Vervoort – Retourtje tropen, 124-125

[Jakarta 7 – Pasar Gambir] 

In de verte zie ik een paar vliegers in de lucht. Ze maken capriolen die ik herken, ze proberen over elkaars draad te duiken. Vechtvliegeren! Ik herinner het me nog uit mijn jeugd: je stampte een glazen lampenpeer tot glaspoeder, mengde dat met lijm, haalde er een vliegertouw doorheen en liet dat drogen. Dan had je glasdraad. Vervolgens liet je aan dat draad je vlieger op. Op de begane grond was het meestal windstil maar hoog in de lucht stond een stevige wind en met polsbewegingen kon je je vlieger laten duiken. Door het draad te vieren (uitkijken dat je je vingers niet sneed) liet je je vlieger wat afzakken en door het draad aan te trekken liet je hem met rukkerige stappen omhoogklimmen. Die bewegingen waren genoeg om te kunnen vechten met andere vechtvliegers. Als je de kans kreeg liet je je vlieger over andermans draad naar beneden duiken en trok dan je eigen vlieger aan, zodat jouw glasdraad het zijne doorsneed. Zijn vlieger zag je dan machteloos op de wind wegdrijven en langzaam dalen. Veel van die vliegers kwamen in bomen of telefoondraden terecht en zag je in de loop van de jaren wegkwijnen tot geraamte. Sommige haalden de grond en werden dan bezit van de vinder. Wanneer precies de vliegertijd begon, wist niemand. Vermoedelijk begon iemand er gewoon op een dag mee en volgden dan anderen.
In de heuvels boven Bandung kijk ik vandaag naar de stad beneden me en zie: het is vliegertijd. En dan vertelt Yopi dat het vechtvliegeren tegenwoordig een probleem is. Als het glasdraad van zo’n verloren vlieger tussen de bomen langs de wegen komt te hangen en een bromfietser er hard doorheen rijdt, kan deze er een dodelijke snee in zijn hals aan overhouden. In mijn vliegertijd bestond de brommer nog niet.

Vervoort – Retourtje tropen, 126-128

[Bandung 1A – Homann] 

Op naar het hotel dan maar. In Bandung hebben we hotel Savoy Homann geboekt, een van de grootste en oudste hotels van Java, daterend uit ongeveer 1880. Het hart van het hotel is de vroegere binnentuin, nu omgevormd tot een groot overkoepeld binnenterras met palmen en dinertafels. Stemmig en chic is de boodschap van deze ruimte. De kamers van het hotel liggen in carrévorm rond dit tuinrestaurant en vanuit de galerijen kijk je erop uit.
Onze kamer op de eerste verdieping oogt koloniaal en heeft ouderwets comfortabele meubels en een teakhouten plafond. De kamer bestaat uit een zitgedeelte en achter een houten tussenwand een slaapgedeelte. Het is er nogal donker, maar het uitzicht op het grote atriumrestaurant met de grote palmen is prachtig.
Maja en ik gaan meteen op pad, want het is al vijf uur en over niet al te lange tijd is het aardedonker. In 1974 wisselden we weleens geld in Homann en we herinneren ons dit centrale gedeelte van Bandung als aardig en plezierig. De alun-alun moet hier om de hoek liggen met aan de overkant een groot postkantoor en het begin van de Jalan Braga, de grote Bandungse winkelstraat.
De Grote Postweg waaraan hotel Homann ligt, is hier omgedoopt tot de Jalan Asia-Afrika, ter gelegenheid van de grote conferentie van ongebonden Afro-Aziatische landen die Sukarno in 1955 hield in een groot en wat patserig ogend conferentiegebouw (het staat recht tegenover Homann, en de jaren hebben het geen goed gedaan).
De verkeersdrukte is enorm en de alun-alun die we ons herinnerden als een rustig plein met waringinbomen en een stil toeristenbureautje, is nu een rommelig en druk commercieel centrum. De warenhuizen, grote broers, hebben zich er plompverloren neergelaten en met hun ellebogen alles weggedrukt wat hun in de weg stond. Maar wat ze wegduwden is niet vertrokken, het heeft zich ergens op het plein een nieuwe plek veroverd. Dat is de Indonesische manier. Overal staan al dan niet permanente verkoopstalletjes, soms draagbaar aan een pikolan (draagstok). Op de alun-alun staat een forse witte moskee, veel groter dan de maten van het plein eigenlijk toelaten. Er is nog wel één waringinboom te vinden, maar die staat er wat versuft bij. Net zoals wij.

