Samengesteld door Alfred Birney, Uitgeverij Contact, Amsterdam/Antwerpen 1998

Bontekoe in: Oost-Indische inkt, 22-24

[Jakarta – Kasteel Batavia] 

Willem Ysbrantsz Bontekoe (1587-1657) werd geboren in Hoorn, net als Jan Pietersz. Coen. Hij voer als schipper voor Hoornse en Amsterdamse kooplieden langs de Europese kusten eer hij in 1618 in dienst trad van de VOC. Hem wachtte een zevenjarige zeereis die hem legendarisch zou maken. Zijn verslag hiervan in het Journael ofte gedenckwaerdige beschrijvinghe van de Oost-Indische reyse van Willem Ysbrantsz. Bontekoe van Hoorn werd het meest gelezen volksboek in de zeventiende en achttiende eeuw. Het is vertaald in de moderne talen en zelfs in het Javaans en Soendanees en werd eeuwen later bewerkt als jeugdboek, stripverhaal en tv-scenario, waarmee het het bekendste oude reisverhaal uit de Nederlandse geschiedenis is gebleven.
Wy ginghen inde stadt, quamen voor ‘t hof (daer de Generael Ian Pietersz. Koen van Hoorn, sijn residentie hiel). Wy vraeghden de hellebaerdiers, of sy wilden vragen of wy eens by de Generael mochten komen, hadden hem te spreecken. Sy liepen heen, quamen weer, werden binnen ghelaten, en quamen by hem. Hy wiste van onse komste niet, maer ons bekent maeckende, heette ons wellekoom. Doen most het groote woordt daer uyt met ons, en seyden: Heer Generael: wy sijn op sulcken tijt, met het schip Nieu-Hoorn uyt Tessel gevaren, en op sulcken tijdt, omtrent de Straet Sunda ghekomen, op sulcken hooghte, daer hebben wy ‘t ongeluck gehadt, dat ons schip in de brandt is geraeckt, en wegh ghespronghen, en verhaeldent hem al van stuck tot stuck, hoe en waer door dat het gheschiedt was, wat (hoeveel) volck dat wy verlooren hadden, en dat ick self met het schip opgevlogen was, doch door Godts genade, met noch een jongh-man ghesalveert (gered), en ben tot heden toe bewaert, de Heer zy gelooft. De Generael dit hoorende, seyde wat helpt het, dat is een groot ongeluck. Hy vraeghde nae alle omstandigheyden, en wy seydent hem al, ghelijck alst gheschiedt was. En hy seyde al (de hele tijd): wat helpt het, dat is een groot ongheluck. Ten laetsten seyde hy: jonghen, brenght my de gouden kop (beker) hier, hy liet daer spaensche wijn in schencken, en seyde: geluck schipper, ick brengh u eens (ik drink u toe), ghy meught dencken dat u leven verlooren is gheweest, en dat het u van Godt almachtigh weder is gheschoncken; blijft hier en eet aen mijn tafel, want ick ben van meningh te nacht te vertrecken, nae Bantem, nae de schepen, om eenigh ordre te stellen, blijft hier soo langh tot dat ick u ontbiede, of dat ick hier weder koom. Doe brocht hy ‘t de coopman oock eens; hadden noch verscheyden discoersen (gesprekken). Eyndelijck vertrock hy, en wy bleven daer en aten aen syn tafel, de tijt van acht dagen, doen ontboot hy ons weder by hem, voor Bantem, in ‘t schip de Maeght van Dordrecht, daer wy te vooren aen gheweest waren; en hy ontboot my eerst by hem, en seyde: schipper BonteKoe, ghy meught by provisie (voorlopig), tot naerder ordre, gaen op ‘t schip de Berger-Boot, en nemen aldaer het schipperschap waer, als ghy te vooren gedaen hebt. Ic seyde: ic bedancke mijn Heer Generael voor die gunst.
Twee of drie daghen daer nae, ontboot hy de coopman Heyn Rol, en seyde coopman, ghy meught by provisie tot naerder ordre gaen op ‘t schip de Berger-Boot, en nemen aldaer het coopmanschap waer, als ghy te vooren ghedaen hebt. Doen waren wy weder by malkander, en hadden weder te commanderen.
Het Berger-Boot was een kort schip, met 32 stucken (kanons), en leek of ‘t vol geschut lagh, meest (bijna overal) twee lagen hoogh. Wy voeren in ‘t voorste van ‘t jaer 1620 na Ternaten, hadden ons schip met vleesch, speck en rijs gheladen, als oock veel amonitie van oorlogh, om de forten aldaer te versien, waren met ons drie schepen, te weten: het Berger-Boot, daer ick op was, de Nepthunus, en de Morgen-Star, deden in passant Gresse (Gresik, kustplaats op Oost-Java) aen, een opper-koopman, Wolter Hudden van Rijga in Lijflandt (Riga in Letland) die daer lagh, scheepten ons in menighte van koebeesten, hoenderen, gansen, arack (rijstbrandewijn), swarte suyker (Javaanse suiker). Het voer voor de beesten was rijs, die noch in de dop was, gelijck sy van ‘t landt afghesneden was, ghenaemt paedje (rijst). Staecken doe weder van Gresse af, voeren al by ‘t landt langhs, voor by de Straet van Baly (Straat Bali, tussen Java en Bali), om de hooghte te krijghen, tot het landt van Soloor (Solor, eiland ten oosten van Flores) toe, want het mouson was verloopen (de moesson was voorbij), hoopten daer door te beter Ambony (Ambon) aen te seylen, doch voor ‘t gat van Soloor komende, quam den koopman van ‘t fort aen ons boordt, genaemt Raemburgh van Enchuysen, die sijn residentie aldaer hadde, ende seyde dat daer een vleckjen (dorpje) ontrent lagh, ghenaemt Laritocken (Laratuka), waer uyt de specken en mostiesen (Portugezen en mensen van gemengd bloed), daer woonende, grooten afbreuck deden in onsen handel, en dat het nu den rechten tijdt was (dewijl wy daer nu met ons drien waren) om ‘t voornoemde vleck af te loopen. Waer over wy resolveerden het selfde te onderlegghen (overmeesteren), voeren wij daer nae toe, verselschapt met eenighe corrakorren (grote, overdekte prauwen), en een groote menighte van vaertuygh daer van ‘t landt, die mede voeren, om te sien hoe ‘t af soude loopen, doch quamen niet om te helpen. Wy liepen onder ‘t fort en ‘t vleckjen, schooten daer dapper in, en sy weer op ons, onder ‘t schieten, landen wy ons volck, maer die van de stadt, deden 2 a 3 uytvallen, en dreven de onse te rugh, soo datter omtrent 20 a 25 van ons volck bleven leggen, en noch veel gequetst (gewond), mosten daerom vertrecken, sonder yets uytgherecht te hebben, haelden ons water, en namen ons af-scheydt van den opper-coopman Raemburgh, en stelden onse koers N.O. aen, om boven het eylandt Batamboer, te seylen, kregen het in gesicht, lietent aen bag-boort van ons leggen, stelden doen den koers noord-oost ten noorden, om de eylanden van Boero rn Blau (Buru en Ambelau) te beseylen, de welcke wy mede aen bag-boort lieten legghen. Liepen doe nae het eylandt Amboyny, doch konden het door verleydingh vande stroom niet beseylen, raeckten daer beneden om tusschen twee kleyne eylandekens deur, in een in-wijck genaemt Hieto (Hietoe, noordelijk deel van Ambon) en Combello (Ternate) lagh daer teghen over, alwaer veel nagelen vallen (kruidnagel te krijgen is), van Hieto kanmen met een paert, in korter tijt op Ambony rijden. Wy vonden alhier 3 commandeurs, te weten: den governeur Hout-man van Alckmaer, den governeur ‘t Lam van Hoorn, met den governeur Speult. Het Lam hadde sijn residentie op Maleyen (Ternate), die governeur Speult op Ambony, en Hout-Man worde gedestineert met ons te gaen nae Baets Ian (Bgacan), alwaer wy quamen. En nadat wy aldaer 4 a 5 dagen gelegen hadden, namen wy ons af-scheyt. Den opper-coopman worde van ‘t fort gelicht (opgehaald), alsoo sijn tijdt geexpireert (afgelopen) was, en onsen coopman Heyn Rol, worde in sijn plaets gestelt. Voeren voort aen alle forten in de Moluckes, en versagense met vleys, speck, rijs, oly, asijn, en andere behoeftigheyden. Lagen aen ‘t eylandt Maleye (daer den governeur Ian Dircksz. ‘t Lam sijn residentie hadde) omtrent 3 weecken; namen ons af-scheyt van ‘t Lam, voeren weder aen Baets Ian, daer wy (als geseydt is) onse coopman Heyn Rol gelaten hadden, die het commande van ‘t fort hadde. Hy gaf ons omtrent 100 lasten nagelen in, hier nam ick mijn af-scheydt van Heyn Rol, beyde met tranen over de wanghen, gingh ons beyde dapper ter herten, te meer, om dat wy soo veel ellenden en swarigheyden met malcanderen hadden uytgestaen, als vooren verhaelt is. Sedert dese tijdt, heb ick hem noyt weer ghesien, dan heb vestaen (maar heb begrepen), dat hy eenighe tijdt hier nae op het eylandt Maleyen gestorven en begraven is, de Heere wees sijn ziele genadigh en de mijne als ick na kome.

