een bewerkte herdruk van 'Sentimental Journey',
Leopold 's Gravenhage, 1971

Fabricius – Een reis door het nieuwe Indonesië, 6, 8

[Jakarta 5 – Soos] 
[Jakarta 5 – Oen] 

Wie aan het oude Indië dierbare herinneringen bewaard heeft, beleeft een grote vreugde aan het herkennen van woorden, klanken en geuren die ergens in het onderbewustzijn zijn blijven hangen. Ineens weet je het weer: ja, zó ruikt een durian, dát is de wat bittere rook van houtskoolvuurtjes. Hoor eens: het heldere metalen rinkelgeluid van een siroopventer, de langgerekte roep van een wandelende restaurateur, het krakend doorzwiepen van zijn zwaarbeladen juk, zijn hijgende adem en schuifelende voetzolen bij het wiegelgangetje waarin hij zijn draagbaar eetwinkeltje voorttorst. Kijk, daar was de wijd en zijd bekende Bataviase apotheek Raethkamp – schrijf ik de naam goed? – en o jé, wat is er overgebleven van onze deftige ‘Harmonie', de Heren-sociëteit? Het eens smetteloos witte gebouw is groen uitgeslagen. En hoe zou het er in de ‘kamar bola', de beroemde biIjartkamer, nu wel uitzien, daar achter de afgebladderde, wat scheef in hun hengsels hangende luiken? O, maar de olifant voor het museum – Rumah Gaja! – staat er nog net als vroeger. En Toko Oen op Noordwijk is er ook nog, kom, we gaan er gauw een hapje eten. Alleen heet Noordwijk nu Jalan Nusantara, behalve een welluidender ook eigenlijk wel een zo toepasselijke naam. Wat betekent Nusantara nog maar weer? Nusa is eiland. Straat van het Eilandenrijk?

Fabricius – Een reis door het nieuwe Indonesië, 12

[Jakarta 4 – Ciliwung] 

Langs Gunung Sari naar het Molenvliet dat nu Gajamada heet en behalve zijn vroegere naam – waar wás die molen eigenlijk? – ook de lange bamboevlotten heeft verloren waarop tukang menatu’s, de wasbazen, en hun helpsters de hun toevertrouwde was vroeger met zoveel animo stukranselden, dat de knopen alle kanten uitvlogen. Het lange kanaal, verbinding met de benedenstad, heeft schuine wanden gekregen; naar het gerucht wil zou dit gebeurd zijn om de mensen te verhinderen er broederlijk en zusterlijk naast elkaar te baden, hun behoefte te doen, rijst uit te spoelen en de tanden te poetsen. Slechts de hier en daar omlaagleidende trapjes bieden nog gelegenheid tot deze veelzijdige bezigheden die de buitenlandse toeristen ook in de ‘Nederlandse’ tijd al in verbazing brachten en een droef testimonium opleverden van onze onmacht om voor een hygiënischer oplossing van het waterprobleem te zorgen.
Toegegeven; de bevolking aanvaardde de toestand, zoals ze ook nu weer aanvaardt wat haar onvermijdelijk schijnt; ze ging en gaat ervan uit dat water nu eenmaal een reinigend element is. De wayang kulit leert het al in het verhaal van Bima, de legendarische jonge held, die er zich in stortte om geest en ziel van aardse smetten te zuiveren. Maar als in dat water nu menselijke excrementen ronddrijven afgewisseld met een verdronken rat een bleek opgezwollen kattelijk of hondenkreng? Voor zover ik weet is er door ons nooit een ernstige poging ondernomen om aan deze boeiende toeristische attractie een eind te maken.

