Vervoort – Retourtje tropen, 156-158

[Yogyakarta 2 – Mall] 

’s Avonds brengt Yopi ons naar de Malioboro, de grote winkelstraat van Yogya. Een onafzienbare rij winkeltjes met kleding, schoenen en horloges aan de ene kant en straateettentjes aan de andere kant. We drijven mee in een eindeloze stroom Javaans kooppubliek en ik kan geen Tshirt of bloesje meer zien als we Mata Hari bereiken, het Indonesische warenhuis dat in elke grote stad te vinden is. Binnen worden we aangeroepen door een verkoper van bankstellen. Veel kans om iets aan ons te verdienen heeft hij niet, zelden zullen toeristen hier een westers bankstel kopen, en ik ben dus benieuwd wat hij van ons wil. Maar hij wil alleen zijn Nederlands oefenen en vragen of wij uit Groningen komen. Want daar heeft hij namelijk familie, zijn zus is getrouwd met een Hollander, Van Heusefeld. Kennen we die? En wat is de temperatuur in Nederland op dit moment? Hoever ligt het eigenlijk hier vandaan? En waar wonen wij precies? Hij beent ons tot op het bot uit voordat we verder mogen. Op de bovenste verdieping is een foodcourt waar we wat willen eten. Aan de tafeltjes zitten honderden Yogyanezen zich te goed te doen en aan de vele counters staan kleine middenstanders klaar met hun warme of koude lekkers.
Watertandend lopen Maja en ik langs de kraampjes, terwijl Eric zich naar beneden spoedt waar een McDonald’s schijnt te zijn. Maar hoe bestel je hier iets? We vragen het en krijgen van een Chinese kokkin een uitleg die we niet begrijpen. Ik kan er slecht tegen iets niet te snappen en de hier heersende herrie bevordert de gemoedsrust ook niet. Als ik narrig op weg ben naar de uitgang, Maja protesterend in mijn kielzog, komen we Theo en Martine tegen die al uitgegeten zijn. Zij hebben de oplossing gevonden. Je moet hier eerst aanwijzen wat je wilt hebben. Vervolgens krijg je een bon waarmee je je naar de centrale kassa begeeft. Daar ontvang je een nummerbordje dat je op je tafel moet zetten. En na geduldig wachten verschijnt er dan iemand met je maaltijd. Het klinkt nodeloos ingewikkeld, maar we doen het braaf en inderdaad worden onze kommen soto ayam na enige tijd gebracht.
Tegen een stroom klanten in zien we een tenger oud vrouwtje met een dienblad onze richting uit schuifelen. De overgrootmoeder van de Chinese kokkin zo te zien, de generatie van vier turven hoog. Haastig bevrijd ik haar van de twee zware kommen en mechanisch draait ze zich om voor de moeizame tocht terug. Terwijl ik haar bezorgd nakijk, zie ik dat verscheidene eetstalletjes aanstalten maken om dicht te gaan. De toonbanken worden schoongepoetst, de luiken worden gesloten. Wat is er aan de hand? Ik kijk op mijn horloge, het is negen uur. Sluitingstijd kennelijk. En dat gaat hier snel. Binnen de kortste keren zijn alle eters vertrokken, alle warungs dicht en zitten wij als enigen nog gehaast onze maaltijdsoep naar binnen te werken. Ik verwacht elk moment dat er ergens een hek naar beneden zal dalen om de verdieping af te sluiten, maar gelukkig zijn we nog op tijd weg. Beneden treffen we Eric redelijk tevreden aan, hij heeft zijn hamburger weten te bemachtigen. Ik zie uit de McDonald’s ook een op haar paasbest geklede oudere vrouw komen, trots hangend aan de arm van haar al even keurig geklede zoon. Achter hen volgen schoondochter en kleinkinderen. De oude vrouw is zichtbaar in de zevende hemel: eindelijk door haar zoon meegenomen naar het beroemde Amerikaanse restaurant. McDonald’s is hier chic.
Malioboro is nu aan de winkelzijde stil geworden, alle kledingstalletjes zijn dicht, maar de eettentjes aan de overkant gaan op dit tijdstip in vol bedrijf. Blazende lampen schijnen wit licht op de plastic stoelen en tafels, en de uitgebreide studentenbevolking van Yogya doet zich hier te goed aan de snelle hap. Even heb ik er spijt van dat we onze maag al hebben gevuld in het warenhuis, maar dat verandert als ik een warunghouder de vuile borden en glazen zie wassen in een bak troebel water: er is hier natuurlijk geen wateraansluiting. Vermoedelijk zouden onze Europese magen niet opgewassen zijn tegen de bacteriën die in deze spoelbak een feestje bouwen.

