Uiterst links, journalistiek werk 1887-1896 – De Engelbewaarder, Amsterdam 1980

Cohen – Uiterst links, 60-63

[Jakarta 9 – Subsistentenkader] 

Ik zal nu voortgaan de misdadige circulaire verder te behandelen. ‘Wijders heeft men nog de militaire schrijvers’ zegt het vod. Wat betreft de ‘alleszins voordeelige’ (?) voorwaarden (dat is immers de veelbelovende term?) ‘on sait à quoi s’en tenir? Reeds zijn zéér veel soldaten-schrijvers in patria terug, die zich door deze z.g.n. voordeelige voorwaarden hadden laten verlokken ’n engagement bij het N.I. leger aan te gaan, en, dank zij de omstandigheid, dat op hen niet alle straffen bij het leger in gebruik, van toepassing waren, zich zoo spoedig mogelijk aan de goede behandeling, die hun ten deel viel, hebben onttrokken, hoewel daarmede ’n geldelijk verlies van f 300 gepaard ging. Geen van hen zal dan ook ooit, ’n ander aansporen, om ook op zijn beurt te genieten van de ‘voordelige voorwaarden’ et pour cause.
‘En wil men nu weten wat het lot is van hen, die Indisch militair worden?’(Ik meen dit reeds aangetoond te hebben, maar laat ons eens hooren wat het bedrieglijke geestesproduct van ik weet niet welk genie er van zegt.)
Luister:
1º. ‘Een over ’t algemeen goede huisvesting waarin voortdurend nog verbetering gebracht wordt’.
Stelt u voor, ’n lange barak of stal, zooals daar zijn met ’n gestampten aarden vloer en gedekt met atap ( de gedroogde bladeren van ’n waterpalm, het woord atap beteekent eigenlijk dakbedekking), de wanden der barak zijn geheel van gevlochten bamboes, zoo ook de vensters en deuren. Het spreekt van zelf dat deze zéér primitieve constructie ook zéér gebrekkig is en den bewoners niet veel beschutting aanbiedt, hetgeen, vooral in de z.g.n. ‘kwade’ of regenmoesson, verre van aangenaam is. Het dak verleent dan meermalen vrijen toegang aan het hemelwater, dat op den grond vallend, ’n soort slijkplas vormt, waarin de soldaten gedoemd zijn, den geheelen dag rond te baggeren. Karakteriseerend is het evenwel, dat, in garnizoenen, waar de militairen in dergelijke stallen zijn gehuisvest, en er zijn vele zulke garnizoenen, men steeds een bijzondere zorg draagt voor de arrestantenkamers of, zooals de soldatenterm luidt: ‘kasten’, die altijd steviger geconstrueerd zijn en met pannen gedekt.
Het nachtleger der soldaten bestaat uit ’n ijzeren krib, ’n stroozak, hoofdkussen en sprei, voilá tout. Beddelakens zijn terra incognita. De kribben staan in de meeste gevallen twee aan twee tegen elkander aan met ’n open ruimte tusschen elke twee kribben. Hieruit volgt dat twee nachtlegers als het ware één vormen, en de beide bezitters er van, vlak naast elkander de nachtrust genieten, indien ze ten minste niet gescheiden zijn door één of twee ‘concubines’. Dikwijls verheugt zich slechts één der beide slaapmakkers in ’t bezit van ‘n ‘meid’ of ‘huishoudster’ zooals de officiëelen titel luidt, maar aangezien deze alleenheerschappij alleen in naam bestaat, kan de pseudo-huishoudster het meestal zeer goed vinden met den buurman van haar echtvriend, vooral wanneer deze laatste zich reeds in Morpheus’ armen bevindt, en maakt ze er ook volstrekt geen gewetensbezwaar van, om op de sponde van haren heer en meester de liefkozingen van ’n ander te ontvangen. Dat dit alles niet bijdraagt, om de zedelijkheid te bevorderen, spreekt vanzelf, en tevens dat dergelijke toestanden ondenkbaar en onbestaanbaar zouden zijn, bij ’n waarlijk ‘goede huisvesting’. Voor den on-ingewijde dient hier aangemerkt, dat de bedden niet van gordijnen voorzien zijn, en dus aan ieder vergunnen er zijn blikken in te werpen. De huisvesting is dus alles behalve goed, zooals ik ook wilde aantonen.
