Twaalfde druk, EM. Querido’s Uitgeverij b.v., Amsterdam 1977

Jan Pietersz. Coen, 1587-1629 * Couste que couste, blz. 257-284

Romein – Erflaters, 258

[Jakarta 2 – Jan Pietersz. Coen]

Wanneer wij vaststellen, dat Coen geen nationale held is, dan houdt dat geen oordeelvelling over zijn moed, beleid en trouw in, maar slechts de formulering van het feit, dat de volksverbeelding geen vat heeft gekregen op deze stroeve gestalte, gelijk op de verhevene van Oranje of op de rondborstige van Michiel Adriaansz. Wie na drie eeuwen een poging wil doen in een gefundeerde biografie die gestalte in levende lijve voor de geest te roepen, zal weinig moeite hebben met het verwijderen van de woekeringen der legende. Maar hij zal, wil hij slagen, welbewust afstand moeten doen van de pleittoon, van het: bedenk in welk een ruwe tijd, onder welke uitzonderlijke omstandigheden Coen leefde en werkte. Want hij zal ons Coen moeten uitbeelden als een component van die tijd en niet als een ethische twintigste eeuwer, die goedschiks-kwaadschiks zijn rol in die ruwe eeuw heeft moeten spelen. Zulk een biografie zou een waardevolle aanwinst van onze historische literatuur zijn. Het spreekt vanzelf, dat deze korte schets niet meer pretendeert dan te doen beseffen, dat wij zo'n biografie nog altijd missen.

Romein – Erflaters, 272-276

[Jakarta 2 – Jan Pietersz. Coen]

