Samengesteld en ingeleid door Olf Praamstra en Peter van Zonneveld 

Van Waert in: Omstreden Paradijs, 32

[Jakarta 2 – Jan Pietersz. Coen] 

Nicolaes Van Waert – De moord op Banda – Banda Neira, 16 november 1621
De Banda-eilanden, die deel uitmaken van de Molukken, werden in 1621 door de VOC gemonopoliseerd. Men wilde het alleenrecht vanwege de nootmuskaatbomen die er groeiden. Toen de bevolking daar niet mee instemde, werd zij op last van Jan Pieterszoon Coen uitgeroeid. Daarna werden Nederlanders aangesteld als pachters van de plantage. Zij werden ‘perkeniers’ genoemd. De luitenant Nicolaes van Waert was ooggetuige van de wreedheden.

Allereerst werden vierenveertig gevangenen het kasteel binnengebracht, van wie acht orang koja’s (voorname lieden), die zoals men zei, de kat de bel hadden aangebonden, apart werden gehouden. De anderen bleven als een kudde schapen bij elkaar. Buiten het fort was een ronde omheining gemaakt van bamboestokken, goed bezet met soldaten, en daar zijn ze vastgebonden met touwen, heengebracht.
Hun vonnis werd voorgelezen. Toen de veroordeelden binnen de omheining stonden werden er zes Japanners aangewezen die met hun scherp snijdende zwaarden allereerst de acht aanvoerders doormidden hieuwen, ze daarna onthoofden, en toen in vier stukken sloegen. De andere zesendertig werden ook onthoofd en in vier stukken geslagen.
Deze executie was wreed om aan te zien. Zij stierven in alle stilte zonder een geleid te maken. Er was slechts één die in het Nederlands vroeg ”Mijn heren, is er dan geen genade?” Maar het mocht niet baten.
Tijdens de voltrekking van het vonnis heeft het zo verschrikkelijk hard geregend dat ieder verbaasd was. De hoofden en lichaamsdelen van de terechtgestelden werden op bamboestokken gezet en opgehangen. Zo zijn ze heengegaan ... God weet wie gelijk heeft.
Toen dit alles gebeurd was, zoals wij dachten in naam van het christendom, is ieder verbijsterd naar huis gegaan, omdat men geen genoegen koon scheppen in zo’n zaak.

Olivier in: Omstreden Paradijs, 70-73

[Jakarta 5 – Harmonie] 
[Jakarta 6 – Groote Huis] 

Johannes Olivier – Het leven van een oudgast – Batavia 1817-1825
Johannes Olivier (1789-1858) trad in 1817 in dienst van het Indische gouvernement, maar maakte zich door zijn opvliegende karakter en alcoholisme onmogelijk. In 1825 werd hij ontslagen. Terug in Nederland schreef hij verschillende boeken over zijn Indische ervaringen. In 1839 ging hij voor de tweede keer naar Indië, waar hij tot zijn dood als vertaler, onderwijzer en redacteur van de Javasche Courant werkzaam was. Een oudgast is iemand die lange tijd in Indië woont of gewoond heeft.

