Springer – Bougainville, 67-70

[Jakarta 9 – Douwes Dekker] 

Het is later wel een brandende vraag voor me geworden. Hoe héétten die lui? Waren ze het echt? Was zij het werkelijk? Ik wist dat zij het was, maar bewijs het maar eens. Ik wíst dat zij het was, in 1919, toen ik in de wekelijkse leestrommel van ‘Toko Madioen’ (boeken en tijdschriften voor het gehele Gezin) lange rapportages over de spionne Mata Hari vond. Een donderslag! Een bonkend hart in de keel! Het kon niet anders, het kón toch niet anders, maar Joh. de Leeuw Hzn, klerk bij de Staatsspoorwegen te Soerabaja, was met de grootste spionne allertijden ter kooi geweest, jawel, hij had haar, al in de vorige eeuw, zijn ster, maan en zon mogen noemen! Koortsachtig zoeken in alle kranten. Schrijven naar Holland. Meer artikelen over Mata Hari, en fotografieën, vooral fotografieën. Van de danseres. Van de spionne in de beklaagdenbank en uit het koetsje stappend op het executieterrein. “De danseres in haar fameuze Indische dans, vertoond voor hooge officieren van het Fransche leger!’ Alle details in de bladen heb ik uitgeplozen. Ze droeg altijd die zilveren platen op haar borsten, schreef een journalist, omdat één borst geschonden zou zijn. In elk geval moest dat dan in 1897 gebeurd zijn, daarop kon ik zweren. Maar wie weet had die Macleod haar mismaakt geslagen of gebeten, voordat ze hem verliet en aan haar eigenlijke loopbaan begon. Greet Zelle, ze heette Zelle, volgens de kranten, en ze kwam uit Leeuwarden. Jawel, Friesland, mijn ster, zon, maan kwam uit Friesland. Dat had ze wel een keer gezegd: ‘De lucht in Friesland is nog verstikkender dan hier’, en dat zei ze in de eetzaal, in de Roode Zee. Ik wist het dus zeker, maar toch weer niet, en dan moet je natuurlijk je bek houden, zoiets moet je als een Heilig Geheim bewaren, maar hoe verleidelijk was het om vele jaren later, op een herenavondje, waar eenieder over zijn veroveringen begon te snoeven, de hele bliksemse kwajongensbende met één zin te overtroeven en de melkmuilen te snoeren: ‘Maar heren, maar jongelui, dat is alles niks. Ik Johan de Leeuw Hzn, ben in ’97 met Mata Hari ter kooi gegaan’. Eerst stilte, een vragend elkaar aankijken, de bitterglazen in de aanslag, en den opeens geproest, en elkaar op de knieën slaan. Gebrul, geloei! Wel geeveedee zeg, De Leeuw, hoe verzin je het, hoe kom je erop, denk je werkelijk, godver ... De Leeuw, dat wij je één seconde ...’ Andere kwamen nieuwsgierig op het geschater aan onze bittertafel af. ‘Allemachtig, hebben jullie ’t gehoord?’ Ik zie de lange Van der Vlies nog huilen en hikken van het lachen. ‘Onze confrère De Leeuw is met, nee, néé, het is ..., het is ...’ Ik kon mij voor de kop schieten van woede om mijn eigen stommiteit, mijn eigen verdomde stommiteit. En nog voel ik de vernedering die in mij brandde toen ook de heer dr. Ernest Douwes Dekker aan kwam lopen en door Van der Vlies en anderen op de hoogte werd gebracht. Had hij, de Neef met de beroemde naam, mij niet pas nog een van de vurigste revolutionairen in Indië genoemd? Ik had gegloeid van trots. Had ik niet nog vier dagen tevoren tot diep in de nacht met hem, de schrijver van Siman de Javaan zitten discussiëren over het ‘wekken van de geknechte Indonesische broeders’, over wat er in China en Rusland gebeurde. God, ik zie nog zijn verwonderde blik, achter die brillenglazen, de leidsman wiens woord voor mij het laatste woord was geworden – dacht hij ook aan die avond terug, aan de ernst waarmee ik mijn ideeën aan hem had voorgelegd, aan de overtuiging waarmee ik hem mijn trouwe diensten had aangeboden? En hier vond hij mij, aan de bittertafel, tussen lallende, koloniale heren, tegen elkaar opsnijdend over hun echte of gefantaseerde veroveringen. Ik stond op en liep struikelend vanwege de tranen in mijn ogen de stoep van het hotel af. Nu, veel later, veel veel later, besef ik dat dat huilen uit spijt en woede was: had ik toen, op dat ogenblik, D.D. en de anderen maar het Overtuigende Bewijs kunnen leveren dat ik werkelijk met Mata Hari ... ik weet zeker dat ik ieders diepe achting had veroverd en dat ook mijn reputatie als revolutionair, anarchist, communist, (ik wist in die dagen niet zo precies hoe ik mezelf moest noemen) er niet onder geleden zou hebben. Maar nee, bewijzen kon ik niemendal en sinds die avond heette ik in Soerabaja in de wandeling ‘Toean Mata Hari’.