Meulenhoff, Amsterdam 1992

Kousbroek – Oostindisch kampsyndroom, 167-171

[Jakarta 9 – Tjipto] 

Vrijwel onopgemerkt is vorige week in Den Haag op tweeëntachtigjarige leeftijd Chalid Salim overleden. In de meeste kranten heeft voor zover ik weet geen overlijdensbericht van hem gestaan, misschien omdat de aandacht werd opgeëist door het overlijden van [de secretaris-generaal van de Communistische Partij van de Sovjet-Unie] Tsjernenko op dezelfde dag – 10 maart 1985.
Salim werd geboren op 24 november 1902, op een eiland in de Riouw-archipel. Daar was zijn vader Indonesisch officier van justitie. Hij bezocht een Europese lagere school in Weltevreden, waar zijn vader zich na zijn pensionering had gevestigd en lid van de Landraad werd, daarna volgde hij een middelbare-schoolopleiding in Weltevreden en Padang. Op z’n vierentwintigste werd hij in Medan (Sumatra’s oostkust) wegens nationalistische activiteiten gearresteerd en de volgende vijftien jaar, van z’n vijfentwintigste tot z’n eenenveertigste, bracht hij door in een Nederlands interneringskamp.
Over deze internering schreef hij een boek, getiteld Vijftien jaar Boven-Digoel; het verscheen in 1973 en het is bij mijn weten het enige Nederlandse boek waarin de geschiedenis van dit kamp uitvoerig wordt beschreven. En zelfs dit feit is nog te danken aan een zeker toeval (om het maar zo te noemen): toen het kamp in 1943 bij de nadering der Japanners werd overgebracht naar Australië en ten slotte opgeheven, was Salims gezondheid zo ondermijnd door zwart-water-koorts en chronische malaria dat hem geadviseerd werd in Europa te gaan wonen en niet naar Indonesië terug te keren. Hij vestigde zich in Nederland, waar hij jarenlang gewerkt heeft aan de Indonesische ambassade. Als zijn gezondheid hem had veroorloofd naar Indonesië terug te gaan, zou het boek vermoedelijk nooit zijn geschreven.
Ik heb Vijftien jaar Boven-Digoel meermalen herlezen, het is geen meesterwerk, maar het ontroert mij iedere keer opnieuw omdat zoveel in de beschrijving mij aan de Japanse internering herinnert. Het is waar dat de Nederlanders een geïnterneerde betere voeding en medische verzorging gaven dan de Japanners, maar in veel andere opzichten is de analogie beangstigend. Wat mij daarbij het meest van streek maakt is het door Salim meermalen beschreven feit dat de Indonesische geïnterneerden, vooral degenen die een Nederlandse opleiding hadden genoten, maar niet konden geloven dat Nederlanders tot zoiets in staat waren.
Zoals wij het zelf ook niet kunnen geloven. Salim beschrijft hoe hij dat telkens weer te horen kreeg toen hij in Nederland kwam wonen: ‘Dat kan niet waar zijn, zoiets doen wij Nederlanders niet.’

Maar helaas, wij Nederlanders deden het wel: gevangenen afranselen, in tropische hitte laten zitten zonder water, opgesloten in kooien vervoeren in de ruimen van schepen door wateren die vol zaten met mijnen en vijandelijke onderzeeërs, zogenaamd ‘op de vlucht neerschieten’ en wat dies meer zij. In tegenstelling tot de Japanners hadden wij daarbij de gewoonte om de geïnterneerden wanneer zij op transport werden gesteld, aan elkaar te boeien. Zo werd het zelfs beschreven door een vrouwelijke geïnterneerde, mevrouw Soekaesih: ‘In april 1928 (haast anderhalf jaar na mijn arrestatie) werd ik te Priok aan boord gebracht van de gouvernementsstomer Rumphius. Er waren 800 bannelingen aan boord, allen mannen, ok was de enige vrouw ... Wij werden vijf aan vijf met kettingen aan elkaar geklonken. Tijdens het eten werd één hand vrijgemaakt. Liggen konden we niet voor negen uur ’s avonds.’

