Brouwers – Bezonken rood, 20

[Jakarta 8 – Oorlogsmisdadiger] 

lk heb mijn ouders nauwelijks gekend, ook dat is al door mij geboekstaafd, de uitverkoop van mijn leven is bijna geëindigd, mijn werk is nu spoedig voltooid. Laat ik mij niet cynischer voordoen dan ik ben, en beslist ook niet sentimenteler, – maar mijn moeder heb ik in ieder geval toen gekend, in die oorlogsjaren in het Jappenkamp, waar ze mij heeft leren lezen.
Dat kamp heette Tjideng. Het was het kamp van de zeer gevreesde, zeer beruchte commandant de Japanse kapitein Kenitji Sone; in 1946 werd hij als oorlogsmisdadiger geëxecuteerd; ik herinner mij hem; hij persoonlijk heeft mijn moeder afgeranseld en met zijn bespoorde laarzen getrapt en ik persoonlijk heb dat gezien.
‘Dat zij koninklijk was.’ ‘Ze sloegen mijn moeder tot ze als dood bleef liggen.’ ‘Mijn moeder was de mooiste moeder, op dat moment hield ik op van haar te houden.' Zo is het door mij geboekstaafd, zoals ook door mij is geboekstaafd: ‘Ik ga haar, als ze eerdaags komt te sterven, niet mee begraven.'

Brouwers – Bezonken rood, 20-21

[Jakarta 8 – Tjitaroemweg] 

Het vrouwenkamp Tjideng, waarin ook jongetjes van beneden de tien jaar werden ondergebracht, en waarin ik met mijn grootmoeder, mijn moeder en mijn zus heb verbleven, was een met rietmuren, wachttorens en prikkeldraad afgezette wijk van Batavia. In de stenen huizen aldaar leefden de duizenden geïnterneerde Europese vrouwen met hun kinderen op oppervlakten van enkele met de liniaal bemeten vierkante meters, die ze bereid waren desnoods met hun bloed te verdedigen: ook de vensterbanken van die huizen werden bewoond, ook de drempels, ook iedere afzonderlijke traptrede, de veranda's, de gangen, zelfs de lucht in die huizen werd bewoond, – wie een hangmat bezat woonde tussen de overal aanwezige waslijnen vol gore versleten kledingstukken.
In een van die huizen, Tjitaroemweg 7, woonden wij met nog een tiental andere personen in de keuken, – wij bewoonden de aanrecht. Mijn moeder sliep op die aanrecht, en mijn grootmoeder, mijn zus en ik sliepen er in: mijn grootmoeder op de plank die het inwendige van de aanrecht in een boven- en een benedenhelft verdeelde, mijn zus en ik 'gelijkvloers', onder de slaapplaats van mijn grootmoeder.

Brouwers – Bezonken rood, 22-23

[Jakarta 8 – Kampziekenhuis] 

Opeens was mijn moeder ook haar enige dochtertje kwijt: die kreeg dysenterie en werd vanwege het besmettingsgevaar van deze ziekte opgeborgen in wat werd genoemd 'het kampziekenhuis', waar het omtrent ieder die er werd binnengebracht zekerder was dat zij er niet levend meer uit zou komen dan dat zij er zou genezen. (Mijn zus genas. Toen zij in 1945 acht jaar oud was, paste zij nog altijd in hetzelfde jurkje dat zij al droeg toen zij vier was.)
En ook ik werd van mijn moeder afgenomen, danwel mijn moeder werd van mij afgenomen, – ik was voor haar het laatste dat zij ten slotte nog bezat, zoals zij voor mij het laatste was dat ik ten slotte nog bezat, – ik ben het mij niet bewust geweest, toen.
Dat het allerlaatste dat wij bezaten ons eigen leven was, voor mijn moeder moet dat minder belangrijk zijn geweest, en ik leefde nog te kort om te weten wat leven is.

Brouwers – Bezonken rood, 38

[Jakarta 8 – Koempoelanplein] 

‘Mevrouw die en die is dood’ was een mededeling als: ‘het regent’.
Ik zag iedere dag dode mevrouwen: ze stuikten door hun benen tijdens de langdurige appèls in de hamerende hitte op het koempoelanplein (= appèlplein), ze vielen voorover of achterover of opzij tijdens de corveedienst, ze stonden niet meer op als het ’s morgens licht werd, of midden op de dag gingen ze zitten of liggen, deden hun ogen dicht en bleken dood te zijn.
Zo gebeurde het, en het was even opzienbarend als wanneer er een krijtje valt en in stukken breekt.
De letterlijkheid van de betekenis van het woord ‘doodgewoon’.

