Querido’s Uitgeverij, Amsterdam 1960.

Székely-Lulofs – Rubber, 13-14

[Koelies, planters en koloniale politiek, 304-310 – Art. 2] 
[Koelies, planters en koloniale politiek, 304-310 – Art. 5] 

Wijd verklinkend over het lege land, honderdvoudig terug ge-echood door het oerwoud, riepen de doffe, dreunende ton-tong slagen de contractanten op voor de uitbetaling van hun halfmaandelijks loon. In lange rijen stroomden zij tezamen, overal opduikend achter en om de heuvels, zich begevend naar het huis van de assistent, die hun uitbetaalde. En de stilte, die anders over het land lag, werd opeens van woorden vol; de diepe brokkige van het Javaans en de luchtige, zangerige van het Soendanees. Een lach, hier en daar, klonk over al deze woorden, klonk ver hoorbaar door de lucht en leek luid, omdat er geen andere geluiden waren dan deze stemmen. Bij het assistentenhuis voegden zich de contractanten in de ploegen, waarin zij ook tijdens het werk waren ingedeeld. Over elke ploeg had een inlands opzichter, een mandoer het toezicht. De vrouwen waren van de mannen gescheiden. Zij werkten onder een mandoeres. Voor het huis, in de tuin, waren een tafel en een stoel gezet. John legde, met zijn krani, het kleine zilvergeld bij elkaar. Achter hem stond stram, en in khaki gekleed, de afde|ings-hoofdmandoer. Hun stemmen dempend tot een enkel gefluisterd woord, kwamen de koelies her erf op, hurkten neer in lange rijen, ploeg naast ploeg. Naast elke ploeg stond de mandoer. John keek inspecterend de rijen langs. Zij zaten daar gehurkt, met strakke gezichten en onverschillige ogen. Een enkele stem lispte nog een woord. Een paar kleine kinderen, door hun moeder meegebracht, schreiden of zeiden wat met schelle kinderstem. ‘Diam!' zei de hoofdmandoer bevelend.
Het werd stil. De moeders susten zacht hun kinderen, hen dreigend met gefluisterde woorden en blikken naar de toewan. De uitbetaling gebeurde vlug, met militaire orde. Eerst waren de mannen aan de beurt. De krani las uit de loonboeken de namen en het uit te betalen bedrag voor, John betaalde het geld uit. Een voor een, gebogen, kwamen de koelies voor de tafel, namen het geld in ontvangst. Ze keken ternauwernood hoeveel ze kregen. Ze hadden er ook bijna geen van allen besef van hoeveel zij moesten ontvangen. Toewan, een blanke, gaf het hun, dan zou het wel in orde zijn. En al zou het niet in orde zijn! Wat begreep je dan nog van zo'n ingewikkelde rekenarij van die witte mensen. Het kwam er voor de meesten ook niet op aan hoeveel zij ontvingen. Voor hen was geld alleen maar een middel tot dobbelen. En het onderscheid tussen veel en weinig geld beduidde alleen langer of korter tijd dobbelen. Na de mannen kwamen de vrouwen. De mandoeres had als teken van haar waardigheid, over haar blote voeten, zwarte manneschoenen aangetrokken en waar al de andere vrouwen blootshoofd gingen, droeg zij een grijze herenhoed, die de helft van haar maandloon had gekost. De vrouwen kwamen en gingen, oude, rimpelige, jonge en knappe, sommigen als afgebeulde oude lastdieren, anderen coquette, opgesierd en met rood geverfde monden en nagels.

Székely-Lulofs – Rubber, 68-70

[Koelies, planters en koloniale politiek, 304-310 – Art. 10] 