Valentijn in: Oost-Indische inkt, 25-27

[Jakarta 1 – Reede] 
[GG – Camphuijs] 
[GG – van Outhoorn] 

François Valentijn (1666-1727) verliet Holland op negentienjarige leeftijd om predikant te worden in Indië. Waar hij kwam, verzamelde hij informatie met het doel om later een groots geschiedkundig werk uit te geven. Dertien jaar voor zijn dood vestigde hij zich voorgoed in Dordrecht en wijdde zich daar aan het schrijven en compileren van het 5000 pagina’s tellende Oud- en Nieuw Oost-Indiën (1724-1726). Grote delen van dit standaardwerk schijnen niet origineel te zijn. Vooral Rumphius, de grote zeventiende-eeuwse natuuronderzoeker, is door hem geplagieerd. Niettemin werd en is zijn werk een belangrijke bron van kennis over Indië en vormen de talloze anekdotes, als instant graffiti tussen de droge alinea’s aangebracht, kostelijke lectuur.
Nadat wij 10 weken gezeild en nu al 90 mijlen, naar de gissing van schipper en stuurlieden, over land gezeild hadden, hadden wij om de zuid, eenige dagen tevoren, eer wij op Batavia kwamen, nog zulke scherpe koude, dat ik en meer anderen er winterhielen van hadden, die ik niet lang, voordat ik op Batavia kwam, door de schielijk weer toenemende hitte eerst kwijt raakte. Eene zaak, die bijna ongelooflijk schijnt, en echter volslagen waar is.
Aldus kwamen wij zonder eenige verdere ramp, ook zonder eenen doode, of eenig geschil met iemand gehad te hebben, na eene zeer vermakelijke reis, op Zondag den 30 December 1685, ‘s morgens onder kerktijd op Batavia’s reede ten anker, alwaar ik mij eerst naar ‘t huis van den Eerw. Ds. Theodorus Zas, Nederduitsch predikant, begaf, een Heer, die mij in zijn ganschen omtrek vrij wonderlijk, en zeer ouderwetsch voorkwam, alzoo hij een kort wambuis met schootjes, naar den ouden tijd, en een wijde opene broek droeg, en met een paar ongemeene groote, grijze knevels zich voor ons vertoonde.
Ik bleef dien middag bij zijn Eerw. eten, en werd van zijn Eerw. verzocht mijn logement bij hem te nemen, dat mij des namiddags ook de Heer Dionijs Kalk, mitsgaders Ds. Isaac Hellenius, Maleisch predikant, en meer anderen, met veel genegenheid aanboden; doch alzoo ik van alle deze Heeren er maar een verkiezen kon, die mij best geleek, kwam mij, in opzicht van onze jaren, de Heer Hellenius best voor, daar ik, toen bij mijn aanwezen op Batavia, tot den 7 Maart 1686 zeer vriendelijk onthaald, en bijzonder wel naar mijn zin geweest ben.
Ik was er (zoo ‘t den naam had) wel voor niet; doch ‘t kostte mij aan geschenken veel meer, als ik bij een ander zou verteerd hebben, behalve dat de juffer van den huize mij eene klavecimbaal, die mij zeer veel van ‘t fraai schilderen aan boord gekost had, tegen mijn wil en dank, voor niet van ‘t hart bond, zonder dat ik naderhand gelegenheid had een andere te bekomen.
‘s Achtermiddags na kerktijd ging de Heer Zas met mij naar zijn Edelheid, den Heer gouverneur-generaal Camphuijs, die mij zeer vriendelijk verwelkomde, en op dien zelfden tijd ook aanzeide, dat haar Edelheden al voor mijne komst besloten hadden, den eerst aanlandende predikant, naar Amboina te zenden, en dat ik derhalve geordonneerd was, om naar die landvoogdij te gaan, dat ik met veel respect aannam, waarop zijn Edelheid zeide, dat hij mijne volvaardigheid in het aannemen van dien post prees, en wel gewenscht had dat Ds. Darthenus, die dit geweigerd en zich daardoor in veel moeilijkheden ingewikkeld had, dit mede zoo gewillig mocht hebben aangenomen. Ook verzekerde zijn Edelheid om deze mijn gewilligheid, in ‘t toekomende van zijne gunst belovende mij ten goede te zullen gedenken, waarop wij, na nog een kort verblijf, van zijn Edelheid afscheid namen. Ik vond Batavia uitnemend vermakelijk, de manier van leven daar geheel en al hoflijk, prachtig, vriendelijk, de menschen zeer gezellig, en vooral zeer onthalend, waardoor ik gelegenheid vond, om bij vele der aanzienlijksten aldaar al dikwijls zeer deftig onthaald te worden.
Mijne eerste bekenden, die ik hier kreeg, waren de Heeren Duitsche predikanten Lindius, Zas, Clavius, Wijtens, Heijnen en de Voogd, mitsgaders die van de Maleische gemeente, D.D. Helleniuys, en Vosmaar, gelijk ook die van de Portugeesche, de Heeren Thornton en Ferreira, benevens Ds. Carpius, die de rede waarnam.
Buiten dezen werd ik zeer minnelijk nu en dan verzocht ten huize van de Heeren Boulan (voor een Indisch kind, een ongemeen bekwaam Heer) Cornelis van Outhoorn, Quevellerius, Kelk, de Haas, gelijk mede bij de Japansche opperhoofden, de Heeren Ranst, en van Buijtenhem, mijne zeer bijzondere vrienden, die mij zeer veel beleefdheid, en dat al vrij dikwijls, bewezen.
Ik genoot ook zeer dikwijls de tafel van zijn Edelheid, mitsgaders van den Heer directeur-generaal Hurt, die mij, de eerste maal in ‘t fort predikende, aan zijne tafel noodigde, en toen mijn eerste leermeester in de Maleische taal werd, daar zijn Ed. sterk op gezet was.
Niet minder eer en vriendschap bewezen mij ook de Heeren Raden van Indiën Maarten Pit, Rijklof van Goens, de Jonge [...] mitsgaders de Heeren Willem van Outhoorn (mijn patroon zoolang ik in Indië geweest ben) Johan van Hoorn, van Quaalberg, Slicher, St. Martin, en meer anderen, die mij zeer dikwijls aan hunne huizen en tafels noodigden; doch geen vreemder onthaal kwam mij hier voor dan de Jappansche maaltijd, bij zijn Edelheid, dien hij Donderdags hield, daar in ‘t eerst niet dan een bord met wat droge rijst, en eenige potjes met zeer scherpe spijzen, die mij gansch niet bevielen, op tafel kwamen, behalve, dat ik mij ook met de twee ronde lange stokjes, waarmede de Japanneezen en Chineezen deze spijzen gewoon zijn te eten, gansch niet wist te behelpen; doch naderhand kwam er gebraad en ander vaderlandsch eten, daar ik beter mede te recht raakte, eene zaak, waarvan ik elders breeder spreek.
Zeer wonderlijk kwam het mij hier ook te voren, dat de kok, die de spijs bij zijn Edelheid op tafel ordonnneerde, niet alleen in ‘t zwart fluweel gekleed was, maar, zoo ik daarna zag, ook koets en paarden, en een prachtigen staat hield, hoewel er naderhand sprak, die hem ettelijke jaren tevoren met taartjes (die een slaaf droeg) langs straat hadden zien loopen, waaruit dan bleek, dat hij het uit den grond opgehaald, en zich in dit zijn ambt zeer wel benaarstigd had. Bij de krijgshoofden hier vond ik er ook verscheiden, die mij veel beleefdheden bewezen, te weten, de heeren kapiteins Thileman Ewijk aan de Rotterdamsche, Herman Egtbertzoon aan de Utrechtsche poort, den Heer Sloot aan ‘t vierkant, den luitenant Berg aan de Nieuwe-poort en meer anderen, die mij zeer aanhaalden om de vaderlandsche nouvelles te vernemen. En om te hooren, hoe hunne goede vrienden daar al voeren.

Van Hogendorp in: Oost-Indische inkt, 33-46

[Du Perron – Verzameld Werk VII, 239-244] 

Willem van Hogendorp (1735-1784) vertrok op zevenendertigjarige leeftijd naar Indië om fortuin te gaan maken, een normaal verschijnsel destijds. Hij was er resident. Later administrateur en hield zich tevens bezig met illegale privé-handel. Maar ook was hij mede-oprichter van het Bataviaasch Genootschap voor Kunsten en Wetenschappen. Bovendien was hij een verwoed beijveraar van de pokkeninenting en een betere behandeling van de slaven, zoals te lezen valt in zijn novellen Sophronisba (1779) en Kraspoekol (1780). Eenmaal rijk besloot hij naar Nederland terug te keren, evenwel vond zijn schip de bodem van de zee.

Kraspoekol, of de droevige gevolgen van eene te verre gaande strengheid jegens de slaaven.
Zedekundige vertelling.

Esclave infortuné! – si ma main,
qui ne peut essuyer tes larmes, en
fait verser de regret et de repentir
à tes tyrans, je n’ai plus rien à
demander aux Indes; j’y ai fair fortune.

Voyage à l’Isle de France & c.
par un Officier du Roi.
Tome 1. pag. 238.