Brouwers – Bezonken rood, 45, 46-47

[Jakarta 8 – Koempoelanplein] 

Ook mijn moeder hebben ze afgeranseld, kaalgeschoren en een etmaal op het koempoelanplein laten staan. Het is door mij gezien.
Wie weet wat haar is overkomen dat niet door mij is gezien.[...]
Toen mijn moeder voor straf een dag en een nacht op het koempoelanplein moest staan, wilde het dat toen juist de moesson begon. Door de slagregens heen bleef mijn moeder naar mij lachen: ik had mij om een hoekje van een van de huizen in de buurt verstopt en zwaaide naar haar en wierp haar kushanden toe, – ik werd niet nat onder mijn hoed.
Het viel mij op dat mijn moeder die ik, net als tientallen andere moeders, wel vaker naakt had gezien, de mollige warme borsten die ze vroeger had gehad niet meer had, van magere, – ook doordat ze was kaalgeschoren leek ze niet alleen niet meer op mijn moeder, ze leek helemáál niet meer op een moeder, en eigenlijk niet eens meer op een vrouw: men kon van het wezen dat daar in de regen stond alleen nog zeggen dat het ‘mensachtig’ was. Maar zij was wel degelijk mijn moeder.
Ik wilde wel naar haar toe vliegen in mijn vliegtuig en scheefhangend, dus met verticaal in elkaars verlengde staande vleugels, langs haar heen scheren om haar mijn hoed toe te gooien zodat ze tenminste iets had om zich mee te bedekken, – maar zij gaf mij door middel van gezichtsgrimassen en het uitsteken van één vinger te verstaan dat ik moest blijven waar ik was, in alle wachttorens wezen de machinegeweren in onze richting.
Ik ben die nacht in mijn schuilhoek blijven zitten, – soms hoorden mijn moeder en ik in de verte het bange stemmetje van mijn zus, die naar ons op zoek was. Ik wenste bij mijn moeder te blijven en de wacht bij haar te houden: zij stond, beschenen door vijf of zes schijnwerpers, in een knooppunt van licht, in een schort van regen. Om wakker te blijven krabde ik met een scherp steentje het door de regen zacht geworden eelt van mijn voeten. Ik repeteerde: ‘moe’-‘der’. Nu en dan gaf ik een schreeuw: weesgegroetmaria-volvangenade-deheerismetu
Wij zullen elkaar niet verraden, hè mama? Wij zullen elkaar nooit in de steek laten, hè? Hè? Hè mama?

Brouwers – Bezonken rood, 60-63

[Jakarta 8 – Appèl] 