Nu Coen de – zij het dan vrij drassige – ondergrond voor zijn ‘collonie’ in zijn macht had, wierp hij zich met al zijn werkkracht en eerzucht op de uitbouw en versterking van het fort tot een stad, zijn stad die hij dan ook aanvankelijk Nieuw-Hoorn noemde, maar toen de Heren XVII vasthielden aan Batavia, sprak hij van ‘het fort Jacatra’. *] Niet alleen over de naam beslisten de Heren: ‘Bij naerder conferentie met sijne princelijcke Excellentie,’ schreven zij, ‘soo is voor best gevonden, datter maer één quarrée gelijck als hetgene van het kasteel van Gulick soude gemaeckt werden, soo groot als uwelieden ende de raden zullen noodich achten omme daerinne, behalve de nodige packhuysen ende magasijnen 6 ofte 800 man te mogen logeeren volgens het project van den ingenieur van sijn Excellentie Simon Stevijn gestelt.’ Midden in die arbeid treft hem als een donderslag het bericht, dat de OIC vrede gesloten heeft met de Engelse Compagnie op de grondslag van vrije handel voor beide in de Archipel en onderlinge samenwerking. Zijn eerste reactie is: een spoedmissive naar de Molukken om zoveel mogelijk specerijen te doen opkopen voor het officiële bericht van het contract bekend wordt, dan schrijft hij honend en hooghartig zijn antwoord aan de Heren met die ingetoomde aanhef: ‘Hoe pryselyck, eerlyck ende goddelyck een goed vrede en eenicheyt sy, is alle redelycke verstanden kennelyck. Gelooft zy Godt, die alles ten goeden schickt ende daertoe nimmermeer middelen laet gebreecken.’ En dan barst hij los: kennelijk heeft het de Heren aan vertrouwen in die goddelijke middelen ontbroken, dat ze zich zulke bondgenoten kozen en op voet van gelijkheid erkenden, waar ze ‘niet een sandeken van ’t strandt in de Molukkos, Amboyna noch Banda hadden te pretenderen’. ‘Grooten danck syn [de Engelsen] UE schuldich, want hadden haerselven met recht uut Indien geholpen, ende de heeren hebben hun daer weder middenin geseth.’ Aan het slot van zijn brief laat hij weten, niet gezind te zijn ‘langer dan toecomende jaer 1621 te continueren ende vastelycken voorgenomen hebben alsdan met Godes hulpe nae 't vaderlandt te keeren’.
Niets had intussen zozeer Coen kunnen overtuigen van het nut van zijn gewelddaad dan juist deze vrede met de Engelsen. Hij moet met bloedend hart hun toestaan een nieuwe loge aan de Tji Liwoeng te bouwen en het hun geaccordeerde aandeel in de peper- en muskaathandel, maar hij duldt hen als gasten op zijn grond en onder zijn jurisdictie. In de instructie voor de nieuw benoemde baljuw van Batavia, gedateerd één dag na de ontvangst van het vredesbericht, bepaalt hij met de willekeur van de veroveraar de grenzen van zijn rechtsgebied, naar hij meende: de grenzen van het ‘koninkrijk Jacatra’: in 't westen Bantam, in 't oosten Cheribon, in 't noorden de eilanden en in 't zuiden de zee! En hij begreep ook, dat hij voor het te laat was, zijn consequenties uit deze ervaring moest trekken ten opzichte van de machtsverhoudingen in de Molukken, met name op de Banda-groep, waar tot nu toe de Compagnie de hoofdeilanden Lontor en Neira met de pretentie van het monopolie op de specerijenhandel bezet hield, terwijl de Engelsen vanaf de kleinere eilanden Poeloe Roen en Poeloe Ai dat monopolie ontdoken, zodat de compagnie alleen op een feitelijke voet van oorlog zich althans van het leeuwedeel van de handel kon verzekeren.
Nu Coen gedoemd werd met de Engelsen in vrede te leven, bleef slechts één middel over: de Bandanezen zo klein te krijgen, dat ze het wel uit hun hart zouden laten aan de Engelsen te leveren. Die gedachte was niet nieuw. Reeds in de adviezen van de commandeur Hendrik Brouwer, later bewindhebber der Compagnie die in 1611 en '12 onder Both in de Molukken diende, heet het: ‘Nu men weet de Bandanesen geen andere welvaert hebben als haere overvloedighe menichte van nooteboomen ... is mijn advies ... dat men hun beoorloge met ... de nooteboomen te vernielen ... dat lichtelycker ende met minder peryckel sall connen geschieden dan hun vaste nesten te overweldighen.’ En ook: ‘De Bandanesen, die men in de furie conde becomen, dootslaen sonder eenich aensien, wanneer ontwijfelycken de saacken wel anders sullen gaen. Men behoeft niet te meenen, dat hier soo veele aen te doene sal weesen, dewijl het maer swarten ende bloodt volck is...’