Te Batavia, By Lodewyk Dominicus, stadsdrukker, op de Tygersgracht, 1780

Voorbericht
Mijn voornemen is niet, door deeze zedekundige Vertelling, iemand in het denkbeeld te brengen, dat de slaaven te Batavia in het algemeen kwalijk behandeld worden. Diergelyke stelling zoude aanloopen tegen de waarheid en tegen het geen in de beschryving van die Stad in het eerste deel der Verhandelingen van haar Genootschap is gezegd.
Ik herhaal derhalven, dat ik overtuigd ben van de betere behandeling der slaaven, in die aanzienlyke plaatze dan in ééne éénige bezitting der andere Europeesche Volken.
Maar dit laat niet na dat er, hier en daar, onder lieden van den derden en vierden rang, eenigen gevonden worden, die te streng over hunne slaaven zyn, en het is voor die weinigen dat ik dit stukje heb opgesteld.
Men zy dan niet verwonderd, dat ik met voordracht allen zwier van styl, en den cieraad van verrassende gebeurtenissen of ingewikkelde toevallen, waar mede deeze Vertelling hadt kunnen verrykt worden, zorgvuldig gemyd en alleenlyk getracht heb, het gevaar van eene te wreede behandeling op de klaarste, eenvouwigste en natuurlykste wyze voor te stellen. Myn doelwit is niet geweest, de ledigheid van zommige leezers, eenen korten stond, bezig te houden; maar de overblyfzelen van een kwaad, dat zoo veele onheilen na zich kan sleepen, ware het mogelyk, geheel en al, uit te roeien.

Kraspoekol, of de droevige gevolgen van eene te verre gaande strengheid, jegens de slaaven.

Nous seuls, en ces Climats nous sommes les barbares!
Alvares dans Alzire. Acte 1. Scéne 1.