Marian was uit haar middagslaap laat wakker geworden. Ze had niet gemerkt, dat Frank was opgestaan en naar zijn werk gegaan. Rondkijkend, zag ze, dat Saïma Bobbie ook al uit zijn bedje had genomen. Soezend, lag ze te luisteren, naar de geluiden, die van buiten kwamen. Hoe laat zou het zijn? Een zwaar gevoel drukte op haar slapen. Een doffe neerslachtígheid kroop in haar op; een melancholie, waarvoor ze geen oorzaak wist. Loom stond ze op. Een broeiende hitte hing in de kamer. Ze schonk zich een glas water in uit de karaf; het was meer dan lauw. Met een ruk gooide ze de luiken open, boog zich met een verlangende zucht naar buiten. Haar hele lichaam snakte naar koelte. Maar onbarmhartig stond daarbuiten de gloeiende namiddag. Uitgeput scheen de hele wereld, afgemat als na een slapeloze nacht. De grond was droog en schraal, onder de duffe, haast verstikkende warmte lieten alle planten mismoedig hun blaren hangen. Aan de hemel hingen een paar kleine bolle wolken. Uit de verte, van de bosrand, hoorde ze de apen roepen.
Toen, luisterend, hoorde ze Frank komen. Was het al zo laat? Nee, dat kon toch niet. Daarvoor stond de zon nog veel te hoog. Ze schatte het half vier. Haastig schoot ze een kimono aan, liep de eetkamer in waar ze Frank vond, die aan Salim water had gevraagd. Met gulzige grote slokken dronk hij de hele fles achter elkaar leeg. 'Wat is het weer stik warm, hè?' zei Marian. ‘Hoe laat is het, je bent erg vroeg. Is er wat?' Ja, leg eens gauw een schone toetoep voor me klaar, ik moet naar Randjah, zo net een order van de baas gekomen. Over tien minuten komt hier de Ford van de kedeh langs. Een sinkeh op Boekit Pandjang is vanmorgen vermoord. Straks wordt hij begraven, ik moet ook naar de begrafenis. We zijn allemaal opgecommandeerd.’ Het bloed vloeide weg uit Marians gezicht. ‘Vanmorgen?' ‘Ja, heel vroeg al.’ 'God, Frank!' 'Ja,' zei hij zich bukkend om zijn schoenen vast los te maken, ‘beroerd, zo'n jong jog nog, pas drie-en-twintig. Goddank maar, ongetrouwd. Schiet een beetje op, kind, ik heb geen tijd.'
Duizelig ging ze naar de slaapkamer, legde zijn kleren klaar, wisselde de knopen in zijn jas met bevende vingers. Een koelieaanval. Daar was het: de eerste assistentenmoord, die ze meemaakte! Dus vanmorgen, toen ze Bobbie baadde, of toen ze zich kleedde, toen werd daar een jonge hollandse jongen afgemaakt, doodgestoken, afgeslacht en niemand wist er van, behalve de koelies. Toen zij Bobbie zijn pap gaf, of toen Frank naar huis kwam om te ontbijten, in diezelfde tijd, lag daar ergens in de rubbertuinen die vermoorde jongen.
‘Kom, Marianke,' haastte Frank. Ze schrok op. ‘Ik ben bijna klaar,' zei ze zacht. ‘En dan moet je, als ik weg ben, direct beginnen met pakken, kind. We zijn overgeplaatst naar Boekit Pandjang, in de afdeling van Johansen. Morgenochtend om zes uur komen de vrachtauto’s voor om de boel te verhuizen, dan moet alles klaar zijn om opgeladen te worden, denk je daar aan? Het spijt me, dat ik je niet helpen kan, maar ik kom zo gauw mogelijk terug.'
‘Frank!!' Bleek leunde Marian tegen de wand. ‘Ja, wat is er ?' “Jij, in de plaats van Johansen?' ‘Ja, wat zou dat'?’ ‘Met dezelfde koelies?' ‘Ach god, ja! Wat doet dat er nou toe?! De moordenaar is gepakt! En koelies zijn koelies. Het had net zo goed hier kunnen gebeuren! Dat is nu eenmaal het risico van het baantje. Maar nu komen wij tenminste ook een beetje in de bewoonde wereld. Voor mij is het prettig. Ik krijg hierdoor een tapafdeling, dat is niet zulk zwaar werk en weer eens iets anders!'
Tranen sprongen in haar ogen, heet en overvloedig. In een mist zag ze de kamer, de meubels, het bedje van Bobbie. Een snik kwam droog uit haar keel.
‘Ja, wat is dat nou?' Hij sloeg zijn arm om haar schouders.
'Soeda, huil nu maar niet. Ik moet weg, kind, daar komt de auto al. Maar je geen muizenissen. En ik zal aan de baas vragen, of we Saïma mee mogen nemen naar Boekit Pandjang.’ Hij beurde haar gezicht op, gaf haar een zoen. ‘Wees een beetje dapper, Marian.' Haastig knoopte hij zijn jas dicht, nam zijn hoed van de tafel en liep met grote passen de voorgalerij door. In de tuin toeterde de chauffeur al, dat hij er was.
Achterin de wagen, dicht op elkaar gepropt, zaten Van Laer, Meesters en Leenkamp. 'Hallo lui!' 'Ga maar voorin Versteegh. Dag mevrouw! We hebben haast, tot ziens.'
Marian keek hen na, de gehele weg af, tot ze bij een bocht uit het zicht verdwenen. Nog een tijd bleef ze zo staan. Een gevoel van eenzaamheid viel als een duistere schaduw op haar neer. Bij een van de stroompjes, die de rubbertuin doorkruisten, klonk het dromerig gezang van een paar vrije vrouwen, die er wasten. Ze wasten hun pannen en hun vuile kleren en hun kinderen, want bij de pondok waren de putten uitgedroogd. Uit het. bos riepen de apen. De echo’s van hun klokkende, melancholieke, als in kettingzang galmende stemmen klonken ver door de stilte. Het leek een prehistorisch geluid. En Marians lamgeslagen gedachten wisten alleen maar dit éne: 'Het gaat regenen, als de apen zo roepen.' Ze keek naar de hemel. Dikke wolken stapelden zich daar tot vervaarlijke kolossen.