  ILW Jakarta 9 Senen Kebon Sirih Oostindisch kampsyndroom 1[Het Indische Leven, 9. 971]

Salim overkwam dat al na zijn arrestatie, in de gevangenis: ‘Op een morgen werd ik door een cipier opgehaald om mij in een badkamer te kunnen mandiën. Op weg erheen passeerden wij een grote getraliede zaal, waarin vele politieke gevangenen waren ondergebracht. Zij begroetten mij allen luidkeels, waarop ik niet kon nalaten hen vriendelijk terug te groeten. Dit werd als een ernstig disciplinair vergrijp van mij beschouwd. In plaats van mij toen te kunnen baden moest ik onmiddellijk naar mijn cel terugkeren. Hier kwam kort daarna een andere gevangenbewaarder mij zeggen dat de gevangenisdirectie mij voor “mijn vergrijp” ernstig wilde straffen en dat ik daarom acht dagen op droge rijst was gezet. Bovendien werd ik in mijn cel “aan de ketting” gelegd, wat inhield dat mijn linker pols en rechterenkel werden geboeid en met een ijzeren ketting werden verbonden.’
Later tijdens het transport naar Digoel, worden ook zij vijf aan vijf aan elkaar geboeid, maar dan nemen de zaken een onverwachte keer: ‘Indien dan een onzer zijn behoefte moest doen, waren de andere vier verplicht deze noodzakelijke gebeurtenis bij te wonen, terwijl bovendien een soldaat toezicht op het geheel hield. Nog altijd heb ik, als herinnering aan dit trieste evenement, aan mijn linker pols een litteken als restant van de verwonding van een der stalen boeien. ’s Nachts wist een van ons, namelijk de jonge Sumatraan Idries Siregar, met een loper het slot van zijn boeien open te krijgen. Wij gaven hierna heimelijk de sleutel aan elkaar door. Toen de laatste man zijn boeien ontsloten had renden wij allen naar de verschansing en wierpen de kettingen en boeien in zee, tot grote ontsteltenis van de militaire wacht, die dreigend naar ons toe rende. De dienstdoende officier kon vervolgens niet veel meer doen dan ons uit te schelden en de wacht te verscherpen.’
Bij het lezen van deze en dergelijke beschrijving was ook mijn eerste reactie ongeloof: Konden zulke dingen gebeuren met mensen die volkomen Nederlands waren opgevoed? Ook Salim kwam, net als veel andere Indonesische nationalisten, voort uit een gezin waar Nederlands werd gesproken, waar de meesten middelbaar en sommigen hoger onderwijs hadden genoten. Salim beschrijft Hatta en vooral Sjahrir, die ook op Digoel geïnterneerd zijn geweest, als ‘sterk Hollandofiel’. In het dagboek van Sjahrir is ook te zien hoe zijn wereld, het beeld dat hij zich van de Nederlandse rechtsstaat had gemaakt, ineenstort wanneer hij bericht krijgt dat hij naar Digoel zal worden gedeporteerd. Het hopeloze van deze tragedie werd als volgt samengevat door D.M.G. Koch: ‘Het was het noodlot van het Nederlands bewind over Indonesië, dat het zich in toenemende mate de nobelste geesten onder de inheemse bevolking tot vijand maakte, doordat het in uiterst geborneerde zekerheid tot het laatst toe de eigen, geüsurpeerde rechten op exploitatie en overheersing primair bleef stellen. Het was blind voor het onrecht dat het deed, voor het onheil dat het aanrichtte en voor het getal en leed der slachtoffers die het maakte, collectief en individueel. Een der sterkst sprekende voorbeelden van hetgeen politieke tegenstanders door het Nederlandse koloniale regime werd aangedaan was de levensgang van dr. Tjipto Mangoenkoesoemo, die bijna twintig van de beste jaren van zijn 57-jarig leven in verbanning gehouden werd en er ten slotte aan bezweek.’
Wat hadden zij dan wel gedaan? (Zoals een Nederlandse dame tegen Salim zei: ‘Nou meneer Salim, als dat waar is zult u het er wel naar gemaakt hebben.’)
Het feit is dat zulke bannelingen niet meer dan nationalistische publikaties en lidmaatschap van de onafhankelijkheid nastrevende bewegingen ten laste kon worden gelegd. Deelnemers aan daadwerkelijk gewapende opstanden werden berecht en opgesloten in de strafgevangenis. Een van de meest ondermijnende onderdelen van de internering, iets dat ook Salim herhaaldelijk tot wanhoop bracht, was de volstrekte onbepaaldheid van de duur ervan. Er was geen veroordeling, geen vonnis, geen termijn waarvan het eind tegemoet kon worden gezien. Als de oorlog er niet tussen was gekomen zou ook Salim ten slotte misschien in Digoel zijn gestorven aan malaria.
In hoeveel gevallen is dat zo gebeurd? Het merkwaardige is dat ik nooit, in geen enkele publikatie, nauwkeuriger gegevens heb kunnen vinden over de sterfte of het totale aantal sterfgevallen in de eerste jaren van Digoel. Zijn die soms geheim? Ook in de bibliotheek van het Instituut voor de Tropen heb ik er geen gegevens over kunnen vinden. Op grond van algemene indrukken heb ik het vermoeden dat deze cijfers niet veel gunstiger kunnen zijn geweest dan die van de Japanse burgerkampen. (Zie naschrift.)
Dat wat bij herlezing van Vijftien jaar Boven-Digoel steeds weer diepe indruk op mij maakt is de afwezigheid van haat of rancune. In vergelijking met gangbare literatuur over de Japanse kampen valt vooral het ontbreken van zelfbeklag op. En dat terwijl de Nederlandse regering Salim ook na zijn vestiging in Nederland bepaald stiefmoederlijk heeft behandeld.
Zo heeft hij jarenlang geprobeerd een schadeloosstelling te verkrijgen (zoals bijvoorbeeld door de Japanse regering wel aan de Nederlandse ex-geïnterneerden is betaald). Ten slotte werd hem in mei 1977 bericht dat afwijzend was beschikt maar dat hij bij zijn beëindigen van zijn werkzaamheden aan de Indonesische ambassade in aanmerking zou komen voor een uitkering van de algemene bijstandswet, ‘mits hij aan de bepalingen van die wet voldeed’.
Toen ik Salim in 1981 ontmoette was deze kwestie nog altijd niet geregeld; of het daarna in orde is gekomen weet ik niet. (1985)