Een oudgast staat meestal vroeg op. Niet om bezigheden te verrichten, maar om de koele ochtendstond in te zuigen. Even voor zonsopgang komt hij in een kabaai en sarong uit zijn slaapkamer en gaat in de voorgalerij op en neer wandelen. Zijn morgengebed is gewoonlijk het temende geroep van ‘siapa ada’, in de uitspraak ‘sepada’ (Wie is daar?). Dan komt een slaaf of slavin tevoorschijn tot wie hij wederom op een slepende toon zegt: ‘minta koppie’ (Ik wil koffie). Zij brengt een kop koffie met een aangestoken pijp of aangestoken sigaar die ze haar heer in de mond steekt. Deze worden stilzwijgend genuttigd, terwijl de slavin op haar hurken zit en de wenken van haar heer gadeslaat.
Het naastvolgende commando is doorgaans ‘maoe mandi’ (Ik wil gaan baden). De slavin haalt zeep en een schone sarong en kabaai, en volgt haar heer in een bamboezen badhuisje aan de rivier. Hij werpt de kabaai af. Na zich omtrent een vierde van een uur gewassen en gebaad te hebben, trekt hij de schone sarong en kabaai aan, en bevindt zich nu, zoals men het in Indië noemt, recht ‘lekker’. Na het baden wordt een geruimen tijd doorgebracht met het stilzittend genot van de frisse ochtendlucht, onder een pijpje en nog een paar koppen koffie. Zitten is in Indië bijna liggen, want de benen moeten altijd horizontaal rusten, hetzij op een tweede armstoel, hetzij op de rand van een tafel. In dit postuur wacht hij geduldig tot hij eetlust bespeurt welke bij een gezond lichaam altijd door het baden bevorderd wordt.
Het ontbijt bestaat uit rijst, gebraden vis, koud vlees, kerrie, gebraden koteletten, eieren enz. met sambal, blatjang of trassie tot toespijs. Brood boter en kaas zijn mede op tafel voor degenen die aan een Hollands dejeuner de voorkeur geven. Wijn en bier worden ’s morgens zelden aangeboden, doorgaans drinkt men bij het ontbijt koffie en thee. Daar men al wat men in Indië verricht, zelfs de gewichtigste bezigheden, op zijn gemak doet, zal men zich niet verwonderen als met dit ontbijt een goed uur wordt doorgebracht.
Langzamerhand nadert de tijd waarop de ambtenaar zich naar zijn bureau moet begeven. Gevoelt hij hiertoe geen bijzonder sterke opwekking, zo laat hij door een jongen zeggen ‘Toena poenja badan trada sedap’ (Mijnheer voelt zich niet al te goed). Maar heeft zijn ontbijt hem wel gemaakt en voelt hij zich lekker, dan maakt hij zich gereed om zijn toilet te gaan maken en beveelt intussen: ‘pasang kareta’ (Span de wagen in). Het aankleden gaat schielijker dan men wel zou denken. Twee slavinnen trekken hun heer ieder een kous aan en helpen hem terwijl hij zijn sigaar nog uitrookt, met onderbroek, pantalon en laarzen. Aldus van onderen gekleed zijnde, staat hij op en laat zich hemd, das, bretels en vest aandoen. Een jongen geleid hem met een pajong boven het hoofd naar de wagen waarin hij half zittende, half liggende, met deftigheid tegen de koetsier zegt: ‘Djalan!’ (Rijden!). Een paar minuten daarna roept hij: ‘Djalan keras!’ (Hard rijden!), waarop de koetsier met slaan en klappen een verschrikkelijk geweld maakt.
Ambtenaren die pas beginnen en hun fortuin nog te maken hebben, nemen doorgaans hun toevlucht tot ijver en arbeidzaamheid. Zij komen vroegtijdig op het bureau, werken met lust en blijven tot laat aan hun schrijftafel. Dat voorname ambtenaren soms slechts een ogenblik op het bureau verschijnen om hun handtekening onder enige stukken te plaatsen en dan wederom ijlings vertrekken, is zo gewoon dat het nauwelijks vermelding verdient. Onder de ondergeschikte ambtenaren zijn diegenen de vlijtigste die de minste protectie genieten. Zij die door aanbeveling uit Europa zijn aangesteld, zijn de minst ijverigen, maar verreweg de meesten hebben pro forma een ontzaglijke drukte. Zij lopen met bundels papieren onophoudelijk heen en weer, uit de ene zaal in de andere, alsof zij met de gewichtigste zaken belast waren, en brengen de meeste tijd door met ijdel gesnap over fraaie paarden, bendies en barouche[t]s, jachtgeweren en jachthonden, en over dit of dat aardige meisje.
Ten drie uur of halfvier begeeft iedereen zich naar zijn woning en houdt het middagmaal. Ambtenaren van meer traktement begeven zich veel vroeger en altijd vóór twee uur naar huis. De eigenlijke oudgast echter houdt een geheel andere levenswijze. Hij vindt zijn voornaamste levensgenot in de kring van zijn huisgenoten. Zijn pijp roken, op een canapé sluimeren, zich door slavenmeiden laten knijpen, en wanneer hij behoefte gevoelt aan enige beweging, de wagen laten inspannen of een wandelingetje in zijn tuin doen. Hij eet doorgaans ten één ure. De tafel is gewoonlijk van inlandse zowel als van Europese gerechten rijkelijk voorzien. Men drinkt rode, rijnse en madeirawijn. De tafel wordt bediend door een tiental aardige slavinnetjes en alles is zodanig ingericht dat de maaltijd een der aangenaamste genietingen van de dag uitmaakt.
Na aldus een paar uren aan het middagmaal te hebben doorgebracht, doet men een paar toertjes in de tuin en begeeft zich ten drie ure naar bed. De oudgast heeft zijn ‘mossa’ (slavin) of ‘njai’ (concubine) altijd bij zich om hem bij het uitkleden behulpzaam te zijn, want men rekent het natuurlijk aangenamer zich bij dergelijke gelegenheden door een meisje dan door een slavenjongen te laten bedienen. Zij is daarbij gedienstig genoeg om ook in het bed te klimmen om met een doek de muskieten en desnoods met iets anders de slaap uit de ogen te verdrijven. Daarna laat zij voorzichtig de gordijnen vallen en met een ‘kipas’ (waaier) koelt zij de wangen des sluimerenden. Ten zes ure, tegen zonsondergang, staat men op, baadt en kleedt zich, en begeeft zich naar de theetafel. Men doet een klein toertje en brengt de avond met een partijtje whist of boston door. Sommige oudgasten zijn nog ware steunpilaren van de sociëteit De Harmonie en begeven zich derwaarts om ’s avonds hun partijtjes te maken.
Tegen tien uur ’s avonds wordt het souper opgedragen. Het onderscheidt zich weinig van het middagmaal; alleen wordt er geen soep en veel meer wijn genuttigd. Zodra de tafel afgenomen is, zit men in het zelfde postuur als na het diner, met de benen op tafel te roken en te drinken tot omtrent twaalf, soms één en ook wel eens tot twee uur, waarna men zich ter ruste begeeft en zich zolang door een zachte vrouwenhand laat ‘sapoe-sapoe’, ‘gosok-gosok’, ‘pidjit’, ‘tombok’, ‘tjoebit’, of ‘ramas’ (respectievelijk strelen, wrijven, masseren, stompen, knijpen en uitrekken en buigen der gewrichten) tot men in een aangename sluimering valt. De hieropvolgende tijdverkortingen laten zich vanzelf raden.

De Stuers in: Omstreden Paradijs, 75-78

[Jakarta 7 – Diponegoro] 

F.V.A. de Stuers – De gevangenneming van Diponegoro – Magelang, 28 maart 1830.
In 1825 brak de Javaoorlog uit, die vijf jaar zou duren. Onder prins Diponegoro kwam een deel van de bevolking in opstand. De strijd kostte ongeveer tweehonderdduizend Javanen het leven. Het koloniale Leger verloor achtduizend man aan Europese troepen en zevenduizend aan inheemse soldaten. In 1830 werd Diponegoro gearresteerd, toen hij een bezoek bracht aan generaal De Cock in het residentiehuis te Magelang, waarbij zijn veiligheid was gegarandeerd. Het verslag is van majoor jonkheer F.V.A. de Stuers (1792-1881), die bij de gevangenneming en de deportatie aanwezig was.

