F.G. Kroonder-Uitgeverij, Bussum 1945

Székely-Lulofs – Koelie, 17-21

[Koelies, planters en koloniale politiek, 304-310 – Art. 1] 

Dien avond was het volle maan.
Op het kampongpleintje was het ongewoon druk. De mannen rookten en praatten luider dan anders. Een hond huilde. Onrustige schaduwen zwierven tusschen de huizenschimmen .... Maar de bamboe werd een wonder van fijn knipsel tegen den maanblanken hemelkoepel.
Toen Roeki met den bundel gras op zijn schouder het pad naar de kampong afliep, verwonderde hij zich al: er was geen gamelan. Maanavond .... en géén gamelan! .... En ook géén gebed? ....
Onwillekeurig haastte hij zich wat. Het was voor het eerst in zijn leven, dat hij zich haastte. En toen hij langs den kring mannen ging zag hij dádelijk: er was een vreemdeling!
Nieuwsgierig bleef hij staan. De nieuwgekomene was een Bataviaan. Dat hoorde Roeki hem zeggen .... Hij sprak ook met een accent. Maar hoe goed was hij gekleed, meende Roeki .... Een ritselende, fél kleurige sarong; een witte gesteven jas, zooals alleen maar de toewan controleur er een droeg; een rood fluweelen hoofddeksel! Geen hoofddoek ....
Roeki ondervond verwondering en schaamte. Geen hoofddoek .... dat was tégen den adat! Als je zoo mooi gekleed bent, en dan geen hoofddoek! .... Snel bracht Roeki het gras naar den stal, schudde het daar op den grond uit voor den karbouw. En terug komend, zonder eerst te gaan baden, hurkte hij tusschen de anderen, die gespannen luisterden naar den vreemde.
“En dan zijn er ijzeren vuurwagens en huizen van steen ....”
“Ts .... ts .... ts ....” verwonderden zich de kampongbewoners. Ze vergaten hun strootjes, die in hun handen dóofden.
“En wie ,méégaat naar dat nieuwe land .... Deli .... die kan veel goud koopen. Want dáár is het goud goedkoop. En er zijn veel jonge en mooie vrouwen! En men mag er dobbelen ook!”
“Wááh!!!”
Een verrukte kreet als uit één mond! Al die mannen en jongens, ze waren rásdobbelaars, gebóren spelers. Maar op Java had het gouvernement het dobbelen verboden.
“En word je daar niét door de politie opgepakt, als je dobbelt?” vroeg voorzichtig een oude man.
“Nee ....” verzekerde de vreemde .... “Allah is mijn getuige, als ik zeg, dat daar gespeeld mag worden! Net zooveel als je maar wilt."
“Wááh!!! .... "
Als in koortsige extase sídderden ze.
“Allen, die er heen gingen, zijn na een paar jaren weer rijk naar huis gekomen.”
De mannen zwegen.
De maan belichtte hun aandachtige gezichten met de kinderlijke, verwonderde oogen. Maar in die kinderlijke oogen was iets nieuws gekomen: begeerte!
Zóó gauw was die gegroeid? ....
Dobbelen! Goud! Jonge vrouwen! .... Hoe zou die begeerte niét snel groeien? En mét die begeerte kíemde een ongekende wensch in deze trage hoofden en harten: bezit!
“Wat is het leven hier .... in zoo'n kampong?” zei de vreemde geringschattend. “Wát weten jullie van het leven? Wát van de wereld? Jullie ... je kent alleen maar je rivier, je huis. Je eet niet anders dan een bord rijst, een stukje visch. Je draagt lompige kleeren .... Kijkt naar mij! Wat zijn jullie, ánders dan armzalige tani’s? Hoeveel grond hebben jullie? Hê? .... Dragen jullie vrouwen gouden munten? Hebben jullie kinderen zilveren en gouden ringen. om de enkels? .... En als jullie een slamatan geeft .... hoeveel geiten kunnen jullie slachten? .... Zéker niet meer dan één .... wèl?”
Beschaamd bogen de mannen hun hoofd.
Drop na drop mengde de vreemdeling het gif in hun droomleven van vrede en geluk.
“En vrouwen? .... Maagden? .... Heeft niet elk van jullie oudere mannen een oude vrouw? ....”
Onrust groeide in hun troebele gedachten .... Hun omzichtige bewegingen vatten vlam. Hun stemmen gingen zich verheffen .... Ze vergaten hun avondeten. Ze spraken luid nu, door elkaar .... Opgewonden lachten ze, herhaalden de woorden van den vreemde ..
“Maagden! ....”
De vrouwen en meisjes slopen tersluiks nader. Wát had deze vreemdeling te vertellen, dat hun mannen en broeders zoo uit hun gewone doen bracht?
Krom en gebogen stond daar ook nenneh. In het blauw-helle maanlicht leek zij een oude heks. Uit haar gebogen schouders stak haar magere vogelhals sterk naar voren. Haar hoofd was gedeeltelijk kaal, haar mond tandeloos. In haar wang puilde een sirihpruim en haar lippen waren fel rood van het sirihspeeksel. Haar zwart baadje hing open en toonde haar verlepte, rimpelige, hangende borsten. Twee felle oogen keken uit haar vervallen gezicht. Argwanend en afkeurend bespiedde zij den Bataviaan. Toen spuwde zij haar minachting in een breeden, bloedrooden sirihstraal uit en haar magere hand tot een vuist ballend, krijschte zij opeens tusschen de mannen in:
“Laten jullie je toch niets wijsmaken door dien hond van een leugenaar! Mooie praatjes verkoopen ... jawél! Wat dóe je hier? Laat onze mannen met rust! Jonge vrouwen .... maagden! Die hoeven ze niet ergens ánders te zoeken! Die hebben we hier genóeg, in onze eigen kampong!”
Een goedkeurend gemompel kwam van de vrouwen en meisjes. Ze voelden een onbekend gevaar.
“Ouwewijvenpraat!” zei de vreemde hoonend.
Roeki keek op. Hij schaamde zich over zijn grootmoeder.
“Ga toch naar huis, koken!” zei hij norsch.
“Kóken!” schreeuwde nenneh opgewonden, “kóken, hè?! Is het eten soms niet al lang klaar, klein varkensjong? Wordt de visch al niet slap en taai? En is de santen al niet geschift? Allemaal omdat je niet op tijd komt eten! Maar hier luisteren naar dat leege gepraat van zoo'n gemeene krokodil uit de stad, dat kun je! Vooruit! Ga naar huis!”
Ze trok Roeki aan zijn baadje. Hij rukte zich los met een korte beweging.
“Laat me met rust!” zei hij bevelend, maar kalm. “Ga naar je keuken en bemoei je niet met mannenzakenl”
Scheldend en mopperend trok nenneh zich terug. Haar oude staken van beenen beefden onder haar, toen ze het trapje beklom. Op de bovenste sport keerde ze zich nog eens om en spuwde weer. En na dit teeken van uiterste verachting verdween ze in huis.
De vreemdeling keek Roeki aan, nam hem eens op. “Je bent een kranige jonge man,” zei hij goedkeurend en legde even zijn beringde hand op Roeki’s schouder.
Roeki’s hart zwol van trots. Hij merkte de heimlíjke blikken van de anderen en zette zijn borst op. Hij gooide zijn hoofd in den nek en zette een hand in de zij. “Ik ben voor niemand en voor niets bang,” zei hij snoevend. En hij voelde, dat de mannen van de kampong trotsch waren, dat zij aan den vreemdeling zóó'n kranigen jongen konden toonen. Nog twee avonden kwam de Bataviaan. Zij gaven hem goed en rijkelijk te eten. En luisterden naar zijn opwindende verhalen uit dat verre Wonderland, dat zijn stralende beloften tot onrustige droomen door hun slaap wond.