Naschrift
1. Uit een (niet geplaatste) ingezonden brief aan NRC Handelsblad van D. van Tetterode, 27-3-1985: ‘Helaas is het gebleven bij de afwijzende beschikking van de Nederlandse regering op Salims verzoek om schadeloosstelling. Een groep Nederlanders, onder wie enkele kamerleden en hoogleraren, heeft in 1979 het Comité-I.M.F.Salim gevormd om te pogen in deze afwijzende beschikking nog verandering te brengen. Het comité zag in deze schadeloosstelling niet alleen een zekere “materiële compensatie”, maar tevens een erkenning van het onrecht Salim aangedaan, alsmede een mogelijkheid tot een vorm van eerherstel. Toen op officieel niveau geen resultaat geboekt werd heeft het comité langs particuliere weg door bijdragen van privé-personen en enkele kerkelijke instellingen een bedrag van 14.000 gulden bijeengebracht en de heer Salim als uitdrukking van door Nederlanders gevoelde “ereschuld” aangeboden.’
2. ‘Op mijn wenken bediend’.
Meer dan een jaar later verscheen een artikel getiteld ‘Interneringskamp Boven-Digoel, 1926-1943’ door L.A. Peperkorn-Van Donselaar (Leidschrift, Indonesia 1900-1958, mei 1986); in de inleiding tot dit nummer, van de hand van prof. C. Faseur, staat te lezen: ‘Vorig jaar beklaagde de bekende polemist Rudy Kousbroek zich in het NRC Handelsblad er nog over dat de geschiedenis van dit interneringskamp nu eens nodig moest worden opgetekend, waar ze al te lang verdonkeremaand leek. Hij wordt dus nu op zijn wenken bediend. Het zou wenselijk zijn als deze bijdrage nog eens tot een groter geheel wordt uitgewerkt, want over Boven-Digoel is het laatste woord nog niet gezegd.’
Uit het artikel citeer ik’. ‘In de handelingen van de Staten-Generaal van 7 mei 1931 vond ik een sterftecijfer van 129: 46 mannen, 75 vrouwen en kinderen en 8 vluchtelingen. Niet duidelijk is of de eerder genoemde 47 in het cijfer van 129 zijn verwerkt. (...) In ieder geval zijn de sterftecijfers tot en met 1930 geflatteerd omdat zij exclusief Tanah Tinggih zijn, dat sinds 1928 bestond. En juist daar was de situatie slecht.’
Het gemiddelde aantal inwoners in de twee kampen (geïnterneerden plus vrouwen en kinderen) schommelde in die periode rond de 1500. Percentsgewijze zijn deze cijfers dus van ongeveer dezelfde orde als die van de Japanse burgerkampen tijdens de oorlog. Na het rapport-Hillen (1930) verbeterden de omstandigheden en het aantal kampbewoners liep terug tot ongeveer 600.
3. Nog later dat jaar, op 8 november 1886, verscheen in het Zaterdagsbijvoegsel van NRC Handelsblad een artikel van een pagina, door J.C.A. Schokkenbroek en M.C. Wolters, onder de titel ‘Boven-Digoel: de Goelag van Öns Indië” ‘. Het ging vergezeld van enkele fragmenten uit het artikel van L.A. Peeperkorn. Deze publikatie werd beschreven als ‘een bewerking van een bronnenonderzoek onder leiding van prof. Dr. Mr. C. Faseur aan de Rijksuniversiteit te :Leiden’. Ook van dit onderzoek zelf heb ik inzage gehad.