‘Ach!’ zeide eens Tjampakka (‘Welriekende bloem’) aan eene van haare mede-slaavinnen; ‘waarom heeft onze Meester ons gesteld onder het opzicht van zyne Schoonzuster, die haar vergenoegen en grootheid doet bestaan in de strafheid van haare huisbestier, en de slagen, die zy laat uitdeelen? Tot nog toe ben ik bevryd gebleven; maar wie kan, een oogenblik, zeker zyn? Een ongeluk wordt behandeld, met even zoo veele strengheid, als eene opzettelyk gepleegde misdaad!’
Eene oude Mandores (opzichtster) die, onder Mejuffrouw Kraspoekol (‘slahard’), den Chambok (zweep) zwaaide, hoorde deeze klagte door een reet van de deur, en liep er, op staande voet, kennis van geeven aan haare meesteresse.
Men vondt niet raadzaam, den lust tot kastyden, op dit oogenblik, te boeten; maar liever te wachten, tot dat Tjampakka, in het een of ander, zich te buiten zoude gaan.
Tjampakka, die wel slaavin was, omdat zy onlangs in haar land, door de strooperyen van eenen nabuurigen vyand was prys gemaakt; maar die, van vorstelyken bloede zynde, verhevener gevoelens, dan de gemeene hoop, bezat, droeg zorg, van in haar ongeluk niets te doen, ‘t geen by redelyke lieden slagen verdiende. Het was uit eerzucht, en niet ter bewaaringe van haare schoone leden, dat zy haar lyf aan den Chambok der Mandoresse zocht te onttrekken.
Dus verliep er een lange tyd, eer Mejuffrouw Kraspoekol zich kon wreeken; maar een bord, dat de zwaarte van een glas water niet kon wederstaan, omdat het gebarsten was, en dat gedeeltelyk uit Tjampakka’s handen in stukken viel, deedt het gewenscht oogenblik gebooren worden.
Tjampakka verbleekte van schrik, en hieldt, met eene beevende hand, de stukken vast, die niet op den grond gevallen waren; als wilde zy, daar mede, haare onschuld te kennen geven. Mejuffrouw Kraspoekol, daar en tegen, kreeg eenen blos van vergenoeging op haar aangezicht; en, op het geraas der gevallene stukken, was de Mandoresse reeds toegeschooten, uit vreeze, dat Kraspoekol deeze goede gelegenheid zoude laten voorbyslippen.
De ongelukkige slaavin wierdt verweezen tot een pak slagen, volgens willekeur van de Mandoresse, achter in den tuin, daar men gewoon was te straffen, op dat de Meester van het huis zoo hy niet was uitgegaan, het gekerm minder zoude hooren.
Men weet, hoe deeze rechtspleeging, doorgaans, geschiedt: twee sterk gespierde slaaven ontvangen den Chambok uit de hand der Mandoresse, en slaan, de een na den anderen, zoo lang op de billen van de slaavin, tot dat het oude wyf de goedertierenheid hebbe, van het woordje Souda (genoeg) uit te spreeken. Het geen dezelfde kracht heeft, als, in het Vaderland, het daalen der roede in de hand van eenen Bailluw, wanneer de Scherprechter iemand geeselt.
De Mandoresse ging, voor uit, naar de bestemde plaatze; Tjampakka volgde met neêrgeslagen oogen, meer beschaamd, dan bevreesd. ‘O myn Vader!’ zeide zy by zich zelve ‘Gy, Hoofd van eene landstreek, en bloedverwant van onze Radja! Hoe zoudt gy verbitterd zyn, indien gy het noodlot van uwe dochter wist!’
Daar gekomen, wierdt zy, op eene ladder, vast gebonden, en by de handen opgehaald in de hoogte, zonder zich één woord te laaten ontvallen, of eenige vernedering voor haare leidster te toonen; en zy zoude, zoo aanstonds, hare straffe ontvangen hebben, was niet, op het onverwachts, de achterdeur van den tuin open gemaakt geworden.
Juist was het Wedano, de schoonbroeder van Kraspoekol, die haar, na den dood van zyne Vrouw, in huis genomen hadt.
Wedano hadt eene goeden inborst, bezat veel oordeel. En was menschlievend. In Indië gebooren van eene Europeeschen vader, en eene Inlandsche Portugeesche moeder, die hem eenig geld hadden nagelaten, dreef hy eenen voordeeligen handel. Zyne pakhuizen stonden in de stad, en hy bragt er, gewoonlyk, den morgen door, in welken tyd van afweezendheid Mejuffrouw Kraspoekol, doorgaans, haare strafoeffeningen liet verrichten.
Wedano, de jonge Tjampakka dus uitgerekt ziende op eene ladder, wierdet met medelyden aangedaan. Hy las, in haare oogen, haare onschuld, en haare moed; maar vooral haar vertrouwen op zyne rechtmaatigheid. Ook gaf hy terstond bevel, dat men haare handen zoude los maaken, op dat hy de oorzaak der straffe nauwkeurig konde onderzoeken. De Mandoresse knerste op haare tanden van spyt, en onderging de beschaamdheid van eenen tyger, die zynen sprong heeft misgedaan.
Mejuffrouw Kraspoekol, die haaren broeder, van verre, hadt zien aankomen, begreep wel, dat, zoo, Tjampakka haare straffe, voor zyne aankomste, nog niet ontvangen hadde, dezelve niet zoude zyn ten uitvoer gebragt; dus leefde zy tusschen hope en vreeze. Maar toen Wedano vooraf, Tjampakka in het midden, en na haar de Mandoresse aankwam, zag zy, dat de zaak niet verricht was, en wierdt woedende van kwaadheid. ‘Hoe? Mijn broeder! Gy hebt my het opzicht over uw huis gegeeven; en als ik eene slaavin laat kastyden, schort gy myne bevelen op, en stelt my bloot, om door alle de anderen, en haar zelve, bespot te worden!’ ‘Indien zy schuldig is, myne zuster, zal zy haare straffe ontvangen; maar ik wil eerst weeten, wat zy gedaan heeft’. ‘Wat ze gedaan heeft? Zy heeft een van de borden gebroken, die u eene ropy het stuk kosten, en die gy zoo fraai vindt’. ‘En heeft zy dat bord, met opzet, tegen den grond geworpen?’ ‘Dat weet ik niet, maar het is aan stukken, en dat is genoeg’. ‘Dit weet ge niet? Dan ben ik verplicht het aan haar zelve te vraagen. Uw antwoord is niet oprecht. Waart gy niet tegenwoordig?’ ‘Ik vroeg een glas water; zy bragt het my, en smeet glas en bord tegen den grond; daar liggen nog de stukken’. ‘Ik zoude durven wedden, dat het door ongeluk geschied zy!’ ‘Ongeluk of niet; zij heeft straf verdiend! Ik ken geene ongelukken by slaaven. Kwaad is kwaaad, en een gebroken bord is niets meer waerdig’. Ondertusschen raapte Wedano eenige stukken op, en zag aan het binnenste van het porcelein, dat er eene oude breuk was, die hy zyne zuster aantoonde. ‘Dit bord’, hernam hy, ‘is op de helft gebarsten geweest, en het glas heeft, door zyne overwigt, de eene helft doen vallen, terwyl de andere in de handen van Tjampakka gebleven is. Zoudt gy voor een zoodanig ongeluk eene slaavin, met de uiterste strengheid, laaten straffen? Dat kan ik in myn huis niet toestaan. Die goede slaaven wil hebben, moet zulke ongelukken door de vingeren zien. Het zelfde kan U en my gebeuren’. ‘’t Mag zyn, hoe ‘t wil’, antwoordde zy, ‘myne orders moeten volbragt worden, of ik bemoeie my niet meer met het huisbestier: zulke ongelukken zouden my niet kunnen overkomen, en ik mag lyden, dat men my ...(hier wierp zy zich, al spreekende, met zoo veel drift, in eene stoel, dat er het achterste gedeelte van brak, en zy achter over tuimelde) Ach, myn broeder help my! Het is een ongeluk: help my toch op!’ ’Ik dacht’, antwoordde Wedano, die haar de hand toereikte, ‘dat er geene ongelukken van die natuur waren. Wat zyt gy gelukkig, van vry te zyn! Deeze slaavin breekt een bord van ééne ropy buiten haare schuld, en ge wilt haar een pak laaten geeven; maar gy! gy breekt, in uwe drift en door uw toedoen, eene stoel van vyf spaansche matten! Mag ik wel eens weeten, wat er thans in uw gemoed omgaa?’
Deeze gepaste taal vermogt niets op de wraakzuchtige Kraspoekol. Zy bleef staan op de voldoening der straffe van de jonge Tjampakka, maar Wedano bleef die weigerren; en, na eenige hooge woorden, wierdt er vastgesteld, dat Kraspoekol zich, met de huisselyke zaaken, niet meer zoude bemoeien; maar met de Mandoresse, en haare slaaven, gaan woonen in eene afgelegene vleugel van het huis.
Tjampakka, die moeds genoeg bezeten hadt, om geenen enkelen traan te storten, wanneer zy door Kraspoekol veroordeeld, en door de Mandoresse naar den tuin gebragt was, omhelsde, al schreiende, de voeten van haaren weldoener. Zoo veel vermag eene goede daad op een edelmoedig hart; daar het in tegendeel, voor eene onredelyke behandeling, gesloten blyft, en stug wordt! Zy verhaalde aan Wedano, wat er daaglyks, als hy naar zyne pakhuizen ging, in zyn tuin voorviel; hoe de meeste slaavinnen wierden gestraft, om kleinigheden, die Kraspoekol en de Mandores tegen dezelven opzochten, schoon zy, tot nog toe, ware vry gebleeven, hoe gelukkig alle de slaaven zich zouden achten, indien zy door hem alleen geregeerd wierden; wat achting en genegenheid zy hunnen meester toedroegen, en hoe zy, daar en tegen, op zyne zuster en de Mandoresse verbitterd waren.
Heeft dan de Natuur aan de Edelen van alle volken, aan hunne taal, hunne houding, hunne gedaante, iets verheveners geschonken, dan aan den gewonen man? Of was het de jeugd en de schoonheid van Tjampakka, dan wel, dit alles te zaamen, het welk aan haare woorden zoo eene betoverende krachte gaf, dat Wedano zich verbeeldde, iets meer, dan eene slaavinne, te hooren spreeken?
Zy moest hem althans verslag doen, van welke ouders zy afkomstig, en hoe zy slaavinne geworden ware; en toen hy hoorde, wie zy was, en door wat ongelukkig noodlot zy haare vryheid verlooren hadt, gaf hy haar dezelve weder, en liet haaren vrybrief, nog dien zelfden dag, opmaken.
Tjampakka vreesde, dat zy, nu vry zynde, het huis van Wedano zoude moeten verlaaten; maar hy stelde haar gerust, en beloofde, haar, binnen kort, het opzicht over de huishouding te willen geven, beveelende intusschen aan zyne oudste slaavinne, het oog te houden over alles, en de dagelyksche zaaken waar te nemen.