Fabricius – Een reis door het nieuwe Indonesië, 12, 14

[Jakarta 4 – Des Indes] 

Wonderlijkerwijs lag aan datzelfde niet altijd welriekende Molenvliet het wijdvermaarde Hotel des Indes, en for old memories’ sake had ik besloten er mijn intrek te nemen. Het heette nu Duta Indonesia – duta is afgezant, dus: representant van Indonesië – en strekte zich nog altijd uitnodigend breed uit onder het geboomte. De vijver met de diep bassende kikkers op het voorerf moest wel worden geofferd aan de dwingende noodzaak van een parkeerterrein. Jock, de grote gekooide gibbon, die je ’s ochtends wakker schreeuwde en je zo wijs en hooghartig kon aankijken, had, naar ik met droefenis vernam, de bewogen tijden niet overleefd. Ook de reusachtige witgetulbande Sikh met zijn omwonden haar, meer statussymbool dan onmisbaar regelaar van het in- en uitrijdend verkeer, was verdwenen; onder het zonnedakje bij de ingang scholen nu twee vaag geüniformeerde Indonesiërs die moesten verhinderen dat de betjas – dat zijn de door eenmanskracht voortgedreven fietstaxi’s, u weet wel – in hun bijna onstuitbare geldingsdrang zegevierend het domein van het hotel binnentrokken.
In de brede witte voorgalerij zag ik ze in gedachten nog bij hun bitter, hun païtje zitten, de eens zelfverzekerde tuans die niet konden dromen dat hun Indië eenmaal Indonesia Baru zou worden, nadat er eerst Japanse officieren, hun zwaard tussen de breed gespreide benen, saké hadden gedronken.
Achter de voorgalerij nog steeds de enorme, naar de tuinzijde open eetzaal waar eens de uitvoerigste rijsttafel van Java werd opgedist: een colonne van zo’n twintig hotelboys in keurig gesteven witte pakken-met-korte-omgeslagen-sarong, de hoofddoek onberispelijk gestrikt, droeg op naar boven gekeerde handpalm, als brachten zij een offer aan de goden, de schotels met rijst en saté, met ayam besengek en sayur lodeh en kepiting en krupuk udang en sambal hati aan waarmee een toch al welgevulde buik tevreden moest worden gesteld.

Fabricius – Een reis door het nieuwe Indonesië, 15-17

[Jakarta 4 – Des Indes] 

Het ontsluiten van mijn kamer in het halfdonker van het portaal leverde enige moeilijkheden op: rondom het sleutelgat bleek het hout van de deur zo uitgesleten dat de sleutel er zijn weg niet meer in vinden kon. 'Wah, susah, tuan!' werd dit vermakelijk incident afgedaan; ik lachte ook maar. En dan is het sleutelgat gevonden en kunnen wij binnentreden. Ik wil niet zien hoe onvoorstelbaar verwaarloosd en uitgewoond de kamer is met z’n kapotte vloertegels, z'n verveloze wanden; ik geniet van de gul verstrekte ruimte: misschien wel acht meter in het vierkant. Een voorgalerij met zitje, naar achteren een badkamer met authentieke mandibak, het onvervalste oud-Indische badkamerluchtje: mengsel van zeepgeur, vochtig uitgeslagen wanden en rottend hout, vergankelijkheid; naast de w.c. zelfs nog de fameuze met water gevulde flessen die de pas aangekomen totok, vergeefs op zoek naar een rol toiletpapier, altijd zo intrigeerden, tot hij op delicate wijze met het gebruik ervan werd ingewijd.
Een moderne douche is maar een armzalig Ersatz voor de gulle, heerlijk afkoelende waterval die je met behulp van de gayung, het op de mandibakrand geplaatste schepemmertje, over je heenstort, een wellustig genot waarmee je nauwelijks meer kunt ophouden. Onder voorwaarde dan wel dat het water helder is en niet van een geelbruine kleur die de verdenking bij je wekt dat het wel eens regelrecht uit de kali voor het hotel zou kunnen komen. Om de tuit van de kraan is een groezelig zakje geknoopt – heeft het als functie eventuele ongerechtigheden op te vangen?
Zoals ik al gauw zou merken waren vele goede zaken van eens voor altijd verdwenen, zoals de smetteloos blanke klambu, als een statiegordijn ter weerszijde opgehangen aan zilveren of hoornen haken. Mijn goede moeder, in 1895 als ‘handschoentje' op Java aangekomen en door mijn vader in triomf van de boot gehaald, vertelde mij in een vertrouwelijk ogenblik eens hoe zij deze uitnodigend geopende klambu, voor het eerst in haar leven door haar aanschouwd, als een feestelijke ingang tot haar bruidsbed had aangevoeld. Waar babu met liefhebbende hand zoetgeurende maagdelijk witte melati-bloemen op had gestrooid.
Het lichte, ijle omhulsel van het oud-Indische bed was hier vervangen door een zwartgazen kooi met hier en daar door roest veroorzaakte scheuren; je stapte er binnen als in een gevangeniscel. Op het nachtkastje nog de sapu lidi, de uit palmbladnerven samengebonden bezem, dodelijk wapen tegen de muskieten. Maar de guling – Dutch wife, zeiden de Engelsen, met schromelijke onderschatting van het temperament van de Nederlandse vrouw, tegen dit harde rolkussen dat je ter verkoeling tussen de dijen klemde en liefdevol omhelsde – de guling was, althans in dit hotel, afgeschaft en bood de reiziger dus geen troost meer in nachtelijke verlatenheid.