Székely-Lulofs – Koelie, 22-24

[Koelies, planters en koloniale politiek, 304-310 – Art. 1] 

Hij keerde zich om en nog eens om. Nenneh mopperde iets in haar slaap, toen hij haar bij ongeluk aanstootte.
Hij luisterde naar de muskieten. Naar een rat, die ergens een gat knaagde. Naar het gestadig wroeten van de houtwormen in een poot van den baleh-baleh. En tóen, inééns, meende hij een zacht kloppen te hooren. Hij hief zijn hoofd. Zijn aandacht boorde door de duisternis .... Het kloppen herhaalde zich, zacht, maar nadrukkelijk, misschien méér, dan met zijn ooren, door zijn ziel vernomen, die voor het éérst klaar wakker was. Voor het eerst gewekt uit haar indolentie.
Roeki stond op, voorzichtig langs nenneh schuivend, deed zacht de deur open. Onder aan het trapje stond de vreemdeling. Achter hem, twee jongens uit het dorp: Sidin en Karimoen.
“We gaan nu weg,” fluisterde de vreemdeling. „Ga jij ook mee?”
Roeki weifelde, keek om naar het kamertje, waar nenneh sliep. Het was een onbewuste beweging, een hulpzoeken bij de bekendheid van eigen omgeving.
“Wij gaan,“ zei Karimoen. Er was manlijke trots in zijn stem.
“Ik ga ook,” antwoordde Roeki, “wachten jullie even.” Hij ging naar binnen. Onder het kussentje van nenneh trok hij voorzichtig de nieuwe sarong weg, deed die om. Toen nam hij van een plankje een stuk kwee-doddol, wikkelde het in pisangblad en stak het in zijn zak. En daarna, zonder omzien, sloop hij het huis uit en trok geruchtloos het deurtje dicht.
Zwijgend gingen de vier mannen, achter elkaar aan loopend. Het was al tegen den ochtend, maar de maan was nog helder. Het strakke witte licht droop langs de smalle klapperblâren, gleed van de donkere huizen af en maakte het pleintje tot één groote, blanke plek. In dien poel van stil zilver licht sliep de kampong een diepen zwaren slaap. Daar droomde alles, roerloos vóór het ontwaken, zijn laatsten devoten droom: de wankele bruine hutten op hun kreupele stelten, met hun stumperige daken; het pisangboschje met zijn breede gladde blâren als schilden, waarop de manestralen braken en tezamen vloeiden tot een vloed van zacht metalen glanzing; de klapperboomen, die hun hooge, hooge stammen recht de lucht inhieven en wier kronen openbraken als een teruggevallen vuurpijl; de bamboestruiken, een fijn en duizendvoudig knipsel van kleine, spitse blaadjes.

Székely-Lulofs – Koelie, 27-33

[Jakarta 11 – Emigratiekantoor] 