Székely-Lulofs – Rubber, 134-137

[Koelies, planters en koloniale politiek, 304-310 – Art. 9] 

Een week later, de dag na de Hari Besar, toen .Joop zijn huis uitliep om naar zijn werk te gaan, vond hij onder aan het trapje de mandoer van de snoeiers op hem wachten. Eerst was Joop hem voorbij gelopen; in de schemer van de nog nauw aangebroken dag, had hij de donkere gestalte niet gezien, maar een bescheiden kuch trok zijn opmerkzaamheid. ‘Mandoer Kassan?’ ‘Saja, toewan.' Onderdanig, met zijn hoed in zijn hand, het hoofd bedekt door een kunstig gevouwen hoofddoek, kwam Kassan naar Joop. ‘Ik verzoek toewan in de pondok te willen komen.' ‘Waarom, Kassan?' 'Een koelie, Toekimin, wil niet naar het werk. Ik heb mijnheer Versteegh al gezocht, maar die is niet meer thuis, die is naar het kantoor, zegt de hoofdmandoer.' ‘Zo, nou dat is goed, dan ga ik wel even.'
Doorlopend, vroeg Joop naar bijzonderheden. Bescheiden, en zoals het volgens de adat past, liep de mandoer twee passen achter Joop aan, terwijl hij vertelde: ‘De nacht van de uitbetaaldag heeft Toekimin al zijn geld verspeeld, hij is een nieuwe koelie, mijnheer kent hem wel, hij is met de laatste ploeg uit Java meegekomen. Gisteren heeft hij de hele dag ruzie gezocht. En gisteravond heeft de hoofdmandoer hem een pak slaag gegeven, omdat hij Parman met een mes dreigde. En nu zit hij voor zijn kamertje en wil niet werken.' ‘Zo,' zei Joop, 'wil hij niet werken, dat zal hij toch wel moeten.' ‘Mijnheer moet oppassen, hij is ‘panas hati', mijnheer moet hem niet slaan.' ‘Ik sla nooit, antwoordde Joop kalm.’
Ze liepen het pondokterrein op. Het was dag geworden. De hele omgeving van de pondok droeg de sporen van de vrije dag: overal lagen vruchtenschillen, stukken pisangblad, klapperdoppen, lege blikjes, papieren, lege luciferdozen en omhulsels van sigarettenpakjes. De beide pondok-koelies waren bezig al dit vuil bij elkaar te vegen. Kippen en honden zochten naar etensresten tussen de pisangbladeren. Naakte kinderen speelden in het droge stoffige zand. Bij de speelloods stonden een paar zwangere vrouwen met elkaar te babbelen. De laatste maand vóór de geboorte van hun kind hoefden zij niet te werken en nu luierden ze naar hartelust.
Toen de kinderen Joop zagen, voegden zij zich tezaam en liepen achter hem aan, in koor zingend: “Tabeh toewan! Tabeh toewan!!'
‘Waar is het kamertje van Toekimin?’ ‘Deze kant, toewan.' Kassan wees beleefd, met zijn duim de richting aan. Joop liep langs de koelie-kamertjes. Een weeë stank van gedroogde vis, specerijen en ranzige klapperolie kwam hem tegen. Op een van de drempels zat een vrouw en luisde haar kind. Toen Joop langs haar ging, liet de vrouw een ogenblik haar handen zinken en keek hem na, met domme ogen en open mond. Twee kamers verder hurkte een in elkaar gedoken gestalte met een sarong tot over de schouders getrokken. ‘Dit is hij,’ zei de mandoer. In zijn stem was een toon van: 'ziezo vriend, nu krijg je er van langs!'