Fabricius – Een reis door het nieuwe Indonesië, 17-18

[Jakarta 6 – Concordia] 
[Jakarta 7 – Monas] 

Eerst langs het vroegere Koningsplein, nu Merdekaplein, immense grasvlakte met in het midden de Vrijheidszuil, door een jeugdige, sceptisch geworden Indonesische intelligentsia oneerbiedig in Sukarno’s Last Erection omgedoopt; de puur gouden vlam die eruit oplaait moet de jonge staat een klein vermogen hebben gekost.
De grote erven langs de weg moesten worden ingekrompen om ruimte voor het verkeer vrij te maken; ik mis de oude bomen, die aan de witte huizen erachter een zo statige allure gaven.
In het voorbijrijden kijk ik of het geasfalteerde fietspad rondom het plein er nog is waar ik mijzelf als twaalfjarige jongen nog zie jakkeren, over het stuur heenhangend als een beroepsrenner, op weg naar huis van de sociëteit Concordia waar we op de marmeren dansvloer onze wekelijkse rolschaatsavond hadden; ik zie de nachtvlinders dwarrelen in het felle licht van mijn carbidlantaren; als ik de ogen even sluit hoor ik het zoemen van de snel rondwentelende wielspaken – o, droom van een verleden dat nu, na meer dan een halve eeuw, door geen wolkje meer overschaduwd lijkt: zorgeloze kindertijd vol puur levensgenot.
Bij de Pasar Gambir, Jakarta's vermaakcentrum aan de zuidelijke hoek van het plein, beginnen de grote invalswegen, die zich naar de binnenstad toe verengen, om nog wat verderop geheel te verzanden in voor het verkeer veel te nauw geworden straten en lanen.

Fabricius – Een reis door het nieuwe Indonesië, 25-26

[Jakarta 3 – Tiong Hoa] 

De Oude Stad. Het Glodokplein, waar nog altijd het Chinese restaurant Thiong Hwa stond, dat met z'n balkon aan de voorzijde uitkijkt op het straatgewoel beneden. Toen ik een jongen was, gingen wij, mijn vriendjes en ik, er al bami eten wanneer we verhit van de fietstocht terugkwamen van ‘Petit Trouville', waar we in zee gestoeid hadden en waterpolo gespeeld, door een stalen net beschermd tegen de haaien en wat daar verder nog aan onvriendelijks mag rondzwemmen. In de Bersiaptijd was het de toevlucht van de buitenlandse journalistenbent die in Thiong Hwa z'n ‘bananengeld' verteerde: een paar duizend vrijwel waardeloos geworden Japanse bezettings-rupiahs. Onder de arkaden aan de overkant zitten de vruchtenverkopers die, als vroeger, verleidelijk hun mangga's en rambutans, duku's, sawo's ophouden, maar er wel héél andere prijzen voor bedingen dan in die goeie ouwe tijd van tempo dulu, toen je voor een volle kam prachtige goudgele pisang raja nog een dubbeltje betaalde...
De oude Hollandse gracht, die er aan grenst, is een kwalijk riekende, blauwzwarte poel. Ik hoor dat Sadikin, de populaire gouverneur van Jakarta, die al veel verbeteringen op zijn naam heeft staan, ook aan deze ellende wat zal doen. Het is te hopen, al wil ik wel aannemen dat de hier krioelende massa langzamerhand immuun is geworden voor de giftige dampen die er uit opstijgen.