Vervoort – Retourtje tropen, 156-158

[Yogyakarta 2 – Mall] 

’s Avonds brengt Yopi ons naar de Malioboro, de grote winkelstraat van Yogya. Een onafzienbare rij winkeltjes met kleding, schoenen en horloges aan de ene kant en straateettentjes aan de andere kant. We drijven mee in een eindeloze stroom Javaans kooppubliek en ik kan geen Tshirt of bloesje meer zien als we Mata Hari bereiken, het Indonesische warenhuis dat in elke grote stad te vinden is. Binnen worden we aangeroepen door een verkoper van bankstellen. Veel kans om iets aan ons te verdienen heeft hij niet, zelden zullen toeristen hier een westers bankstel kopen, en ik ben dus benieuwd wat hij van ons wil. Maar hij wil alleen zijn Nederlands oefenen en vragen of wij uit Groningen komen. Want daar heeft hij namelijk familie, zijn zus is getrouwd met een Hollander, Van Heusefeld. Kennen we die? En wat is de temperatuur in Nederland op dit moment? Hoever ligt het eigenlijk hier vandaan? En waar wonen wij precies? Hij beent ons tot op het bot uit voordat we verder mogen. Op de bovenste verdieping is een foodcourt waar we wat willen eten. Aan de tafeltjes zitten honderden Yogyanezen zich te goed te doen en aan de vele counters staan kleine middenstanders klaar met hun warme of koude lekkers.
Watertandend lopen Maja en ik langs de kraampjes, terwijl Eric zich naar beneden spoedt waar een McDonald’s schijnt te zijn. Maar hoe bestel je hier iets? We vragen het en krijgen van een Chinese kokkin een uitleg die we niet begrijpen. Ik kan er slecht tegen iets niet te snappen en de hier heersende herrie bevordert de gemoedsrust ook niet. Als ik narrig op weg ben naar de uitgang, Maja protesterend in mijn kielzog, komen we Theo en Martine tegen die al uitgegeten zijn. Zij hebben de oplossing gevonden. Je moet hier eerst aanwijzen wat je wilt hebben. Vervolgens krijg je een bon waarmee je je naar de centrale kassa begeeft. Daar ontvang je een nummerbordje dat je op je tafel moet zetten. En na geduldig wachten verschijnt er dan iemand met je maaltijd. Het klinkt nodeloos ingewikkeld, maar we doen het braaf en inderdaad worden onze kommen soto ayam na enige tijd gebracht.
Tegen een stroom klanten in zien we een tenger oud vrouwtje met een dienblad onze richting uit schuifelen. De overgrootmoeder van de Chinese kokkin zo te zien, de generatie van vier turven hoog. Haastig bevrijd ik haar van de twee zware kommen en mechanisch draait ze zich om voor de moeizame tocht terug. Terwijl ik haar bezorgd nakijk, zie ik dat verscheidene eetstalletjes aanstalten maken om dicht te gaan. De toonbanken worden schoongepoetst, de luiken worden gesloten. Wat is er aan de hand? Ik kijk op mijn horloge, het is negen uur. Sluitingstijd kennelijk. En dat gaat hier snel. Binnen de kortste keren zijn alle eters vertrokken, alle warungs dicht en zitten wij als enigen nog gehaast onze maaltijdsoep naar binnen te werken. Ik verwacht elk moment dat er ergens een hek naar beneden zal dalen om de verdieping af te sluiten, maar gelukkig zijn we nog op tijd weg. Beneden treffen we Eric redelijk tevreden aan, hij heeft zijn hamburger weten te bemachtigen. Ik zie uit de McDonald’s ook een op haar paasbest geklede oudere vrouw komen, trots hangend aan de arm van haar al even keurig geklede zoon. Achter hen volgen schoondochter en kleinkinderen. De oude vrouw is zichtbaar in de zevende hemel: eindelijk door haar zoon meegenomen naar het beroemde Amerikaanse restaurant. McDonald’s is hier chic.
Malioboro is nu aan de winkelzijde stil geworden, alle kledingstalletjes zijn dicht, maar de eettentjes aan de overkant gaan op dit tijdstip in vol bedrijf. Blazende lampen schijnen wit licht op de plastic stoelen en tafels, en de uitgebreide studentenbevolking van Yogya doet zich hier te goed aan de snelle hap. Even heb ik er spijt van dat we onze maag al hebben gevuld in het warenhuis, maar dat verandert als ik een warunghouder de vuile borden en glazen zie wassen in een bak troebel water: er is hier natuurlijk geen wateraansluiting. Vermoedelijk zouden onze Europese magen niet opgewassen zijn tegen de bacteriën die in deze spoelbak een feestje bouwen.