Kousbroek – Oostindisch kampsyndroom, 198-201

[Jakarta 9 – Hatta] 

Het Nederlands-Indische gouvernement stuurde mensen als Sjahrir naar Boven-Digoel. Wat het voor Sjahrir betekende is te lezen in een passage die ogenschijnlijk over Hatta gaat. Het zijn Hatta’s reacties en gevoelens die worden ontleed en alleen een paar zinnetjes als: ‘Met mij is dit ook het geval’, en ‘Van mijzelf spreek ik hierbij maar niet’, laten vermoeden hoe hard de klap moet zijn aangekomen. De passage die ik bedoel werd geschreven op 7 maart 1938: ‘Er was een tijd, dat Hafil (=Hatta) niet geloofde dat hij ooit verbannen zou kunnen worden en van Digoel zal hij wel nooit hebben gedroomd. Met de andere jongens van onze partij, die nu in Digoel zitten, is dat nog in ergere mate het geval. De meesten van hen begrijpen nu nog steeds niet hoe het mogelijk is dat zij voor wat zij gedaan hebben of niet gedaan hebben voor zó staatsgevaarlijk worden gehouden dat zij nu samen moeten leven met mensen die daadwerkelijk naar de wapens hebben gegrepen en ook gestreefd hebben naar de directe staatsgreep, terwijl onze jongens zelfs nooit een moment aan de mogelijkheid hebben gedacht.
Voor Hafil was het werkelijk een openbaring. Hij heeft er meer van geleerd dan hij al die jaren van “politiek leven” in Europa heeft kunnen doen.(...)
Vroeger was hij een non-coöperator, die in zijn hart toch in veel opzichten vertrouwen in de koloniale regering had, dat wil zeggen in een heel hoge graad van conventionele moraliteit en humaniteit van een van huize uit modern democratisch bewind. Eigenlijk dacht hij toen nooit aan geheime politie en aan de mogelijkheid van terreurmethoden, toegepast op politieke tegenstanders die bewust en opzettelijk binnen de grenzen der wet (Sjahrirs cursivering) blijven. (...)
Dat grote vertrouwen in de humane en democratische gezindheid van de koloniale regering was bij Hafil sterk aanwezig. Terwijl hij in zijn geschriften de koloniale toestand scherp hekelde en aanviel, met zijn verklaard ongeloof in goede bedoelingen van de regering en in de mogelijkheid van samenzwering tot opheffing van het volk tot volwaardige natie, was hij in zijn hart Nederlander, in die zin dat hij de koloniale overheerser niet wérkelijk als vreemd en vijandig element voelde, maar meer zoals bijvoorbeeld een links socialist staat tegenover de Nederlandse regering, dus met een onbewust aanvaarden van vele gemeenschappelijke normen, met de onbewuste erkenning van een – zelfs heel grote en belangrijke – gemeenschappelijke basis: het vertrouwen in de humane, democratische methoden van een regering, die officieel onbetrouwbaar wordt genoemd. (...)
Als basis van zijn gedachten had hij dus een heel hoge dunk van het fatsoen en de methoden van de koloniale heersers, tegenover wie hij stelling nam. Hij denkt er nu wel anders over, vooral dank zij Digoel.’
Misschien is het een persoonlijke gevoeligheid, misschien heeft het ook iets te maken met de indirecte manier waarop Sjahrir zijn gevoelens beschrijft, maar zo’n ontboezeming gaat mij door merg en been, het grijpt mij heviger aan dan de gangbare en bekende aanklacht tegen de onmenselijkheid van het koloniale systeem.
En het brengt aan het licht in welk opzicht het kolonialisme als vorm van cultuuroverdracht werkelijk te kort schoot. Wat het verder ook aan zegeningen mocht brengen: dat gevoel, die ‘onbewuste erkenning’ waar Sjahrir het over heeft, die gemeenschappelijke basis – iets dat zich in het moederland uitstrekte tot tegenstanders van de staatsvorm zelf – deze diepste essentie van de westerse cultuur was precies datgene wat de gekoloniseerde onthouden werd, wie hij ook was en wat hij ook deed. Hij kreeg de gelegenheid zich de andere cultuur eigen te maken en de waarden ervan te assimileren, maar dáarvan werd hij onherroepelijk buitengesloten; Die Faust was niet voor hem. (1985)

