Politieke herinneringen uit mijn Indische jaren, Van Oorschot Amsterdam 1978

Kadt, de – Jaren die dubbel telden

[Bandung 3 – L.O.G.] 

We gingen dus belast en beladen met matrassen en de rest naar het LOG waar de Nederlanders vroeger jeugdige inlanders tot goede leden van de maatschappij hadden proberen te verheffen. We werden bij aankomst onderzocht en gecontroleerd op een nogal oppervlakkige wijze. We hadden heel wat verboden dingen o.a. geld naar binnen kunnen smokkelen als we dat geweten hadden. De controle werd uitgevoerd door Indonesiërs met slechts een paar Jappen op de achtergrond. Dat alles gebeurt op het grasveld voor de ingangspoort. [...]
Na registratie en controle gingen we door de poort naar binnen en kwamen op een van de binnenplaatsen van het grote complex van het LOG, waar we in groepen werden ingedeeld en waar ons werd aangewezen waar de ruimte zou zijn die voor ons verblijf bestemd was. Daarbij bleek dat de Jappen heel wat meer mensen op een zaal stopten dan de Nederlandse kolonisten aan jeugdige delinquenten hadden toebedacht. Terwijl er dus oorspronkelijk een redelijke afstand had bestaan tussen de aanwezige onderstellen voor matrassen en ieder een eigen hangkast als bergruimte had, kreeg men nu een smal paadje en moest men de opbergruimte met anderen delen. [...]
Reeds op de morgen na onze aankomst in het kamp werden we bijeengeroepen en kregen we te horen hoe we in de houding moesten staan en hoe we de bevelen van buigen en dieper buigen moesten gehoorzamen tot de commanderende Japanner ons verlof gaf om weer weg te gaan. Sommige Nederlanders vonden dit zo vernederend dat ze weigerden aan die bevelen te gehoorzamen, waarop ze de aframmelingen kregen die tot het inzicht leidden dat ze met Japanners te doen hadden, die geen begrip voor hun houding hadden en niet alleen de ongehoorzamen maar het hele kamp straften voor het onbegrip in de Japanse tradities. Enkele Nederlanders die bleven weigeren zijn zelfs onthoofd. [...]
In een van de kantoorruimten werden we ingeschreven dat wil zeggen er werd gecontroleerd of onze kaarten klopten met de lijsten die daar aanwezig waren. Als beroep had ik opgegeven kantoorbediende, want journalist of iets van dien aard vond ik te gevaarlijk. Zoals ik ook bij de godsdienst voorzichtigheidshalve in plaats van het ‘geen’ maar ‘protestant’ had gezet omdat nu eenmaal bij Jappen dat ‘geen’ wellicht een verdachte indruk zou maken. Achteraf bleek dat juist te zijn, want na enige maanden kwam een Japanse aanschrijving dat alle vrijmetselaars zich moesten aanmelden, zoals ook alle joden zich moesten opgeven en allen die gouvernementsambtenaar waren. Nu was ik noch vrijmetselaar, noch gouvernementsambtenaar maar ik was wel jood volgens de Hitleriaanse opvattingen van dat woord. Maar ik zag niet in waarom ik de Jappen, die hun wijsheden omtrent joden en vrijmetselaars van de Duitsers hadden gekregen en die noch van het ene noch van het andere enig benul hadden, moest helpen bij het vaststellen wie tot die gevaarlijke groepen behoorden. Overigens hebben, voor zover ik weet, zij die zich wel opgaven en die daarna als aparte groep werden samengebracht en in een afzonderlijk kamp geplaatst, geen slechtere behandeling ondergaan dan de andere gevangenen. [...] Er was geen enkele arts in het LOG. Eens in de week of eens in de veertien dagen kwam een Indonesische arts in het ziekenzaaltje informeren naar de ergste gevallen, maar voor de rest werd alles overgelaten aan de enkele verplegers [...] Ze werden geholpen door een aantal vrijwilligers wier niet genoeg te prijzen werk belemmerd werd door de afwezigheid van geneesmiddelen en zelfs verbandmiddelen. Dat was een schandaal, want het Rode Kruis had van het begin af aan voor voldoende van dit alles zorg gedragen. Maar de Japanners sloegen dit alles op voor zo ver ze het niet zelf gebruikten, zo als na de bevrijding zou blijken. Zo zouden ze ook de pakketten die het Amerikaanse Rode Kruis voor de gevangenen stuurde en die ondermeer hoogwaardig voedsel bevatten of opslaan of zodanig distribueren dat de gevangenen op z’n best een kwart kregen van wat voor één persoon bestemd was. [...]
Maar na een zekere periode deden zich ziekteverschijnselen bij hem [de broer van de schrijver] voor die door de plotselinge overgang van de goede voeding die hij had gehad naar het kamprantsoen werden veroorzaakt en die leidden naar wat men in de gewone taal een darmkronkel noemt. In dat geval is een snelle operatie nodig. Die kon men hem in het ziekenzaaltje niet geven.[ ...] En toen er dan eindelijk een arts kwam die constateerde [...] dat het dus eigenlijk al te laat was. Ik mocht hem niet vergezellen naar het hospitaal. Toen ik afscheid van hem nam, vreselijk vermagerd en van pijn vertrokken gezicht, vreesde ik al dat ik hem nooit meer zou terugzien. Twee dagen later kreeg ik het bericht dat hij tijdens de operatie was gestorven. Zijn kleren, een paar sieraden en zijn portefeuille lagen in de koffer die me werd overhandigd. Naar zijn begrafenis mocht ik niet.