Fabricius – Een reis door het nieuwe Indonesië, 26

[Jakarta 2 – Jan Pietersz. Coen] 

Er bestaan plannen om het oude Raadhuisplein voor alle rijverkeer af te sluiten, er een soort openluchtmuseum van te maken. De historische gebouwen, die het omsluiten, zullen gerestaureerd worden, zijn intussen meen ik al gedeeltelijk gerestaureerd, en in het stadhuis kan men weer de geschilderde portretten van Nederlands-Indische gouverneurs-generaal tot in de Compagniestijd toe bewonderen, met Jan Pietersz. Coen aan het hoofd. Die àndere hardhandige seigneur, Herman Willem Daendels, zal ook wel een ereplaats hebben gekregen. Een daad van piëteit tegenover het glorierijke koloniale tijdperk die onze links-progressieve jongeren, nog rood van verontwaardiging over ons imperialistisch verleden, wel met verbijstering moet slaan. Maar de revolutie is voorbij en gewonnen; men kan nu weer wat milder over dat verleden gaan denken, men is trots op ‘zijn’ gouverneurs-generaal; hoe strakker die de teugels aantrok, hoe groter achteraf het ontzag – de historie heeft haar eigen moraal. Terwijl in het goede vaderland het standbeeld voor de Atjeh-generaal Van Heutsz het hard moet ontgelden, zijn de Atjehers naar ik hoor bezig het ereveld van de eens gevreesde en gehate tegenstander van onkruid te zuiveren.

Fabricius – Een reis door het nieuwe Indonesië, 78

[Malang - straat]

Ik weet nog wèl hoe heerlijk het klimaat van Malang mij na de gloeihitte van Batavia aandeed toen ik er als jongen eens logeerde. Verder was er een lange steile straat, die ik met twee vriendjes om het hardst af fietste. We bereikten een duizelingwekkende vaart en we hebben ons, vreemd genoeg, geen van drieën te pletter gereden. Dat zijn zo de dingen die je je na meer dan een halve eeuw nog scherp herinnert. Toch heimelijk wat in angst gezeten terwijl ik racete om het eerst beneden te komen?

Fabricius – Een reis door het nieuwe Indonesië, 81-82

[Yogya 1 – Kraton] 

De kraton van Jogja, eens een stad-binnen-de-stad, veilige burcht van het – zeer – uitgebreide gezin en de hofhouding van Hamengku Buwono, Hij Die Het Heelal In Zijn Schoot Draagt, van honderd beambten en persoonlijke dienaren, van stijlvolle tafelschuimers met vage functies, ligt er nu zo goed als verlaten bij. Voor de oorlog was het er een hele bedrijvigheid van heen en weer lopende hovelingen; in zijkamertjes zaten klerken met onder het lijf gekruiste benen op hun matje omslachtig schrijfwerk te verrichten, kronieken bij te houden, rekeningen na te cijferen met een mild oog voor corruptie. Lagere dienaren, de glanzende kuluk op het hoofd, het lange haar in een wrong, achter de hoofddoek opgebonden, veegden de van zonlicht trillende hoven aan en besproeiden ze met over de schouder gedragen gieters, of kropen over de spiegelglad gewreven marmervloer van de grote ontvangst-pendopo om er het laatste stofje weg te wissen. Vrouwen die In de kraton dienst hadden, ontdeden zich bij de poort van hun baju: de adat schreef voor dat zij zich slechts met onverhulde schouders in deze verheven wereld mochten vertonen. Een enkele maal schreed zonder haast een pangeran of een andere decoratieve figuur van hoge adel voorbij, een gevolg van vier dragers van zijn waardigheidssymbolen op zijn hielen. Een duizendkoppige kratonbevolking teerde op de beurs van de Javaanse vorsten die, ondanks rijke inkomsten uit de hun erfelijk behorende landerijen en de verder nog binnenstromende belastingen, aan chronisch geldgebrek leden. Tal van familieleden hielden er nog weer een eigen kleine hofhouding op na. Vrouwen, bijvrouwen, zonen, ooms en neven en dáár weer de vrouwen en bijvrouwen van. Dochters, tantes, een niet meer te tellen kinderschaar die stuk voor stuk nog wel enkele druppels vorstelijk bloed in hun aderen hadden. Wie was het die eens zei: ‘Onze Koningin zal nooit haar eigen koloniale rijk in het Verre Oosten kunnen bezoeken, omdat de sultans, in hun verlangen om Sri Baginda Wilhelmina waardig te ontvangen, zich eens en voorgoed zullen ruïneren'?