De koelie staarde onverschillig voor zich uit. Joop keek een ogenblik op hem neer. Hij was nog heel jong, bijna een kind. ‘Is je naam Toekimin?' De koelie knikte, met neergeslagen ogen. ‘Antwoord!!' snauwde de mandoer. Onder Toekimins neergeslagen oogleden glipte een zijdelingse blik naar Kassan en glipte weer terug onder de bedekking der oogleden. 'Is je naam Toekimin?' herhaalde Joop. ‘Saja, toewan.' 'Wil je werken of niet?' De koelie zweeg. 'Antwoord!' snauwde weer de mandoer.
En weer gleed onder de neergeslagen oogleden diezelfde blik vol haat naar de mandoer, en weer terug, een blik, als een snelle, puntige slangetong.
‘Wil je werken of niet?' herhaalde Joop weer. 'Ik wil niet werken!' ‘Waarom wil je niet werken?’ De koelie zweeg.
‘Antwoord!' snauwde de mandoer. Toekimin hield de ogen neergeslagen. Hij had zijn sarong wat laten zakken. Daardoor was één arm vrijgekomen. Hij tekende met een wijsvinger figuren in het zand.
'Waarom wil je niet werken, Toekimin? Toekimin bleef zwijgen. De mandoer, in wie een wilde drift begon te koken, deed een stap naar hem toe, maar ‘Joop hield Kassan met een handbeweging terug. ‘Je weet, dat je werken moet, je hebt contract getekend. Alle contractanten werken. Je hebt geen recht om te weigeren. Als je ziek bent, kun je een dag rusten. Maar als je alleen maar weigert om te werken, dan moet ik je naar de rechter opzenden.’ Het bleef stil. Alleen de vrouw, op de drempel, riep iets naar een van de pondok-koelies.
Diam, loe! kerbo!' Kassan bekeek haar dreigend. De vrouw zag met open mond naar hem op. ‘Zie je niet, dat mijnheer hier te doen heeft?' De vrouw lachte stompzinnig, boog zich over het hoofd van haar kind en luisde verder. ‘Wil je werken, Toekimin?' De koelie bleef zwijgen. Joop voelde ongeduld in zich opstijgen, maar zich met geweld beheersend, sprak hij rustig verder: 'Wees niet dom, Toekimin, ga aan je werk. Waarom wil je niet werken?' De koelie antwoordde niet. 'Heb je gedobbeld?' De koelie antwoordde niet. ‘Sta nu op en ga aan je werk.' ‘lk wil niet,' zei Toekimin, donker. ‘Waarom wil je niet?' De koelie zweeg. Hij had zijn hand teruggetrokken en weer onder zijn sarong bedekt. ‘Sta op en ga aan je werk.' Toekimin verroerde zich niet. 'Heb je gehoord, wat ik zei? Sta op en ga aan je werk!!' Joop werd nerveus van deze placide tegenstand. Wat moest hij doen? Slaan mocht hij niet. Schelden ook niet. Naar de magistraat opsturen. Ja, makkelijk gezegd! De man wou immers niet eens opstaan!
Joop keek even de mandoer aan, nam zijn hoed af en veegde de droppels van zijn voorhoofd. ‘Toekimin’, zijn stem klonk geforceerd kalm, maar daaronder beefde de opwinding. ‘Toekimin, luister nu naar me, ga naar je werk.' De koelie verroerde zich niet. Nu kon Kassan zich niet meer inhouden. Een blinde drift sprong in hem los. Hij stapte met één grote stap naar de hurkende gestalte, boog zich neer, nam de oorlel van Toekimin tussen zijn duim en wijsvinger en kneep en draaide het, tot het bijna wit werd. Toekimin rukte zich los, kwam half overeind, als een dier in aanval. Zijn ogen waren gluiperig en waanzinnig van woede. Hij trok de schouders op, liet zijn sarong op de grond glijden en stond dan uitdagend, in zijn korte broekje en blote bovenlijf voor Kassan. Zwijgend stonden de twee mannen tegenover elkaar, in beiden hoog opflakkerende moordlust. Toen schoof Joop Kassan weg. 