Van dat Tjideng-kamp herinner ik mij vooral: de ‘koempoelans’ of appèls, die meerdere malen daags werden gehouden, op een plein in de schroeiende zon, en waarop iedereen die in het kamp verbleef diende aan te treden, hetzij zuigeling, hetzij oude van dagen, hetzij gezond, voor zover er nog iemand gezond was, hetzij op sterven na dood.
Alle vrouwen en kinderen stonden in blokken aangetreden om door de Jap te worden geteld, en nòg eens te worden geteld, en nog eens te worden geteld, maar altijd was er wel iets waardoor het aantal gevangenen niet bleek te kloppen met de gegevens daaromtrent in de administratie van de kampleiding, zodat deze koempoelans vele uren in beslag konden nemen.
Op in het Japans geschreeuwde bevelen moest er bewegingloos in de houding worden gestaan, moest er worden gebogen, moest er in gebogen houding worden blijven gestaan, moest er worden geknield, moest er worden ‘gekikkerd’, moest er in koor worden geroepen (in het Japans): Lang leve de keizer!
De Jap kwam vóórlangs, of hij kwam achterlangs, of hij kwam tussen de rijen door, schrik en angst veroorzakend waar hij opdoemde.
‘De Jap’, dit begrip stond voor: kleine, gedrongen, vaak pafferig volgevreten kereltjes in puilende uniformen, met koppen als van een Japanse hond of een Japanse aap, maar nog het meest als van een Japanse kikker, waarin de felle oogjes, die door de natuur in een altijddurende loer- of gluurstand waren gezet, eenieder doorschouwden tot in het merg. ‘De Jap’: altijd de bajonet op zijn geweer, altijd dat wapen in aanslag, altijd de zon in het staal van die bajonet, zo verblindend dat het mij leek of ik de lichtspatten in dat staal behalve dat ik ze zag ook kon horen: die bajonetten schetterden. Dikwijls was ‘de Jap’ straalbezopen en liep hij op wankele dikke beentjes met een sabel in het rond te zwaaien, of had hij een pistool in zijn hand waaruit hij nu en dan, op de maat van een onverstaanbaar lied uit zijn vaderland dat hij lalde, een schot in de lucht afvuurde. In het Tjideng-kamp liep ook een geestelijk gestoorde Jap rond, die was gewapend met een rotan stok waarmee hij iedereen die hij tegenkwam een klap gaf, waarbij die stok eerst een zoevend geluid in de lucht maakte wat leek te klinken als een zucht voordat hij op een rug of hoofd neerkwam, – deze Jap, erbarm u onzer, liep altijd te grommen als een gepijnigd of getergd dier. (Ik kon die Jap goed nadoen, zowel zijn gegrom alsook de manier waarop hij zich voortbewoog met korte snelle pasjes, de stok in zijn oksel geklemd. Ook het geluid dat zijn slagwapen maakte als het de lucht doorsneed voordat het een lichaam trof kon ik goed nadoen. Om mijn imitatie zo naturalistisch mogelijk te maken keek ik er scheel bij en soms raakte ik er met de punt van mijn tong de punt van mijn neus bij aan. Zo hebben we daar toch nog heel wat afgelachen.)
Als er tijdens de koempoelans niets was bevolen, moest er op het plein absolute stilte heersen, waarin alleen het gestamp van de soldatenlaarzen mocht worden gehoord. Van het kleine kind dat begon te huilen kreeg de moeder een pak rammel, wie bewoog kreeg een pak rammel, wie een insect van zijn wang sloeg kreeg een pak rammel. Men viel flauw, men zakte van uitputting in elkaar, men klapte om een andere reden tegen de grond, – in al deze gevallen werd men door de Jap weer overeind getrapt of gerammeld, tenzij men dood was. Men begon van angst te braken, of van angst of uit nood begon men staande te wateren of anderszins zijn lichaamsovertolligheden te lozen, alles wat het lichaam verliet was vloeibaar, dun, geel, of lichtgroen, of lichtrood, – wie aldus stond te klateren kreeg een pak rammel. Tot de vanzelfsprekendheden van mijn kleuterjaren behoorde het besef dat vrouwen pakken rammel moesten krijgen of op andere manieren moesten worden gefolterd of gestraft. Ik was, na dat kamp, een grijsvolwassen bijna zesjarig jongetje, ‘verwilderd’, ‘immoreel’, gespeend van ‘gevoel’. Ik ben pas later nagesynchroniseerd.
Ik heb daar, toen, nooit een pak rammel gehad. Ik ging flink in de houding staan zodra het bevel ‘Kiotské!’ klonk, borst vooruit, schouders naar achteren. Op het bevel ‘Kireéii!’ maakte ik een diepe buiging. Bij ‘Naurée!’ ging ik weer rechtop staan. Ik stond onder mijn wijde hoed, – de schaduw die ik van mijzelf zag bestond uit het ovaal van de hoed, al naar gelang van de stand van de zon voorzien van beenstompjes, soms ook voorzien van vleugels als ik mijn armen uitstak: de hoed overhuifde mij zoals in mijn latere leven ik mij voelde overhuifd door het dak van mijn auto, hierheen op weg, daarheen op weg, alsof het dak van mijn auto nog altijd diezelfde hoed uit mijn kleuterjaren was.
Als dat plein nog bestaat, en als het nog van hetzelfde asfalt is voorzien, staan in dat asfalt misschien nog afdrukken van mijn voetzolen en tenen: vaak genoeg was het zo heet dat het asfalt begon te smelten en mijn blote voeten er vaag verzonken reliëfstempels in achterlieten, – zo kon ik mijzelf bewijzen dat ik niet uitsluitend uit schaduw bestond. Nog altijd zijn mijn voetzolen eeltig en gevoelloos.
‘Indische kampkinderen’, nu de veertig gepasseerd, zijn te herkennen aan hun voetzolen, zoals Nederlandse kinderen, verwekt en geboren in de hongerwinter, nu de veertig dicht genaderd, nog altijd zijn te herkennen aan hun niets te breidelen vraatzucht.
Voor mijn grootmoeder waren deze koempoelans het ergst. Zij kon, ten slotte lijdend aan alle ziekten en gebreken die in het kamp maar voorkwamen, niet meer lopen of staan, – zij moest naar de appèlplaats worden gedragen en daarna moest zij op dezelfde manier naar haar plaatsje in de aanrecht worden teruggebracht. Mijn moeder heeft een poos lang haar moeder op haar rug meegezeuld, – daarna ontwierp mijn moeder een voertuig, dat al spoedig ‘de geitenwagen’ werd genoemd, later verkort tot ‘de geit’.
Zij had op een of andere manier beslag weten te leggen op een strijkplank en zij was op een of andere manier in bezit geraakt van een paar rolschaatsen.
Hoe kwam men in het kamp aan bezittingen? Door andere bezittingen, bij voorkeur voedsel, daartegen te ruilen: een bustehouder voor een handje suiker, een sjaal voor een naald, een tas voor een strijkplank.
Aan de voor- en achterzijde van de strijkplank wist mijn moeder een rolschaats te bevestigen, zodat het ding op wieltjes kwam te staan, – mijn grootmoeder werd, met een doek over haar gezicht tegen de zon, de vliegen en de schaamte, languit op de strijkplank gelegd, ter weerszijden moesten mijn zus en ik het rijdende ding vasthouden om het tegen omkantelen te behoeden, en mijn moeder trok het aan een touw als een geit vooruit.