Fabricius – Een reis door het nieuwe Indonesië, 91

[Yogya 1 – Pagelaran] 

Wat ik bij het binnentreden van de Jogjase kraton het eerste mis is de prajuritan, de schilderachtige lijfwacht van de Sultan, gewapend met kris en lans en grotendeels gerecruteerd uit grijsaards. Gevechtswaarde twijfelachtig, om het zwak uit te drukken, maar het ging immers om de eer, de hormat? De laatste keer dat ik die dapperen zag, verdwenen ze met houterige oudemannenpasjes achter een kelir, een tegen kwade geesten opgesteld, met draken geornamenteerd stenen scherm in een der kratonpoorten; het oudje dat de rij sloot, sleepte een lange lans achter zich over de grond: hij was moe, moe. Symbolisch afscheid voor altijd!

Fabricius – Een reis door het nieuwe Indonesië, 91-93

[Yogya 1 – Gamelan] 

Toch nog een enkel restant: het dagelijks oefenen met 's Sultans gamelan, in stand gehouden voor feestelijke gelegenheden. De bespelers ervan brengen bij het neerzitten warempel nog de sembah voor de oude eerbiedwaardige instrumenten, waarvan vele in de loop der tijden eigennamen en titels hebben gekregen: Kiai Zo en Kiai Zus; de beroemdste ervan stonden dan ook al een of twee eeuwen onder ditzelfde pendopo-dak.
Terwijl de gamelan dus oefende – o, die huivering van de Gong Agung, de Grote Gong, waarbij het je koud over de rug loopt – legde zo’n in de kratondienst vergrijsd mannetje – ja hoor, met de kris nog achter in de gordel – ons in een alleen maar voor hemzelf verstaanbaar Engels uit dat de gekooide haan van de Sultan – ook een Kiai, wat dacht u? – bij droeve voorvallen als ziekte en dood in de vorstelijke familie echte tranen stortte. Hij had reden om te treuren, al zou het maar zijn om de dood van de kraton zelf.
Intussen is hij, hoor ik, zelf ter ziele – wie heeft er om hem geschreid?

Fabricius – Een reis door het nieuwe Indonesië, 93-94

[Bernet Kempers] 

In het Ambarrukmo-hotel, de trots van midden-Java, liep ik tegen Bert Garthoff aan, naar Indonesia gekomen met een VARA-team dat onder adviserende leiding van de archeoloog prof. Bernet Kempers de Borobudur verfilmt. U weet natuurlijk van het internationale plan om de wereldberoemde tempel – die overigens geen tempel is maar een stupa: een boeddhistisch monument – voor algehele ondergang te bewaren. Een lofwaardig doel: in een wereld die aan domme vernietiging bloot staat een brok stenen schoonheid te redden.
De populaire man van [het radioprogramma op] onze vroege zondagmorgens was, zoals ik, blij-opgewonden over dit weerzien met zijn geboorteland. 'Voor het eerst in mijn leven voel ik me vrij tegenover deze mensen,' zei hij tegen me. Zijn bedoeling was duidelijk: hij heeft het in zijn jongere jaren in het voormalige Nederlands-Indië slecht kunnen verdragen om bij de gratie van zijn Nederlanderschap en zijn blanke huid tot de heersende en sociaal bevoorrechte klasse te behoren. Ik ken en respecteer zulke gevoelens, maar ze geestdriftig delen kan ik toch niet; ik raak als blanke een zeker onbehagen niet kwijt. Want al is de koloniale verhouding nu opgeheven ... zijn wij niet nog altijd afgrijselijk rijk in de ogen van dit doodarme, voortdurend aan de grens van de honger levende, economisch geheel van het Westen afhankelijk volk? Kunnen Javanen, op een enkele hoge uitzondering na, zichzelf dit hotel veroorloven? Zijn zij nu werkelijk 'baas in eigen huis'?