Omstreeks acht uur 's ochtends verscheen Diponegoro, gezeten te paard, en gevolgd door zijn zonen en enige andere hoofden, benevens honderden manschappen, die geheel op Arabische wijze gekleed en uitgerust waren. Een der adjudanten leidde hem binnen in het vertrek van de bevelvoerende generaal De Cock, vergezeld van zijn zoon, die zich kort tevoren met de vermaarde Iman Moesba onderworpen had, samen met twee andere zonen, te weten de jonge Bassa Mertonegoro en Goendokesoemo, en twee priesters.
Resident Valck, luitenant-kolonel chef van de staf Roest, majoor-adjudant De Stuers en kapitein der infanterie Roeps werden op dezelfde manier in het vertrek van de generaal toegelaten, terwijl een groot aantal andere officieren zich in een andere zaal ophielden met de voornaamste officieren van Diponegoro. Behalve de generaal waren alle officieren bewapend.
De generaal zei tegen Diponegoro dat het hem genoegen deed dat het poeasafeest (ramadan) geëindigd was, dat hij overeenkomstig het verlangen van de prins hem gedurende dat lange tijdsverloop niet over zaken had gesproken, maar dat Diponegoro nu zonder twijfel ook geen ander verlangen koesterde, dan dat om zijn inzichten die zijn onderwerping aan het gouvernement betroffen, kenbaar te maken.
De oproerige prins antwoordde, dat hij geenszins met dat oogmerk gekomen was, maar alleen om de generaal een bezoek te brengen, zoals hem dit op dat ogenblik betaamde, en dat hij verder helemaal niet was voorbereid om over zaken te spreken. De generaal maakte hem duidelijk, dat zo'n antwoord niet alleen weinig geschikt was om hem tevreden te stellen, maar dat het hem daarentegen billijke reden gaf tot verwondering, omdat hij, na al het geduld dat hij ten opzichte van Diponegoro had gehad, had mogen verwachten dat deze zich beijverd zou hebben om heel spoedig met een rondborstige verklaring te komen wat zijn eisen waren om een toestand te laten ophouden die even drukkend was voor het gouvernement als rampzalig voor de bevolking in het algemeen.
Dit antwoord scheen op de hoofdmuiteling niet de minste indruk te maken. Met koele bedaardheid antwoordde hij, dat hij op dat ogenblik op de behandeling van zaken niet was voorbereid, en dat hij verlangde naar zijn woning terug te keren, om erover na te denken.
De generaal merkte echter opnieuw op dat hij tot een besluit diende te komen, omdat het welzijn van de troepen en dat van de Javaanse bevolking hem zozeer ter harte gingen, dat hij sedert geruime tijd op niets anders bedacht was geweest dan om aan die ongelukkige oorlog een einde te maken. Nu de hemel hem daartoe een geschikte gelegenheid geschonken had, kon hij zich niet veroorloven die voorbij te laten gaan door zulke onbepaalde beloften als die van Diponegoro aan te nemen. Integendeel, hij zag zich verplicht hem uit te nodigen om aan hem, generaal, in duidelijke bewoordingen te laten weten wat zijn inzichten waren, en op welke manier hij dacht aan deze lange oorlog een einde te maken.
Hierop antwoordde Diponegoro niet. Hij beklaagde zich alleen over de wijze waarop hij bejegend werd. Hij meende de bevoegdheid te hebben om, wanneer hij met het gouvernement niet tot een verdrag kon komen, naar het gebergte en de bossen terug te keren. Toen hij echter zag dat het besluit van de generaal onwankelbaar was, onderhield hij zich enige tijd met zijn priesters. Vervolgens verklaarde hij dat hij geen ander verlangen koesterde dan zich gesteld te zien aan het hoofd van de mohammedaanse godsdienst op het eiland Java, met de titel van sultan. Alle overige schikkingen zou hij aan de edelmoedigheid van het gouvernement overlaten.
Alvorens te antwoorden gaf de generaal aan zijn stafchef de opdracht om de troepen voor het residentiehuis te laten aanrukken. Toen dat bevel was uitgevoerd, zei de generaal tegen Diponegoro dat de eisen die hij nu deed buitensporig waren. Het was hem immers bekend dat het gouvernement de sultan van Djokjakarta en de keizer van Soerakarta beschermde, en dat deze beide vorsten in hun Staten het opperste gezag voerden over alles wat op de godsdienst betrekking had.
Diponegoro antwoordde dat, indien men zijn verzoek van de hand wees, het gouvernement naar goedvinden met hem kon handelen, maar dat hij voor zichzelf besloten had om nooit van deze eis af te zien.
De generaal bracht hem onder het oog dat hij in dat geval geen enkel vertrouwen meer in Diponegoro kon stellen, en dat hij dus genoodzaakt zou zijn hem als gevangene naar Batavia te zenden, om daar of te wachten wat de gouverneur-generaal over zijn lot zou beschikken.
Diponegoro verzette zich tegen deze maatregel en vroeg wat het gouvernement hem dan nog wet toestond? Hem werd te verstaan gegeven dat het niet meer de tijd was om eisen te stellen. Had hij de wens te kennen gegeven om overeenkomstig zijn vorstelijke waardigheid stil te leven zonder zich met heerszuchtige bemoeiingen in te laten, of een bedevaart naar Mekka te maken, dan zou het gouvernement hem mild tegemoet zijn gekomen. De rust op Java vereiste nu echter dat Diponegoro voor altijd verwijderd werd uit een land waarin hij zo lang verwoesting gesticht had.
Tijdens dit gesprek had majoor Michiels het bevel gekregen om zich naar het kamp van Diponegoro te begeven, om de veertienhonderd manschappen die de hoofdmuiteling daar bijeengebracht had, te ontwapenen. Onthutst door de onverwachte verschijning van onze troepen onderwierpen de pradjoerits (krijgslieden) van Diponegoro zich onmiddellijk en zonder tegenstand te bieden; ook al omdat het bevel om de wapens neer te leggen hun was verteld door vooruitgezonden priesters. Zo vond de ontwapening zonder onrust te veroorzaken plaats. De krissen of dolken die de Javanen als geheiligde wapens beschouwen, en die gewoonlijk als het kostbaarste erfdeel van het ene geslacht op het andere overgaan, werden hun later teruggegeven.
Alle noodzakelijke maatregelen waren in de Magelang genomen om de verwijdering van Diponegoro in orde en rust te laten verlopen. Ten aanschouwe van de hele bevolking werd hij weggevoerd. Hij werd door slechts twee officieren vergezeld, en zijn vrouwen die hem wensten te volgen, mochten dat in alle vrijheid doen.
De prins weigerde zich aan dit bevel te onderwerpen en verklaarde liever dadelijk ter dood gebracht te willen worden. Men hield hem voor dat hij de voorschriften van de Koran niet gevolgd had en dat een prins wiens handelingen in strijd waren met de belangen van de rechtmatige soeverein van Java voortaan niet op het minste mededogen kon rekenen, en dat het besluit hem weg te voeren onherroepelijk was.
Hierop wendde de hoofdmuiteling zich tot zijn kinderen en de om hem heen verzamelde hoofden en vroeg of ze zijn vertrek zouden gedogen. Ze sloegen de ogen neer zonder een woord uit te brengen. Tegelijkertijd werden alle toegangen tot het residentiehuis door soldaten bezet.
Diponegoro begon uitgebreid met zijn hogepriester te overleggen, maar omdat het al elf uur was, en een langer onderhoud verhinderd zou hebben dat hij tijdig naar een plaats kon worden gebracht waar hij in verzekerde bewaring kon worden gesteld, droeg de generaal aan mij op om samen met kapitein Roeps onmiddellijk te vertrekken, en de hoofdmuiteling eerst naar Oenarang en daarna naar Semarang te begeleiden. Daarvandaan zou hij vervolgens naar Batavia worden vervoerd.
Zo zag de man, die berucht geworden was door de ontelbare onheilen die hij zijn land en zijn landgenoten berokkend had, op de 28ste maart 1830, 's morgens om elf uur, zich opeens van het toppunt van zijn onrechtmatige grootheid neergestort. Hij werd als gevangene van de staat naar de Molukken verbannen, waar hij geheel afhankelijk was van de genade van het gouvernement, dat hij zo verregaand vertoornd had, en waarvan hij maar al te zeer een strenge kastijding had verdiend.

