Scholte – Bibi Koetis – in Oost-Indische inkt, 330-331

[Surabaya 4 – Setailstraat] 

Uit kampung Pakis waren veel Indo's vertrokken; ze waren naar de stad verhuisd. Ook ik was op zoek geweest naar een ander onderkomen. Ik vond dat in een garage die nog bezet was door een andere vrouw met twee kinderen. Zodra in het hoofdgebouw een kamer vrijkwam, zou Connie die nemen, zodat ik mijn kinderen dan bij me kon halen in de garage. Het huis stond in de Setailstraat, vlak achter de Dierentuin.
Onrust en angst groeiden. Mam hield de jongens thuis; zelf staakte ze haar verkoop. Dat werd toch niets meer, want ieder dacht aan eigen lijfsbehoud.
Berichten drongen overal door: de Japanners werden als varkens afgeslacht. De vrouwen en kinderen uit de kampen waren vrij! En reden door de stad in betjaks en trams. De oorlog was afgelopen, heette het, maar de oorlog begon toen pas goed. Wak Tiäch, de oude waterdrager die wij kenden als de kalmte en goedheid zelf, ontpopte zich als een god der wrake. Hij kwam op een middag, niet om zijn gewone portie lekkers te kopen, maar om een bloedbesmeurde samoerai te laten zien. Fanatiek ermee zwaaiend demonstreerde hij de vrouwen hoe ‘vakkundig' hij dit wapen had gehanteerd.
De hetze richtte zich tegen de blanda's en hun nakomelingen. Dat werd zelfs in kampung Pakis merkbaar. Mam werd niet langer behandeld met de égards waarmee de bevolking haar voorheen tegemoet trad. Schimpscheuten werden openlijk geuit, bedekte dreigementen.
Mam, Koetis en Soe waren het erover eens: het was niet langer verantwoord mijn kinderen in kampung Pakis te houden. Vooral mijn zoontje Peter was zo blond en blauwogig als een totok (pur-sang Europeaan). Er gold al een tijd een soort verbod voor alle blanda's. Hun werd geraden zich niet meer op de straat te vertonen. De bestaande overheid stond niet in voor hun velligheld. Mam besloot van twee kwade het minst erge te kiezen, en riep de hulp in van buurman Pardi die bij de volkspolitie was ingedeeld. Op Mams verzoek begeleidde hij Corrie en mijn kinderen naar het huis in de Setailstraat. Allen wachtten gespannen op Corries terugkeer. Soe zat stil, ineengedoken op de èmpèran voor de deuropening. In gedachten volgden de drie vrouwen de weg die Corrie en de kleintjes met hun begeleider moesten gaan. Toen Corrie eindelijk na een uur aan het eind van het pad tussen de huizen verscheen, ging, een zucht op van verlichting. Corrie kwam naderbij en hurkte neer bij haar moeder. Zacht vroeg Soe: 'Zijn ze bij hun moeder?’ Corrie knikte glimlachend.
‘Weg met de blanda's! Dood aan alle blanda-honden!' klonken de kreten door de stad. Het waren geen loze dreigementen. Zij werden letterlijk uitgevoerd. ‘Laten de blanda's zich opnieuw concentreren in de kampen waar wij ze beter kunnen beschermen,' klonk het over de radio. In alle woonwijken en stadskampungs stonden, al sinds de Jap er kwam, luidsprekers opgesteld. Iedere ingezetene was in staat elke boodschap te beluisteren. Veel blanda's – zowel totoks als Indo's – gaven gehoor aan de oproep. Anderen deden het niet omdat ze het niet vertrouwden. Dachten aan een opgezette val waaruit ze niet levend te voorschijn zouden komen.
Britse troepen, waaronder de Gurkha's (Indiase militairen), kwamen de rust en orde herstellen. De Indonesische nationalisten stelden zich te weer. Er braken gevechten uit in de straten; fel en bloedig. Mam en haar gezin bleven meestal binnenshuis; vertoonden zich nauwelijks meer op het erf. Om vooral maar niet te provoceren. De voedselvoorraad was nog maar gering, want verkopers vertoonden zich nergens langs de huizen. De pasar van Wonokromo was niet geregeld open en de kooplieden waren er schaars. De blanda’s werden daaruit weggejaagd; de kooplieden mochten hun niets verkopen. De boycot was volledig. Op straffe des doods – naar de letter uitgevoerd – was het de Indonesiër verboden hen aan voedsel te helpen. Koetis en Mam hoopten maar dat de voorraad beras en bonen bij mij het langer zou uithouden dan gepland was. Mam, had Koetis ervan weerhouden mij wat te brengen. ‘Níét doen, niet provoceren, niemand is ermee gebaat,’ zei ze.

