Em. Querido’s Uitgeverij, Amsterdam 2002

Haasse – Sleuteloog, 40-41

[Semarang 3 – Nyonya Meneer] 
[Yogya 1 – Batikkunst] 

Dat mevrouw Mijers een Indische was, bleek uit allerlei gewoonten en handelingen die als de motieven van een grondpatroon steeds terugkeerden in het weefsel van haar bestaan. Om de zoveel tijd kreeg zij bezoek van ‘haar’ klontong en van een speciale handelaar in batik. Zij wilde geen straatverkopers over de vloer. In de achtergalerij werden de waren uitgestald. Als wij de kans kregen, waren Dee en ik er bij, om het door boeddhistische nonnen vervaardigde kant- en borduurwerk te bewonderen dat de Chinees toonde, of om mevrouw Mijers met de Javaan te horen discussiëren over de kwaliteit (en de prijs) van de kaïns die hij voor haar ontvouwde. Zij was buitengewoon strikt in haar oordeel en keuze, wilde uitsluitend de met hete was op het doek getekende en in verfbaden van de klassieke kleuren indigo en oker gedompelde, echte batik tulis hebben, en wees de soms haast even mooie bonte en fantasierijke lappen batik tjap af. Non zei dat deze aankopen allemaal geschenken waren: de batik voor Indonesische bekenden op hun feestdagen, het Chinese handwerk voor Europese relaties.
Even typerend waren mevrouw Mijers’ contacten met een stokoude masseuse, die haar sinds het begin van haar huwelijk behandeld had voor spier- en zenuwpijnen, en met een deskundige op kruidengebied, bij wie zij obat bestelde voor zichzelf en haar bedienden. De onderhandelingen met de klontong en de batikverkoper speelden zich altijd af in de achtergalerij, maar de kruidenvrouw en de masseuse werden ontvangen in de slaapkamer, waar behalve Moenah nooit iemand mocht komen.
Ook Non raadpleegde van tijd tot tijd de leverancierster van ‘djamoes’, maar – zoals ze zei – minder om drankjes of smeersels te krijgen dan om informatie in te winnen over bepaalde plantensoorten.

Haasse – Sleuteloog, 89-91

[Jakarta 3 – Pieter Elberfeld] 

Dee vond mijn verbeelding van het salet met de vrouwen in het huis Muntingh niet spannend genoeg. Er was toch ooit een moord gepleegd, het spookte er, vast en zeker had een echtgenote of dochter wel eens een heimelijk liefdesavontuur beleefd met een vreemdeling! Het opstel waarin ik de indrukken van dat eerste en laatste bezoek aan het huis verwerkt had met tekeningetjes erbij van de siervazen en het bloemenmotief in het houtsnijwerk (die ornamenten bleken in mijn geheugen gegrift), ontlokte aan Dee een ‘Zo knap, jij schrijft altijd goed!’ maar in een adem noemde zij het ook “Wel saai!’. Als zij een opstel zou maken – maar dat kon zij niet, beweerde zij hardnekkig – dan zou zij een heel ander onderwerp kiezen uit die voorbije tijden. Zij liet mij lang nieuwsgierig blijven: ‘Ik zeg het niet! Niks voor jou!’ Tenslotte kwam zij toch voor de dag met wat zij dan wel spannend vond, op een middag tijdens het rustuur, bij mij thuis ditmaal, toen wij naast elkaar in bed huiswerk zaten te maken, met onze rug tegen de muur en de goeling in onze knieholten.
Zij vertelde mij dat zij sinds de jaarlijkse verplichte schoolexcursie naar de bezienswaardigheden van Oud-Batavia steeds moest denken aan Pieter Eberveld, de op 14 april 1722 terechtgestelde samenzweerder tegen de Compagnie, wiens witgepleisterde doodshoofd, op een spies gestoken, nog altijd te kijk stond op een brok muur aan de Jacatraweg. In een halve kring opgesteld tegenover dat gedenkteken in de vorm van een rechtopstaande grafzerk, hadden wij het verhaal van zijn gruwelijke foltering te horen gekregen. Een van ons moest hardop de inscriptie lezen: ‘Uyt een verfoeylijke gedagtenisse teegen den gestraften Land Verraader Pieter Erberveld sal niemand vermoogen te deeser plaatse te bouwen, timmeren, metselen of planten, nu of te eenigen dage’.
Dee opperde dat Pieter Erberveld vast en zeker de Muntinghs van zijn tijd gekend had. Misschien had hij wel geprobeerd een Muntingh te winnen voor die samenzwering van hem om alle Europeanen te vermoorden.
‘En hijzelf dan?’ vroeg ik.
‘Hij was een Indo, toch?’ zei Dee. ‘En die Muntinghs waren ook niet meer blank’.
Meer nog dan haar nonchalante gebruik van het beladen woord Indo verbaasde mij de vanzelfsprekendheid waarmee zij stelde dat het plan van Erberveld om de regering in de stad aan zich te trekken en een Javaan te benoemen tot hoofd over de inlandse bevolking nog zo gek niet was. Dan zou de streek bestuurd worden door mensen die er thuishoorden, en niet door totoks van de voc., wie het alleen te doen was om handelswaar, geld en macht. In hun ogen waren immers alle niet-Hollanders, niet-blanken, minderwaardig. Pieter Erberveld kreeg geen kansen, moest elke dag voelen dat hij een halfbloed was. Zij kon hem begrijpen!
Haar toon was uitdagend, alsof er sprake was van een meningsverschil tussen ons. Ik vroeg haar of zij zichzelf een Indo vond.
‘Mijn opa Mijers had een Javaanse grootmoeder. En in de familie van mijn oma zitten alle kleuren, blank, bruin, geel en zwart! Kijk naar Non! Zij denkt zelf dat ze zo donker is omdat ze het bloed heeft van die mooie mardijkse, je weet wel, haar huid was net ebbenhout!’
‘Jij hebt toch Frans, en voor de helft Pools bloed, dat is dus zo Europees als wat!’
Dee reageerde fel: ‘Oké, maar ik ben toch geen totok!’
‘Ik ook niet,’ zei ik vol overtuiging.*]

*] Ik ben, wat men destijds in Indië noemde ‘een hier te lande geborene van zuiver Europese afkomst’, dus een creool in de oorspronkelijke betekenis van dat woord. [Haase – Diepteloot, 398]