Brouwers – Bezonken rood, 72-73

[Jakarta 8 – Poort] 

Mijn grootmoeder stierf vier dagen later, op haar plank in de aanrecht.
Wij hebben gezien en beluisterd hoe haar lichaam zich tot boeboer ontbond terwijl ze nog in leven was, en de kralen van haar rozenkrans steeds langzamer door haar vingers gingen, – eerst begon haar magere lichaam op te zwellen en raakte het overdekt met grote bruine vlekken, toen begon ze te druppelen, toen begon het inwendige van de aanrecht vervuld te raken van niet te beschrijven en onduldbare stank, zodat mijn zus en ik er niet langer, een verdieping lager dan onze grootmoeder, in wilden liggen.
Op 4 Mei 's morgens wikkelde mijn moeder, hardop huilend zoals ze huilde als ze werd geslagen, haar moeder in een rieten mat en tilde de slappe bundel op de strijkplank. Zij de strijkplank aan een touw achter zich aan trekkend, en mijn zus en ik ter weerszijden ervan het rijdende ding met beide handen overeind houdend, hebben we de grootmoeder voor het laatst door de straten gereden en haar afgeleverd bij het poortgebouw.
Ze ligt ergens in her huidige Djakarta begraven op een kerkhof vol eendere witte houten kruisen: graf nummer 74.
Zij was een zachtaardige, geduldige, naar men zegt zeer geestige vrouw.

Brouwers – Bezonken rood, 73

[Jakarta 8 – Samenwonen] 

Na deze uitvaart zijn mijn zus en ik juichend en joelend, ieder op één rolschaats, naar huis teruggestept, – mijn moeder sjouwde de strijkplank, want die kon nog dienen als ruilobject, de rozenkrans van mijn grootmoeder hing vanaf die datum als een ketting om haar nek.
Juni 1945 ging mijn zus met haar rolschaats kopje onder in het open riool voor het huis waar wij woonden: zij verdween met dysenterie in het kampziekenhuis, en naarmate zij meer en meer leek te zullen verdwijnen, mijn grootmoeder achterna, lachte mijn moeder minder en minder, en als ze lachte dan korter en niet meer met haar tanden bloot.
Het enige dat mij opwond was het verlies van de rolschaats die niet, gelijkertijd met mijn zus, uit het riool was opgevist.
Op 29 Juli 1945, zo hoorden we later, stierf mijn grootvader, de componist.
Op een dag in de eerste helft van Augustus 1945 stierf Nettie Stenvert.
Op 2 September 1945 capituleerde Japan, – ook na deze datum zijn wij nog maanden in het lamp gebleven.