Bakhuizen in: Omstreden Paradijs, 103-104

[Jakarta 7 – Museum] 

René Bakhuizen van den Brink – Het bezoek van de koning van Siam – Batavia, 8 juli 1871
Charles René Bakhuizen van den Brink (1850-1923) was een zoon van de bekende historicus en letterkundige R.C. Bakhuizen van den Brink. Na een opleiding in Delft was hij in 1869 in Batavia in dienst getreden van het gouvernement. Van 27 tot 31 maart 1971 bracht koning Chulalongkorn van Siam een bezoek aan Batavia. René Bakhuizen van den Brink schreef erover in een brief aan E.J. Potgieter. De witte olifant is in Siam (Thailand) een heilig dier en het symbool van de koninklijke macht; tot 1916 stond het in de nationale vlag.

De koning is een aardig ventje van omstreeks twintig jaar, veel gelijkend op wat men hier een ‘Sinjo’ noemt, geheel in ’t grijs gekleed, met een korte broek, waaruit witte kousen tevoorschijn kwamen, met lage schoenen en een helmhoed op het hoofd. Hij scheen zeer vereerd te zijn over de plechtige ontvangst. De gouverneur-generaal was steeds bij en om hem, deed ingevolge het programma iedere middag een wandelrit en was zo hoffelijk als alleen deze gouverneur-generaal wezen kan. Raden Mas Kadiroen – een broer van de beroemde regent van Demak, die onder de naam van Paerwa Lelana nu en dan reisbeschrijvingen het licht doet zien – een allerbeschaafdst inlander, die het Hollands zuiver spreekt en schrijft – hij heeft onderwijs gehad van de tegenwoordige redacteur van De Locomotief, Van Kesteren – maakte de opmerking dat hij niet begrijpen kon, hoe de gouverneur-generaal zich met zo’n bruine koning kan encanailleren.
Ik weet niet wie de zegsman is van de slechte ontvangst die de koning van Siam volgens de Nieuwe Rotterdamsche Courant zou zijn ten deel gevallen, maar dit weet ik zeker, dat wie hij ook wezen moge, hij de waarheid niet liefheeft. De ontvangst was tot in het zotte toe vorstelijk.
Van alle publieke gebouwen wapperde de witte olifant. Geïllumineerde en geschilderde witte olifanten trof men overal aan. Vandaar waarschijnlijk de zenuwachtige stemming waarin alle moderne Batavieren verkeerden. De verering van de witte olifant ging zelfs zover dat men bij gebrek aan een witte ertoe overging de zwarte olifant in de dierentuin (dat wil zegen het hok van dat gedrocht) met groen te versieren.
Ten laatste ging men te ver en meende de koning van Siam de opmerking niet te mogen weerhouden, dat de verering in spotternij ontaardde.
Op het luisterrijke gouvernementsbal te zijner ere gegeven, waar alles wat schoon en smaakvol was, was verenigd, ontmoette men in elke hoek, tegen elke pilaar, zelfs op de zolder witte olifanten.
Er worden gebakjes rondgediend en o schrik!, in het midden prikt een gesuikerde witte olifant. Zijn heilig dier zo te verlagen, was in het oog van de koning ongepast. Zijn god was geen god voor koek- en banketeters.
Overigens leverde het bal alles wat de zinnen streelt, mooie dames, jaloerse dames – o! hoe gaarne hadden zij mevrouw Nieuwenhuyzen (de vrouw van de vicepresident) met hun ogen willen verpletteren, toen zij daar met opgeheven hoofd, in het volle gevoel van de eer, die zij genoot aan de arm van de Siamese vorst, de dans opende. IJdelheid der ijdelheden, alles is ijdelheid – mooie halzen, mooie heren, lekkere win, lekker eten. Het was volmaakt.
Bij zijn vertrek werd hem op dezelfde wijze uitgeleide gedaan als hij ontvangen was. Door een muur van schutters en van Europese en inlandse militairen werd hij door een stoet van hooggeplaatste ambtenaren in kostuum, Chinese en inlandse officieren naar de plaats geleid, vanwaar hij van wal zou steken, om, zoals hij zei, in zijn land te nutte te maken wat hij in Batavia gezien en geleerd had.

Couperus in: Omstreden Paradijs, 105-106

[Jakarta 7 – Secretarieweg] 

Louis Couperus – Een Indische jeugd – Batavia, 1872-1878
De vader van Louis Couperus (1863-1923) was al met pensioen, toen hij in verband met de carrière van zijn oudste zonen – die in dienst traden van het Binnenlands Bestuur – naar Nederlands-Indië verhuisde. Met zijn gezin nam hij zijn intrek in een grote villa aan het Koningsplein in Batavia.

Ik was negen jaar, toen ik, geboren in Holland, naar Indië ging, en ik voelde er mij, als klein groen vruchtje, rijpen; er zwol iets in mij, en de glimlach, die altijd glom in mijn kleine ziel, werd iets schitterender, van levensvreugd.
Ik vond er ons huis mooier dan in Den Haag, omdat het groter was en de tuin heel groot was en er bloeiende oleanders waren. Een ‘oleander’... dat zei mij niets. Ik vond het er prettig, omdat ik er een bendie kreeg en een paard. Ik vond de school er plezierig, omdat de speeluren heel lang waren – ook in een heel grote tuin – en omdat ik zakgeld kreeg, en een Chinees, stilletjes, in een opening van de heg, zalige koekjes verkocht, witte balletjes vol Javaanse suiker
Ik vond er mij een meneertje dadelijk, omdat ik witte broeken kreeg, verlakte schoenen droeg ’s avonds, en mee mocht naar de opera en kinderbals bezocht. Maar vooral vond ik de school heel prettig: een gehele wereld, omdat ik mij nog de Hollandse school herinnerde, en omdat mij er dadelijk iets trof, wat in Holland niet was, en dat ik begreep thuis te moeten verzwijgen, er nóóit over te moeten spreken, zelfs niet met mijn moeder. Het leven ging er voor mij open; de jongens, die mij, toen ik aankwam, héél dom vonden, leerden mij de verborgen dingen en de wijze, nóóit onder de grote mensen, gezegde woorden, en waren allemaal, óf verliefd op kleine meisjes, óf heel brani met de baboes thuis van hun moeders of zusjes, óf zij hadden vriendjes op school, heel innige vriendjes. Dit alles maakte tezamen op mij de indruk of het leven voor mij openging, of ik nu wel heel het leven inzag, al was het maar het leven van jongens en meisjes, van kinderen: eigenlijk veel interessanter dan het leven van grote en oude mensen, dacht ik. Ik begreep, dat ik thuis moest oppassen, niets moest laten merken van alles wat ik al wist; al waren er dingen, die ik niet goed begreep.
Vijf jaren duurde mijn school en jongensleven op Batavia: toen ging ik met mijn ouders naar Holland terug. En ik vond het in Holland verschrikkelijk. Ik geloof, dat ieder Indisch kind, komend in Holland, het zo moet vinden. Het kleinere huis, het gat van een tuin, geen rijtuigen en geen paarden, ik géén bendie en paard meer; twee meiden en een knecht, in plaats van dertig bedienden: ik vond het vreselijk, begreep er niets van, dacht, dat mijn ouders geruïneerd waren en wilde niet geloven, dat dit toch niet het geval was. En de school, de Hogere Burgerschool! De jongens hadden voor mij allen een luchtje: ik vond, dat ze zich niet wasten, en van passionele drama’s was geen sprake meer: er werd niet gesproken over vrouwen, ze waren niet verliefd op meisjes, en niemand had een innig vriendje, Ik zag met minachting op hen allen neer, vond ze ‘kinderen’, en erg saai en vervelend. Het was in die tijd, dat de glimp in mijn ziel doofde: pas véél later is die vonk hergloeid.