Ook Both had al de instructie meegekregen om met alle middelen het monopolie in de Molukken te handhaven, maar hij noch zijn opvolgers hadden het enige middel durven aanvaarden, dat daartoe voeren kon. Dat deed Coen. Januari 1621 verliet hij met twaalf schepen de rede van Batavia, helemaal niet teleurgesteld, dat de Engelsen die hij daartoe pro forma had moeten uitnodigen, geen schepen beschikbaar hadden om aan de expeditie deel te nemen. Op de ree van Banda aangekomen, wees hij alle onderhandelingen waartoe de Engelse vertegenwoordiger op Poeloe Lontor zijn bemiddeling aanbood, af, zette zijn troepen aan land en onderwierp het eiland na een hardnekkig verzet. Maar Coen begreep, dat voor zijn doel ook na deze onderwerping een nieuw vredescontract niet afdoend was: de ‘haentiens van de Oost’ zouden op den duur toch weer in verzet komen en de Engelsen zouden dat verzet blijven aanstoken, dus gaf hij de gouverneur van Banda, Sonck, last de gehele bevolking naar elders te verplaatsen. Coen was geen bloedhond, maar een beheerst man die zijn dienaren wist te kiezen. Sonck volvoerde zijn opdracht zo goed, dat van de vijftienduizend zielen die de bevolking van Lontor geteld had, er ten slotte nog slechts een kleine achthonderd voor transport in aanmerking kwamen. Van de rest waren vijfenveertig orang-kayas (hoofden) op een twijfelachtige beschuldiging van verraad ter dood veroordeeld, honderden door de soldaten in paniekstemming neergesabeld, duizenden van honger omgekomen in de bergen, waarheen ze gevlucht waren en hun de toevoer was afgesneden, een handjevol over zee naar Ceram ontsnapt. Van het als haringen verzonden transport kwamen er slechts zeshonderd te Batavia aan, in januari 1622 werden er daarvan opnieuw op beschuldiging van een samenzwering acht terechtgesteld, de overige mannen levenslang in boeien geklonken, de vrouwen en kinderen als slaven verkocht. Coen wist zijn mensen te kiezen voor het handwerk waar hij hen voor nodig had: Sonck was een goede beul gebleken, als gouverneur was hij minder geschikt: hij bracht eenendertigduizend gulden voor zijn tafel in rekening en verknoeide negentig vaten buskruit aan saluutschoten... voor de Engelsen, nota bene! Nog in 1622 riep Coen hem terug naar Batavia. Zijn opvolger Van Speult was beter organisator, zuiniger en niet minder doortastend: hij was de man die in Coens geest op Ambon de verhouding tot de Engelsen toespitste tot die twijfelachtige rechtspleging wegens verraad die bijna twee eeuwen lang bij alle Nederlands-Engelse onderhandelingen als de ‘Ambonse moord’ te berde kwam en waarvoor de Engelsen, niet geheel ten onrechte, al had het proces na zijn vertrek naar Holland plaats, Coen aansprakelijk stelden.
Met de vloot die 20 januari 1623 te Batavia aankwam, ontving Coen een brief van de XVII waarin zij zich zo vierkant en op alle punten tegenover de door Coen gevoerde politiek stelden, dat hij begreep zijn zaak niet langer van Indië uit te kunnen verdedigen. Na door de Raad van Indië Pieter de Carpentier als zijn opvolger te hebben laten aanwijzen, vertrok hij begin februari als admiraal van de retourvloot naar Holland. Voor zijn vertrek gaf hij nog drie verordeningen uit die getuigen zowel van zijn vaste wil om de Heren te braveren, als van zijn realistisch begrip van de situatie: ten eerste een verlofbrief tot particuliere handel aan een aantal vrijburgers van Batavia; ten tweede de benoeming van Antonie van Diemen tot oppercoopman; ten derde een instructie aan De Carpentier, neerkomende op een uiteenzetting van zijn Indische handelspolitiek, waarbij echter niet langer op kapitaalsinvoer uit. Holland wordt gerekend, maar waarin Indië zich zelf bedruipt – dus zelfstandiger wordt – door zijn basis te vinden in de Chinese handel.