Brouwers – Bezonken rood, 87-88

[Jakarta 8 – Koempoelanplein] 

Op 6 Augustus valt de atoombom op Hiroshima, drie dagen later valt de atoombom op Nagasaki.
De bewoners van het Tjideng-kamp worden tot straf voor deze bombardementen te hoop gedreven op het koempoelanplein en zullen twaalf, dertien uur in de houding moeten blijven staan, de Jap gaat schietend, sabelhouwend en geselend rond, er moet opnieuw worden gekikkerd en gekwaakt.
Bij die gelegenheid versnippert de Jap alles wat zich aan papier in het kamp bevindt: bijbeltjes, kerkboekjes, andere lectuur, dagboekjes, tekeningen, brieven (maar ik draag mijn eigen boek, Daantje gaat op reis, op mijn blote lichaam bij mij, tussen de bladzijden van dit boek bewaar ik de foto van mijn vader in het uniform van het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger), de Jap snijdt matrassen open en gooit als een gravende hond de kapok om zich heen, de Jap slaat vensterruiten aan diggelen, de Jap breekt vloeren open, de Jap sticht brand in de uitgewoonde kamphuizen, waarbij kleren, klompschoenen, klamboes, meubelstukken (en ook onze strijkplank) tot as verkruimelen.

Brouwers – Bezonken rood, 91-92

[Jakarta 8 – Voedsel] 

Als de kuil gegraven is, worden er andere vrouwen gevorderd. Onder dezen is mijn moeder die ik, mager als ze is, van mij weg zie lopen alsof ze onzichtbaar wordt in het geflakker van het vuur dat ons omringt en terwijl in mij de angst begint te dreunen dat ik haar nooit zal terugzien.
‘Hier blijven staan', zegt ze tegen mij.
(Meer dan drie decenniën later: ik ben daar blijven staan, ik sta daar nog steeds, ik zie mijzelf daar staan, ik kan daar niet weg.)
Met tientallen andere vrouwen verdwijnt mijn moeder door de kamppoort, maar niet lang later, – ik begin harder te zingen van opluchting en geluk, en ik zou willen springen, maar om een of andere reden lukt mij dit niet, – daar is ze weer.
Zij maakt deel uit van een trekploeg: zij en andere vrouwen zitten vast aan een touw waaraan ze een houten, zwaar beladen wagen het kamp in trekken. Bij het verschijnen van deze wagen en van nog een tweede, die door een andere ploeg het plein wordt opgereden, verstomt het gezang. Aan de zijkanten van de wagens zijn vlaggen gedrapeerd, die wit zijn en op het midden waarvan, geheel door het wit omgeven, een grafisch teken staat: rood, – niet een bol, zoals op de Japanse vlag, maar een kruis: het zijn wagens van het Rode Kruis. De vrouwen die de wagens trekken lachen en roepen vrolijke dingen naar de andere vrouwen die op het plein zijn achtergebleven.
Eten! De wagens zijn beladen met zakken vol rijst en aardappelen, kisten vol brood, manden vol vruchten, en water, tonnen vol water, – de oorlog moet nu wel voorbij zijn, – er is meel, er is vlees, koekjes, kauwgum, koffie, thee, sigaretten, zeep, medicijnen en verbandmiddelen (ik denk: zijn er misschien ook boeken bij?) ... Gaan wij nu allemaal naar onze huizen om onze pannetjes, blikjes, doosjes en trommeltjes te halen, en mogen we daarna misschien het kamp uit? Waar is mijn zus? Mijn zus zou hier bij moeten zijn. Waar is Nettie Stenvert? Ach, Nettie Stenvert is dood, – haar heb ik twee dagen geleden als een pop van zilverpapier met gesloten ogen in een kist van triplex zien liggen. Eten! Jippiejippiejee! Ik zwaai naar mijn moeder met mijn hoed.
Er gebeurt iets anders dan alle vrouwen en kinderen denken en hartstochtelijk hopen:
Al het voedsel, al die overvloeden moeten van Sonei, die er persoonlijk de instructies voor geeft, van de wagens af in de kuil worden gegooid. De knechten van de dood steken en snijden met hun sabels of bajonetten de zakken kapot zodat rijst neerklettert als regen, en meel verstuift zoals eelt verstuift dat men van zijn voeten heeft gevijld. De knechten van de dood gaan op het brood staan pissen, de knechten van de dood verbrijzelen ananassen, papaja's, sawo's, bananen, andere vruchten onder hun laarzen tot modder waar een zoetige geur van opstijgt. Met vlammenwerpers worden de twee wagens in brand geschoten en brandend de kuil in geduwd, waar alles dat branden kan begint te branden en alles dat verkolen kan verkoolt.