Voortging het .... voort .... Hoe ver gingen ze toch?.... Naar Batavia, had hun leider gezegd. Batavia .... Dat was toch maar een naam, een klank .... De vuurwagen ijlde verder, verder .... Kampongs, boomen, sawah’s rolden voorbij .... Uren en uren lang.
De cadans van de wielen, het regelmatig rijden maakte hen slaperig. Met moeë, niets opmerkende oogen zagen ze voor zich uit. Hun gezichten werden maskers, waarop geen énkel gevoel meer was uitgedrukt. Als beelden, stom en levenloos, zaten zij naast elkaar.
Het was laat in den middag, toen ze uitstapten. De Bataviaan duwde hen in den stroom van menschen, die door den uitgang van het perron ging. Opgeslokt door dien stroom liepen ze méé, zonder een gedachte aan verzet. Beduusd stonden ze dan op straat, tusschen het plotseling heftig klingelende gewoel van sado’s, roepende en schreeuwende menschen. Schuw drongen ze zich aan elkaar, bescherming zoekend tegen dit nieuwe, dat als een maalstroom rondom hen heen woedde en hen dreigde aan alle kanten. Angstig schrokken ze op voor de sadobelletjes, voor het gillend gefluit van een vertrekkenden trein. Ze botsten op tegen voetgangers, die hen uitscholden. Groote rijtuigen met geweldige paarden, veel grooter dan de ponnies, die ze gewend waren, reden vlak langs hen. Er zaten blanken in. Ook vrouwen. Witte vrouwen. Die hadden ze nog nooit gezien. En nét toen ze wilden oversteken, weken ze schuw terug voor wéér een ijzeren vuurwagen, die zóó maar over de straat reed: de stoomtram.
Ze hielden zich krampachtig aan de richting, die hun leider aangaf. Waren té verschrikt en bang om nog bewondering voor hem te kunnen voelen, dat hij daar maar zoo op zijn gemak tusschen al die ontstellende dingen door wandelde. Er was maar één besef: een bevreesd instinct voor zelfbehoud. Maar dan, als ze door de allernieuwste europeesche villawijken gingen, kon Karimoen het toch niet laten Roeki heimlijk in zijn zijde te stooten.
“Kijk eens .... twee huizen op elkaar.”
Roeki bleef verbaasd stil staan voor dat wonderbaarlijke gebouw: een huis met een verdieping.
“Doorloopen, ajo!” commandeerde de Batavíaan. Opschrikkend haastte Roeki zich de anderen weer in te halen. Zij aten nog eens aan een warong. Toen zei hun leider:
“Nu moeten jullie goed luisteren.”
In zijn stem was opeens een dreigende klank gekomen. Hij keek ook niet meer zoo vriendelijk.
“Ik breng jullie nu bij een toewan, zoo'n toewan als de controleur. Weten jullie wat een toewan controleur is?”
Ze knikten. Dat was de eenige Europeaan, dien ze in hun leven gezien hadden. Als er in hun kampong iets gebeurd was, kwam immers de loerah met den toewan controleur. Ze waren altijd wat bang voor hem geweest. Een beetje nieuwsgierig naar hem óók wel.
“Nu, wat die toewan jullie ook vraagt, jullie zegt op alles: ja! Begrepen?”
De drie knikten benepen. Ze waren opeens een beetje bang voor hun leider geworden. De Bataviaan bracht hen in een klein steenen gebouw. Hij groette heel beleefd den toewan, die daar zat en de toewan was heel vriendelijk tegen hem. Heel anders dan de controleur tegen den loerah. Met bedeesde verwondering merkten ze dat op.
De toewan sprak Maleisch. Daarvan verstonden de drie anderen maar weinig.
“Zoo Amat, heb je een goede vangst gehad?”
Amat, de Bataviaan, grinnikte.
Tani jongens uit een verren kampong. Dom, maar jong en sterk.”
“Mooi,” zei de Europeaan en bladerde wat in een paar papieren. De drie waren eerbiedig neergehurkt.
“Zoo ....” wendde zich de toewan tot hen, “dus, jullie willen naar Deli, naar Sumatra? ....”
Er kwam geen antwoord. Ze begrepen het Maleisch van den toewan niet.
“Hooren jullie niet, dat de toewan besar jullie wat vraagt?” snauwde Amat.
“Saja.. toewan besar..” stotterden ze verschrikt.
“En jullie gaan geheel uit eigen beweging, niet waar?”
Onder hun neergeslagen oogleden gleden hun blikken hulpzoekend naar elkaar. Ze vatten de beteekenis van dezen zin niet.
“Saja ....” zeiden ze dan.
“Jullie gaan gaarne, niet waar?”
Weer even stilte, weifelíng.
“Saja .... toewan besar ....”
“Goed.”
De toewan riep een inlandschen klerk, die hun een papier voorlegde en een pennehouder in de hand drukte. Onhandig hielden ze het ding vast. De krani deed hun voor, hoe ze een kruisje moesten zetten en na veel gemors kwam het in orde. Toen kregen ze elk twintig gulden. Verstolen blikten ze naar elkaar, namen het rijtje blanke guldens met eerbiedig aarzelende vingers op. Dat dit alleen maar een voorschot was op hun contractloon, dat hun tot den laatsten cent weer gekort zou worden .... dat wisten ze niet.
De toewan zei iets, dat ze niet verstonden. Amat bleek intusschen verdwenen. Twee inlandsche agenten van het wervingskantoor duwden Roeki en zijn kameraden naar buiten. Karimoen en Sidin gingen met den een mee. De andere agent dreef Roeki voor zich uit.
Roeki bleef even staan, als in onbewust verweer.
“Wat moet je?” snauwde de agent.
“Ik wil naar huis,” zei Roeki zacht. De agent begon hoonend te lachen, duwde hem vooruit:
“Jawel .... eerst contract teekenen en het geld opstrijken en dan naar huis .... loop maar vlug door ....”
Roeki was beschaamd en beduusd. Verschrikt liep hij door. Hij was geen ruwheid gewend. In zijn kampong was iedereen altijd gemoedelijk. Als er getwist werd, dan was het om een vrouw. Eenmaal was er doodslag van gekomen. Maar dat was niet iets, waar je bang voor hoefde te zijn. Dat was iets, dat je wist, kènde .... En nenneh schold wel eens, maar dat was vrouweboosheid .... dat nam je niet ernstig op.
De agent duwde Roeki een loods binnen. Daar zaten veel mannen en vrouwen. Hij bleef verlegen staan en eerst toen hij zag, dat niemand op hem lette, hurkte hij neer. Hij zat een heelen tijd zoo, stil voor zich uit starend.
“Hebben ze jou ook voor Deli gevangen?” vroeg een oudere man hem.
Roeki keek op.
“Ze hebben mij niet gevangen, pâ,” zei hij zacht.
“Nee .... je bent vanzélf hier gekomen, niet waar?” lachte de ander hoonend. Om hem heen werd gegrínnikt.
“Een man kwam in onze kampong en die heeft mij hier gebracht, pâ."
“En nu ga je naar Sumatra .... Je hebt contract geteekend?”
“Saja pâ."
“Wat ga je daar zoeken, adeh?”
Roeki boog zijn hoofd.
“Er is daar goedkoop goud, pâ ....”
De ander spuwde op den grond.
“De hóndenl” zei hij geërgerd en toen tot Roeki:
“En je denkt daar jonge vrouwen te vinden, nietwaar? En rijk terug te keeren? ....”
Roeki knikte.
“Maar dat moet je niet geloovenl” riep de oudere man uit. “Werken moet je daar. Werken tot je lichaam er krom van wordt. Tot je spieren en je botten er pijn van doen. Bosschen moet je daar kappen, gronden omspitten voor de blanken. Tabak en rubber moet je daar voor hen planten. Daarvan worden zij rijk! En geslagen en gescholden wordt je daar, adeh! Je zult arm blijven en je zult je schamen om als een arme, vermagerde koelie weer in je kampong terug te komen. Daarom zul je niet teruggaan, adeh en altijd dáár blijven! .... Ik ga daar heen om dáár de koelie’s te helpen .... om hun te vertellen, dat zij zich niet moeten laten slaan .... alleen daarom heb ik contract geteekend ... niet om goud te zoeken ...."
“Ik wíl niet werken,” zei Roeki. “Ik wil naar huis. Ik moet nog gras snijden voor onze karbouw!” Meteen stond hij op en liep naar den uitgang, maar daar duwde een agent in de uniform van het wervingskantoor hem terug.
“Ik wil naar huis!” zei Roeki. Zijn stem klonk eischend.
“Je moet hier geen groote mond hebben!” dreigde de ander.
“Maar ik wil er uit. Ik wil naar huis!” Roeki drong den agent wat opzij om zich een doorgang te maken. Maar de ander gaf hem een klap, gebood streng:
“Ajo! Ga terug .... ga zitten waar je zat!”
Roeki's hoofddoek was afgerold door den klap. Dat was een adat-beleediging, die hij nog nooit had ondervonden. Heet vloeide het bloed naar zijn hoofd.
“Je moet me niet slaan!” zei hij driftig, „ik wil niet geslagen worden. Niemand heeft mij nog ooit geslagen!”
“Zóó!” hoonde de ander, “als dat zoo is, dan wordt het tijd, adeh!” En hij sprong op Roeki af en stompte hem driemaal in het gezicht. Verstomd onderging Roeki deze tuchtiging. Besefte opeens vaag, dat deze ander sterker was dan hij; gezag had, macht had, het recht had blijkbaar om hem te slaan .... Hij boog zijn gezicht weg in zijn arm en neerhurkend, erkende hij zijn minderheid:
Ampon, Pâ .... amponl”
De ander veegde zich de handen af.
“Ga terug naar je plaats en kom er niet weer vandaan.”
Beschaamd en vernederd sloop Roeki weg, hurkte neer en keek op den grond. Een warm gevoel van haat was in zijn hart. Hij had nog nooit gehaat. Het was troebel voor zijn blik.
“Dat is pas het begin, adeh,” waarschuwde de oudere man, die naast hem zat. “Doe maar liever precies wat je gezegd wordt, dat is beter voor je.”
Roeki antwoordde niet. Hij bleef voor zich kijken. Een duistere woede kiemde in hem. De woede, die alleen ontwaakt in een gesard dier.