Op 19 september was Coen in Amsterdam en reeds drie dagen later werd hij in een vergadering van de Staten-Generaal ontvangen en gehuldigd, nadat hij daar rapport had uitgebracht over de ‘staet van saecken ... ende de resolutiën ... genomen om de Oost-Indische Compagnie voortaen te mogen houden buyten soo groote costen als die dus lange gedaen ende gedragen hebben’. Coen had van de Kaap een snel zeilend jacht vooruit gezonden met een uitvoerige memorie waarin hij met argumentatie en becijfering het plan uit de instructie van De Carpentier herhaalde. In oktober kreeg hij in de vergadering der XVII, na ook daar een eervolle ontvangst, gelegenheid om die memorie voor te lezen en toe te lichten. Hier is het openlijk begin van de hardnekkige strijd die Coen gedurende zijn ruim driejarig verblijf in Holland voert met zijn tegenstanders onder de bewindhebbers, een fractie waarvan Reael zo niet de leider, dan toch de enig deskundige raadgever is. De twee hoofdpunten in die strijd die wij hier niet in al zijn etappes kunnen volgen, waren de in Indië te volgen handelspolitiek en de beloning van Coens verdiensten en hij heeft voor beide al zijn hardnekkigheid, welsprekendheid en kennis van de Compagnieszaken in het vuur gebracht. Wie met verloochening van de psychologie en de feiten Coen coûte que coûte als ver vooruitziend idealist wil redden, moet hier weer met een haastige zucht een zwarte bladzijde omslaan, maar de openhartigheid alleen al waarmee hij zelf de gouden ketenen, vergulde sijdgeweren, medailles met ‘eerlycke ende loffelijcke inscriptie’ en harde Carolusguldens nastreeft, kan ons anders leren. Als persoonlijke beloning aanvaardt hij ten slotte met laatdunkend gebaar een bedrag aan geld en geschenken van omstreeks een ton gouds. Voor zijn plan: de Compagnie beperkt zich tot de grote vaart, de handel op de kusten van Afrika en Azië komt onder voorwaarden en tegen betaling van patent aan particulieren, weet hij door zijn uiterst zakelijke en deskundige argumentatie een meerderheid te winnen en hij krijgt opdracht een reglement voor de handel in Indië uit te werken. September 1624 dient hij dat in en als de aangewezen man tot uitvoering ervan, verzoeken de bewindhebbers hem opnieuw het gouverneur-generaalschap te aanvaarden. Coen toonde zich niet al te graag, hij zou gaan ‘indien sijn E. alvooren soude connen geraecken tot een bequaem ende goed partur tot eene huysvrouw om met hem naer Indien te gaen’.
Toen hij die ‘partur’ gevonden had in de negentienjarige Eva Ment, een Amsterdamse koopmansdochter, dwong een langdurige ziekte hem zijn huwelijk en uitreis te verschuiven. Zijn vijanden zaten intussen niet stil en vonden een ongevraagd bondgenoot in Jacobus I van Engeland, wiens haat tegen de dwarsdrijver Coen, nadat de berichten van de ‘Ambonse moord’ in Europa waren doorgedrongen, geen grenzen meer kende: de Engelse gezant protesteerde officieel bij de Staten-Generaal tegen Coens terugkeer.
Een aantal ‘dolerende participanten’ van de Compagnie stuurden rekest op rekest aan de Staten die zelf ook wel enige grieven hadden over het eigenmachtige optreden van de Compagnie, waarin er onder andere op gewezen werd, hoe Coens uitzending de goede verstandhouding met Engeland ernstig in gevaar zou brengen; er verscheen een heftig pamflet: ‘Een waer verhael van de onlanksche ongerechte, wreede en onmenschlijcke procedure teghen de Engelschen tot Amboyna in Oost-Indien’ (waarschijnlijk met Engels geld). Het kwam ten slotte zover, dat de Staten Coen lieten weten ‘dat hij zich niet had te onderstaen van te vertrekken’.
*] zie Oud Batavia I, 44, 45 en Oud Batavia I, 46-47.

