Indonesië en Nederland tussen 1945 en 1963

N. Samsom NV, Alphen aan den Rijn 1968

Alberts – Het einde van een verhouding, 124, 126-127

[Jakarta 6 – Monument] 

Tijdens de in oktober 1957 gehouden algemene politieke beschouwingen over de begroting van 1958 werd in de Tweede Kamer met geen woord, vertogen of onvertogen, gerept over Indonesië. Dat kwam pas een kleine twee maanden later, toen minister-president Drees op 3 december een korte, zelfs zeer korte verklaring aflegde, waaruit bleek, dat de regering nog wilde afwachten of de anti-Nederlandse actie van beperkte omvang en duur zou zijn of niet. Drie weken later wist men, dat hier inderdaad sprake was van een doelbewuste actie om de Nederlanders in Indonesië het land uit te drijven. De heer Luns, Minister van Buitenlandse Zaken, heeft bij die gelegenheid gezegd: ‘Men doet het nu voorkomen alsof de thans genomen maatregelen het gevolg zijn van de weigeringen van de Verenigde Naties om de Indonesische aanspraken op Nieuw-Guinea te onderschrijven, doch dit is naar het oordeel van de regering in het licht van wat zich sinds 1949 heeft afgespeeld niet anders dan een voorwendsel. Zelfs uit uitlatingen van officiële Indonesische zijde blijkt de juistheid van dit oordeel. Nog eergisteren heeft de Indonesische minister-president in een radiorede verklaard, dat de huidige actie niet alleen haar oorzaak vindt in het Nieuw-Guinea-geschil, doch dat deze vooral gezien moet worden in het kader van de Indonesische wens de gehele nationale economie van Indonesië op een nieuwe basis te schoeien om daarmee een zelfstandige buitenlandse politiek mogelijk te maken’.
Met uitzondering van de communisten stond men, als in de dagen der politionele acties, achter de regering. De P. v. d. A. klaagde weliswaar bij monde van de heer Willems dat het toch ‘zo plezierig zou zijn, als Nederland en Indonesië het eens konden worden over het beheer over een gebied, dat slechts lasten en moeilijkheden geeft, maar de destructieve krachten in Indonesië hebben de daartoe nodige vertrouwensbasis ondermijnd’.
Het ging dus weer dezelfde kant op als twaalf jaar tevoren aan de vooravond van de Hoge Veluwe. En ondanks het waarschuwend voorbeeld was ditmaal de aandrang om de kans te missen welhaast nog groter. Indonesië ging met wat men bijna de zekerheid van een slaapwandelaar zou willen noemen, op een doel af, dat op het dieptepunt van de verhouding met Nederland lag. En men deed dat niet om op dat dieptepunt te blijven, maar omdat men eenvoudig met een schone lei wilde beginnen. Op die lei stonden nog Irian en het te grote buitenlandse aandeel in de nationale economie. Een onpartijdig waarnemer zou het eerste punt van deze conflictagenda onbelangrijk en het tweede uit de tijd hebben genoemd, maar in een land waar men pas onafhankelijk is geworden, legt men andere maatstaven aan. Regering en parlement in Nederland hebben dit voor de tweede maal niet gezien en het is de vraag of de historie daarover wel zo gunstig zal oordelen, juist omdat het de tweede keer was.
Ook de laatste keer. En weer werd de oplossing gebracht door een soort van politiële actie. Nederland zond versterkingen. Indonesië brak de diplomatieke betrekkingen af en infiltreerde. Nederland zond nog meer versterkingen en toen het geheel op een complete rimboe-oorlog dreigde uit te draaien werd opnieuw van buitenaf ingegrepen. Opnieuw door de Verenigde Naties, maar ditmaal in feite door Amerika, dat de Nederlandse regering wist over te halen het bestuur op Nieuw-Guinea over te dragen aan een door de secretaris-generaal van de Verenigde Naties tijdelijk geschapen gezagsorgaan, dat op zijn beurt enige maanden later dit gezag zou overdragen aan Indonesië. Het eerste gebeurde op 1 oktober 1962, het laatste op 1 mei 1963. De verhouding tussen Nederland en Indonesië was verdwenen. Ze zou opnieuw geschapen worden.