Székely-Lulofs – Koelie, 106-108

[Koelies, planters en koloniale politiek, 304-310 – Art. 2] 
[Koelies, planters en koloniale politiek, 304-310 – Art. 5] 

Kromoredjo vorderde maar langzaam. Om zijn voet had hij een lompigen lap gebonden. Hij had zich gestooten aan een verborgen, scherpe houtpunt, had een diepe wond tusschen twee teenen in. Al een week etterde die, grooter en grooter wordend, vretend in het roode, ontstoken vleesch.
“Heb je pijn?”
“Ja ....”
“Waarom vraag je geen obat aan den mandoer?”
“Als de mandoer het ziet, zegt hij het tegen mijnheer en dan moet ik naar het hospitaal.”
“Ik ben bang voor den dokter,” zegt Roeki.
“Ik ben ook bang. Daarom zeg ik het niet.”
Ze zwegen even. Heel in de verte rommelde het. Heel ver, achter het bosch, alsof een groot beest daar gromde. De stilte werd dichter. De hitte intenser. Dreigend daalden de wolkendrornmen, nog steeds groeiend en uitgroeiend, elkaar de plaats betwistend aan den te nauw geworden koepel.
“Wat doen ze met je in het hospitaal?” vroeg Roeki.
Kromoredjo strekte zich, keek even naar de lucht. Toen zei hij: “De toewan dokter is erg pienter. Hij geeft je medicijn, daarvan sterf je. Dan snijdt hij uit je lichaam een deel van je ingewanden en dan maakt hij je weer levend.”
“Ts .... ts .... wah!!” .... Roekí vergat te werken.
“Maar ik ben er bang voor,” zei Kromoredjo.
“Ik ben er ook bang voor,” zei Roeki. “Ik wil ook niet naar het hospitaal.”
“Als de toewan het weet, dat je ziek bent .... móet je. Je wordt er heen gestuurd. Eenmaal was ik er.”
“Wah! ....” Verschrikt, maar nieuwsgierig zag Roeki naar Kromoredjo. “En heeft de dokter jou ook doodgemaakt en weer opgewekt ...?”
Kromoredjo schudde zijn hoofd.
“Nee, toen níet. Hij heeft mij kastorolie laten drinken. En ik heb geen eten gekregen. Twee dagen niet. En daarna alleen pap. Maar Parman is mij toen komen opzoeken en heeft stilletjes rijst en tjabeh gebracht. Als hij dat niet gedaan had, was ik zeker gestorven. En toen heb ik gezien, dat de dokter iemand heeft laten sterven om hem een stuk uit zijn ingewanden te snijden. De Blanda’s denken, dat zooiets goed ís.”
“En is het niet goed?”
“Natuurlijk niet,” zei Kromoredjo .... „Er zijn wel medicijnen, die soms helpen als je ziek bent, maar als die niet helpen, dan is het al duidelijk, dat Allah je leven al lang genoeg vindt. En dan moet je sterven .... of ze iets van je lichaam afsnijden of níet. Maar die Blanda’s hebben altijd van die rare dingen ....! Laatst, nog vóór dat jij er was, heeft de dokter een inspectie op de onderneming gehouden. Hij heeft elke koelie op zijn heele lichaam bevoeld en ook er op geklopt. En dan trok hij je ooglid een beetje weg en keek in je oogen.”
“Keek in je oogen ...? Waarom?!“
“Dat weet ik niet ....! Ze denken, dat dat goed is. En dat we nu altijd de latrines moeten gebruiken, dat heeft ook de dokter geordonneerd. Heb jij nu ooit vroeger op Java zooiets geks gehoord?”
“Nee ....” zei Roeki nadenkend .... “Wij gingen altijd naar de rivier ....”
“Wij naar de sloot om het pondokterrein, of naar den boschrand .... vroeger .... Maar toen is de dokter gekomen en heeft dat verboden. En als mijnheer ziet, dat je het luikje over het gat niet dicht doet, dan krijg je er van langs. En als de latrines verplaatst worden, dan moeten de kuilen dichtgegooid worden, want er mogen geen vliegen op komen. Nou, heb je nu ooit zoo iets gehoord! Dat een mensch ziek zou worden, omdat een vlieg in een mestkuil kruipt ....! Nee, als Allah wil, dat je ziek wordt, dan word je ziek .... en daarmee hebben vliegen niets te maken .... maar als je contractkoelie bent moet je natuurlijk doen, wat je bevolen wordt ....”
Kromoredjo grinnikte even.