2º. ‘Voldoende voeding en kleding. Uitmuntende verpleging ingeval van ziekte’.
De voeding is niet voldoende, maar integendeel over het algemeen slecht. De soldaat ontvangt des morgens tot ontbijt twee hectogram brood en vier decagram koffie, of, juister gesproken, heet dit ontvangen. Op ’n paar gunstige uitzonderingen na, is de hoedanigheid van he brood slecht, het is meestal zuur en dikwijls oneetbaar. De meeste militairen eten het dan ook niet; velen verruilen het voor rijst, anderen verkoopen het en brengen het daarvoor ontvangen geld in de cantine, en ontnuchteren zich daar met ‘n ‘dikkop’, nota bene ’s morgens vroeg om half zes. De koffie is gewoonlijk ellendig, en kwade tongen beweren, dat van de vier decagram koffie, er ongeveer drie hunne bestemming niet bereiken. Qui en sabe? Om tien uur is het ‘soepeten’: de dan verstrekte spijs bestaat uit soep, rijst en sambal, welke laatste is samengesteld uit gebraden, met vleesch enz. toebereide Spaansche peper. In de meeste gevallen is de soep slecht, dun en waterig, en het daarin zich bevindend stuk vleesch microscopisch klein en taai. Dit brouwsel, dat met den weidschen naam van ‘soep’ betiteld wordt, heeft gewoonlijk een blauwachtige tint en door de soldaten wordt het dan ook aangeduid als ‘blauwe broeken-water’. De rijst is, daar er weinig aan te bederven valt, wel eens eetbaar, indien ze ten minste niet slecht ‘gestoomd’ is, waardoor ze klonterig en kleverig wordt. De quantiteit laat evenwel bijna altijd veel te wenschen over, hoewel de verstrekte hoeveelheid per dag vijf en een half hectogram bedraagt, en dus ruimschoots voldoende zoude zijn, indien niet op de rijst hetzelfde van toepassing was, wat ik zooeven van de koffie zeide. Om half vier wordt het middagmaal uitgereikt, alweder bestaande uit rijst en sambal, en ’n mengsel, sajor of kerrie genaamd.
Goed toebereid is rijst met sajor en sambal ’n waarlijk heerlijk eten, maar de toebereiding der spijzen laat in de kazernes véél, bijna alles te wenschen over. Het is waarlijk voor een leek erbarmelijk om te zien, dat ellendige ‘potje’, zooals de soldaat ironisch z'n eetketel noemt. Dikwijls slaat u, als ge ’t open maakt, ’n bepaald akelige lucht tegemoet, en zoudt ge, als vreemdeling in Jerusalem, vragen, zooals ook dikwijls door nieuwelingen gevraagd wordt: ‘wat is dat voor vuil water, (sommigen zeggen zwijnerij) daar in dat onderblik, dat er zoo groen uitziet en zo akelig ruikt?’ ‘Maar, ongelukkige! Dat is sajor, de toespijs bij de rijst’. ‘En dat’, gaat de vrager voort, ‘dat bruine verschrompelde stukje goed daar, wat is dat?’ ’Dat is vleesch’, krijgt hij ten antwoord, en dit antwoord is niet zeer geschikt om hem aan te moedigen z’n gebit op dat vleesch te beproeven. Om waar te zijn, moet ik hierbij toevoegen, dat zich op rijst ook wel eens ’n stukje zoute visch bevindt van één centimeter dik ongeveer, en ’n rijksdaalder groot, welk zeebanket gewoonlijk stinkt en niet in den smaak valt, maar aangezien het goedkoop is, en de menagemeester toch ook leven moet, den soldaten als extra-versnapering (door hen zelve betaald) wordt voorgezet. Ook krijgen ze van tijd tot tijd ’n ei of iets anders, naar gelang der omstandigheden, maar meestal niets. Zoals ik reeds zeide, zijn er enkele uitzonderingen op den regel van ‘slechte voeding’ en verdient daarvoor zeker het Subsistenten-kader te Batavia allen lof. Het eten is dáár, of was het ten minste in den jaren 1882-1886, uitstekend te noemen, waardoor het scherpe contrast met andere garnizoenen des te meer in het oog valt, waar het eten bepaald ‘zeer slecht’ is.