Bouke Jagt – Erven van Indië in Oost-Indische inkt, 352

[Jakarta 5 – Kapitein Jas] 

Toen opa begraven werd op Tanah Abang, was het drukkend heet. In een ijlblauwe lucht schitterde het verblindende hemellichaam. Achter de lijkwagen volgden stapvoets de zwetende bezoekers. Na de witte poort kwamen ze langs het graf van Kapitein Jas. Het was een verweerde boom binnen een hekje, waarachter bloemen en trommels met kransen lagen.
Daar huisde volgens het bijgeloof de Dood zelf. De Indische Dood was geen mager skelet met een zeis, maar een kapitein met snor en militaire overjas. In die gedaante kwam de Dood de Belanda's in stad en ommeland halen. Iedereen die Tanah Abang betrad, moest deze plaats passeren. Inheemsen offerden er respectvol bloemen.
Een lange stoet schuifelde tussen de rijen zerken. Jonge mensen in stemmige tropenkleding. Stramme oudgasten nog in witte jas toetoep. Een paar uniformen. Veel grijs-geworden hoofden, enkele familiegroepen. Kransen en bloemen lagen op de grond naast het geopende familiegraf, waarin opa’s vader, de onvermurwbare griffier en president van de weeskamer, sinds 1925 rustte.
Een geestelijke prevelde Latijnse gebeden. De omstanders antwoordden met gedempte stem. Het schelle zonlicht maakte de grafstenen rondom marmerwit. Oom Ludwig sprak, daarna oudoom Anton. Het Nederlands had hier anderhalve eeuw op het kerkhof geklonken bij begrafenissen. Het zou in de toekomst slechts bij uitzondering gehoord worden. Er waren muzikanten met blaasinstrumenten. Het koper glom. Ze zetten in, een slepende wijs: ‘Veilig in Jezus’ armen’. Dat joeg een schok van herkenning door de kring. Het was het lied van de begrafenissen in het jappenkamp. Daarna werd gezongen:
Swift to its end ebbs out life’s little day
Earth’s joy grows dim, its glory passes away,
Change and decay in all around I see.
O, Thou, who changest not, abide with me.
Ontroering klonk in de stemmen, want inderdaad, wie zag niet de verandering en het verval rondom? De glorie van het wereldrijk was heen. Niets leek de aanwezigen overgebleven dan een wegebben naar een hachelijke toekomst in de verte, overzee. Wierook kringelde op. Er was een Indische maatschappij, die ooit vertrouwd en rijk was geweest, maar die voorbijgegaan was, zoals een stralende dag verleden tijd wordt. Priester en misdienaars trokken zich terug.
De een na de ander naderde en wierp een kluitje op de met een krans bedekte kist. Oma, de ooms, Mamy en Boesje stonden daarachter als naaste verwanten.
Het duurde voor een kind heel erg lang. De zon was zo heet, Steeds nieuwe onbekende gezichten doken op en wisselden enkele woorden met Mamy. Op een gegeven moment gaf de begrafenisondernemer de familie een teken. Ze liepen met de man naar de koffiezaal.
Tijdens de koffie mocht Boesje op zijn eentje ronddrentelen.
‘Adoeh, ik heb net zo’n gevoel alsof we niet alleen oompje maar de hele Indische gemeenschap ten grave hebben gedragen’, zei Njoenjoe zacht. Hij nipte aan zijn koffie.
‘Jaja, maarr ik moest zo noodhig ja’, zei tante Nitchi achter haar zakdoekje. ‘Ik dacht, het is wel mooi, wat jullie singen, maar nog één liedje en ik dhoe ghewoon in mijn broek!’
‘Het is, geloof ik, de eerste keer’, sprak tante Thea, ‘dat oom Hugo wegging, zonder op het laatste moment te moeten poepen!’
Oom Sjeng merkte op: ‘Hij was niet kwaad, die oude Hugo, een beetje stroef, maar dat zit in de Zwitserse familie. Een hartelijke vent, met een goed hart ... Hij kon verdraaid goed roedjak maken’.
‘In zijn tijd was hij een behoorlijk jager’, zei een oude gebrilde magistraat hoofdschuddend. ‘Zijn schot was heel behoorlijk’.
‘Ik krijg onderhand trek in een borrel’, zei een ander.