Kousbroek – Oostindisch kampsyndroom, 209-212

[Jakarta 9 – Kartini] 

Maar de bekendste en vroegste voorbeelden van Indonesiërs die in het Nederlands schreven zijn natuurlijk Kartini en Notosoeroto. De laatste met gedichten – Melati-knoppen, 1915, De geur van moeders haarwrong, 1916, en Fluisteringen in de avondwind, 1917, etc. – en de eerste met brieven – Door duisternis tot licht, 1911 – die niet alleen in Nederland maar ook daarbuiten sterk de aandacht hebben getrokken. Trouwens ook Notosoeroto werd in het Frans en Duits vertaald – hij had misschien een beter lot verdiend, maar hij oefende vooral aantrekkingskracht uit op mensen die op zoek waren naar het mysterieuze Oosten, Indische wijsheid en bezonkenheid, en wat daar nog meer bij komt kijken.
Datzelfde geldt ook wel voor Kartini, maar in mindere mate. Haar formaat is alleen af te meten aan het feit dat zij tot in onze tijd de pennen in beweging weet te brengen na haar dood op vijfentwintigjarige leeftijd, in 1904 – of beter gezegd na de verschijning van Door duisternis tot licht in 1911 – kwam een stroom van publikaties en vertalingen op gang die nog steeds voortduurt. In Indonesië werd zij uitgeroepen tot nationale heldin en moeder des vaderlands. Er is geprobeerd een ‘Javaanse prinses’ van haar te maken, wat zij niet was, terwijl anderen, zoals Pramoedya Ananta Toer, getracht hebben haar uit te roepen tot een soort erelid van het proletariaat.
Nu was Kartini in feite de dochter van een Javaanse aristocraat – de regent van Djapara – en zijn niet-aristocratische garwa selir, dat wil zeggen tweede echtgenote in rang (waar door sommigen weer ten onrechte een concubine van is gemaakt). Een ‘kind van het volk’ was Kartini dus ook niet bepaald, maar in de nieuwe ideeën die Pramoedya uit China had meegebracht was voor de hinderlijke werkelijkheid geen plaats en dus werd zij via haar moeder een typisch Javaans volksmeisje – waarbij Pramoedya nog een surrealistische noot introduceerde door dit alles op te hangen aan haar neus. Ik verzin het niet: deze neus, zo legde hij uit, was niet recht zoals die van haar hindoe-Javaanse voorvaderen, maar plat zoals die van haar moeder. Zo kon zij worden toegelaten tot de rangen van het proletariaat. De consequentie is onontkoombaar: als haar neus recht was geweest zou Pramoedya dezelfde Kartini de vuilnisbak der geschiedenis hebben waardig gekeurd. O, Cleopatra!
Op het wonder dat zij daar niet in terecht is gekomen vestigt Rob Nieuwenhuys terecht de aandacht in de aan Kartini gewijde passage in zijn Oost-Indische Spiegel. ‘Kartini is nu een legende geworden,’ schrijft hij, ‘ze is zelfs officieel tot nationale heldin geproclameerd, maar we vragen ons af wat er gebeurd zou zijn als de heer en mevrouw Abendanon haar niet beschouwd hadden als hun geestelijke pleegkind, als de heer Abendanon de brievenuitgave nu eens niet bezorgd had, als hij geen directeur van Onderwijs was geweest, als er later geen meisjesscholen “onder hoede van haar naam” gesticht waren? (...) Ze zou op den duur toch de geschiedenis zijn ingegaan als niet veel meer dan een naam.’
Wie daar niet meer in ziet dan een redenering van het type: ‘Als mijn zuster een snor had zou ze soldaat moeten worden’ vergist zich; er was inderdaad op dat moment een soort conjunctuur waar de figuur van Kartini zoals wij die kennen precies in paste en men kan zich afvragen in hoeverre de werkelijke Kartini daarmee overeenstemde. Nieuwenhuys suggereert zelfs een paar keer dat there is more than meets the eye: ‘Want er is in en buiten de brieven nog heel wat in Kartini verzwegen ...’ Wat dat is, zegt Nieuwenhuys er helaas niet bij.