Vervoort – Retourtje tropen, 163-164

[Yogya 1 – Batiksters] 

Direct vanuit de kraton brengt Yopi ons naar zijn favoriete batikwinkel. Soepel wordt ons een verkoopster toegewezen die ons eerst laat zien hoe de batik wordt gemaakt. Net zoals veel andere jongere Javanen spreekt zij heel behoorlijk Engels en dat is maar goed ook, want ons Maleis bevat weinig woorden die op textielarbeid betrekking hebben. Ze neemt ons mee naar de werkplaats achter de winkel. Het is er vrij donker. We zien verfbaden klaarstaan en een grote stenen ton waaronder een levendig vuurtje brandt. Her en der over de ruimte verspreid zit een viertal batiksters. Met oneindig geduld en precisie tekenen zij met een canting (waspen) de was op het doek. Voor elke verfkleur die wordt opgebracht, moeten met was de gedeelten afgedekt worden die niet met die kleur in aanraking mogen komen. Na het verfbad moet die was worden afgeschrapt en worden de wasrestanten in kokend water opgelost. Bij sommige ingewikkelde en vooral veelkleurige ontwerpen kan het weken en ook wel maanden duren voordat een batikkleed af is. De werkplaats oogt vredig. De dames kijken op noch om maar blijven geconcentreerd hun tjanting hanteren. In het midden is een al wat oudere, tanige man bezig met het grovere, zwaardere werk: hij hanteert de batikstempels. Het zijn vierkante ijzeren stempels van pakweg vijftien bij vijftien centimeter, die op de stof worden gedrukt en in één keer een ingewikkeld waspatroon aanbrengen dat met de hand veel meer tijd zou kosten. Minutieus drukt hij de stempel keer op keer op de stof, precies boven de vorige. Dit is goedkopere batik, natuurlijk. De bedoeling van onze excursie naar de werkplaats is uiteraard dat we er goed van doordrongen raken hoeveel tijd het maken van de batikstof voor zo’n fleurig jurkje of overhemd vergt. De prijzen vallen ons dan ook enorm mee, vijftig à zestig euro voor een jurk, dertig tot veertig euro voor een overhemd. De dames in de werkplaats worden kennelijk nog stevig uitgebuit en het enige wat wij eraan kunnen doen, is de vraag laten stijgen boven het aanbod. Als Maja klaar is met passen heeft ze een complete garderobe aangeschaft. Zelf vind ik katoen te warm voor de tropen en ik weiger beleefd elk aanbod ook maar iets te passen. Al wachtend en tandakkend trekken de batikschilderijen die aan de muur hangen mijn aandacht. Rousseau le Douanier schilderde een eeuw geleden tropische fantasielandschappen in de prachtigste kleuren en die kleuren en landschappen zie ik hier terug. De kunstenaar doet het hele batikproces zelf, vertelt het aan ons toegewezen verkoopstertje dat niet alleen Maja maar ook mij in de gaten houdt. En dat wordt natuurlijk vergemakkelijkt doordat schilderijen relatief klein zijn. Bij een klein formaat schilderij kan de kunstenaar zich uitleven in een veelheid van kleuren, zonder dat het hem zijn hele werkzame leven kost. Na lang aarzelen koop ik er één, een doek vol weelderig groen van bladeren en stengels, met in plaats van bloemen vogels in blauw en oranje, bruin en rood. Een stukje van het doek is wit gehouden, een doorkijkje door de jungle naar de hemel. In die open ruimte het silhouet van een palmboom. Het is vast en zeker kitsch, maar ik heb besloten dat het mooi is.

