem hebben gezeten. Hij had slechts een decor nodig waarin hij zich kon uitleven. Karma. Pech. Vervloeking. Whatever. Het maakt allemaal niet uit, je hebt het niet in de hand hoe je als mens wordt geboren en hoe je je als mens een weg baant door het leven. Mijn vader voer naar zijn vaderland, ik nam het vliegtuig naar zijn moederland. Ik doorkruiste heel Soerabaja, zonder kennis van zijn manuscript, de namen van de straten, lanen, pleinen en kampongs die hij allemaal noemt. Het water zag strontbruin, het stonk er en er scharrelden arme Javanen rond. Het water heeft een lang verleden. Als ik de as van mijn vader over dat water ga uitstrooien, dan zal ik even oud zijn als hij toen hij zijn memoires af had. Lang heb ik als een gek zijn waanzin bevochten. Nu ben ik een vermoeide brug die zich over een verleden buigt zonder zijn eigen spiegelbeeld in het water te zien. Ik vecht niet langer, ik hou ermee op.