Székely-Lulofs – Koelie, 123-126

[Koelies, planters en koloniale politiek, 304-310 – Art. 10] 

Ook Noer was naar buiten gekomen. Somber en zwijgend rookte hij.
Over het lichte plein ging dan een gestalte, een vrouw. Ze kwam langs Roeki en Noer: Saïma .... Er bewoog iets aan den uitersten rand van het terrein, op zij van de bamboeheg om den put.
Noer hief zijn hoofd, tuurde .... De spanning in zijn figuur was als die in een loerenden panter. Toen Saïma vlak langs hem ging, sprong hij ineens op. Ze gilde van schrik, sloeg haar handen voor haar borst samen:
“Lah-ilah-Allahll”
“Waar ga je heen?” Dreigend was Noer's stem. Ze gooide het hoofd in den nek. Lachte luid en hoonend.
“Ik ga naar de kongsi ....! Wat wil je van me .... je bent toch mijn man niet?”
Dan liep ze verder. Uit de schaduw van de bamboeheg werd een andere schaduw los.
“Chinees ....” lispte Roeki.
Noer’s hoofd stond, strak luisterend, vooruit gestoken. Ook Sentono luisterde. De felle haat tegen den man van het andere ras die hún vrouwen wegtroggelde, bond hen samen. Hij gaf Païdi aan de moeder, nam zijn parang op. Geruíschloos, als een kat, was Noer naar binnen geslopen, kwam met de eerste, de beste tjankol, Roeki's tjankol weer buiten.
Saïma was nu voorbij den put, aan den rand van het pondokterrein. De schaduw volgde haar. Nog even wachtten Noer en Roeki, toen zonder een teeken of een woord van afspraak liepen ze naar de twee schimmen. Sentono, op een pas afstand, volgde ....
Brutaal schreeuwde Saïma: “Wat willen jullie? Dit is niet jullie zaak!”
Ze antwoordden niet, maar een seconde later klonken doffe slagen en het gillen van den Chinees, in gebroken Maleisch:
Ampon, la ....! Tolong, la ....!! Ampon, la ....!!”
Het volk stroomde toe, als mieren, uit alle kamertjes.
Krojok! Krojok! Babi tjina!!”
Joelend huilden hun stemmen. Heel de stille maannacht werd opeens vol van schrikwekkende, ruwe, beestachtige geluiden. In één seconde werd uit de droomerige, devote stemming een woeste bloeddorst geboren. Ze zwaaiden met parangs en tjankols en stukken hout. Ze gilden en tierden en lachten als waanzinnigen. Het gekerm van den Chinees ging verloren in dezen orkaan van stemmen.
Ajo! Krojok!! Tjintjang ....! We zullen je lééren onze vrouwen weglokken!”
Een wilde krankzinnigheid golfde in hen op. Een uitzinnige vreugde bij het zien, hoe Noer met den tjankolsteel op den Chinees losranselde.
“Ajo! Poekoel! Hantem! Babi Tjina!”
Kronkelend als een slang lag de Chinees op den grond met beide handen zijn hoofd beschermend. Over hem heen gebogen stonden Noer en Sentono. In blinde razernij sloeg Noer, zonder te weten waar hij sloeg, dronken van moordlust, van haat. Al de bedwongen rancune, heel het versmoorde verzet brak los in een rauwen vloed van vernielzucht. Een vloed, die ook den ander meesleurde. Een wilde roes van macht, van opééns geweten sterker-zijn, benevelde Sentono's denken, maakte uit dezen primitief-goeden mensch in één seconde een dierlijken barbaar. Maar nóg weifelden zijn handen. Zijn oogen zochten in den kring omstanders.
“Ajo ...! Boenoeh! Wees niet bang ....! Sla hem dood!”
Opgewonden schreeuwden zij het hem toe. Ook Noer hoorde het, lachte er om, zei dan heesch:
“Ja, ajo ...! Waarvoor ben je bang?”
Toen hief Sentono zijn vreeselijk wapen, hakte in op de kermende, kreunende gestalte. Een wilde kreet gierde over het plein. Een bloedstraal gulpte uit het stuiptrekkende lichaam. Nu verdrongen zich ook de anderen om den Chinees. Huilend en lachend sloegen zij, hakten met hun tjankols, hun parangs, maakten hem af als een omsingeld wild beest.
Bloed! Bloed! Overal stroomde het. Het spoot op uit het rillende, sidderende lijf. Het vloeide uit de breede afschuwelijke wonden. De aarde dronk het, slorpte het op, bleef daar doorweekt en dampend.
Al lang was de Chinees verstild, maar nóg hakten zij, onverzadigbaar, gillend en schreeuwend, bevangen in een perversheid van machtswellust. Dooden wilden zij .... met hun allen dien eene .... Niet hém, maar dien eene, die hoorde tot dat andere ras, dat anders was, sterker was, rijker was, dan zij. Niet alléén dooden wilden ze, maar verminken, vernietigen: dat gele lichaam in hun bruine handen .... En ze groeven hun handen in het lillend vleesch, den naam van Allah aanroepend, hun God stellend boven dien van hun slachtoffer. Bloed kleefde op hun gezichten, op hun naakte bovenlijven, tusschen de teenen van hun bloote voeten ....
Op een kleinen afstand stonden de vrouwen en de kinderen tezamen geschoold, keken naar die tollende, tierende massa. Toen, plotseling bekoelden ze .... plotseling verstomden ze; wisten hun lang gekweekte haat en wraak bevredigd. Ze werden stil, werden bedaard, bedachtzaam .... Al het rauwe, onbarmhartige, gruwzame was teruggegleden, diep onder de onbewegelijke rust, die zich herstelde op hun gezichten. Zóó wilden ze weer naar hun kamertjes. Maar de stem van Amat riep hen bij elkaar.
Zwijgend bleven ze staan rondom het lichaam, dat daar in het blanke maanlicht lag als een roode brij.
“Wie heeft dat gedaan?” Dreígend vroeg Amat het. Een dreiging, die alleen maar in schijn een vertoon van strengheid was. In de schaduw van de razende menigte had hij toch dezen moord aangezien en zijn bloed had éven vreugdig gestroomd om deze vernietiging! Een Chinees! Alleen maar een Chinees! Kwam hem toe! Wat deed hij hier, koelievrouwen verleiden ....?
Maar voor den schijn moest hij bestraffend optreden. Hij was de mandoer. En óók .... hij moest zichzelf uit deze zaak houden, zorgen, dat geen schijn van medeplichtigheid op hem viel ....
“Wie heeft dat gedaan ....? Wie heeft den Chinees vermoord?”