Vervoort – Retourtje tropen, 205

[Surabaya 4 – Eigen baan] 

De krokodillenstad is bloedheet en heeft toeristen weinig te bieden. Maar ik houd van deze grote haven- en handelsstad, ik ben een anak Surabaya. Dertig jaar geleden vond ik op mijn tocht langs de bekende plekken nog veel van mijn jeugd terug. Nu, na zo veel jaar bevolkingsexplosie (de stad telt inmiddels een kleine drie miljoen inwoners), verwacht ik niets meer te herkennen. Maar dat valt mee.
Het mag een compliment zijn aan de Nederlandse stedenbouwers van honderd jaar geleden dat Surabaya de enorme toename van het verkeer goed heeft kunnen verwerken. De opzet van de stad was royaal, met brede verkeersaders en ruime winkelstraten. In mijn jeugd gaf het de indruk van rust en ruimte. De rust is weg, maar de ruimte is toereikend gebleken om de verkeersdrukte aan te kunnen. Nog steeds is er ook op de drukste wegen plaats voor de schaduwrijke angsanabomen en een groene middenstrook, en de huizen langs de vroegere Darmoboulevard en Reiniersboulevard zijn nog steeds herkenbaar ‘Hollands koloniaal’: grote koele huizen met het karakteristieke piramidedak dat als buffer tegen de hitte dient.

Vervoort – Retourtje tropen, 212-213

[Surabaya 4 – Kembang Kuning] 

De volgende dag besteden we aan twee Europese kerkhoven. Eerst gaan we op bezoek bij mijn altijd zeven jaar gebleven oudere broer die hier begraven ligt op het oorlogsgravengedeelte van de algemene begraafplaats Kembang Kuning (Gele Bloem). Ik raak ontroerd door de Last Post-sfeer op dit grote oorlogskerkhof met de onafzienbare rijen witte kruisen en keurig aangeharkte paden. Mijn broertje Robbie ligt op het kinderkerkhof, de kruisen zijn daar wat kleiner dan die van de volwassenen en bij de meisjes is een bloemmotief in het hout gesneden. Jongens en meisjes liggen gelukkig wel door elkaar.
Als ik afscheid van Rob heb genomen (ik kom hier misschien nooit meer), loop ik de rij dode kinderen langs. Even verderop zie ik de kinderen Engelenburg liggen, vijf kinderen in de leeftijd van vier tot tien die allemaal overleden zijn op dezelfde dag: 29 oktober 1945. Dat was in de Bersiaptijd, de roerige periode vlak na de beëindiging van de oorlog. Welke vreselijke gebeurtenis heeft deze vijf slachtoffers gemaakt en ligt ergens anders misschien hun moeder? De vaders waren in die tijd nog niet terug uit de krijgsgevangenkampen.
Ooit zal ik het uitzoeken, neem ik me voor, en ik fotografeer zorgvuldig elk graf en zet mijn handtekening in het gastenboek van het kerkhof. Bagus (mooi), hebben vele vorige bezoekers in de commentaarkolom gezet en dat doe ik ook maar.
De graven worden vanuit Nederland verzorgd door de Oorlogsgravenstichting en ik laat me vertellen dat zelfs de verf waarmee de kruisen worden geschilderd, uit Nederland komt: de Sikkens Rubbol SB, een dure verf die garant staat voor langdurig verzet tegen weersinvloeden.