Djajadiningrat in: Omstreden Paradijs, 132-133

[Jakarta 4 – Europeese Lagere School] 

Achmad Djajadiningrat – Herinneringen – Batavia, 1891-1893
Pangeran Aria Achmad Djajadiningrat (1877-1943) kwam uit een Javaanse regentenfamilie in Bantam. Zijn oom en zijn vader zijn regent van Serang geweest, een functie die Djajadiningrat zelf ook zou vervullen, maar hij zou het nog verder brengen. Hij werd lid van de Volksraad en hoorde tot de eerste inheemse leden van de Raad van Indië Met de hulp van de Nederlandse controleur A.J.N. Engelenberg en de bekende arabist en islamoloog C. Snouck Hurgronje, ging hij in Batavia naar de Europese lagere en middelbare school. In 1899 slaagde hij voor het eindexamen van het gymnasium Willem III, de plaatselijke hbs (ook al suggereert de naam een ander schooltype).

Op zekere dag zei de heer Engelenberg tegen mij: 'Achmad, je moet morgen met mij mee naar Batavia.' Nadat wij hier wel tien scholen bezocht hadden, zei de heer Engelenberg: 'Je blijft nu te Batavia, je zult hier op school gaan om Hollands te leren. Doe steeds je best en schrijf je ouders en mij geregeld brieven. Morgen zal ik je naar de familie Kampschuur brengen, waar je in de kost komt.'
De volgende morgen bracht de heer Engelenberg mij naar dr. Snouck Hurgronje. Van hetgeen zij met elkaar bespraken, kon ik slechts dit begrijpen dat ik elke zondag bij dr. Snouck Hurgronje moest komen. Van dr. Snouck Hurgronje gingen wij naar de familie Kampschuur die op Motenvliet-Oost woonde. De heer Kampschuur was onderwijzer aan de vierde Europese Lagere School op Batoetoelis. Hij was een volbloed Hollander. Zijn echtgenote daarentegen was een Indische dame.
Nauwelijks was ik aan mevrouw Kampschuur overgegeven of ik onderging een gehele gedaanteverwisseling. Eerst moesten mijn lokken eraf, daarna kreeg ik afgedragen kleren van haar oudste zoon aan, die mij pasten. Toen de heer Kampschuur en zijn reeds schoolgaande kinderen thuiskwamen, leek ik niet meer op een Bantamse jongen, doch meer op een Ambonees of een lndo-Europeaan.
De heer Kampschuur had elf kinderen, waarvan vier zoons en zeven dochters, welke kinderen in leeftijd varieerden tussen twee en vijftien jaar. Ik ging niet dadelijk naar school. De heer Kampschuur vond het beter dat ik eerst in mijn doen en laten wat minder dorps zou zijn en wat beter Hollands zou spreken. Daarvoor moest ik veel met zijn kinderen spelen. Mevrouw Kampschuur nam mij, als zij 's ochtends bezoeken ging afleggen, geregeld mee.
Eindelijk zei mevrouw Kampschuur dat ik naar school zou gaan. Ik zou dan de school van de heer Kampschuur bezoeken. Hoewel ik nog niet voldoende Hollands kende, kwam ik toch dadelijk in de middelste klas der eerste afdeling te zitten. Misschien omdat ik vrij goed kon rekenen en veel van aardrijkskunde afwist, misschien omdat dat de klas van de heer Kampschuur was.
De eerste dagen liet men mij niet met rust. Van alle kanten werd ik uitgelachen en gehoond, wanneer ik een fout bij het spreken maakte. Ook mijn kleren vormden een mikpunt van spot. Intussen deed ik mijn uiterste best om [het] Hollands van de kinderen te leren spreken. Dankbare herinneringen dienaangaande heb ik aan de dochters van de heer Kampschuur. Het waren meisjes van elf, twaalf en dertien jaar, die mij spelenderwijs dagelijks conversatieles gaven in de Nederlandse taal.
Nadat ik vijf maanden bij de familie Kampschuur geweest was, vernam ik van de kinderen dat de familie met buitenlands verlof zou gaan. Na hun vertrek kwam ik door bemiddeling van de heer Engelenberg thuis bij de familie Meister, die naast de dierentuin woonde. Het was een echt Indische familie. Ik bleef de school op Batoetoelis bezoeken, maar na het vertrek van de familie Kampschuur maakte ik op school minder goede vorderingen. Daarom deed dr. Snouck Hurgronje moeite mij op een andere school te krijgen. Nu was de school van de heer Kruseman, de zesde Europese Lagere School op Kebon Sirih, de beste van die soort in zijn tijd.
Ik ging naar die school over. Niet zonder tegenzin nam de heer Kruseman mij als leerling aan. Hij vreesde namelijk dat wanneer een inlander op zijn school kwam, het gehalte van zijn leerlingen langzamerhand zou dalen, omdat de gegoede ouders zich er door zouden kunnen laten afschrikken. De heer Kruseman wilde daarom niet dat het ruchtbaar werd dat er zich onder zijn leerlingen een inlander bevond. De eerste dag dat ik bij hem op school kwam, zei hij dan ook: ‘Voortaan heet je niet meer Achmad, maar Willem van Bantam’.

Ido in: Omstreden Paradijs, 135-138

[Jakarta 6 – Van de Wall] 

Victor Ido – Een geestverschijning – Batavia 1893
De journalist en schrijver Victor Ido – pseudoniem van Hans van de Wall (1869-1948) – was een Indo-Europeaan die in Nederland een Europese opvoeding had gehad. Toen hij op zijn eenentwintigste in Indië terugkeerde, wilde hij aanvankelijk niets weten van geestverschijningen en stille kracht, totdat hij getuige was van een voorval dat hem er voorgoed van overtuigde dat er meer was tussen hemel en aarde dan een mens zich, zelfs in zijn dromen niet, kon voorstellen.