De boven geciteerde bespiegeling van Nieuwenhuys heeft nog een andere consequentie: als toevallige omstandigheden er verantwoordelijk voor waren dat Kartini uit de duisternis tot het licht is gestegen, is het vermoeden gerechtvaardigd dat er in die tijd in Indonesië nog meer jonge vrouwen moeten zijn geweest als zij, dat wil zeggen met denkbeelden verwant aan de hare. De juistheid van deze veronderstelling wordt bevestigd door later onderzoek. ‘Het feit,’ schreef Claudine Salmon in een in 1977 (vijf jaar na het verschijnen van de Spiegel) gepubliceerd artikel, ‘dat sommige jonge meisjes uit de gegoede stand in Nederlands-Indië omstreeks 1910 enkele jaren Westers onderwijs hadden genoten, was voldoende om in hun geest nieuwe ideeën te doen verrijzen. Nog voordat de brieven van Kartini gepubliceerd werden (1911) hadden andere (Indonesische) vrouwen al in artikelen en zelfs in boekvorm uitdrukking gegeven van hun denkbeelden over de vrouwenemancipatie.’ Zij geeft daarna in Franse vertaling een artikel, in juli 1909 verschenen in het tijdschrift Poetri Hindia (Jongedames van Indië), getiteld ‘Kemadjoean bangsa perempoean’ (De vooruitgang van de vrouwelijke kunne), waaruit blijkt dat Kartini in haar denkbeelden volstrekt niet alleen stond.
In een andere publikatie onderzoekt Claudine Salmon de inhoud van een aantal (zevenendertig tot 1941) vrouwentijdschriften uit Nederlands-Indië op feministische ideeën en komt tot dezelfde conclusie: ‘Hoewel voor onze tijdgenoten Kartini het voorbeeld par excellence is van de feministische pionier uit die tijd dient men niet te geloven dat zij een uitzondering was.’ Dozijnen jonge vrouwen afkomstig uit hetzelfde milieu als Kartini ijverden voor beter onderwijs en lotsverbetering voor haar seksegenoten. Het feit dat zoiets het gevolg was van ‘enkele jaren Westers onderwijs’ geeft een idee van de aarde waarin deze nieuwe denkbeelden vielen en de resultaten die hadden kunnen worden bereikt wanneer het Nederlands-Indische gouvernement een meer gedurfd onderwijsbeleid had gevoerd.
Ook Du Perron heeft over Kartini geschreven: ‘Kartini, men moet het toegeven, schrijft vaak verfoeilik met de volle verfoeilikheid van een bepaald soort schrijvende Hollandsche vrouw, in de hijgende-hart-toon van De Hollandsche Lelie die zij met zo roerende en ridikule verering las, in die provinciale, dikke, Hoger-Leven-smachtstijl waar Holland alleen het geheim van bezit (...) Het is geen argument tegen haar, waar zij geen andere voorbeelden had; het geeft integendeel een voortreffelijk beeld van de ontwikkeling der Javanen die zich “de Westerse cultuur” wilden eigen maken en als zodanig de Europese provincie Holland vonden, met de Hollandse leesportefeuille als voornaamste gewas ...’
Die Hollandse leesportefeuille moet op Indonesisch-Nederlandse literatuur een onuitwisbaar Kaïnsmerk hebben gedrukt. Ook de stijl van Madelon Lulofs, die in Indië was opgegroeid, was er merkbaar door beïnvloed en de sporen ervan zijn zelfs nog herkenbaar in de tijdens de Bersiap-tijd (1947) geschreven Herinneringen van een vrijheidsstrijdster van Roswitha (‘Wietje’) Djajadiningrat.