Zyn overige slaaven liet hy allen komen, en gaf hun kennis van de verandering, die hy in zyn huis gemaakt hadt. ‘Wanneer ik hoor, of zie’, zeide hy, ‘dat gylieden niet, willens en weetens, iets verwaarloost of breekt, zal ik u, ten minste voor de eerste maal slechts berispen; maar die liegt, steelt, dobbelt, ‘s nachts buiten ‘s huis loopt. Of eenig ander grof kwaad doet, zal streng gestraft, en des anderen daags verkocht worden; want ik stel voor den grondslag van myn bestier, dat er in myn huis geen slaaf zal blyven, dien ik een pak slagen heb moeten laaten geven’. (Ik weet wel, dat het ieder een niet gelegen komt, dagelyksch slaaven, met verlies, van de hand te zetten: of schoon ik van begrip ben, dat men de slaaven, die men houdt, wel zoo veel verbetert, als men op den verkochten slaaf verliest: nogtans raadde ik aan de zoodanigen, dat zy eenen dief, dobbelaar of leugenaar uit huis doen, en hem liever, in eene werkplaatzen der Maatschappye [VOC] , ten hunnen voordeele, laten werken. Willen zy hem echter, voor de eerste maale, vergeeven, laaten zy acht slaan op zyne houding, na het ontvangen der straffe. Zoo hy beschaamd is voor zynen meester, of zyne medeslaaven; zoo hem de schande meer, dan de pyne, aandoet, daar is hoope van verbetering. Maar zo hy er om lacht, of zich onverschillig aanstelt, men doe hem zonder vertoeven weg. Er zal nooit iets goeds van hem worden. In tegendeel ieder slag, dien men laat geeven, is een schrede naar het schavot.)
Allen waren met deeze redelyke voorwaarden te vrede, en vielen tot bewys van hunne vergenoeging, voor de voeten van hunnen meester
Kraspoekol kon wel, eenigen tyd, opkroppen het hartzeer, dat zy leedt, van het gezag over het huis van Wedano verlooren te hebben; maar, op den duure, viel het haar ondraaglyk, te zien, wanneer zy er kwam, dat alles in goede orde toeging. Nu dienden de slaaven met yver en lust, daar zy, te voren, alles met vreeze verrichteden. Zy vloogen, ieder om ‘t zeerst, op eenen wenk van hunnen meester; ja zelfs Kraspoekol wierdt, uit achting voor Wedano, met de uiterste oplettendheid bediend.
Zy was derhalve bedacht, om door haare vertrouweling, de Mandores, iets te doen uitrichten, waar door de geschiktheid en goede orde, in het huis van haaren schoonbroeder, aan het wankelen geraakten.
Dit haar gelukt zynde, gebeurde het, op eenen dag, dat zy by Wedano was komen eeten, dat zy, een glas wyn gevraagd hebbende, in de drift der vertelling, en met haar gewoone levendigheid, tegen het schenkbord, waarop de jongen het aanbragt, met haaren elleboog zo hevig stiet, dat de wyn op haare kleederen, en het glas op den grond stoof. Kraspoekol, vergeetende dat zy in het huis niets meer te zeggen hadt, stelde zich echter zoo aan, dat er het gansche gezelschap van verbaasd stond; en eindigde met het verzekeren,dat. indien het haar jongen was, hy een pak zouden krygen, waar van hy veertien dagen gevoel zoude hebben. Wedano bewees haar met bedaardheid, dat de jongen geen schuld hadt, en hy zich wel zoude wachten van eenen goeden slaaf voor eene zaak van die natuur te laaten straffen; waarop Mejuffrouw Kraspoekol zich liet ontvallen: ‘’Ja, het verwondert my niet, dat gy zulke zaaken niet straft; wyl gy wel toelaat, dat uwe jongens ‘s nachts uitloopen’. ‘Zacht, myne zuster, dit gaat te verre; zoo het waar is, hadt ge my dit uit vriendschap moeten waarschouwen, en niet in uwe drift verwyten; en zoo het niet waar is, doet ge kwalyk my te ontrusten ... Maar wie is hy die ‘s nachts uitloopt?’ ‘Wel September’, antwoordde zy ... September wierdt geroepen, die, na eenige vraagen, bekende, dat hy twee nachten te voren verleid was geweest door eene slavin uit de buurt welke hem des morges verteld hadt daar toe aangezocht te zyn door de Mandores, die haar, uit naam van Mejuffrouw Kraspoekol, vier spaansche matten hadt beloofd, indien zy eenen jongen van Wedano konde overhaalen om des nachts buiten ‘s huis te slaapen en haar daar van des anderen daags morgen, kennisse kwam geeven.
De Heer, wiens meid het was, at gevallig dien middag by Wedano, en wierdt verzocht haar te laaten roepen. Deeze verhaalde alles in diervoege als de jongen gezegd hadt; zoo dat Mejuffrouw Kraspoekol, die zich schuldig bevondt, en door de kracht der waarheid overtuigd wierdt, van haar stuk geraakte. En met de uiterste schaamte overdekt wierdt.
Een ieder was geèrgerd over deeze schandelyke daad, en zag Kraspoekol met verontwaardiging aan. Wedano nam het woord op: ‘Het smert my’, zeide hy aan zyne schoonzuster, ‘dat ge my noodzaakt, u te verzoeken, van nooit weêr uwe voeten, in myn huis te zetten, en, hoe eer hoe liever, de vleugel, waar in gy woont, te verlaaten; eene trouweloosheid van deezen aart verdient geene betere behandeling. Wat den jongen aangaat, ik zoude grooten lust hebben, hem zyne misslag te vergeven, want zonder uwe vier spaansche matten hadt hy mogelyk nooit gedacht om des nachts uitteloopen; maar ik zal hem straffen, om myn woord gestand te doen, en een voorbeeld te geeven, en op staanden voet brengen naar een schip, dat binnen kort naar Banda vertrok, met het verzoek aan den Schipheer, om hem daar voor zyne rekening te verkoopen.’
De slaaven, die de rechtmaatigheid van Wedano in de zaak van het gestorte glas wyn wel hadden opgemerkt, zagen teffens door de straf van September, dat hun meester zyn woord hieldt, en zy in een huis van goede orde woonden; zoo dat zy, wyl zy het er wel hadden, hoe langs hoe meer de ordentlykheid betrachteden.
Kraspoekol, die nu de tuin van haaren schoonbroeder moest verlaaten, was in verlegenheid; maar de Mandoresse hielp ze daar uit. ‘Gy weet’, zeide zy, ‘dat de tuin naast deezen te huur is; betrek denzelven. Hoe kunt ge betere gelegenheid hebben, om aan Wedano betaald te zetten de belediging, die hy u aandoet? Daar zult gy op uwen eigen bodem zyn. Eene enkele sloot en eene laage hegge scheiden slechts de twee tuinen van elkander: zoo dat er in den eenen niets kan omgaan, dat in den anderen niet gehoord worde. Wy zullen het dubbeld genoegen hebben van te straffen en het juist te doen op dien tyd, dat de teêrhartige Wedano t’huis zal zyn’.
Deeze voorslag stond Mejuffrouw Kraspoekol wel aan. Zy zondt aanstonds de Mandores naar den eigenaar van den tuin, die nog dien zelfden avond aan haar verhuurd wierd.
Men ging reeds des anderen daags aan het verhuizen. Drie of vier planken, die over de sloot gelegd wierden om het goed te draagen, wonnen veel tyds en moeite uit. Wedano zag te laat dat hy zich hadt moeten meester maken van dezen tuin; want dat hy nu alle de onaangenaamheden van eene kwaade buurtschap te verwachten hadt.
Om dit voor te komen liet hy zyne schoonzuster onder de hand waarschouwen, dat zoo zy wilde belooven zich in het vervolg van diergelyke streeken als zy gepleegd hadt te zullen onthouden, zy in de vleugel van het huis kon blyven woonen, en dat al het te voren gebeurde vergeeten zoude zyn; maar Kraspoekol, te sterk ingenomen met haar ontwerp en opgezet door de Mandores, sloeg het voorstel af, en liet Wedano weeten, dat zy noch zyn tuin, noch zyn huis, noch zyne vleugels noodig hadde.
Binnen drie dagen was men verhuisd: maar, Helaas! Men had te weinig slaaven om dagelyks te straffen, en evenwel de huisselyke zaaken naar behooren te laaten waarnemen. De lust echter van Kraspoekol, om zich van Wedano te wreeken was zoo groot, dat zy den inkoop dier slaaven niet wilde uitstellen tot eene goede gelegenheid; maar liever by de Negocianten (slavenhandelaren) rond reedt, en van den eenen en anderen acht stuks opkocht.
Kraspoekol bragt deeze aangenaame tyding aan de Mandoresse, en voor den avond kwamen zy reeds allen in den tuin. Des anderen daags maakte men veele schikkingen, aan welken de slaaven zich zorgvuldig moesten houden, en Mejuffrouw Kraspoekol verdeelde de (De woorden van jongen en van meid betekenen onder de slaaven man en vrouw.) meiden, die noch geene jongens hadden, aan eenigen der nieuwgekochte slaaven, onder voorwaarde nogtans, dat dezelven zoo wel als de andere slaavinnen des avonds in eene kamer van ‘t huis zouden worden opgeslooten, en geene meid, dan met kennis van Mejuffrouw Kraspoekol, den nacht by haaren jongen zouden mogen doorbrengen.
Ook leedt het niet lang, of de strafoeffeningen namen een begin. Daar wierdt geene stoel te hard neergezet, geen glas door ongeluk gebroken, geene boodschap te langzaam gedaan en geene de geringste misslagen gepleegd of zy wierden ten wreedste gestraft en altoos op den tyd dat Wedano t’huis was.
Dit ging zoo verre, dat Wedano, die in zyne achtergallery gewoon was te eten, om wat verder af te zyn dan wyk nam naar de voorgallery; doch zoo ras Kraspoekol dit gewaar wierd, liet zy eerst onderzoeken waar Wedano den maaltyd hieldt, en van die plaatze hing ook de plaats der strafoeffening, vóór of achter het huis af.
Het jammerlyk gekerm van die ongelukkigen, voor al op een tyd dien men met eenige goede vrienden onder den maaltyd doorbrengt, begon Wedano zoo te verveelen, dat hy zyne schoonzuster liet aanzeggen dat, by aldien zy op deezen voet voortging, hy genoodzaakt zoude zyn aan het Gerecht kennisse te geeven van den overlast dien hy daar door leedt.
Deez waarschouwinge kon niets helpen. De strenge behandelingen bleeven voortgaan. En hadden reeds meer dan drie maanden geduurd; wanneer een onverwacht toeval een einde van dezelven maakte.
Op zekeren avond dat Mejuffrouw Kraspoekol vroeg was t’huis gekomen, kwam een der onlangs gekochte slaaven verzoeken dat de meid die hem door Kraspoekol was toegeschikt, dien nacht met hem mogt doorbrengen, ‘t welk zy, op den raad der Mandoresse afsloeg. Waarop de jongen mistroostig henen ging. Een oogenblik daarna kwam desselfs meid, die van de weigering nog niets wist, het zelfde verzoek doen. Mejuffrouw Kraspoekol, zich verbeeldende dat het opgezet werk was, wierdt zoo vergramd over de vrijpostigheid van deeze meid, dat zy dezelve terstond door twee slaaven een helder pak liet geven.
Men kan ligt begrypen, hoe aangenaam het voor de Mandoresse was, eene jonge slaavin te moeten laaten straffen over een verzoek, dat haare jaaren en haar onhebbelyk gezicht haar niet meer toelieten voor zich zelve te doen. Ook liet zy derzelve, op de allerwreedste wyze slaan, zoo dat haar onophoudelyk en buitengemeen gekerm byna een buurengerucht maakte, en Wedano die den avond maaltyd hieldt, van zyne stoel opvloog en van over de sloot aan de Mandoresse toeriep, dat hy des anderen daags morgen den Fiscaal van deezen onbetaamelyken handel zoude kennis geeven.