Székely-Lulofs – Koelie, 136

[Koelies, planters en koloniale politiek, 304-310 – Art. 4] 

Langzaam loopend ging Roeki den weg terug. Hij liep met gebogen hoofd. Zijn hart was zwaar. Kromoredjo had over Java gesproken. Hij had Karminah terug gezien. En opeens zag hij ook nermeh, den karbouw, den kampong. Uit het duister bloeide een stille droom op: het grasland .... de vulkaan .... de paddie, die rijpte, geel werd rondom en onder het tentje op zijn hooge staken. De blauwe hemel met den cirkelenden kiekendief .... Hoe had hij geroepen: Oei ....!! Oei .... !! De wolken dreven boven hem .... dreven naar den vulkaan-top .... Het werd avond .... De kalongs fladderden naar huis .... De rivier, het kampongplein .... Het gebed .... Dan, nenneh, die hem wegriep uit den kring rookende, rustende mannen om te eten, om te slapen .... Soepinah .... als de paddie zou gesneden zijn .... Hij had die paddie niet meer gesneden .... Wie had haar geoogst.....? Nenneh ....? En wie had Soepinah genomen ...?
Roeki was afgeweken van den weg. Nu liep hij dwars door den aanplant, recht op het bosch af. Als in sluimer ging hij verder. Aan den geweldigen hemel doofde een bleeke maansikkel. Enkel de sterren lichtten met waterheldere, diamanten glanzing. Om hem heen lag de aarde, donker, eenzaam en verstorven .... En door dat donker ging hij, alléén met zijn murmelenden droom. Vóór hem rezen de machtige boomen, rees het bosch hooger en hooger uit de intense, zwarte duisternis. Het kwam op hem toe. Het slorpte hem op. En opeens was om hem heen de aarde uit haar dood opgestaan. Duízend geluiden ritselden en suisden uit de dichte woekering. Duizendvoudig geheimzinnig leven sloop mee met zijn geruischloozen tred. Zonder aarzelen ging hij het smalle pad, dat Chineesche houthakkers daar gemaakt hadden. Het leidde naar het hart van het bosch. Hij schramde zich aan de grijparmen der rottan. Hij trapte eenmaal in een scherpen doorn. Bloeddroppels lagen waar zijn voet gegaan was. Maar hij wist dat niet. Hij wist nauwelijks waar hij ging. Iets, dat méér was dan hij, riep hem .... De vulkaan, het grasland riep hem .... en ál de zonnige dagen, dat hij gezeten had op het warm doorgloeide karbouwenlíjf, riepen hem. En hij antwoordde door te gaan, dieper en dieper het bosch in, naar de ronde open plek, waar de Chineezen planken gezaagd hadden. Een kleine leege hut stond daar. Hij kroop er in weg. Hij hurkte neer. In zijn vastgesloten vuist klamde hij het briefje voor zijn toewan. Stil hurkte hij neer, zijn armen om zijn beenen geslagen, zijn hoofd tegen zijn knieën: de houding van den nog ongeboren mensch .... Hij zat op den warmen, broeienden bodem, waaruit de gulzige woekering groeide. Muskieten zoemden om hem heen, zogen zich vol aan zijn huid. Mieren vielen op hem aan, vraten aan zijn voeten. Cicaden snerpten hun borend lied in zijn ooren.
Wormen knaagden en wroetten door het ingewand van de vermolmende stammen. Boven zijn hoofd sliepen de apen hun onrustígen slaap op het dunste eind van een doorbuigenden tak. Soms verdiepte zich die slaap, dan vergat hun lichaam op te letten en wankelde boven een zwarten afgrond van doodsgevaar. Maar éven voor den val ontwaakten zij met een verschrikten gil en grepen zich vast, weeklagend in den droom, die alweer hun oogen sloot. Dieren gluipten door het duister, parend, vretend, aanvallend en zich werend. Ze riepen naar hun wijfje, knorden grommend over een kermende prooi, krijschten in laatsten doodstrijd. Of baarden, verstomd en angstig ....
Soms, om al die geluiden kromp Roeki tezamen. Maar hij was niet bang. Hij luisterde naar dien ziedenden strijd van het leven en wist niet, dat het in dien eenen nacht kreunend en moordend, duizendmaal verging en honderdduizend maal weer opstond.
Hij dacht aan het bestaan van vroeger. Aan het planten van de paddie. Aan het liggen in den zonneschijn met een fluitje van rijsthalm in je mond. Toen was elke dag goed. En het leven was goed. Dat mooie, heerlijke leven, zonder mandoer, zonder ton-tong, zonder dwang, zooals Allah het voor de menschen gemaakt had .... Zoo wou hij het weer terug hebben ....
Onbewust was zijn ziel losgebroken uit de bewegingloosheid waarin de civilisatíe haar geklonken had. Een plotseling verlangen naar vrijheid had hem gedreven in de ongenaakbare wildernis van dit woud. Daar was hij neergehurkt. Honger knaagde aan zijn maag. Maar zijn hart was stil. Omdat hij zoet-dwaaslijk dacht, dat hij niet meer zou terugkeeren naar den arbeid. Dacht, dat hij voorgoed was gevlucht van de pondok, van de ton-tong, van den mandoer en den toewan. En zoo sliep hij in.

Székely-Lulofs – Koelie, 157-161

[Koelies, planters en koloniale politiek, 304-310 – Art. 7] 