Fabricius – Een reis door het nieuwe Indonesië, 94-96

[Borobudur 0 – Galerij] 
[Borobudur 0 – Mijmeren] 
[Borobudur 5 – Markt] 

Ons groepje maakte een tocht naar de Borobudur, die – een machtig bouwwerk van zo'n honderd meter in het vierkant – midden uit het landschap oprijst, aanvankelijk nog als een rij panelen in de omlijsting van de grijze hoge stammen van een laan kenaribomen. Op de zonovergoten, gloeiend hete terrassen waren een paar VARA-belanda's bezig in het zweet huns aanschijns de bemoste en met steenpokken overdekte reliëfs te filmen. In de schaduw beneden zaten de eigenaars van souvenir-winkeltjes – ‘authentieke', groen uitgeslagen bronzen Boeddha-beeldjes – bij een glaasje koele air jeruk toe te zien hoe de tuans daarboven hun best deden. Weer net als vroeger, zullen de ouderen gedacht hebben. 'Wat zijn ze toch pienter en wat sloven ze zich uit!'
Want een ongeluk hebben wij Nederlanders ons wél gewerkt daar in de tropen, wat verontwaardigde jongeren van nu in het goede vaderland ook mogen denken en beweren. En wij hadden in die zo scherp veroordeelde tijd na gedane arbeid ook nog niet de troost van een airconditioned Ambarrukmo-hotel, de verrukking van een duik in het luxueuze zwembad. En Jogja, met zijn lichtere lucht en nog betrekkelijk koel klimaat, was ook nog weer iets anders dan de benauwde bloedhete Bataviase benedenstad waar zich het zakenleven concentreerde.
Wie de trappen van de Borobudur beklimt ende ommegang maakt langs de scheefgezakte terrassen, vraagt zich bezorgd af hoeveel er van de duizend jaar lang aan weer en wind blootgestelde reliëfs nog te redden zal blijken. Van vele is nauwelijks meer te zien wat ze voorstellen. De gelovige boeddhist die nu aan de hand van die reliëfs de levensgang van zijn verheven Meester probeerde te volgen, zou moeite hebben de bladzijden van dit stenen boek te lezen, dat verhaalt hoe de rijke vorstenzoon Siddhárta het weelderige paleisleven vaarwel zegt en, de aardse verleidingen de een na de ander overwinnend, tenslotte tot het Hogere Inzicht komt en de rust en geluk schenkende staat van het Nirwana bereikt.
Van de mijmerend over het land turende Boeddha-beelden is nog slechts een klein gedeelte in het bezit van een hoofd. Kwade tongen beweren dat de oudheidkundigen die tijdens het Engelse tussenbestuur op gezag van gouverneur Sir Thomas Stamford Raffles de toen geheel overgroeide stoepa weer blootlegden, als souvenir een Boeddha-kop hebben meegenomen. Zo'n beeld was in zijn geheel wat moeilijk te vervoeren, aan welke omstandigheid de wereld het te danken heeft dat tenminste de sobere naakte rompen, de in devote silo-houding gekruiste benen van al deze onthoofde Boeddha's behouden bleven, waarvan zelfs nu nog een zo verheven rust en wijding uitgaat.
Blanken hebben zich barbaarse koppensnellers getoond. Maar blanken hebben Java ook een groot boeddhistisch kunstwerk teruggeschonken, waarvoor de moslim geworden Javaan geen belangstelling meer had. Blanken willen, deze keer met de allerzuiverste bedoelingen, miljoenen bijeenbrengen om daarmee een onvoorstelbaar moeilijk restauratiewerk aan een uniek monument te verrichten. En de Javanen zullen ons erom prijzen, voor zover ze er nota van nemen.
De Revolutie heeft zich ingespannen om het Indonesische volk bewust te maken van zijn groot cultureel verleden, maar tegelijkertijd – zoals in Jogja en Solo – de levensstijl vernietigd die zichtbaar uitdrukking gaf aan die oude cultuur.

