Alberts – Een kolonie, 38

[Jakarta 7 – Japan] 

In 1899 werden de in Indië woonachtige Japanners voor de wet gelijkgesteld met Europeanen. Op aandringen van Tokyo. Daar vonden ze, dat hun landgenoten van een beter soort waren dan al die kerels uit China, Arabia felix, Malakka en soortgelijke contreien. De Haagse-Buitenzorgse regering is daar al in 1899 met de zogenaamde Japannerwet voor opzij gegaan: de ingezetenen van Japanse afkomst werden toen gelijk gesteld met Europeanen. Nota bene nog vóór de Azië schokkende overwinning van Japan op Rusland in 1904/’05. Ons Indisch gouvernement van die dagen mag een vooruitziende blik niet worden ontzegd.

Alberts – Een kolonie, 39-41

[Jakarta 5 – Soos] 

De bewoners, ingezetenen van de bestuurshoofdplaats in de provincie, zijn voor het overgrote deel ambtenaren met hun gezinnen. Ambtenaren van allerlei diensten. Het Bestuur natuurlijk voorop, dan Justitie, dan Onderwijs en Volksgezondheid; Landbouw, Veeteelt en Bosbouw meestal in de residentiehoofdplaats. Allemaal in dienst van het Indische gouvernement.
Particulieren waren schaars in de villadorpen der provincie. Mensen, die zelfstandig of in bedrijven, maar in elk geval als particulieren hun brood verdienden, werden gevonden in de paar grote steden (zoals Batavia, Surabaya, Medan) en op de Europees geleide ondernemingen van landbouw, mijnbouw en handel (waarin ook de Chinezen een grote rol speelden).
Maar we hebben het hier verder over de bewoners van een villadorp in de provincie. Kwam onder hen discriminatie voor? Ongetwijfeld. Waar niet? En wanneer niet? We weten nu, in onze dagen, maar al te goed, dat we zonder discriminatie niet kunnen leven. En waarom zou dat een halve eeuw geleden anders zijn geweest?
In het villadorp werden op dat gebied in hoofdzaak normen van Nederlandse oorsprong aangelegd. Financiële normen dus. Normen naar afkomst en deftigheid zouden ook een beetje moeilijk bruikbaar zijn geweest. De toepassing gebeurde niet op een onfatsoenlijke manier en misschien iets reëler dan in Nederland. Of net zo reëel. Ik maak hier een vergelijking tussen twee mij bekende dorpen in Indië en Nederland en twee dito steden. Eerst de dorpen. In Apeldoorn mochten hele en halve notabelen met vrouw en kind lid worden van de tennisclub Daisy na een niet meer dan formele ballotage. In Sumenep [op het eiland Madoera] gebeurde ditzelfde door middel van een ruimhartig goedkeurend knikje van de assistent-resident, die eigenlijk alleen maar wilde horen en zien, dat het zich aanmeldende lid een redelijke partij speelde.
En nu een vergelijking tussen de steden. In Amsterdam was de ballotage van tennisclubs een ernstige zaak. Mij is als voorbeeld het in het Vondelpark spelende Festina genoemd: niet toegankelijk voor Joden, vóór de Tweede Wereldoorlog tenminste. De club, die deze bepaling heeft ontworpen, is daarmee de bezetter voor geweest.
Van tennisclubs in Batavia weet ik niets, maar uit betrouwbare kring heb ik vernomen, dat het lidmaatschap van de Harmonie (Concordia?) niet openstond voor Indonesiërs en hetzelfde gold voor Surabaya met zijn sociëteiten Simpang en Marine. De motieven van die uitsluiting ken ik niet, maar ik heb die wetenschap niet nodig om ze af te keuren als stom, bot en achterlijk. Een fatsoenlijk lidmaatschapsbeleid zou geen toeloop van de Javaanse high society hebben veroorzaakt, want die zocht haar vermaak liever in eigen kring. Maar laat ik er niets meer van zeggen dan bot, bot, bot. In de provincie, in het villapark dus, stelden de Europese bewoners dergelijke regels niet aan hun verkeer buiten de werkuren. Want behalve bot zou dat ook nog idioot zijn geweest. We hadden dan moeten tennissen met onszelf, dus met de assistent-resident en mevrouw, met de administrateur van de Volkscredietbank en met de hoofden van de twee lagere scholen, die geen van beiden een racket konden vasthouden en we zouden als spelers hebben gemist de voorzitter van de Landraad – zeg maar kantonrechter – , mevrouw Landraad en de oudere kinderen, de adjunct-griffier, het hoofd van de klerken van het regentschapskantoor en nog een paar, kortom een stuk of tien uitmuntend en zeer vast spelende Indonesiërs.
Op dat gebied dus bij ons geen discriminatie.