Menschlievende Wedano! bekommer u niet over den dag van morgen; de hemelsche wraake, die zich zoo dikwerf van menschelyke middelen bedient, zal u wel haast verlossen van eene schoonzuster, die zich met het bloed en de traanen van haare slaaven mest.
De jongen, die mistroostig was henen gegaan, zyne meid op deze onbarmhartige wyze hebbende zien kastyden, voelde zyne droefheid veranderen in eenen bittren haat tegen Kraspoekol en de Mandoresse, en morde den ganschen avond in tegenwoordigheid der anderen slaaven over deze wreede behandeling.
Het was de gewoonte dat, wanneer Mejuffrouw Kraspoekol naar bed was, de jongens die buiten geslooten wierden en hunne vertrekken in den tuin hadden, by één kwamen om den nacht met speelen een dobbelen doortebrengen of in de nabuurige tuinen op roof uit te gaan. (Dit is het lot van alle huizen waar de slaaven kwalyk betaald, gevoed en gekleed worden en veel slagen krygen. Zy worden dobbelaars en dieven.) want zy kregen weinig pinang-geld, een gering aandeel ryst en een zeer bekrompen verschot van kleding.
Allen, gelyk men begrypen kan, verveelden zich in eene slaavernye, die zoo ondraaglyk was, maar de snedigsten, hebbende opgemerkt dat deze vergramde slaaf niet veel noodig hadde om tot uitersten te komen, spraken met elkanderen af om hem dien nacht zoo veel zy konden aan te hitzen, en het vuur der gramschap hoe langer hoe heviger in hem te doen branden.
In de byeenkomst beklaagde hy zich nogmaals over de behandeling zyne meid aangedaan, en een ieder gaf hem gelyk. Men sprak van niets dan van de zwaare strafoeffeningen, die men nu drie maanden hadt ondergaan, en waarschynlyk in het vervolg nog hadt te verwachten. Eindelijk kwam de Amphioen (opium) op de baan, men zocht hem daar van meer te doen neemen dan naar gewoonte, ‘t geen niet moeielyk was; want de toorn hadt hem reeds als bedwelmd.
De slaaven die met hem waren zagen wel, dat hy niet verre van het Amokspuuwen was, door het gemor dat hy tusschen zyne tanden deedt en niet dan ten halve uitbragt.
‘t Wierdt echter tyd, dat een ieder zich naar zyne slaapplaatze begaf; want Mejuffrouw Kraspoekol en de Mandoresse stonden zomtyds voor den dag op en wéé den geenen die zwervende gevonden wierdt.
De verliefde slaaf, nu in zyn vertrek zynde, ondervondt nog meer dan te vooren hoe droevig het voor hem was, zyne meid te missen, zoo dat hy hoe langer hoe woedender wierdt en eindelyk by het aanbreeken van den dageraad het besluit nam van zich te wreeken.
Mejuffrouw Kraspoekol was gewoon des morgens met de Mandores de kamer daar de meiden waren opgeslooten te gaan openen en vervolgens in de gallery, onder het drinken van een kop koffy, aan dezelven haare taak aan te wyzen; op dat zy des te vroeger, na het wasschen en kleeden, aan het werk konden gaan.
De jongen, die het oogenblik, dat Kraspoekol en de Mandores daar gekomen waren, bespied en zich met eenn Kritze (kris) gewapend hadt, vloog uit zyne kamer en viel op de zittende en niets kwaads vermoedende Kraspoekol aan; en gaf haar eene por in den boezem; die haar van den stoel deed neêrzygen; zoo dat hy meende dat zy dood was. Terstond daarna viel hy op de Mandoresse aan, die hy juist zoo wel in het hart trof dat zy dood ter aarde stortte. De meiden vluchteden allen naar voren van schrik en ontstellenis. De jongens zagen van verre dit spel aan; maar hielden zich als of zy nergens van wisten.
‘Nu ben ik gewroken en vergenoegd, ’zeide de jongen en liep daar op zoo ras hy kon, met de bebloede Kritze in de hand, achter door den tuin over de sloot, naar den tuin van Wedano, met voornemens om zich voor deszelfs voeten te werpen, en aan hem de redenen van den gepleegden moord bekend te maaken. (Men ziet dikwerf, dat een amok-spuwer, wanneer hy zyne wraake geboet heeft aan den geenen die er het voorwerp van is, niemand meer kwaad doet, en zich voor de voeten van zynen meester of eenen anderen nederwerpt.)
Wedano zat in zyne gallery, ongekleed, hebbende niets dan zyne Saron en Cabaai (sarong en kabaja) aan. Zyne slaaven, die nooit zyne tegenwoordigheid vreesden omdat hy goed was, waren of in of digt by het huis. Tjampakka, van verre den amok-spuwer ziende aankoomen, wierp zich op den schoot van Wedano, zoo dat hy niet gewond kon worden, dan na dat zy door stooken ware. De slaaven, die den jongen ook zagen, maakten eenen halven kring vóór hunnen meester; dus zat hy achter zyn volk als bebolwerkt en veilig ( Dit is geen louter verdichtzel, gelyk zommigen zich zullen verbeelden, welken staande houden dat de slaaven tot deeze trouwe en hartelykheid voor hunnen meester niet in staat zyn. Ik ben zelfs ooggetuige van iets diergelyks geweest by eenen van myne goede vrienden, in wiens buurt een gewaand amok was; wy gingen allen buiten de deur om te zien wat er gaande ware: het was donker; men hoorde iemand aankomen, dien men dagt den amok-maaker te zyn. Ses of zeven van de huisjongens sloegen eenen halven kring vóór hunnen meester om hem te beschermen. Hoe lang zal de Europeesche hoogmoed ons verblinden omtrent de innerlyke goede hoedanigheden van menschen die door list of geweld slaaven zyn gemaakt, en volgens de wetten der natuur zoo vry zyn als wy.) : maar een slaaf, die aan de zyde van ‘t huis was, den amok-spuwer gewaar wordende, liep hem na en gaf hem toen hy digt by de gallery kwam, met een yzeren bout, dien hy gevallig onder zyn bereik gevonden hadt, eenen slag tusschen den hals en den schouder van den rechter arm, zoo dat hem de Kritze uit de hand vloog en hy byna voor de voeten van Wedano nederviel.
Wedano, zeer ontsteld en aangedaan zynde, vroeg hem: ‘Rampzalige, wat was uw voornemen? Kwaamt gy hier om my te vermoorden? Wat kwaad heb ik u immer gedaan?’ ’Ach! Mijn Heer,’ antwoordde hy, ‘wel verre van u te willen vermoorden, kwam ik my voor uwe voeten nederwerpen, om u myne schuld te bekennen, en myn leeven in uwe handen overtegeeve. Uwe zuster ... de Mamdores ...ach! Ik durve het byna niet zeggen! Beiden hebben ze my drie maanden lang zoo streng behandeld, en myne onschuldige meid, die zy zelve my hebben gegeven en die ik nu teêr beminne, voor myne oogen zoo streng gekastyd, dat ik my en haar heb willen wreeken, en dit is my zoo aanstonds gelukt. Ik heb haar beiden deeze Kritze in het hart gedreeven. Myn leeven was my op deeze wyze tot eenen last. Ik weet dat ik nu sterven moet; maar dat oogenblik is voor my geene straf. Veel liever wil ik eens sterven, dan dagelyks ergere pynen dan die van den dood te moeten ondergaan. Ach! Myn Heer! Indien uwe schoonzuster uwen inborst hadde gehad, nooit zoude ik tot deeze wraake gekomen zyn, ik zoude haar met liefde en vergenoeging hebben gediend!’
Tjampakka, die wel vermoedde, dat de slaaven van Kraspoekol, onder voorwendzel van schrik, geene hulpe zoude hebben toegebracht en ziende dat er voor Wedano niets meer te vreezen was, vloog zonder dat hy het merkte naar het huis, alwaer zy de Mandoresse dood ter aarde vondt liggen; maar in Kraspoekol, schoon bedekt van haar bloed, noch eenige tekens van leven bespeurde. Zy riep aanstonds eenige meiden, die haar hielpen om Kraspoekol op eene rustbank te leggen, alwaar zy dezelve in haare armen nam en met haar Cabaai, die zy in stukken scheurde, een bedekzel voor de wonde maakte, om te zien of zy het bloed kon stelpen. Dit gelukte haar meer of min voor eenen korten stond. Kraspoekol die, door deeze beweeging en mooglyk door de stelpinge van het bloed eenigzins by haar zelven was gekomen, had nog bezefs genoeg om Tjampakka te kennen. Zy zag haare traanen langs haare wangen rollen en zich vermengen met het gestorte bloed! Hier door wierdt zy zoo sterk aangedaan dat zy, hoewel met eene reeds verflauwende stem, deeze woorden uitstamerde: ‘Ach! Tampakka, zyt gy het? Gy, die ik nog zoo weinig tyds geleeden ...! Helaas! Moet ik nu ... sterven in die armen ... die ik liet binden ...? besproeid met die traanen, die ... myne wreedheid niet uit uwe oogen persen kon ...? ô schande ...! ô hartzeer ...! eene Heidinne ... zoo weldadig ...! zoo menschlievende ...! en ik ... een Christen ...! zoo onbarmhartig ...! Ach Tjampakka ...! druk my niet langer ... in uwe armen ... ik ben ... deeze hulpe onwaardig ...! Myne wroegingen ...! myne berouw ...! myn einde nadert ...! Tjampakka ...! vergeef my ... myne wreedheid ...! en laaten ... myne stervende lippen ... u mogen zegenen!’
Onder het spreeken van deeze afgebrokene woorden, ‘t zy door de aandoening, ‘t zy door de kragt, die zy had aangewend om die uit te brengen, ontsprong het bloed zoo hevig uit haare wonde, dat Tjampakka het zelve niet kon stillen en zy kort daar na den geest gaf.
Wedano, die aan zyn huis dit oogenblik had doorgebragt met de noodige orders tot het kennis geeven aan de Justitie en het in verzekeringe neemen van den amok-spuwer te vervaerdigen, ging echter zoo ras hy kon naar het huis van zyne schoonzuster; maar hy vondt dezelve reeds dood in de armen van Tjampakka liggen.
Ondertusschen kwam het Gerecht; en vermits de slaaf zwaar gewond was en alles bekend had, wierdt hy volgens gewoonte nog dien zelfden morgen voor het huis van Kraspoekol geradbraakt.
Hy liet zich leiden met eenen onverschrokken moed naar het kruis. ‘Ik weet’, zeide hy, ‘dat ik den dood verdiend heb; maar ik heb my gewroken en dit is my genoeg; ik sterf te vrede’. Hy wierdt op het kruis gelegd en op elken slag dien hem de scherprechter gaf, wendde hy zyne oogen naar het gebroken lid, zonder een eenigen schreeuw te geeven. Men liet hem liggen tot den middag en ten laatsten bragt men hem weg.
Dus eindigde deeze ongelukkige gebeurtenis. Kraspoekol wierdt des avonds begraaven en haare naam geplaatst by de naamen dier vrouwen, die aan zichzelven te wyten hebben de droevige gevolgen van eene te verregaande gestrengheid jegens de slaaven.