Scholte – Bibi Koetis – in Oost-Indische inkt, 332-333

[Surabaya 4 – Kampung Pakis] 

Op een middag toen Mam haar dutje deed, gingen Herman en Bernard op het erf op de vogeljacht met hun katapult. Zonder erg dwaalden ze verder af tot de kampungrand. De jongens wisten ergens verderop het voormalig schietterrein te staan van het KNIL. Lood als projectiel voor hun katapult zou doeltreffender zijn dan kiezelsteentjes, meenden ze. Ze bereikten het terrein en groeven naarstig alle platte loodfragmenten uit die ze konden vinden. Tevreden met hun oogst verlieten de broers het terrein weer. Aan de kampungrand gekomen, stuitten de jongens op een troep pelopors (een in die tijd ongeorganiseerde stoottroep). ‘Merdèka!' brulden zij in koor met opgeheven vuist. De broers beantwoordden timide de groet op dezelfde wijze. Zij werden herkend als Indo-blanda's. Op hetzelfde ogenblik weerklonk de kreet: ‘Sia-aaaa-ap!' (Maak je klaar; hier: voor de aanval.) In een oogwenk zagen Herman en Bernard zich ingesloten door de pelopors. Sommigen waren niet ouder dan zij zelf. Ze waren uitgerust met slag- en steekwapens, bambu runtjing (polsdikke bambu met schuingesneden, daardoor scherp uiteinde) en zelfs een automatisch geweer.
‘Jullie zijn blanda's. Wat zoeken jullie hier?' vroeg een oudere.
‘Het zijn spionnen! Maak ze af!' schreeuwde een ander. De pelopors drongen dichter op, duwden en rukten aan de broers.
‘Zèg op. Wát deden jullie hier!' riep de eerste spreker weer. Herman stotterde, kon niet uit zijn woorden komen. Bernard nam het woord en legde uit waar ze geweest waren. Rukkende, plukkende handen fouilleerden de broers op verborgen wapens. Ze vonden alleen de stukjes food.
‘Zie je wel, wat zei ik jullie, lóód hebben ze. Om pèllors (kogels) van te smelten!' gilde er een.
‘Neen broeder,' zei Bernard, 'wij wilden deze stukjes lood gebruiken voor onze katapult om op vogels te schieten. Om het vlees; we hebben al zo lang niets te eten.'
‘Ziedaar het bewijs dat ze onze vijanden zijn. Maak er korte metten mee. Dood aan de vijand, dood aan de blanda!' riepen de mannen dooreen. Zij dreven de broers voor zich uit, het terrein weer in. Na een tiental meters hielden ze halt. Iemand bond de jongens de handen op de rug. Ze moesten knielen. De jongen met het automatische geweer schoof de veiligheidspal terug; het klonk als knapte er een droge tak. De blauwe loop glansde in de zon.
‘Verspilling van patronen, niet doen!' riep er een. De schutter aarzelde.
‘Gebruik het slagwapen maar,' ried een ander. De mannen werden het er niet over eens. Eentje opperde dat ze bezwaarlijk de lichamen straks zo maar konden laten liggen.
‘Begraaf jij ze dan!' riepen enkelen hem toe.
‘Neen, laat ze zelf een gat graven; zoals de Japanners dat altijd lieten doen,' suggereerde een ander.
Zo werden de jongens van hun boeien ontdaan om hun eigen graf te kunnen delven. Dat deden ze, met graafstokken en met hun handen, voortdurend aangespoord voort te maken.
Een koopvrouw, teruggekeerd van de pasar in Wonokromo, passeerde de groep van een afstand. Ze verliet het pad en liep op hen toe. Ze herkende de gravende broers, en begréép. ‘Wat zijn jullie met ze van plán!' riep ze uit. 'Vrouw, ga weg en bemoei je hier met mee,' werd haar gezegd. Maar de vrouw ratelde opgewonden voort: 'lk kén deze jongens. Ik ken hun moeder goed; zij is van ons rás. Zij is altijd goed voor ons geweest. Doe haar zonen niets, laat ze gáán. Ze wonen ginds, beneden bij de brug; ga maar kijken als je niet gelooft. Ik zég jullie, doe ze niets! Laat ze gáán.' De vrouw hield hardnekkig haar pleidooi. De mannen werden overtuigd en sommeerden de broers te verdwijnen.
Thuisgekomen kregen ze ervan langs omdat ze het erf af waren geweest. Tegen hun gewoonte in zeiden ze niets terug; ze zaten er maar stil en bleek bij. De enige die hun gedrag ongewoon vond, was Koetis. Ze ondervroeg ze net zo lang, tot ze de geschiedenis hoorde. Maar niet nadat ze eerst had moeten beloven om er hun moeder niets van te vertellen.