Alberts – Een kolonie, 48-50

[Jakarta 7 – Soendanees] 

Een wereld van belang, dat voormalige Nederlands-Indië. En van belangen, zal men zeggen, maar welke wereld is dat niet?
En ergens mee te vergelijken? Als we dat dan toch proberen, waarom niet met Europa in al zijn onderdelen. Met al zijn inwoners.
Een groot stuk van Sumatra zou dan bewoond kunnen zijn door Fransen, intelligent en nogal hautain. De vergelijking gaat natuurlijk een beetje mank, want de mensen uit de Minangkabau boven Padang en uit de Bataklanden hebben gemiddeld een hoger ontwikkeld verstand en ze zijn in wezen hoffelijker dan de landgenoten van de Parijzenaars.
Waar zitten in Indonesië de Duitsers? Ik ben tot mijn schrik geneigd ze in Oost-Java en op Madura te plaatsen, energiek en onvermoeibaar hun weg banend. En, het dient gezegd, vooral de Madurezen op het eiland zelf, hebben er geen moeite mee hun land en hun regeerders, hun vorsten als zeer bijzondere figuren te zien. Maar gelukkig zonder een overheersersmentaliteit.
De Engelsen? Met de nodige reserves in Midden-Celebes, in de streek, die door Friedericy is beschreven. Landed gentry, die net doen alsof heersen, jagen en vissen hun levensdoelen zijn. Dat zij zich onderwijl van betere makelij achten dan de hen omringende volken, spreekt vanzelf. Vooral beter dan de aan de andere kant van de zee wonende en werkende Makassaren, die wel voor Nederlanders zoude kunnen doorgaan. Want ook die lopen door de woeste zee als door het bos de leeuw.
Nederlanders vinden we ook nog op een heel klein eilandje in het onmetelijke gebied van de Grote Oost: Sapeken, met twee stomme e’s. Het is het dichtstbevolkte stukje grond van het werelddeel, niet groter dan Urk en er wonen meer dan vijftigduizend mensen. Voor het merendeel industriëlen en handelaren. Ze zouten vis in en verkopen die door heel Zuid-Oost-Azië. Als ze daar zin in hadden, zouden ze per hoofd heel wat meer geld kunnen wegblazen dan de aspirant-controleur, die hen eens per half jaar komt onderdrukken door enige beleefde belangstelling te tonen voor hun in- en uitvoerstatistieken.
Goed. We geven nog aan twee Europese naties een plaats in dit werelddeel: de Italianen in West-Java, het land van de kleurige Sundanezen en de vormelijke Spanjaarden in de Vorstenlanden van Surakarta en Djokjakarta. Daarmee is de koek nog lang niet op, maar we laten het erbij.
De talen van het land. Het zijn er heel wat, maar gelukkig is er een omgangstaal, het maleis, hoewel als lingua franca misschien minder verbreid dan soms wordt aangenomen. In een groot deel van Sumatra was het de eigenlijke landstaal, maar op Java spraken vrij veel mensen alleen maar hun eigen Sundanees, Javaans en Madurees, vooral in het binnenland. En in andere binnenlanden waren er weer andere talen. Honderden. Multatuli heeft aan het slot van Max Havelaar gedreigd: ‘Dan zou ik mijn boek vertalen in ’t Maleis, Javaans, Soendanees, Alfoers, Boeginees, Bataks ...’. Hij zou met de laatste drie moeite hebben gehad, want ze waren rond 1860 nog nauwelijks bestudeerd.
Een jaar of twintig later, na de oprichting van de Leidse faculteit voor Indologische wetenschappen kon dat wel. De aanstaande bestuursambtenaren mochten zelf kiezen wat zij wilden: tewerkstelling in of buiten Java en Madura. Wat de talenstudie betrof, maakte dat verschil. Als de kandidaat-ambtenaar naar buiten wilde, kon hij zijn talenstudie wat meer variëren.

Alberts – Een kolonie, 122-125

[Jakarta 6 – Monument] 
[Jakarta 7 – Gouvernement] 