In 1893 stond te Batavia op Tanah Abang een Stamboeltent – bioscopen waren er nog niet – waar op een avond gedurende de voorstelling een moord was gepleegd op een jonge, rijke Chinees door een jongeman van ongeveer tweeëntwintig jaar. Het was de destijds zeer gevreesde schout Hinne, die de misdadiger aan de Justitie overleverde.
De moordenaar werd veroordeeld tot de doodstraf door ophanging, en de executie had plaats op het terras van het stadhuis in de benedenstad. Heel Batavia was er vol van, en nog zie ik de eindeloze stroom van mensen gaan langs beide zijden van Molenvliet naar de Kota. Immers, het was zo’n uiterst zeldzame gebeurtenis een niet-inlander aan de galg te zien bengelen. En Tol – ik zal de ongelukkige veroordeelde zo maar noemen, al luidde zijn familienaam anders – was in de Stamboelkringen een bekend type.
Het geval als tableau de moeurs had op mij, die zoiets nooit van nabij had vernomen, diepe indruk gemaakt, vooral om de door mijzelf uit het gehele rechtsgeding getrokken conclusie, dat de jeugdige delinquent het slachtoffer moest zijn geweest van een totaal verwaarloosde opvoeding en gebrek aan onderwijs. Mijn medelijden met Tol was onbegrensd, en zijn treurig lot had zich voor altijd in mijn gedachtenis geprent.
Enige dagen na de voltrekking van het doodvonnis had ik een eenvoudig bamboefluitje, een zogenaamde soeling, gekocht, met de bedoeling dit karakteristiek Javaans muziekinstrumentje eens naar Holland, aan een vriend, op te zenden als curiositeit.
Ik borg het ding in een der onderkastjes van mijn schrijftafel op, achter slot, en was het gauw alweer vergeten, toen ik op een avond – het was heldere maneschijn – terwijl ik met een huisgenoot en een logee in de voorgalerij zonder lamplicht zat ‘klimaat te schieten’, zoals men dat vroeger noemde, opeens muziek hoorde.
Wij herkenden het alle drie dadelijk als fluitmuziek, maar de melodie klonk zó liefelijk, zó weemoedig, zo ontroerend mooi, als kwam zij niet uit onze naaste omgeving maar uit andere, rustiger sferen. Ik stond op, liep naar de poort van het huis, om vandaar de omtrek met mijn oor beter te kunnen verkennen.
Mijn huisgenoot daarentegen begaf zich naar binnen, naar de bijgebouwen, misschien dat een der bedienden, geïnspireerd door de prachtige maannacht, naar een fluit had gegrepen, om zijn gemoed te luchten ...
Nergens konden wij de oorsprong van het melodieus geluid vinden. Wij zochten in alle richtingen, terwijl de fluit steeds zacht voort klonk. Nergens ... en toch, toen mijn huisgenoot en ik bij het doorzoeken van het huis elkaar weer in de kamer ontmoetten, waar mijn schrijftafel stond, waren wij plots als versteend.
Wij luisterden met de diepste aandacht, ongelovig, en ons gehoor werd met magnetische kracht geleid naar het onderkastje van de schrijftafel ...
Het kon geen vergissing zijn, het geluid der fluit kwam van daaronder.
Wij rilden van het hoofde tot de voeten en waren op dat moment sprakeloos.
Nu wij de plaats, vanwaar de muziek klonk, ontdekt hadden, werd het stil.
‘Het Javaanse fluitje’ riep ik eindelijk uit, mij de soeling herinnerend.
‘Maar hoe, in godsnaam ...?’
Zonder de oplossing van het mysterie af te wachten liepen we snel naar onze logee toe, die nog steeds in het schemerdonker zat.
Toen wij aan weerszijden van haar hadden plaatsgenomen om haar onze bevinding te vertellen, zagen wij dat haar ogen gesloten waren als in een diepe slaap. Langzaam opende zij haar mond en duidelijk hoorden wij haar met een vreemde stem zeggen; ‘Niet bang zijn. Ik ben Tol, meneer. U weet wel, die opgehangen is. Ik had die Chinees niet willen vermoorden, maar bij de worsteling kwam mijn mes juist in zijn hart terecht. Deze vrouw, door wie ik spreek, is een groot trancemedium, meneer. Door haar sterke macht ik word aangetrokken. Toen ik zag ook het fluitje. Vroeger, in mijn leven, ik kon mooi daarop spelen, meneer ... Nu, meneer, misschien later ik kom terug als u mij toestaat, ’t is zo vreemd, dat ik niet dood ben ...’
De indruk van deze manifestatie was in één woord verbijsterend.
De volgende dag zou een van ons jarig zijn. Wij zouden het feestje in een intieme kring vieren.
Reeds om halfzeven waren de acht genodigden, die ook zouden blijven eten, aanwezig. De gaslampen konden niet op de gewone tijd ontstoken worden, want de huisjongen was ziek. Het gezelschap zat daardoor in het halfdonker, en natuurlijk werd het geval met de fluit van de vorige avond druk besproken. Er waren ongelovigen en gelovigen. De eersten verklaarden alles door hallucinaties, de laatsten spraken van onbekende natuurwetten, stille kracht, en van geesten.
Het was intussen bijna geheel donker geworden.
De logee voegde zich bij het gezelschap, hoorde even het levendige gesprek aan, en zei toen ’n beetje ongeduldig: ‘Ach, jullie met je geesten. Als er hier een geest is, laat hij dan de lampen aansteken, we hebben geen huisjongen ...’
Haar mond had zich na het laatste woord nog niet gesloten of floep! het ganse huis was met een toverslag verlicht, alle gaslampen branden.
Iedereen was met stomheid geslagen.
Toen de bezoekers over hun eerste verbazing heen waren, haastte ik mij pen en papier te halen en verzocht hun om het door allen beleefde evenement schriftelijk te willen getuigen, waaraan zij voldeden op één na. Deze vertrouwde zichzelf niet, zei hij. Waarschijnlijk was het, naar zijn mening, verbeelding geweest.
Wij raakten over de zonderlinge gebeurtenissen niet uitgepraat, en vóór wij ons er goed van bewust werden, was de tijd verstreken.
De gastvrouw noodde ons aan tafel. Het diner glom en blonk, en het zag er smakelijk en gezellig uit. Midden op tafel prijkte een grote schaal met hard gekookte, gepelde eieren voor de asperges.
Wij waren gezeten en enkele gasten probeerden het gesprek op iets anders te brengen dan het onderwerp tot nog toe met zo veel vuur en strijd behandeld. Maar het wilde niet lukken. Telkens kwam men onwillekeurig op de geschiedenis met het fluitje en van de gaslampen terug.
De ongelovige had het hoogste woord.
Opeens gilde een der aanzittende dames ’t uit, angstig met uitgestrekte arm naar het midden van de tafel wijzend: ‘Kijk, kijk dáár dáár ...’
Ten aanschouwe van het hele gezelschap schoven de eieren één voor één uit de schaal en wandelden gedurende een minuut in het rond.
Een diepe stilte hing over de tafel.
De ongelovige werd doodsbleek ...

