Vierde druk, Veen, uitgevers, Utrecht / Antwerpen 1983

Vuyk – Reis naar het vaderland, 8-10

[Jakarta 10 – Loopbrug] 

Deze keer landden we op het nieuwe, zeer moderne vliegveld Halim aan de oostzijde van de stad. Reden we langs een nieuwe brede verkeersweg, ook alweer beplant met snel groeiende bomen, de nieuwe hoogbouw tegemoet. Enorme torenflats, banken, kantoorgebouwen en internationale hotels, een hele wijk met buitenlandse ambassades. Het was ons allemaal vreemd en toch op een rare manier een beetje bekend. ‘Brazilië’, zei ik tegen mijn man, ‘Sao Paulo maar wijder gebouwd, groener’. We hadden er vijf maanden gelogeerd bij mijn broer. Eerst toen we het Hotel Indonesia passeerden, laag lijkend met zijn tien verdiepingen tussen de torenflats met hun letterlijk ontelbare woonlagen, ruw geschat twintig of dertig minstens, vonden we een herkenbaar punt terug.
Iets verderop op het kruispunt van een aantal uitvalswegen kwamen we in een verkeerschaos terecht: trucks, auto’s, gele en blauwe taxi’s, bussen, dubbeldekkers zoals in Engeland met daartussenin ontelbare motorfietsen en Vespa’s. Geen betjaks (fietstaxi’s), die waren verbannen naar de nieuwe buitenwijken. Wel gemotoriseerde betjaks. Al dat kleine spul wrong zich tussen het zwaardere verkeer door, gevaarlijk, tegen alle verkeersregels in, maar bewonderenswaardig van rijtechniek. De loopbruggen over de autobanen, ook alweer een idee van de inventieve Ali Sadikin, waar twaalf jaar eerder nog weinig gebruik van werd gemaakt maar waar wel veel mopjes over werden getapt (‘Sumatra heeft rivieren zonder bruggen en Jakarta bruggen zonder rivieren’), functioneerden nu wel en ze lagen in de schaduw van tien jaar oude hoge bomen. Hier en daar hingen aan palen bloeiende paarse en lila orchideeën. De opvolger van Ali Sadikin plantte geen bomen meer, hij versierde de stad met orchideeën. Boosaardige tongen fluisterden dat zijn schoonzoon een orchideeënkwekerij bezat. De populariteit van de nieuwe gouverneur was omgekeerd evenredig aan die van zijn mythologische voorganger die, o ironie van het lot, juist door zijn populariteit na twaalf jaar dienst werd vervangen. We reden over een brug en sloegen rechtsaf. ‘Waar zijn we nu eigenlijk?’ vroeg ik onze gastheer. ‘Herken je het dan niet meer?’ zei hij verbaasd, ‘je hebt hier toch vlakbij gewoond, dit is Menteng’.
Wekenlang werkte Menteng frustrerend op ons, erger nog: vervreemdend. De lage hekjes en struikjes van vroeger waren vervangen door hoge omheiningen van halve bamboes, netjes geverfd, met houten poorten, ook weer netjes geverfd en secuur afgesloten. De hele buurt leek opgebouwd uit een-gezinsconcentratiekampjes of getto’s. Soms waren de schuttingen gedeeltelijk begroeids met overhangende klimplanten of stak een boom of een hoge struik boven de omheining uit, die het geheel wat vriendelijker maakten. Daarachter leefden mensen, maar ze waren onzichtbaar voor ons en wij voor hen. Zij hadden geen deel meer aan het straatleven en het leven van de straat viel voor hen weg. Zoiets moet psychologisch op een mens inwerken, dacht ik. Enkele huizen hadden op de oude manier alleen maar een hek en een groene heg. Zo ook het huis waar we logeerden. Vanuit de voorgalerij kon je door de tralies van een hek gelukkig de mensen op straat zien. Wel was het een stevig hoog hek en altijd goed afgesloten.

Vuyk – Reis naar het vaderland, 20-21

[Bandung 1A – GEBEO] 
[Bandung 1B – Telefoon] 

Zo werkte de telefoondienst tien jaar eerder ook. Driemaal per week geen verbinding, via buren de storingsdienst opbellen en dan maar wachten tot een monteur zou komen. Je kon ook, als je de weg wist, een onofficieel maandabonnement nemen en dan kwam de man binnen het uur. Soms ging het een week goed en dan weer dagen achter elkaar mis. Er gingen geruchten dat die storingen als extra bijverdienste werden gearrangeerd en datzelfde verhaal werd over het electriciteitsbedrijf verteld. De belangrijkste oorzaak was echter dat zowel de electriciteits- als de telefoonbedrading totaal was versleten en sinds het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog niet meer was vernieuwd en bovendien onbekwaam gerepareerd en door de uitbreiding van de stad overbelast. In de afgelopen tien jaar zijn zowel telefoon als elektriciteit geheel vernieuwd en beide functioneren nu voortreffelijk. In Jakarta tenminste, in veel andere steden bestaat nog steeds de oude toestand.
Philips, die de nieuwe telefooncentrale bouwde en het lijnennet vernieuwde, werkte slechts met enkele buitenlandse ingenieurs, maar gaf een aantal Bandoeng-ingenieurs een trainingscursus en leidde ook het lagere personeel als mecaniciens en monteurs op. Dit is geen lofzang op de firma Philips als werkverschaffer, maar uitsluitend een voorbeeld hoe soms in deze ‘boze’ wereld een ‘goede?’ daad wordt beloond. De Arabische regering besloot een telefoonnet aan te leggen in Mekka, de heilige stad van de islam die door geen khafir (ongelovige, dat wil zeggen niet-islamiet) mag worden betreden. Philips was de enige westerse onderneming die over een team van goed opgeleid en in de praktijk getraind hoger, midden en lager kader van islamitische werkkrachten kon beschikken. Zo vertrok een grote groep Indonesiërs naar de heilige stad; ze begonnen en voltooiden het werk en volbrachten en passant de hadj. Ze keerden naar huis terug, niet ‘wiser and sadder’ als The Old Mariner, maar wel rijker (in Arabië worden de hoogste lonen ter wereld uitbetaald) en met meer status, als hadji (iemand die de pelgrimstocht naar Mekka heeft volbracht).