5de druk, Em. Querido’s Uitgeverij, Amsterdam 2004.
Teksten uit: Een handvol achtergrond.

Haase – Diepteloot, 398

[Sleuteloog, 88-91] 

Ik ben, wat men destijds in Indië noemde ‘een hier te lande geborene van zuiver Europese afkomst’, dus een creool in de oorspronkelijke betekenis van dat woord. Creolen kennen niet de gespletenheid naar lichaam en ziel waar gemengdbloedigen nooit aan kunnen ontkomen; er is echter wel degelijk sprake van een – zij het andersoortig – noch in de ene, noch in de andere wereld geheel thuis horen; en omdat de kenmerken van innerlijke aard zijn, en afhankelijk blijken van onderling zeer verschillende individuele factoren, vormen de ‘Indische’ creolen ook eigenlijk geen groep, in tegenstelling tot die van de vroegere Spaanse koloniën.
In haar roman De Atlasvlinder laat Aya Zikken een Indische dame tot een op Sumatra wonend Nederlands meisje zeggen: ‘Jouw bloed is ongemengd, maar je geest is gemengd’. In die definitie schuilt een kern van waarheid. Geest: het denken, het bewustzijn, is iets anders dan het emotionele, intuïtieve, ‘ingeschapene’, dat door het woord ziel wordt uitgedrukt. Ik denk dat dit geestelijke gemengd-zijn sterker is, naarmate het zintuiglijke waarnemen meer gevormd is door de tropische omgeving. Een daarginds geborene, die er bovendien de beslissende jaren van de jeugd heeft doorgebracht, is daardoor absoluut bepaald.

Haasse – Diepteloot, 413

[Jakarta 4 – Wassen] 

In Batavia, fietsend naar school, en van school naar huis, naar het zwembad, de winkelbuurt of naar excentrisch wonende klasgenoten, dwaalde ik graag af van de al te bekende wegen, koos ik wijken en ‘gangen’ waar ik anders nooit kwam. De geschiedenis van de Japanse kapper en zijn vrouw en hun Indische buurdames Du Cloux en Matulaka (‘De Lidah Boeaja’) is voortgekomen uit indrukken opgedaan tijdens dergelijke omzwervingen, meestal nog voor het rustuur ten einde was, op het heetst van de middag, wanneer het doodstil was op straat en alle huizen achter hun neergeslagen krees stof voor veronderstellingen en fantasieën leken te verbergen. Rob Nieuwenhuis heeft het verband gesignaleerd tussen de Indische bellettrie en het ‘fait divers’, de roddel, het schandaaltje. Het verhaal ‘Een perkara’ is geïnspireerd door een echt gebeurd drama, een zelfmoord, die bij kennissen van kennissen thuis had plaatsgevonden. Mijn moeder en een vriendin spraken er fluisterend over op een keer, in de overtuiging dat ik geheel verdiept was in de tijdschriften van de leestrommel. Het bloed dat door de klamboe heen drong, de kreet ‘Ik wil niet dood!’ maakten een onuitwisbare indruk op me. Toen al bedacht ik vaak een verhaal om deze gebeurtenis heen, telkens weer een ander.