Uitgeverij De Bezige Bij, Amsterdam 1957

Galen Last – Dramakutra, 187-189

[Jakarta 7 – Gouvernement] 

Die eerste berichten waren niet onrustbarend, maar toen drie kwartier later de eerste legerafdeling met haar aanhang op het Heldenplein was verschenen, had Dramakutra door een raam van zijn paleis naar buiten gekeken, zich omgedraaid en zich naar zijn werkkamer begeven. Op de vraag of men de staf-chef moest opbellen om te vragen wat er aan de hand was, had hij korzelig geantwoord dat dat niet nodig was. Een kwartiertje later was men opgewonden bij hem gekomen om te melden, dat militairen zich overal rondom de tuin van het paleis hadden opgesteld en dat ze hun stenguns op het paleis gericht hielden. Moeten geen bevelen aan de wachten worden uitgereikt om zo nodig te schieten?
‘Volstrekt niet’, antwoordde Dramakutra, niet van zijn bureau opkijkend.
Om vijf over twaalf ontving de president het telefoontje: een kapitein, zekere Dasili, had verzocht voor een onderhoud te worden toegelaten.
Toen de kapitein vijf minuten later het studeervertrek van de president betrad, stonden alle meubels tegen de muren, behalve het zware bureau, en hij trof de Hoeder, op blote voeten en alleen gekleed in een zwart voetbalbroekje, op zijn knieën aan, de stenen vloer dweilend. Dramakutra richtte zich op, en zijn handen drogend aan zijn broekje, zei hij:
‘U ziet, kapitein, ik zal u maar geen hand geven. U zult wel verbaasd staan, maar ik doe dit werk om mijn lijn niet te verliezen, want op mijn leeftijd krijgt de natuur er een onbegrijpelijk genoegen in, ons òf tot een stok òf tot een voetbal te maken’, en hij maakte daarbij met zijn hand een trommelende beweging op zijn buik. ‘... Maar u staat daar maar’, ging hij verder, ‘kom, laten wij gaan zitten. Waarmee kan ik u van dienst zijn? Hier, dit stuk heb ik al gedaan’, en voor de onthutste officier een hand had kunnen uitsteken, had de Hoeder al een zitje gemaakt van een tafeltje en twee stoelen.
Toen zij beiden tegenover elkaar zaten, zweeg de Hoeder en keek de kapitein vragend aan, wat deze als een nieuwe verrassing onderging. Hij was niet in staat een woord uit te brengen en probeerde de vriendelijke, maar voor zijn gevoel daarom niet minder doordringende blik van de president met grimmigheid te doorstaan.
De Hoeder begon te lachen.
‘Wat is er aan de hand, u ziet er zo serieus uit?’
Hortend en op onsamenhangende wijze leidde de kapitein zijn bedoelingen in, nam snel de verklaring uit zijn zak en begon die voor te lezen, aan het slot er aan toevoegend dat de president deze verklaring had te ondertekenen. Blijkbaar door het voorlezen zijn evenwicht hervonden hebbend, ging hij verder:
‘Ik ben slechts de vertolker van de wil van het volk, dat op spontane wijze voor uw paleis is samengestroomd met geen andere bedoeling dan dat ik straks bekend kan maken dat u zijn verlangens hebt gehoord en hebt beloofd die te zullen inwilligen. Eerder zal men niet vertrekken’.
‘Mag ik het lezen?’ vroeg Dramakutra.
Het duurde heel lang. Eindelijk schoof hij het papier weer naar de kapitein terug.
‘Gesteld dat ik het er mee eens zou zijn, vindt u dan dat ik het nu tekenen moet?’
Kapitein Dasili had echter zijn verwarring overwonnen.
‘Als dit betekent dat u het verzoek van het volk weigert in te willigen, zal ik opstaan en dat aan het volk meedelen. De gevolgen daarvan voor u kan ik niet overzien’.
Maar met dezelfde lenigheid en vlugheid waarmee hij de stoelen op hun plaats had geschoven, was de president al opgesprongen, woedend.
‘Dan zal ik met u meegaan, en de gevolgen daarvan zijn wèl te overzien, zelfs voor een kokosnotenhoofd als het uwe: u bent binnen vijf minuten gelyncht, kapitein Dasili, maar ...’ en hij legde een hand op de schouder van de kapitein, terwijl hij glimlachend vervolgde: ‘... ik zou dat jammer vinden voor de dapperste onder de jonge officieren van mijn leger’.
‘U hoeft geen spijt te hebben van imaginaire gevolgen van uw wensdromen’, zei kapitein Dasili, ‘de duizenden die voor uw paleis staan te wachten èn het leger zijn vast besloten de verklaring te laten ondertekenen’.
Als antwoord greep de Hoeder hem met de linkerhand bij zijn overhemd en sloeg hem met de rug van zijn vlakke rechterhand in het gezicht.
Kalm trok kapitein Dasili zijn revolver en beval de president zijn handen op te heffen.