Fabricius – Een reis door het nieuwe Indonesië, 105

[Bandung – Homann]

We worden in 'Savoy Homann' ondergebracht – als 'moeder Homann' had kunnen weten was voor een groots opgezet hotel-paleis er eenmaal uit haar bescheiden logement zou groeien! Stijl Nederland 1920. In de enorme eetzaal met zijn verdiept middengedeelte en een podium voor het diner-dansant-strijkje herinnert een over de hele breedte aangebrachte wandschildering van een besneeuwde stad aan de dagen dat er gasten kwamen met een brok heimwee naar een Hollandse winter. De schilder heeft met sneeuw dan ook niet gespaard: het ligt er een vuistdik op en uit de hemel komen nog meer dichte vlokken omlaaggedwarreld; het lijkt St. Petersburg aan de Newa wel. De manager, die bezorgd komt informeren of de rijsttafel ons wel smaakt – dank u, voortreffelijk – verzekert ons dat de dames wel eens in hun uit de mottenkist gehaalde bontjassen verschenen. Of de kachels dan meteen ook maar werden aangestoken, kon hij zich niet herinneren.

Fabricius – Een reis door het nieuwe Indonesië, 108

[Bandung – Regent]

In Bandung had ik een paar Indonesische kennissen bezocht. Een ervan, mevrouw Sadikin – geen familie, voor zover ik weet, van de bekende gouverneur van Jakarta – stamt uit het regentengeslacht van Tjianjur, waar wij met de bus langs komen. Haar moeder was als klein meisje door de ouders toegezegd aan de regent van Bandung, de Wiranata Kusuma waarover ik al eerder sprak, maar had kort voor de feitelijke voltrekking van het huwelijk scheiding aangevraagd toen zij in de Bandungse kabupáten de kinderschaar zag die haar echtgenoot in afwachting van de komst van zijn huwbaar geworden Tjianjurse bruid bij zijn bijvrouwen had verwekt. In vroeger dagen zou een meisje deze staat van zaken als een natuurlijke zaak aanvaard hebben, maar de twintigste eeuw liet zijn licht toen ook al op Java schijnen: zij nàm het niet en wist, na veel tranen, haar vrijheid te herkrijgen. Ik vertelde haar over een andere gescheiden vrouw van de regent, de opgewekte Sundanese die ik in 1935 op de autotocht met pangèran Ngabéhi naar Paras had ontmoet. 'Tante Okje!' werd er als uit een mond geroepen.

Fabricius – Een reis door het nieuwe Indonesië, 113-114

[Bogor – Paleis] 

In het park vóór de tuin ligt breeduit het witte paleis waar eens onze gouverneurs-generaal troonden; de laatste keer dat ik hier was wapperde de Nederlandse vlag – nou ja, wapperen doet een vlag nauwelijks in de stilte van dit tropische land en er was toen ook al niet veel reden meer toe – laat ik dus maar liever zeggen: hing ons rood-wit-blauw nog langs de hoge vlaggestok neer. Sukarno heeft later triomfantelijk de zetel van onze Nederlandsindische regering betrokken en de wens uitgesproken eenmaal begraven te zullen worden onder de grote waringin in het park waarachter men, van de weg af, het paleis ziet oprijzen en waar nu vredig een hertje graast. Men heeft hem die eer niet waardig gekeurd, maar ik zie de dag komen dat Bungs stoffelijke resten uit zijn geboortestad Blitar – nu al een bedevaartsoord voor de hem trouw geblevenen – zullen worden overgebracht naar de plaats waar hij de eeuwige slaap had gehoopt te mogen ingaan. Eenmaal zal hij voor de dan aan de macht zijnde regering geen gevaar meer betekenen en de droom van Bung Karno, tegen het eind van zijn leven zo wreed verstoord na eerst grotendeels in vervulling te zijn gegaan, zal zijn voleinding hebben gevonden.