Jaren gingen voorbij met steeds dezelfde dagen, steeds hetzelfde werk.
Roeki was niet teruggegaan naar Java. Toen zijn eerste contract bijna was afgeloopen had de hoofdmandoer hem op een avond in zijn kamertje genoodigd om wat te praten en een kop koffie te komen drinken. Ook de andere koelies, die samen met Roeki waren aangekomen en die nu allen binnenkort vrij zouden zijn, waren gevraagd. Zij vonden het een groote eer want zij wisten niet, dat het een van de voornaamste plichten was van den hoofd-mandoer hen hier te houden op de onderneming en hen tot recontracteeren over te halen.
Roeki had een baadje en een hoofddoek geleend van Iman en zoo was hij naar den hoofd-mandoer gegaan.
Op het pondokplein van afdeeling Een stond het hoofdmandoershuisje, een klein houten gebouwtje met twee kamertjes en een keuken. Toen Roekí er schuchter binnenging, zag hij de anderen al om den hoofdmandoer heen zitten op de mat, die den heelen vloer bedekte. Ze zaten allen met gekruiste beenen, stil rookend, gekleed in hun beste kleeren, of kleeren, die ze, net als Roeki, van een kameraad geleend hadden om aan den adat van sarong en hoofddoek te kunnen voldoen.
Onderdanig groette Roeki. Hij was bang en verlegen. Hij kende den hoofdmandoer niet anders dan van het werk, den ruwen, hardhandigen plaatsvervanger van den toewan. Maar nu was hij vriendelijk als een vader, die zijn zoon welkom heet.
Met neergeslagen oogen ging Roeki tusschen de anderen zitten, prevelde een haast onverstaanbaar woord van dank toen een groote kop zwarte koffie voor hem werd neergezet, vlak naast zijn gekruiste beenen. Hij luisterde naar de gesprekken, die gevoerd werden. Het was voornamelijk de hoofdmandoer, die sprak. Van het werk sprak, van de onderneming .... Twee petroleumlampjes verlichtten hun aandachtige, stille gezichten, kaatsten een rooiïg schijnsel neer op de breede figuur van den hoofdmandoer, die voor dezen avond inplaats van den khakibroek en den helmhoed een sarong droeg en een fijn gebatikten, zorgvuldig gevouwen hoofddoek.
“Hij leek zóó op den kepala kampong,” het kamponghoofd dacht Roeki tersluiks oogend, terwijl hij zich voorzichtig boog om den dampenden kop koffie op te nemen.
“En jij, Roeki,” had zich toen opeens de hoofdmandoer tot hem gewend .... “Jij bent ook bijna vrij .... je contract is over drie dagen afgeloopen ....”
“Saja pâ ....” stamelde Roeki verward.
“En wat wil je? Wil je naar Java terug ....?”
Roeki keek even op. Wat wil je? had de hoofdmandoer gevraagd. Aan hem gevraagd .... hij, die drie jaren lang geen wil had mogen hebben. Willen ....? Hij had het verleerd .... Het was uit hem geslagen, in hem neergetrapt, in hem verstikt .... elk besef van wil, van zelfstandigheid .... En nu opeens vroegen ze hem: “Wat wil je ....?” En over drie dagen was hij vrij .... Hij dacht opeens, dat nenneh te oud zou zijn geworden om voor den karbouw te zorgen. En dat zei hij. Hij zei het stil en bescheiden met zachte stem. Hij zei, dat hij naar Java zou willen gaan om zijn sawah te bewerken. Hij was moe van het harde en vele werk. Moe van den ton-tong, van het onvrije leven. Hij verlangde naar zijn kampong .... En hij vertelde, dat hij in zijn droomen het ruischen hoorde van zijn rivier, het prevelen van het gebed .... Hij zou graag terug willen ....
Bij dat alles had de hoofdmandoer toestemmend geknikt. Zeker, zoo was het. Het contractwerk is zwaar .... Je botten doen er pijn van, niet waar ....? En je hart, dat dwaalt terug naar de plaats van je geboorte, want dáár rust je lichaam het zachtst, als je eenmaal sterven moet .... Hoe goed begreep de hoofdmandoer dat alles. Hoe werd uit den strengen, onbarmhartigen opzichter nu een geduldige, begrijpende priester aan wien je biechten kon als aan een ouden vader.
Door het kleine vertrekje ging zijn stem als een rustige rivier en voerde de aandacht van zijn toehoorders mee, voerde die mee in de richting, die hij koos.
“Maar de kampong .... Roeki .... De menschen van de kampong ...? Wat zullen zij vragen, als je weer komt ....? Zullen zij niet vragen: “Roeki, waar kom je vandaan? En waar was je zoo lang?” En zullen ze niet vragen: “Wat heb je meegebracht van daar, van dat land, waar het goud goedkoop is ....?
En wat zul je antwoorden, mijn zoon ....? Zul je zeggen: ik was daar alleen maar een koelie .... Niet eens mandoer was ik er. Ik heb gezwoegd in het stinkende water van moerassen. Ik heb gesloofd in de natte schaduw van het oerbosch. Ik heb mijn botten krom gebogen om het kale, gloeiende land om te spitten. lk was in de gevangenis. En nu kom ik terug, armer dan ik ging. Nu kom ik terug, half naakt, omdat ik niet eens een baadje heb. Als er een slamatan gegeven wordt in de kampong, dan kan ik me niet eens volgens de adat kleeden, want ik heb niet anders dan mijn eene korte broekje. Niet eens een jonge vrouw heb ik vandaar meegebracht, want ik had er geen vrouw. Geen andere, dan die ik tot ontrouw aan haar eigen man kon verleiden, een slechte vrouw, een hoer ....
Zullen zij dan niet lachen, mijn zoon ....? En zullen zij niet naar je wijzen en roepen:
“Zie, dat is Roeki, die naakt is terug gekomen van het land, waar het geld goedkoop is!”
En zal niet je nenneh haar gezicht buigen naar de grond van schaamte, dat haar kleinkind zóó dom was ....? En jij ....? Zul je niet in plaats van het ruischen van de rivier en het geprevel van het gebed hun hoongelach hooren ....?”
Roeki had zijn hoofd gebogen. Heel stil had hij zoo gezeten, voor zijn leegen kop, in zijn hand de doovende sigaret .... Tegenover hem de wachtende, zwijgende gestalte van den hoofdmandoer, die zóó, als een vader tot hem gesproken had.
“Saja .... pâ ....”
Ook de anderen bogen hun hoofd. Wat voor Roeki gold, gold voor hen allen ....
“Teeken nog een keer bij,” zei de hoofdmandoer .... “Achttien maanden is het tweede contract .... dat is niet lang. Je bent nu geen nieuwe koelie meer .... Je zult niet meer geslagen worden, want je kent het werk al, de gewoonten al .... Misschien krijg je ook een vrouw. Misschien word je mandoer .... Dan kun je sparen .... Rijk naar huis gaan .... Een karbouw er bij koopen, nog een stukje sawah. Met goud zul je terug gaan .... Teeken bij....”
“Saja, pâ ....”
“En als je bijteekent krijg je ook voorschot .... Twintig gulden ....”