Vervoort – Retourtje tropen, 205

[Surabaya 4 – Eigen baan] 

De krokodillenstad is bloedheet en heeft toeristen weinig te bieden. Maar ik houd van deze grote haven- en handelsstad, ik ben een anak Surabaya. Dertig jaar geleden vond ik op mijn tocht langs de bekende plekken nog veel van mijn jeugd terug. Nu, na zo veel jaar bevolkingsexplosie (de stad telt inmiddels een kleine drie miljoen inwoners), verwacht ik niets meer te herkennen. Maar dat valt mee.
Het mag een compliment zijn aan de Nederlandse stedenbouwers van honderd jaar geleden dat Surabaya de enorme toename van het verkeer goed heeft kunnen verwerken. De opzet van de stad was royaal, met brede verkeersaders en ruime winkelstraten. In mijn jeugd gaf het de indruk van rust en ruimte. De rust is weg, maar de ruimte is toereikend gebleken om de verkeersdrukte aan te kunnen. Nog steeds is er ook op de drukste wegen plaats voor de schaduwrijke angsanabomen en een groene middenstrook, en de huizen langs de vroegere Darmoboulevard en Reiniersboulevard zijn nog steeds herkenbaar ‘Hollands koloniaal’: grote koele huizen met het karakteristieke piramidedak dat als buffer tegen de hitte dient.

Vervoort – Retourtje tropen, 212-213

[Surabaya 4 – Kembang Kuning] 

De volgende dag besteden we aan twee Europese kerkhoven. Eerst gaan we op bezoek bij mijn altijd zeven jaar gebleven oudere broer die hier begraven ligt op het oorlogsgravengedeelte van de algemene begraafplaats Kembang Kuning (Gele Bloem). Ik raak ontroerd door de Last Post-sfeer op dit grote oorlogskerkhof met de onafzienbare rijen witte kruisen en keurig aangeharkte paden. Mijn broertje Robbie ligt op het kinderkerkhof, de kruisen zijn daar wat kleiner dan die van de volwassenen en bij de meisjes is een bloemmotief in het hout gesneden. Jongens en meisjes liggen gelukkig wel door elkaar.
Als ik afscheid van Rob heb genomen (ik kom hier misschien nooit meer), loop ik de rij dode kinderen langs. Even verderop zie ik de kinderen Engelenburg liggen, vijf kinderen in de leeftijd van vier tot tien die allemaal overleden zijn op dezelfde dag: 29 oktober 1945. Dat was in de Bersiaptijd, de roerige periode vlak na de beëindiging van de oorlog. Welke vreselijke gebeurtenis heeft deze vijf slachtoffers gemaakt en ligt ergens anders misschien hun moeder? De vaders waren in die tijd nog niet terug uit de krijgsgevangenkampen.
Ooit zal ik het uitzoeken, neem ik me voor, en ik fotografeer zorgvuldig elk graf en zet mijn handtekening in het gastenboek van het kerkhof. Bagus (mooi), hebben vele vorige bezoekers in de commentaarkolom gezet en dat doe ik ook maar.
De graven worden vanuit Nederland verzorgd door de Oorlogsgravenstichting en ik laat me vertellen dat zelfs de verf waarmee de kruisen worden geschilderd, uit Nederland komt: de Sikkens Rubbol SB, een dure verf die garant staat voor langdurig verzet tegen weersinvloeden.