Van der Heijden in: Omstreden Paradijs, 168-169

[Jakarta 5 – Maison Versteeg] 

J. van der Heijden – Batavia bij nacht – Batavia, omstreeks 1920
Van der Heijden was een avonturier die de hele wereld bereisde. Hij bracht zes jaar door in Batavia, Bandoeng en andere steden. Na zijn terugkeer verwerkte hij zijn indrukken van het nachtleven in Batavia in een realistische roman. Het Molenvliet is de lange doorgaande weg die het oude Batavia – de benedenstad – verbond met het nieuwe centrum – Weltevreden; Noordwijk is de belangrijkste winkelstraat.

In de wazige lichtstralen der weinige lantaarns, die Noordwijk en Molenvliet, de slagaders van Batavia, slechts spaarzaam verlichtten, gonsden duizenden en duizenden insecten. De straat die overdag wemelt van auto's, sado's en allerhande andere voertuigen, lag thans nagenoeg verlaten, daar de kantoren, die alle in de zogenaamde benedenstad zijn gelegen, vanaf vijf uur 's namiddags zijn gesloten. Alleen enkele late boemelaars waren te zien onder de bomen langs de kali-kant en wandelden langzaam verder.
Enkele sado's, waarin de silhouetten zichtbaar waren van jonge inlandse vrouwen, reden langzaam met het klingelend geluid van de belletjes aan de kop van de kleine paardjes langs de weinige wandelaars, bij voorkeur als een van hen juist langs het licht van een lantaarn liep.
‘Dag sir, ga je mee?' klinkt het bijna fluisterend vanuit een sado.
‘Zo schat, hé, stop eens even!' is het wederantwoord. De sado staat ogenblikkelijk stil, de wandelaar buigt zich naar voren onder de kap van het vehikel en dan ontspint zich een fluisterend gesprek, afgebroken door zachte uitroepjes en gegiechel.
De aspirant-minnaar – voor een uurtje – die vleiend en in zinnelijk begeren met de handen haar benen betast, tracht haar over te halen zijn voorwaarden aan te nemen.
‘Doea roepia (Twee gulden), ja?'
Tida! Tidamaoe!' klinkt het quasi verontwaardigd terug.
Berapa dan, toetje!' doet de scharrelaar zich horen. Nog enig gefluister en de zaak is beklonken. De heer stapt in en slaat dadelijk zijn arm om het sjofel geklede meisje heen.
Pigi hotel!' snauwt hij tegen de koetsier. De man die zijn taak uitstekend verstaat, kijkt met een stalen gezicht voor zich en als enig antwoord legt hij de zweep over 't vurig paardje, dat daarop als een pij] uit de boog, onder rinkelend geluid van de sado-bel vooruitvliegt.
Dit is Noordwijk en Molenvliet bij nacht. Overdag zijn deze wegen de belangrijkste en deftigste verkeerswegen van Weltevreden. Bankgebouwen, grote kantoren, toko's en restaurants verheffen zich aan de kant van de weg en een onafgebroken stroom van voertuigen rept zich daarlangs heen en weer, op weg naar de Kota (de benedenstad) of vandaar terugkomend.
's Avonds na acht uur echter, wanneer ook 't gedistingeerd restaurant Rikkers en Versteeg is gesloten, verandert dit alles als bij toverslag en is het vanaf dat uur een der meest beruchte buurten der stad. Geen fatsoenlijke vrouw kan zich daar dan nog, zelfs niet onder geleide, vertonen, wil zij niet in opspraak komen, en de heren die men er dan nog vindt, zijn meestal boemelaars en losbollen, die op zoek zijn naar een ‘hippie' of een of ander avontuurtje willen beleven, want daarvoor bestaat hier kans te over. 'Hippies' zijn er bij hele troepjes; inlandse vrouwen, meestal gekleed in een aller-bespottelijkst kort jurkje, dat 'Europees' moet verbeelden; ze rijden in troepjes van vijf of zes, ieder apart in een sado gezeten, af en aan, en avontuurtjes kan men meer dan genoeg met hen ondervinden, zelfs met een zeer gevaarlijk tintje eraan, daar deze 'dametjes' bijna allen voorzien zijn van een inlandse en sommige zelfs van een Europese ‘beschermer', de zogenaamde souteneur, die de onvoorzichtige die het waagt ruw of onbeschoft tegen hen te zijn, maar al te graag een duchtig pak ransel toedient, om daarna even snel als hij gekomen is, weer met de stille trom de aftocht te blazen voordat er een politieagent bij de hand kan zijn. Gelukkig gebeuren dergelijke gevalletjes maar zelden op de openbare weg, omdat deze heertjes liever hun kans afwachten als hun slachtoffer zich in een donker kampongsteegje bevindt.

Kuyck-Smit in: Omstreden Paradijs, 176-177

[Jakarta 7 – Pasar Gambir] 

Rien Kuyck-Smit – Zelfverzekerde inlanders – Batavia, 1 oktober 1929
Tijdens de zes jaar die Rien Kuyck-Smit met haar man Gerhard en kinderen Wouter en Guusje in Batavia doorbracht, schreef ze om de week een brief aan haar ouders in Nederland. Zij was de dochter van een marineofficier die zelf ook enkele jaren in Indië had gewoond. Op 21 september 1929 werd de driehonderdste sterfdag herdacht van Jan Pietersz. Coen. De Pasir Gambir was de jaarlijkse kermis op het Koningsplein te Batavia.

