Boeddha-ring is een verhaal uit de bundel De juwelen haarkam.

Dermoût – Boeddha-ring, 76-78

[Borobudur 0 – Positie] 

In de bergen, in de heuvels, overal ruïnes.
En wat er opgegraven werd van brons, van koper, van goud.
Sieraden, kleine beeldjes, gebruiksvoorwerpen – lampjes, bedelnappen, bekers met de dieren van de dierenriem, gongs, trommen, tempelbellen, én ringen, veel ringen! ook die hele kleine, gladde gouden ringetjes met een teken, een letter misschien? die zo dikwijls gevonden werden, van het allerbeste goud, twintigkaraats wel, maar zo klein, te klein voor de kleinste kinderhand – dat waren de ringen van de duiven geweest.
En dit was dan een tempelring, het middenstuk van de ring leek een miniatuur tempeltje: vier vierkante verdiepingen, drie ronde, precies zoals de Boroboedoer, onderaan breed, naar boven smaller toelopend, bovenop in de zevende verdieping een bolle witte steen – een kleine koepel, een stoepa zou het kunnen zijn?
Hij begon met een briefje te schrijven naar een boekhandel in de grote stad om een boek over de Boroboedoer, of een van de andere tempels, het mocht vooral niet duur zijn. Zij zonden hem een boekje – de Tjandi Boroboedoer – zonder een enkele afbeelding, maar hij las er graag en altijd opnieuw in, al begreep hij ’t niet alles.
Eerst had hij er de vrouw ook van willen vertellen, vragen of zij het begreep? maar die gaf er niet veel om, zij wilde liever naar het dorp, een klein gokje wagen.
Zo wachtte hij dan tot zij weg was, en ging alleen in de slaapkamer zitten, niet in de open galerij dat hun bediende het zien kon, het boekje op tafel, zijn vinger er bij – hij las niet zo makkelijk – de Boeddha-ring naast het boekje, en hij las –

Dermoût – Boeddha-ring, 78

[Borobudur 1 – Dertiende] 
[Borobudur 1 – Acht en twintigste] 

Het meeste was een uitleg bij de gebeeldhouwde stenen reliefs van de verschillende omgangen met de verschillende levens van de Boeddha op aarde – de nummers stonden er bij.
Eén omgang ging over het leven van de historische Boeddha, de prins Siddharta.
De legenden bij zijn geboorte bijvoorbeeld:
Het vierde tafereel (no 1 na de eerste hoek) stelt mogelijk de aanstaande Boeddha voor zijn lotustroon aan de zijde der drie vroegere Boeddha’s verlatende om uit den hemel naar de mensenwereld op aarde af te dalen.
Het dertiende tafereel (vierde hoek no 2) teekent de Boeddha in de gestalte van den door lotuskussens gedragen jonge witte olifant tot zijn aanstaande aardse moeder afdalend, die slapend door dienaressen bewaakt wordt (de droom van koningin Maya).
Het acht en twintigste tafereel (hoek 9 no 1) zegt ons hoe in den lusthof Loembini de Boeddha geboren wordt, en hoe deze onmiddellijk daarna zeven schreden naar elk der vier windstreken, en naar het zenith deed, een regen van lotusbloemen daalt op hem neder, lotusplanten ontluiken onder zijn voeten, de maansikkel aan zijn achterhoofd.
Hij begreep het niet erg goed –
Het verdere leven van de prins Siddharta, zijn ontmoetingen in de wereld, het afstand doen, zijn dienen als bedelmonnik, als boeteling, het verwerpen daarna van alle ‘versterving’, Boeddha-wording, prediking, zijn dood – alles bij elkaar honderd en twintig taferelen.

Dermoût – Boeddha-ring, 79

[Borobudur 3 – XIX] 
[Borobudur 3 – XXII] 
[Borobudur 3 – XXX] 
[Borobudur 4 – 194] 

Of uit zijn vorige levens.
(Zevende hoek no’s 15, 16, 17 en achtste hoek no 1). In het meer Manasa heerscht de Verlichte als koning over vele honderdduizende zwanen.
(Negende hoek no’s 5, 6, 7, 8 en 9) verdwaalde en uitgeputte reizigers, verbannen uit hun land, ontmoeten op hun weg in ’t woud een olifant. De olifant, de Verhevene, wijst hun met zijn slurf den weg naar een water – zelf stort hij zich van een rots dat zij voedsel zullen hebben.
(na de Westelijke trap no’ s 6, 7, 8 en 9) de Heer als schildpad in zee neemt de in doodsgevaar verkeerende bemanning van een zinkend schip op zijn rug, en draagt die naar den wal.
En daartussen in:
Een oud zeeman in ruste, die toch nog eens weer gaat varen om een schat voor anderen te halen.
Een Brahmaan met zes broeders en een zuster in het oerwoud levend, die iedere dag ieder één bosje lotusstengels aten, en anders helemaal niets!
Soetasoma de prins die een leeuwenzoon bekeert.
En zo verder, zo verder –

Dermoût – Boeddha-ring, 80-81

[Borobudur 3 – XXII] 