Haafner in: Oost-Indische inkt, 47-49

[Jakarta 1 – Vierkantspoort] 
[Jakarta 2 – Wacht] 

Jacob Gotfried Haafner (1755-1809) kwam op achtjarige leeftijd met zijn ouders uit Duitsland naar Amsterdam. Drie jaar later vertrok hij met zijn vader naar Azië: het begin van een avontuurlijk leven. Hij hekelde als een van de eersten het gedrag van de Europeanen in Azië en werd later geprezen door Multatuli om zijn meeslepende stijl en verteltrant. Zijn reisverhalen zijn, terecht, recentelijk heruitgegeven in drie delen door de Linschoten-Vereeniging.
Batavia dan is eene stad van middelbare grootte en vrij wel versterkt, zijnde, zoo als boven gemeld en ook algemeen bekend is, met watergrachten, op de wijze der Hollandsche steden, doorsneden, waarvan eenige aan de kanten met boomen beplant, doch de meeste, in het drooge jaargetijde, niet dan stinkende modderpoelen zijn. De stad heeft vier poorten, de Rotterdammer-, de Nieuwe, de Duitsche en de Utrechtsche poorten genaamd. Van de straten is het meerendeel fraai en breed. Tegenover het fort is een ruim plein, het Vierkant genaamd, alwaar de pakhuizen der kompagnie gelegen zijn, en steeds eene bezetting van militie is.
De huizen zijn grootstendeels fraai en van gebakken steen opgehaald. Men heeft verscheidene markten, als de Vischmarkt, de Rijstmarkt, op al dewelke, inzonderheid op de Pasar Pisang (Bananenmarkt) of Vijgenmarkt, den geheelen dag rijst, kerry en andere spijzen gekookt en zoo warm verkocht worden, zelfs voert men deze eetwaren gekookt langs de straten, en de luide stemmen der verkoopers noodigen de soldaten, matrozen en slaven tot hunnen gewonen maaltijd, dien zij in het openbaar, onder eenen boom of voor de deuren houden.
Er zijn insgelijks huizen, waar een hazardspel, topbord genaamd, gespeeld wordt, en welke huizen de Chinezen, onder het opzigt en toelating der Regering, ophouden, waarvoor zij een zeker regt betalen, alsmede voor de vergunning, om hanegevechten te geven, waarvan de Maleijers driftige liefhebbers zijn, en bij die gelegenheden, even als in Engeland, zware weddenschappen aangaan.
De Chinezen zijn dáár, als de Joden bij ons. Even zoo talrijk als het volk van Israël, bewonen zij eene geheele voorstad, die men het Chinesche Kamp noemt; zij zijn het, die alles koopen, verhandelen, makelen en ook winkel houden; bedreven en loos (sluw) in den handel, ziet men geene volstrekte armoede onder hen; de eene helpt den anderen. In hunne winkels houden zij den geheelen dag thee gereed, waarvan zij een ieder voordienen, die bij hen komt, hetzij men koopt of niet.
Het Geregtshof is digt aan zee gelegen, doch de executiën geschieden binnen het fort of vóór het stadhuis. Dezelve zijn, zoo als gemeenlijk in onze Oostindische etablissementen het geval is, in den hoogsten graad wreed en onmenschelijk; men kent er geene andere straffen dan radbraken, levend verbranden en spie[t]sen. Mogelijk, dat de standvastigheid, of zoo men wil verhardheid, waarmede dit zwarte vee, – bijna de eenigste delinquenten in die gewesten, – den dood als den verlosser van al hun leed te gemoet gaat, deze gruwelijke pijnigingen heeft doen uitvinden, ten einde hen, zoo niet voor den dood, dan ten minste voor de martelingen, die dezelve voorafgaan, te doen terugbeven, en daardoor, zoo mogelijk, de zucht tot wraak te onderdrukken, die hen vaak, huns ondanks, door de afschuwelijkste mishandelingen daartoe getergd, overmeestert.
Neen, beulen van drie vierde gedeelten der bekende wereld! dit gelukt U niet en kan u nooit gelukken! – Bedwingt eerst den bloed- en goudkoorts uwer uitgehongerde landloopers, die gij in menigte naar deze ongelukkige gewesten zendt, die gestadig, door nieuwe tergingen, het lot van den rampzaligen slaaf verzwaren, en hem eindelijk den gewissen dood boven het voor hem zoo ondragelijk leven doen kiezen! – Zoo geweldenarijen en hemeltergende mishandelingen niet beteugeld worden, moet gij niet hopen, dat de ellendigen, die onder uwen ijzeren schepter zwoegen, den dood of de martelingen, waarmede gij dat verzwaart, zullen ontzien; zij beschouwen hem, met regt, veeleer als den eindpaal van hun lijden, en, door het denkbeeld van hunne nabijzijnde verlossing, staan zij, met eene ongeloofelijke standvastigheid, de wreedste pijnen door, zonder een zucht te laten glippen of zelfs eenen pijnlijken gelaatstrek te toonen.

Haafner in: Oost-Indische inkt, 57

[Jakarta 3 – Weg] 

Behalve dat het in de stad zeer ongezond is, brengen daarenboven het slechte water, de vruchten, maar vooral de uitspattingen met ligte vrouwen, waarvan het in de Kampong-Java of Javaansche Kasies krielt (Javaanse kampong en kroegen), menigen Europeaan om het leven, en zij, die het geluk hebben van de landziekten of de gevolgen hunner losbandigheid te herstellen, leiden nog meestal een kwijnend leven. Men ziet het meerendeel der Europeanen, bleek als geesten, met dikke opgezwollene buiken en dunne benen, daarhenen sluipen, met den trek van mismoedigheid en verdriet op het gelaat, niettegenstaande hunne dikwerf onnoembare schatten.
Het opzwellen van den buik ontstaat uit eene ziekte, den koek (opzwelling van lever of milt) genaamd, zijnde, zoo ik vermeen, eene verstopping in de lever, of van eenig ander ingewand. Door een en ander is de sterfte te Batavia boven alle verbeelding groot, en het is daar niets bijzonders, een goed vriend of bekende te hebben, bij wien men nog een paar dagen te voren in gezelschap geweest zijnde, na dien korten tijd, zijne deur gesloten, en hem, zijne vrouw en kinderen allen overleden of reeds begraven vindt. Het is om tenminste de ongezonde uitwasemingen der stinkende grachten, en dus eene van de voornaamste oorzaken der ziekten, te vermijden, dat de vermogende lieden hun verblijf in tuinen buiten de stad houden, en het drinkwater van den Blaauwenberg laten komen, terwijl het dáár buitengemeen goed is. Deze tuinen zijn over het geheel zeer fraai aangelegd, bijzonder die aan den weg van Jacatra gelegen zijn.

Scholte in: Oost-Indische inkt, 330-331

[Surabaya 4 – Setailstraat] 

Lin Scholte – Bibi Koetis voor altijd (fragmenten)
Lin Scholte (1921) werd geboren in Batudjadjar op Java. Ze maakte indruk met haar Anek Kompenie (1965), waarin ze het kazerneleven in Indië beschrijft. Bibi Koetis voor altijd (1974) is een vervolg erop.

Uit kampung Pakis waren veel Indo's vertrokken; ze waren naar de stad verhuisd. Ook ik was op zoek geweest naar een ander onderkomen. Ik vond dat in een garage die nog bezet was door een andere vrouw met twee kinderen. Zodra in het hoofdgebouw een kamer vrijkwam, zou Connie die nemen, zodat ik mijn kinderen dan bij me kon halen in de garage. Het huis stond in de Setailstraat, vlak achter de Dierentuin.
Onrust en angst groeiden. Mam hield de jongens thuis; zelf staakte ze haar verkoop. Dat werd toch niets meer, want ieder dacht aan eigen lijfsbehoud.
Berichten drongen overal door: de Japanners werden als varkens afgeslacht. De vrouwen en kinderen uit de kampen waren vrij! En reden door de stad in betjaks en trams. De oorlog was afgelopen, heette het, maar de oorlog begon toen pas goed. Wak Tiäch, de oude waterdrager die wij kenden als de kalmte en goedheid zelf, ontpopte zich als een god der wrake. Hij kwam op een middag, niet om zijn gewone portie lekkers te kopen, maar om een bloedbesmeurde samoerai te laten zien. Fanatiek ermee zwaaiend demonstreerde hij de vrouwen hoe ‘vakkundig' hij dit wapen had gehanteerd.
De hetze richtte zich tegen de blanda's en hun nakomelingen. Dat werd zelfs in kampung Pakis merkbaar. Mam werd niet langer behandeld met de égards waarmee de bevolking haar voorheen tegemoet trad. Schimpscheuten werden openlijk geuit, bedekte dreigementen.
Mam, Koetis en Soe waren het erover eens: het was niet langer verantwoord mijn kinderen in kampung Pakis te houden. Vooral mijn zoontje Peter was zo blond en blauwogig als een totok (pur-sang Europeaan). Er gold al een tijd een soort verbod voor alle blanda's. Hun werd geraden zich niet meer op de straat te vertonen. De bestaande overheid stond niet in voor hun velligheld. Mam besloot van twee kwade het minst erge te kiezen, en riep de hulp in van buurman Pardi die bij de volkspolitie was ingedeeld. Op Mams verzoek begeleidde hij Corrie en mijn kinderen naar het huis in de Setailstraat. Allen wachtten gespannen op Corries terugkeer. Soe zat stil, ineengedoken op de èmpèran voor de deuropening. In gedachten volgden de drie vrouwen de weg die Corrie en de kleintjes met hun begeleider moesten gaan. Toen Corrie eindelijk na een uur aan het eind van het pad tussen de huizen verscheen, ging, een zucht op van verlichting. Corrie kwam naderbij en hurkte neer bij haar moeder. Zacht vroeg Soe: 'Zijn ze bij hun moeder?’ Corrie knikte glimlachend.
‘Weg met de blanda's! Dood aan alle blanda-honden!' klonken de kreten door de stad. Het waren geen loze dreigementen. Zij werden letterlijk uitgevoerd. ‘Laten de blanda's zich opnieuw concentreren in de kampen waar wij ze beter kunnen beschermen,' klonk het over de radio. In alle woonwijken en stadskampungs stonden, al sinds de Jap er kwam, luidsprekers opgesteld. Iedere ingezetene was in staat elke boodschap te beluisteren. Veel blanda's – zowel totoks als Indo's – gaven gehoor aan de oproep. Anderen deden het niet omdat ze het niet vertrouwden. Dachten aan een opgezette val waaruit ze niet levend te voorschijn zouden komen.
Britse troepen, waaronder de Gurkha's (Indiase militairen), kwamen de rust en orde herstellen. De Indonesische nationalisten stelden zich te weer. Er braken gevechten uit in de straten; fel en bloedig. Mam en haar gezin bleven meestal binnenshuis; vertoonden zich nauwelijks meer op het erf. Om vooral maar niet te provoceren. De voedselvoorraad was nog maar gering, want verkopers vertoonden zich nergens langs de huizen. De pasar van Wonokromo was niet geregeld open en de kooplieden waren er schaars. De blanda’s werden daaruit weggejaagd; de kooplieden mochten hun niets verkopen. De boycot was volledig. Op straffe des doods – naar de letter uitgevoerd – was het de Indonesiër verboden hen aan voedsel te helpen. Koetis en Mam hoopten maar dat de voorraad beras en bonen bij mij het langer zou uithouden dan gepland was. Mam, had Koetis ervan weerhouden mij wat te brengen. ‘Níét doen, niet provoceren, niemand is ermee gebaat,’ zei ze.

