Alberts – Twee jaargetijden, 43-44

[Jakarta 4 – Tramway] 

De uitgekomen Europeaan was verzekerd van werk. Hij had een betrekking. Op een paar uitzonderingen na – mensen uit Nederland, die hun uitgezwermde familieleden gingen bezoeken – kwam iedere man of vrouw daarginds binnen met een aanstelling op zak. Werkloze Europeanen waren uit den boze. Het kwam, vooral na het langzaam doordringen van de crisis van 1929, beangstigend veel voor, dat de particuliere maatschappijen personeel uit Nederland moesten ontslaan. De mensen kregen dan meteen een retourpassage en ze werden, waarschijnlijk voor alle zekerheid, op de boot gezet door eenzelfde soort iemand, die hen in een vroeger stadium als afhaler de welkomsthand had geschud. Dit soort scènes speelde zich af binnen het zakenleven in het midden van de jaren dertig. Bij ambtenaren vielen geen crisisontslagen. Het gouvernement stopte gewoon met het aannemen van nieuw personeel. Anderen, die Indië wensten te bezoeken, moesten op een of andere manier aantonen, dat ze daar niet armlastig zouden worden.
Zij die aan het werk konden blijven, het overgrote deel der Europese bevolking, werkten hard. Van ’s ochtends vroeg tot vroeg in de middag, zo’n zeven uur achter elkaar. In de paar grote steden volgde men in het kantoorleven meer het Europese patroon en op de ondernemingen ging het weer anders, al naar het product en de ligging, de hoogte vooral. Ambtenaren op tournee maakten weer andere tijden. Het was, kortom, een bijenkorf die laat in de middag tot rust kwam op de voorgalerij.

Alberts – Twee jaargetijden, 49-50

[Walraven – Op de grens, 15] 

Bezoeken door de week werden niet aangemoedigd, maar op die betrekkelijk strikt in acht genomen gewoonte bestond een plechtige uitzondering: het officiële bezoek. Ben je al op officieel bezoek geweest bij die en die, was de vraag die soms werd gesteld door een medelevende chef aan zijn onderhorige. Hij wilde namelijk niet dat zijn onderhorige voor de rest van zijn leven op zijn standplaats ongelukkig zou zijn.
Het officiële bezoek moest door ieder aankomend lid van het samenlevinkje worden gebracht aan degenen, die iets hoger in rang of iets meer in aanzien of wat dan ook waren. Het moest minstens vijf kwartier duren, maar als men elkander beviel, mocht het langer. Als je het niet deed, vergat of, erger nog, niet nodig vond, dan kreeg je het ingepeperd. Ach, zo vreselijk was het ook weer niet, maar je kreeg het wel te horen. Er volgden tegenbezoeken en daarmee was de zaak bekeken, want voor de rest zag men elkander wel, maar dan zaterdagavond op de sociëteit.