Er hebben lange artikelen over Jan Pietersz. Coen in de couranten gestaan, wat een veelzijdig begaafde man moet dat geweest zijn. Het heeft hier wel opzien gewekt dat de inlandse beweging zich helemaal niets van de Coen-herdenking heeft aangetrokken. Van de inlandse zelfbestuurders kwam zelfs geen telegram of iets. Ik kan me nu wel begrijpen dat ze nu niet erg enthousiast voelden voor deze figuur, maar dat hebben ze dan ook wel heel duidelijk gedemonstreerd.
Het is anders wel merkwaardig hoe anders de inlanders over het algemeen zich gedragen, niet altijd vijandig, maar vele voelen zich volkomen gelijk met de Europeanen. Om je een voorbeeld te geven: op Pasar Gambir stond ik met Wouter voor een soort houten onderzeeboot, waarin als attractie een echte periscoop was waar je doorheen kon kijken (het behoorde bij de marine-stand). Toevallig stond ik tussen enkel inlanders en toen wij aan de beurt waren, zei een van hen, om te zien wel een van de meer gegoeden, tot mijn verbazing in volmaakt goed Hollands: ‘U mag de kleine jongen wel wat optillen mevrouw, hij is nog te klein’. Een ander die zag dat ik Wouter zijn zakdoek voor zijn mond liet houden, omdat al die neuzen en monden die daar den hele dag vlak bij de kijker kwamen vrij vies vond, zei: ‘Ja mevrouw, het glas is misschien wat vies!’ Het was helemaal niet brutaal bedoeld, maar vroeger zou een inlander er toch niet aan denken een Hollandse aan te spreken.
Toen wij naar huis gingen, stond er bij de ingang een heel partijtje inlandse vrouwen en mannen, ook alweer uit de goede stand. Ze zagen er zo keurig en beschaafd uit dat ik Gerhard een wenk gaf om ze ongemerkt te filmen, die slanke jonge vrouwen met hun keurige en mooie pajongs en de mannen met die fijne gezichten en donkere lange sarongs. Het was werkelijk een mooi gezicht. Ik drentelde er langs en toen hoorde ik alweer tot mijn verbazing dat ze onderling Hollands spraken. ‘Gaat u naar de Kramat? Wilt u misschien met ons meerijden?’ En nog een paar opmerkingen. Ik denk dat vader dat toch in zijn tijd nooit meegemaakt heeft! *] Het lagere volk, tenminste in de stad, wordt in zijn meerdere vrijheid wel eens onbeschoft, zoals trouwens met de lagere klassen in Europa net zo het geval is.
*] Evenwel, deze dame staat niet alleen in hare opvattingen en nog maar al te veel Europeanen zijn van mening dat ‘Hollandsch spreken’ voor ons Javanen, eene overbodige luxe is. [De Locomotief 7 Januari 1910] 
... de Hollander op deze wijze zijn superioriteit wenst te handhaven en dat het gebruik van het hollands de mindere te dicht bij de meerdere zou brengen, wat vermeden moest.
[Du Perron – Verzameld Werk VII, 415-417] 

Ritman in: Omstreden Paradijs, 274-275

[Jakarta 7 – Gouvernement] 

J.H. Ritman – Soevereiniteitsoverdracht – Djakarta, 27 december 1949
In het Paleis op de Dam te Amsterdam droeg Nederland op 27 december 1949 de soevereiniteit over aan de Indonesische republiek. Op dezelfde dag vond in Djakarta ook een ceremonie plaats. J.H. Ritman (1893-1982), oprichter en journalist van het in die stad verschijnende ochtendblad De Nieuwsgier, was er getuige van.

ILW Jakarta 7 Koningsplein Indonesische delegatie Mohammed HattaHet Koninklijk Paleis te Amsterdam: Rechts van Koningin Juliana de leider van de Indonesische delegatie Mohammed Hatta, links minister-president Drees. →

Op 27 december 1949 werd ten paleize Koningsplein de overdracht van de soevereiniteit geëffectueerd in aanwezigheid van de Nederlandse Hoge Vertegenwoordiger van de Kroon (Lovink) en de eerste Hoge Commissaris der Nederlanden (Hirschfeld); de Indonesische delegatie stond onder leiding van Hatta [de Sultan van Djokjakarta]. Het was een vrij korte plechtigheid. Niets verried wat er in de hoofden en harten van de aanwezigen, Indonesiërs en Nederlanders, omging. Het dramatische moment kwam pas, toen op het grasveld voor het paleis de Nederlandse vlag werd gestreken en het rood-wit van de republiek gehesen.
Dit geschiedde onder de tonen van het Wilhelmus, geblazen door een schitterende militaire band en die van het Indonesische Raya, vertolkt door het muziekcorps van de Djakartaanse brandweer. In het gemoed van menig Nederlander zal dit afscheid van het Nederlands gezag welhaast een symbolische waarde hebben gehad; na de onberispelijke uitvoering van het Wilhelmus door de voortreffelijke militaire muziek de nogal primitieve vertolking van het Indonesia Raya door de niet zo goed geoefende brandweermusici ...
De enorme geestdrift bij de intocht van Soekarno, enige dagen later, is uit en te na beschreven door oog- en oorgetuigen. Indonesische jongelui beklommen zelfs de trappen van het paleis om daar vervolgens met harde hand van te worden verwijderd door de Nederlandse huismeester. Kenmerkend voor de figuur van de nieuwe bewoner was dat deze Nederlander nog geruime tijd in zijn functie werd gehandhaafd en bij zijn vertrek werd overladen met geschenken. ‘Ik heb niets tegen Hollanders; wel tegen de Nederlandse politiek’. Heeft Soekarno eens gezegd. Hij handhaafde ook zijn goeddeels uit Nederlanders bestaande top van de huishoudelijke staf. Toen een deputatie uit het personeel hem benaderde met de mededeling, dat men nogal wat moeite had met het Indonesisch en hem bij voorbaat excuses aanbood, wanneer men een in de Bahasa gegeven opdracht wellicht zou misverstaan, antwoordde Soekarno: ‘Maak u geen zorgen. Ik zal antwoorden in de taal, waarin ik wordt toegesproken’.
Zo idyllisch als de verhouding tussen de nieuwe bewoner en zijn Nederlandse bedienden ten paleize was, kon men die in en buiten Djakarta bepaald niet noemen. Roversbenden beschouwden niet alleen de periferie, maar ook de binnenstad als hun werkterrein. Vlak voor mijn huis op Tanah Abang schoot een bandiet in de avondschemering een Chinese pomphouder dood, die met de opbrengst van zijn bedrijfje zich per betjak naar huis begaf.
Voor veel Nederlanders was het een angstige tijd, want telkens weer werden aantrekkelijke huizen, die door Nederlanders werden bewoond ‘geconfisqueerd’ door kennelijk goed georganiseerde knokploegen, vaak bestaande uit Zuid-Molukkers. Ik wil geen blaam werpen op ‘de’ Ambonezen, maar later zou blijken dat de organisator van deze huizenroof een hooggeplaatste figuur uit Ambon was, die een aantal getrouwen om zich heen verzameld had en, tegen behoorlijke betaling, aan Indonesische landgenoten, die hun oog op een bepaalde woonruimte hadden gevestigd, zorgde voor de onvrijwillige overdracht.