Scholte in: Oost-Indische inkt, 332-333

[Surabaya 4 – Kampung Pakis] 

Lin Scholte – Bibi Koetis voor altijd (fragmenten)
Lin Scholte (1921) werd geboren in Batudjadjar op Java. Ze maakte indruk met haar Anek Kompenie (1965), waarin ze het kazerneleven in Indië beschrijft. Bibi Koetis voor altijd (1974) is een vervolg erop.

Op een middag toen Mam haar dutje deed, gingen Herman en Bernard op het erf op de vogeljacht met hun katapult. Zonder erg dwaalden ze verder af tot de kampungrand. De jongens wisten ergens verderop het voormalig schietterrein te staan van het KNIL. Lood als projectiel voor hun katapult zou doeltreffender zijn dan kiezelsteentjes, meenden ze. Ze bereikten het terrein en groeven naarstig alle platte loodfragmenten uit die ze konden vinden. Tevreden met hun oogst verlieten de broers het terrein weer. Aan de kampungrand gekomen, stuitten de jongens op een troep pelopors (een in die tijd ongeorganiseerde stoottroep). ‘Merdèka!' brulden zij in koor met opgeheven vuist. De broers beantwoordden timide de groet op dezelfde wijze. Zij werden herkend als Indo-blanda's. Op hetzelfde ogenblik weerklonk de kreet: ‘Sia-aaaa-ap!' (Maak je klaar; hier: voor de aanval.) In een oogwenk zagen Herman en Bernard zich ingesloten door de pelopors. Sommigen waren niet ouder dan zij zelf. Ze waren uitgerust met slag- en steekwapens, bambu runtjing (polsdikke bambu met schuingesneden, daardoor scherp uiteinde) en zelfs een automatisch geweer.
‘Jullie zijn blanda's. Wat zoeken jullie hier?' vroeg een oudere.
‘Het zijn spionnen! Maak ze af!' schreeuwde een ander. De pelopors drongen dichter op, duwden en rukten aan de broers.
‘Zèg op. Wát deden jullie hier!' riep de eerste spreker weer. Herman stotterde, kon niet uit zijn woorden komen. Bernard nam het woord en legde uit waar ze geweest waren. Rukkende, plukkende handen fouilleerden de broers op verborgen wapens. Ze vonden alleen de stukjes food.
‘Zie je wel, wat zei ik jullie, lóód hebben ze. Om pèllors (kogels) van te smelten!' gilde er een.
‘Neen broeder,' zei Bernard, 'wij wilden deze stukjes lood gebruiken voor onze katapult om op vogels te schieten. Om het vlees; we hebben al zo lang niets te eten.'
‘Ziedaar het bewijs dat ze onze vijanden zijn. Maak er korte metten mee. Dood aan de vijand, dood aan de blanda!' riepen de mannen dooreen. Zij dreven de broers voor zich uit, het terrein weer in. Na een tiental meters hielden ze halt. Iemand bond de jongens de handen op de rug. Ze moesten knielen. De jongen met het automatische geweer schoof de veiligheidspal terug; het klonk als knapte er een droge tak. De blauwe loop glansde in de zon.
‘Verspilling van patronen, niet doen!' riep er een. De schutter aarzelde.
‘Gebruik het slagwapen maar,' ried een ander. De mannen werden het er niet over eens. Eentje opperde dat ze bezwaarlijk de lichamen straks zo maar konden laten liggen.
‘Begraaf jij ze dan!' riepen enkelen hem toe.
‘Neen, laat ze zelf een gat graven; zoals de Japanners dat altijd lieten doen,' suggereerde een ander.
Zo werden de jongens van hun boeien ontdaan om hun eigen graf te kunnen delven. Dat deden ze, met graafstokken en met hun handen, voortdurend aangespoord voort te maken.
Een koopvrouw, teruggekeerd van de pasar in Wonokromo, passeerde de groep van een afstand. Ze verliet het pad en liep op hen toe. Ze herkende de gravende broers, en begréép. ‘Wat zijn jullie met ze van plán!' riep ze uit. 'Vrouw, ga weg en bemoei je hier met mee,' werd haar gezegd. Maar de vrouw ratelde opgewonden voort: 'lk kén deze jongens. Ik ken hun moeder goed; zij is van ons rás. Zij is altijd goed voor ons geweest. Doe haar zonen niets, laat ze gáán. Ze wonen ginds, beneden bij de brug; ga maar kijken als je niet gelooft. Ik zég jullie, doe ze niets! Laat ze gáán.' De vrouw hield hardnekkig haar pleidooi. De mannen werden overtuigd en sommeerden de broers te verdwijnen.
Thuisgekomen kregen ze ervan langs omdat ze het erf af waren geweest. Tegen hun gewoonte in zeiden ze niets terug; ze zaten er maar stil en bleek bij. De enige die hun gedrag ongewoon vond, was Koetis. Ze ondervroeg ze net zo lang, tot ze de geschiedenis hoorde. Maar niet nadat ze eerst had moeten beloven om er hun moeder niets van te vertellen.

Jagt in: Oost-Indische inkt, 352

[Jakarta 5 – Kapitein Jas] 

Bouke Jagt – Erven van Indië (fragmenten).
Bouke B. Jagt (1944) is als Indische jongen geboren in Bandoeng en was soldaat in Nieuw-Guinea, waarover hij schreef in De muskietenoorlog en andere verhalen (1978). Hij studeerde Nederlands en rechten en ging vervolgens in de advocatuur. Zijn Erven van Indië (1992) verhaalt over de Indonesische vrijheidsstrijd, gezien door de ogen van Indo-Europeanen.

Toen opa begraven werd op Tanah Abang, was het drukkend heet. In een ijlblauwe lucht schitterde het verblindende hemellichaam. Achter de lijkwagen volgden stapvoets de zwetende bezoekers. Na de witte poort kwamen ze langs het graf van Kapitein Jas. Het was een verweerde boom binnen een hekje, waarachter bloemen en trommels met kransen lagen.
Daar huisde volgens het bijgeloof de Dood zelf. De Indische Dood was geen mager skelet met een zeis, maar een kapitein met snor en militaire overjas. In die gedaante kwam de Dood de Belanda's in stad en ommeland halen. Iedereen die Tanah Abang betrad, moest deze plaats passeren. Inheemsen offerden er respectvol bloemen.
Een lange stoet schuifelde tussen de rijen zerken. Jonge mensen in stemmige tropenkleding. Stramme oudgasten nog in witte jas toetoep. Een paar uniformen. Veel grijs-geworden hoofden, enkele familiegroepen. Kransen en bloemen lagen op de grond naast het geopende familiegraf, waarin opa’s vader, de onvermurwbare griffier en president van de weeskamer, sinds 1925 rustte.
Een geestelijke prevelde Latijnse gebeden. De omstanders antwoordden met gedempte stem. Het schelle zonlicht maakte de grafstenen rondom marmerwit. Oom Ludwig sprak, daarna oudoom Anton. Het Nederlands had hier anderhalve eeuw op het kerkhof geklonken bij begrafenissen. Het zou in de toekomst slechts bij uitzondering gehoord worden. Er waren muzikanten met blaasinstrumenten. Het koper glom. Ze zetten in, een slepende wijs: ‘Veilig in Jezus’ armen’. Dat joeg een schok van herkenning door de kring. Het was het lied van de begrafenissen in het jappenkamp. Daarna werd gezongen:
Swift to its end ebbs out life’s little day
Earth’s joy grows dim, its glory passes away,
Change and decay in all around I see.
O, Thou, who changest not, abide with me.
Ontroering klonk in de stemmen, want inderdaad, wie zag niet de verandering en het verval rondom? De glorie van het wereldrijk was heen. Niets leek de aanwezigen overgebleven dan een wegebben naar een hachelijke toekomst in de verte, overzee. Wierook kringelde op. Er was een Indische maatschappij, die ooit vertrouwd en rijk was geweest, maar die voorbijgegaan was, zoals een stralende dag verleden tijd wordt. Priester en misdienaars trokken zich terug.
De een na de ander naderde en wierp een kluitje op de met een krans bedekte kist. Oma, de ooms, Mamy en Boesje stonden daarachter als naaste verwanten.
Het duurde voor een kind heel erg lang. De zon was zo heet, Steeds nieuwe onbekende gezichten doken op en wisselden enkele woorden met Mamy. Op een gegeven moment gaf de begrafenisondernemer de familie een teken. Ze liepen met de man naar de koffiezaal.
Tijdens de koffie mocht Boesje op zijn eentje ronddrentelen.
‘Adoeh, ik heb net zo’n gevoel alsof we niet alleen oompje maar de hele Indische gemeenschap ten grave hebben gedragen’, zei Njoenjoe zacht. Hij nipte aan zijn koffie.
‘Jaja, maarr ik moest zo noodhig ja’, zei tante Nitchi achter haar zakdoekje. ‘Ik dacht, het is wel mooi, wat jullie singen, maar nog één liedje en ik dhoe ghewoon in mijn broek!’
‘Het is, geloof ik, de eerste keer’, sprak tante Thea, ‘dat oom Hugo wegging, zonder op het laatste moment te moeten poepen!’
Oom Sjeng merkte op: ‘Hij was niet kwaad, die oude Hugo, een beetje stroef, maar dat zit in de Zwitserse familie. Een hartelijke vent, met een goed hart ... Hij kon verdraaid goed roedjak maken’.
‘In zijn tijd was hij een behoorlijk jager’, zei een oude gebrilde magistraat hoofdschuddend. ‘Zijn schot was heel behoorlijk’.
‘Ik krijg onderhand trek in een borrel’, zei een ander.