Romein – Erflaters, 282-284

[Jakarta 2 – Jan Pietersz. Coen] 

Coens laatste ambtstermijn wordt bijna geheel in beslag genomen door de verdediging van zijn stad tegen de Javaanse vorsten die de indringers weer in zee trachten te drijven. In december 1627 verijdelde Coens waakzaamheid een overrompeling van de stad door Bantamse prauwen, in april 1628 verscheen er te Batavia een Matarams gezant die een jaarlijks gezantschap naar zijn vorst, dat wil zeggen leenhulde verlangde. Coen weigerde botweg. Mataram zette de rijstaanvoer naar de stad stop tot in augustus plotseling een vloot van zestig prauwen met rijst en slachtvee verscheen. De list was al te plomp en de aanslag mislukte, maar dadelijk daarop werd de stad van de landzijde door een leger van Matarammers ingesloten. De veertigjarige Coen ontwikkelde een nieuwe kwaliteit: hij betoonde zich een bekwaam veldheer die in korte tijd de paniek in de stad baas was en door een paar krachtige uitvallen, gesteund door het voedselgebrek, dat weldra onder de belegeraars heerste, twee massalegers, die vlak achter elkaar tegen de stad oprukten, tot een ontredderde aftocht wist te dwingen.
Nu knoopte Coen dadelijk onderhandelingen met Bantam aan en beveiligde zich aan die zijde door een vrede tegen de nieuwe aanval die hij uit het oosten vreesde. Kort daarop, in april 1629, verscheen te Batavia een Matarams gezant die in zo nederige termen ‘vergiffenis’ voor de soesoehoenan en vrede vroeg, dat Coen opnieuw lont rook, te meer omdat hem bericht was, dat deze zelfde gezant in de havens op de noordkust rijstvoorraden had opgekocht. Met pijniging bedreigd bekende de gezant, dat de voorraden voor een nieuw aanvalsleger bestemd waren en hoewel Coen dadelijk schepen uitzond die erin slaagden ze grotendeels te vernietigen, verscheen toch een leger van misschien tienduizend man voor de stad, waarvan het gerucht er echter wel honderdduizend had gemaakt. Maar door de verstoring van de voedseltoevoer was het spel al van te voren verloren: na een beleg van zes weken waarbij geen enkel voordeel werd behaald en de gelederen wegsmolten door ziekte, gebrek en desertie van de uit pas veroverd gebied gepreste soldaten, volgde een aftocht, nog jammerlijker dan de eerste.
Coen heeft zijn triomf niet meer beleefd. In de belegerde stad, naar toenmalige Europese eisen gebouwd, en waar zonder enig begrip van tropische hygiëne geleefd werd, heerste een kwaadaardige epidemie, blijkbaar cholera, die ‘uijt een geïnfecteerde lucht schijnt voort te comen’, schreef de predikant Heurnius, zonder enige verdenking tegen het door afval en lijken der belegeraars besmette rivierwater. Aangetast door de ‘rode loop’ houdt Coen tot 20 september in zijn veelomvattende functie van krijgsoverste, stadsbestuurder en koopman stand.
In de nacht van 20 op 21 sterft hij zo onverwachts, dat hij nauwelijks nog tijd en krachten vond voor enkele uiterste beschikkingen: zijn vrouw en vier dagen tevoren geboren dochtertje vertrouwt hij aan zijn zwager, Pieter Vlack toe; zelf niet meer tot schrijven in staat, vervult hij de opdracht uit zijn instructie om zelf in geval van nood schriftelijk zijn opvolger aan te wijzen, door Heurnius een naam in te fluisteren, men zegt die van Van Diemen, maar de Raad, onbekend met die opdracht, meende zich daar niet aan te moeten houden en wees Jacques Specx aan.
Op 22 september werd het stoffelijk overschot van de generaal ‘met behoorlijcke solempniteyt ende eere’ binnen het stadhuis op Compagnieskosten begraven. De Heren in Holland maakten overigens achteraf wel bezwaar die kosten, zegge ƒ6300 voor hun rekening te nemen, gelijk zij zich ook verder onthouden hebben van iedere poging om zijn nagedachtenis te eren of te bestendigen.
Het witgepleisterd graf van Bencon *] wordt [werd] door zijn landgenoten te Batavia in ere gehouden. Toen in de jaren voorafgaande aan de Tweede Wereldoorlog een vage vrees voor een nieuwe verovering van Indonesië en een vasthoudend verzet tegenover de opduikende twijfel aan het recht van iedere verovering de kreet om een nieuwe Coen deed opgaan, heeft men te Batavia op niet boven alle twijfel verheven aanwijzingen de eerste bedevaartplaats van het imperium ‘ontdekt’: het graf van Coen bleek door de bloei van zijn stad overwoekerd.
Deze herleefde waardering waarvan de oorzaken zo tastbaar zijn, richtte zich, wat niet van iedere waardering door het nageslacht gezegd kan worden, op Coens meest dominerende eigenschap: op de knopendoorhakker, de man die de verantwoording durfde nemen. En waar van weinig mensen de daden zo vérstrekkende gevolgen hebben gehad, wordt Coen het lichtend voorbeeld van de sterke man: alle zegenrijke en voordelige gevolgen van het contact van Nederland en Indonesië vinden zo bij hem hun oorsprong – de minder zegenrijke worden in het duister gelaten – en de herdenkende feestredenaar komt gemakkelijk tot een voorstelling waarbij de verwoester van Jacatra en Banda die immers voor vrije kolonisatie gepleit had, reeds van verre had aangestuurd op de beschaafde kolonistenmaatschappij der twintigste eeuw – al zou hij de ethische richting verfoeid hebben.
De Coen-legende die in zijn eigen tijd door het schrale contact van Nederland en Indonesië, door het naijverige zelfbewustzijn der Heren XVII, door de stugheid van zijn eigen persoon niet het minst, nooit op gang kwam, wordt door onze koloniale geschiedenisschrijvers met zorg opgekweekt, sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog niet alleen de bevrijding van een aantal Europese landen, maar ook die van Indonesië bracht. Ten onrechte, wil het ons voorkomen. Want voor de objectieve beschouwer valt het niet te ontkennen, dat iedere idealistische bezetenheid aan Coens dadendrang vreemd is. Reeds zijn herhaalde doelverschuiving bewijst dat. Geen verder en scherper inzicht dan dat van zijn tijdgenoten leidde zijn daadkracht, wel een grotere feitenkennis, een sterke, maar weinig gelouterde geldingsdrang en de mogelijk uit eigen bittere ervaring verworven cynische moed om openlijk te erkennen, dat ook het betrekkelijk kleine onrechtmatige gewin, dat de Hollandse kooplui nastreefden, zich alleen door grof geweld liet veroveren en bevestigen.
Hij legde de grondvesten van een koloniaal rijk, dat de gehele verdere politieke, maatschappelijke en culturele geschiedenis van Nederland mede bepaald heeft en hij werd ervoor beloond – afgezien van de omstreden ton gouds – met de vloek van duizenden ongelukkigen. Wie het eerste als zijn doelbewuste daad geëerd wil zien, aanvaarde ook de last van de laatste.
*] Gelegen noordelijk van de bocht, ongeveer in het midden van de Jl Pangeran Jayakarta.