Het stond er niet erg duidelijk, en hij begreep het niet zo goed, ook niet wat er stond over de zittende Boeddhabeelden, en over de verschillende ‘handhoudingen’. Dan schoof hij wel eens de ring aan een van zijn vingers van zijn rechterhand, aan de ringvinger of aan de wijsvinger, legde de hand voor zich neer met de palm plat op tafel, en keek, en zag telkens opnieuw verwonderd hoe de ring aan zijn hand niet misstond, neen – het gouden tempeltje met de kleine witte koepel stond rustig overeind op zijn sterke rechte bruine vingers.
Dan gebeurde er soms iets met hem – hij begreep het niet – hoe kon het dat hij daar in dat kleine snikhete slaapvertrek het harde geruis, het geklepper, de waaiende koelte voelde van vele honderdduizende witte zwanevleugels, overal om hem heen? Hij wist niet hoe een zwaan er uitzag, hij had er nooit een gezien in zijn leven.
Een schildpad evenmin – hoe kon hij dan weten dat zijn schild zo mooi getekend was in rose en geel en bruin en zwart? en hoe hij met zijn op- en neer flappende zwemvinnen het blauwe water doorkliefde?
Een olifant had hij eenmaal gezien in een rondreizend circus, hij wist nog wel de rustige grijze kracht van het grote dier, zijn kleine wijze twinkelogen, diepin.
Hij keek in de ogen van een zeeman, die een leven lang over alle zeeën getuurd hebben, en die er moe van zijn – hij? hij had nooit een zeeman gezien, nooit één zee – Hij zag de kluizenaars, zeven stuks en een vrouw, en hoe mager en verstorven en heilig zij wel waren. En de leeuwenzoon, rechtop lopend met zijn gele manen, geweldig!
Hij begreep er niets van.

Dermoût – Boeddha-ring, 81-82

[Borobudur 0 – Buddhafiguren] 
[Borobudur 0 – Westen] 
[Borobudur 0 – Noorden] 
[Borobudur 0 – Oosten] 
[Borobudur 5 – 5de balustrade] 
[Borobudur 5 – Zesde] 

Een enkel maal probeerde hij toch de ‘handhoudingen’ na te bootsen, zoals het stond in dat boekje, al begreep hij het dan niet al te best – het was alsof zijn handen, zijn rechterhand vooral, de hand met de ring het wel begreep, buiten hem om wist wat hij nog niet wist, nog niet begreep, en als uit zichzelf de ‘handhoudingen’ aannam:
Het Wiel, de Wetmatigheid, waaraan alle schepselen gebonden zijn – beide handen gekromd over elkaar gebogen.
De Overpeinzing daarover – beide handen op elkaar rustend, palmen opwaarts.
De Lering daarover – de rechterhand recht omhoog, de palm naar voren, wijsvinger en duim naar elkaar toegebogen.
Dan de Belofte – de rechterhand met de palm omlaag naar de aarde wijzende, die tot getuige roepende.
De Schenking – de open rechterhand, palm opwaarts, plat naar voren uitgestoken.
En de Vertroosting – de rechterhand met de palm naar voren gekeerd, alle vingers, ook de duim, recht omhoog.
En hij daar in die kamer, die zelf nooit iets beloofd en geschonken had, en aan wie ook nooit iets beloofd en geschonken was geworden – wist ineens wat een belofte inhoudt – wat een geschenk is –
Hij, zich nauwelijks bewust van eigen en aller mensen tekort: hun scheidingen en eenzaamheid, hun falen, en smart en Angst – dat alles dat om vertroosting vraagt, wist op eenmaal hoe het is vertroost te worden. Hoe kon dat? Dat kon toch geen mens begrijpen?

Dermoût – Boeddha-ring, 82-83

[Borobudur 0 – Noorden] 

Een enkel maal, niet dikwijls, stond hij op, liep een paar passen in de kleine slaapkamer tussen de smoezelige gordijnen van het bed en de kapstok; hij liep rechtop met stijve passen, de linkerarm afhangend langs zijn zij, de rechterhand met de ring even gebogen voor zich – en het was alsof hij een ander was, die ergens liep waar hij nooit tevoren geweest was – een grote heer wandelend in een lusthof onder de vijgenboom langs een gebeeldhouwde vijver vol lotusplanten, waar pauwen kwamen drinken, en kleine herten – een goede heer, waardig een gouden tempeltje aan zijn rechterhand te dragen.
Dan schoof hij de ring weer van zijn hand, legde hem met het boekje neer op een van de planken van zijn kast naast het dichtgeplakte kartonnen doosje met een gleuf er in, zijn spaarpot. Hij was begonnen te sparen om een reisje te maken, hij wilde de Boroboedoer zien – volgen wij den weg, dien de pelgrim insloeg – zo stond er in dat boekje.
Het zou lang duren, dat wist hij wel! Hij wilde gaan zoals hij dacht dat het een grote, een goede heer betaamt, niet alleen! – met een vrouw, met een bediende, en zij moesten allen netjes aangekleed zijn.
Voor de vrouw een nieuwe batiksarong en slendang, een gebloemd baadje, een paar grote platte oorknoppen, een ring, en misschien sloffen! voor de jongen een zwart broek en buis, en ook een korte batikkain, een smalle batik hoofddoek, zo schuin omgestrikt, een horloge? ach –
Er moest ook geld zijn om een eindje met het ‘spoor’ te gaan, en om onderweg hier en daar aan een stalletje een kopje koffie te drinken, een koekje te eten, een strootje te roken, alle drie –
En dan zouden zij bij de Boroboedoer komen: hij wist nu precies van alle omgangen – waar zij beginnen moesten, hoe zij lopen moesten, in welke richting –
Hij moest ook aan de bloemen denken, en gele zalf om te offeren bij een van de zittende Boeddha-beelden, hij had gedacht bij die met de hand van Vertroosting –
Totdat op een dag de ring weg was – weg uit zijn kast! met het doosje.