De koelies hieven hun hoofd .... Twintig gulden, dat was veel geld ....
“Ik teeken bij, pâ .... Dan ga ik over achttien maanden ....”
Zoo had Roeki bijgeteekend. Ook de anderen. De hoofdmandoer kreeg er zijn premie van, maar dat wist Roeki toen nog niet.
Achttien maanden, dat leek niet lang. Hij kreeg de twintig gulden. Twee nachten dobbelde hij. Toen had hij alles verloren. Een baadje had hij niet gekocht. Een hoofddoek ook niet. En ook zijn baleh-baleh was nog leeg, zonder tikar, zonder kussen. Zoo bleef het alles bij het oude.
Ook die achttien maanden gingen voorbij en nog eens teekende Roeki bij. Hij wist het nu al uit zichzelf: arm kon je niet terug gaan .... Nog eens kreeg hij twintig gulden. Ditmaal dobbelde hij niet. Hij ging naar de maleische kampong om een baadje te koopen en een hoofddoek, want als dit contract zou zijn afgeloopen, wilde hij terug. Maar in een chineesche kedeh zag hij een klok. Een klok, die viermaal in het uur een deuntje speelde. Hij vergat, wat hij koopen wilde. Hij kocht de klok. Ze kostte twintig gulden. Tevreden en gelukkig ging hij er mee naar de pondok. Hij kon niet zien welk uur zij aanwees, want zooiets had hij nooit geleerd. Hij luisterde alleen maar naar het deuntje en het regelmatig tikken en hij vond het een genot met den sleutel de klok te kunnen opdraaien. Hij had er plezier mee, zooals een kind met een nieuw stuk speelgoed en hij dacht er niet aan, dat hij daarvoor zich voor achttien maanden naar lijf en ziel verkocht. Ook zijn kameraden vonden de klok prachtig. Twee maanden tikte ze in het jonggezellenkamertje, speelde ze haar deuntjes .... Toen was ze stuk. Roeki had haar een keer laten vallen. Het glas was ook gebroken. En voortaan hing ze daar maar zóó aan den stoffigen wand, zonder stem, zonder hart, stom en stil. Niemand keek meer naar haar. Haar ingewand verroestte van de vochtige nachtlucht, die door de kieren van de plankenmuren naar binnen drong. En op een dag verkocht Roeki haar aan een Chinees voor een gulden. De gulden verspeelde hij. Het was juist hari besar .... Zoo verging Roeki's leven. De tijd groeide. De rubberboomen groeiden. Hun schaduw dekte den kalen, schoongewieden grond, waar al lang geen mimosa meer stond. Er was een fabriek gebouwd, waar de rubber tot bruine lappen werd gemaakt. Zij bracht twee nieuwe dingen in den zuiveren, stillen, altijd gelijken dag: den stank van de rubber en het gedruisch van de machines. Dat regelmatig machinegebonk werd dan de hartslag van dit nieuw-gewonnen land. Als het ophield hieven de koelies hun hoofd en vroegen elkaar:
“Wat is er gebeurd ....? De fabriek staat stil ....”
Er kwamen niet veel nieuwe koelies meer bij, hier en daar een enkele om een leeggekomen plaats te vullen, want het werk groeide niet meer. Dat bleef hetzelfde. Dat begon waar het eindigde en eindigde bij het begin. Elken dag deden de koelies dat werk: tappen, wieden, tappen, wieden .... En ze wenden aan den dwang, aan den ton-tong. Ze waren er oud bij geworden. En ze werden als getemde dieren, die in vrijheid niet meer zouden kunnen leven.
Het eenige wat wisselde, waren de toewans. Zij kwamen van andere ondernemingen en gingen naar andere ondernemingen. Als zij dik werden en een buik hadden, werden zij soms toewan besar of zij gingen terug naar Holland. Maar zij praatten niet meer zoo ruw als vroeger en zij sloegen ook minder. Daardoor was het contract minder zwaar. Het was eindelijk als een makkelijke kooi geworden, waarin niemand meer naar een deur zocht ....
En door al die jaren werd Java een vagere, verdere schim. Nenneh zou wel dood zijn, dacht Roeki. En de karbouw, die was zeker al geslacht ....
Roeki was al sinds jaren tapper. Elken dag sneed hij dezelfde boomen, de boomen, die hij nog had helpen planten; elken dag haalde hij de latex op, bracht die naar de ontvangloods. Zijn hand kende al geen ander werk meer. Licht gingen zijn stappen langs de boomenrijen, langs de stokken met de wit porseleinen koppen. Elken dag weer .... En hij vond dit werk niet slecht. Hij kende het zoo door en door, dat hij geen fouten meer maken kon en daardoor werd hij niet meer uitgescholden. Hij wist wel niet waarvóór hij dit werk deed. Hij wist niet, wat er gebeurde met de bruine rubberlappen als ze in kisten verpakt per trein verzonden werden .... Hij aanvaardde, dat dit alles zoo was, zonder er bij te denken. Hij verwonderde zich niet over de grootsche regelmaat van al die machines. Voor hem was het heel gewoon, dat daar de fabriek stond en met stalen gedreun de echo’s van het oerbosch overstemde. Voor hem was de evolutie van den oerstaat naar de moderne techniek één stap. Uit zijn praehistorischen droom was hij wakker geschud en ontwaakt in de blanke beschaving van de twintigste eeuw. Alle eeuwen, die daar tusschen waren, heel die moeizame en ontzettende worsteling van het menschelijk brein had hij overgeslagen. En daarom kon het hem niet verbazen of ontroeren daar in plaats van de machtige oude boomen, de machtige muren en schoorsteenpijpen van de fabriek te zien.
Dat was het werk van de Blanda's en hij aanvaardde dat. Zooals de zon en de maan er waren, zoo waren er de fabriek, de kisten met rubber, de trein, de telefoonpalen, de auto’s. En met die auto’s, door Chineezen omgebouwde oude Ford-vrachtwagens, ging hij soms naar de kotta, naar het stadje. Voor een kwartje was hij daar. Daar was de passar en ook de bioscoop. Eenmaal was hij er in geweest. Prachtig had hij dat gevonden .... Van verbazing was zijn mond dien heelen avond open gebleven ....
Een vrouw had hij nog altijd niet. Vrienden ook niet. Kromoredjo was in afdeeling Een. Dien zag hij bijna nooit. Karminah was ook weg, had hij gehoord. Hij wist niet waarheen ... Het was wel een eenzaam leven, zóó, zonder familie, zonder vrouw en kind. Maar Roeki werd al wat ouder. Hij had zich aan de eenzaamheid gewend. Zijn lichaam was forscher geworden en taai van het werken. Hij droeg een snor. En daarom waren er onder de jongeren al een paar, die “pâ” tegen hem zeiden.
Behalve een tikar bezat hij nog niets, want hij bleef in de schuld bij de vrije vrouwen. Het restje, dat hij overhíeld van zijn loon, verdobbelde hij.
Zoo was het leven, dacht Roeki. Het noodlot .... Nassip ....