We waren dus toen al in het stadium van het tolereren der Republiek, al was bijna niemand daar gelukkig mee. Want wie in die dagen republiek zei, moest ook Sukarno zeggen. Dat kon niet anders sinds deze eerste Indonesische president het had gewaagd ongenodigd aanwezig te zijn op een bespreking van Indonesische voormannen met het hoofd van de Nederland-Indische regering.
Sukarno is nu al twintig jaar dood en wat zal er van hem worden? In de geschiedenis uiteraard. Men kan haast niet anders of wij, de Nederlanders, zullen een aandeel krijgen in de vorming van zijn historisch beeld. Hij is van den beginne af door ons veroordeeld. Eerst in letterlijke betekenis van het woord: drie jaar gevangenis en daarna nog een jaar of tien internering, waaruit hij door de Japanners is bevrijd. Hij heeft vervolgens, net als een heleboel anderen zich afgevraagd of het zou komen tot een definitieve overwinning van de As-mogendheden of van de Geallieerden. Men vertelt, dat hij vrij lang in het eerste heeft geloofd en dat kan best waar zijn. In ieder geval heeft hij de rol gespeeld, die bij zo’n toekomstverwachting paste. Indonesiërs en vooral Javanen zijn geboren redenaars, maar hij was daarnaast een geboren komediespeler van grote klasse.
Als hij zijn volk moest opzetten tegen de vijanden van de voorlopige vrienden en mede-Aziaten, dan ging dat met een allure van superbe kwaliteit. Een kwaliteit, die bovendien een uiterst dubbelzinnig karakter had. Het volk moest in zijn uitspraken geloven en op een bijna ondergrondse manier beseffen, dat het er niet in moest geloven. Flarden van dergelijke gebeurtenissen drongen een enkele maal tot ons kamp door via Japans/Maleise kranten. Dan konden we lezen hoe Sukarno bijvoorbeeld de aanstaande nederlaag van de westerse machten tot een bijna zuiver Indonesische prestatie verhief. Hij riep – want echt op het schorre af schreeuwen deed hij nooit – en sprak zijn vonnis uit over de vijanden van het ogenblik: Amerika, kita strika! Inggris, kita linggis! – Amerika zullen we platstrijken! Engeland zullen we uit zijn voegen lichten! (met een breekijzer). En zijn gehoor juichte om de man en lachte om de onwaarschijnlijkheid van het voornemen.
Men zal hier willen zeggen, dat de Indonesiërs niet altijd om Sukarno hebben gejuicht en gelachen. Hij heeft tijdens de oorlog in Azië tienduizenden landgenoten, dwangarbeiders, romusja’s opgeofferd. Maar ze moeten daarginds, niet hier, uitmaken voor hoeveel Sukarno's nagedachtenis hierdoor moet worden belast.
Wij zouden – dit terzijde – over deze zaak hebben mogen oordelen, als we door de Japanse bezetter in staat waren gesteld datgene te doen, waarvoor we in opdracht van de Nederlandse regering in Londen, op onze bestuursposten hadden moeten blijven: het beschermen van de inheemse bevolking, zoveel als in ons vermogen zou liggen. Maar dat was natuurlijk een onmogelijkheid. Ik zeg niet, dat de eis tot blijven en niet vluchten ons niet had moeten worden gesteld. En we zijn ook niet weggelopen, ook al wisten we, dat we naar alle waarschijnlijkheid niets konden doen. We hadden daar geen Londense opdracht voor nodig. We bleven, ook al wisten we niet dat ons salaris over de bezettingsjaren naderhand zou worden vastgesteld op – ik weet niet meer precies – 31 of 34 cent per dag. Professor Fasseur heeft het uitgerekend, onlangs vermeld en er terecht aan toegevoegd: Nou ja, soedah.
Terug naar Sukarno.
Hij was, zei men, een landverrader. Maar om welk land ging het? Om Nederlands-Indië, waarvan hij het rechtmatig bestaan had ontkend? Om Indonesië, waarmee wij het zelfde hadden gedaan? Ach, het heeft eigenlijk geen zin meer dergelijke verwijtende vragen te stellen. Hij heeft zijn land vrij gemaakt en het zou kunnen, dat de geschiedenis deze daad het zwaarste laat wegen.
En dan nog iets: hij was een tamelijk edelmoedig overwinnaar. Na de soevereiniteitsoverdracht heeft de NV De Nederlandse Regeringen nog een jaar of twaalf een conflict over Nieuw-Guinea slepende gehouden. De zaak ging verloren en we weten, dat onze minister Luns de eigenlijke verliezer was. Nu kan men van deze bewindsman een heleboel zeggen, in het bijzonder over zijn Indonesische politiek – en ik heb het indertijd gedaan in De Groene Amsterdammer – maar hij wist bliksems goed, wat hij van een verloren positie uit moest doen. In dit geval ging hij zo gauw mogelijk na de overdracht van Nieuw Guinea een bezoek brengen aan Sukarno.
Wat er toen gebeurde, moet via een radio-uitzending naar Nederland zijn overgebracht. Het kan ook televisie zijn geweest. In elk geval was de Nederlandse verslaggever zo bijzonder goed, dat ik het in mijn herinnering heb meegemaakt. Dat ging zo.
Sukarno had Luns ontvangen en met hem gesproken. Hij had daarna de een of andere school moeten openen. Maar, aldus de verslaggever, de president kan bij elke gelegenheid, ook de meest verwijderde, over politiek spreken. Hij sprak natuurlijk over het bezoek van de Nederlandse minister. Hij zei: hoe ... eh ... Luns berkata: Indonesia terlááááloe dimadjoekan.
Vertaald, met alle indrukken die het moest geven: Die eh, ach hoe heet de man ook weer, o ja, Luns heeft gezegd Indonesië is gewèèèldig vooruitgegaan.