'Ga onmiddellijk aan je werk en nu, verdomme! is het uit met dat gedonder! Heb je me begrepen?! Vooruit! Naar het werk!'
Dreigend deed Joop een stap naar de koelie. Toekimin deed een stap achteruit. Joop deed nog een stap. Toen, met een als een bliksemstraal uitschietende beweging, dook de koelie voorover, trok zijn mes, sprong op Joop toe. Kassan gaf een schreeuw. Maar het was al gebeurd. Zonder een woord zakte Joop in elkaar. Een brede golf bloed spoelde uit zijn mond.
Kassan boog zich over hem heen. ‘Toewan! Toewan!!' Hij beurde Joops hoofd van de grond. Nog een golf bloed spoelde over Kassans handen. Toen braken de ogen. Het hoofd viel opzij. Het werd zonderling stil.
Kassan bleef een moment op Joops gezicht kijken. Toekimin was weer neergehurkt; onverschillig, bekoeld. Het bebloede mes had hij naast zich gelegd. De oermens, die plotseling onberedeneerd, onbeteugeld, in al zijn hete driften was ontwaakt, was weer even plotseling ingeslagen.
'Allah-il-lah-Allah!' steunde Kassan, zich oprichtend. Hij keerde zich naar de koelie: 'Je hebt mijnheer gedood? “Ik heb hem gedood,' antwoordde Toekimin rustig. De vrouw op de drempel, keek nu op van haar bezigheid, zag het lichaam op de grond liggen. Ze bleef even kijken, toen zonder een spier op haar gezicht te vertrekken, zei ze: 'Ts... eh! De toewan is dood!' Het gerucht vloog over het pondokterrein. De twee vegende koelies, de vrouwen en de kinderen vormden een kring om het lijk. Nog altijd hurkte Toekimin onverschillig op zijn plaats. 'Ts, ts, ts,' klakten de vrouwen, “de toewan is dood... eh!!' De kinderen keken met hun grote zwarte ogen naar de roerloze gestalte. De gebroken ogen staarden met verglaasde blik naar hen op. Een paar vliegen waren neergestreken op de bebloede lippen.

Székely-Lulofs – Rubber, 149-150

[Koelies, planters en koloniale politiek, 304-310 – Art. 7] 

Heel in de vroegte waren ze weggereden. Het was Hari Besar. Slierten nevel hingen nog over de rubberbomen. In de nog duistere ochtendschemer flikkerden de rooïge oliepitjes van de speelloods, waar de contractanten hun loon verspeelden. De hele nacht zaten ze daar, verslaafd, gebonden aan het spel. Morgen zouden ze onuitgeslapen, ontstemd om hun verliezen. met tegenzin, weer aan het opgedrongen werk gaan.
‘De vloek van Deli’ zei John, ‘dat gegok!’ ‘Waarom wordt het dan toegelaten?' ‘Waarom?' John glimlachte cynisch. ‘Er moet toch een trekpleister zijn voor de koelies. En zo raken ze ook hun loon weer gemakkelijk kwijt. Als ze geld sparen, gaan ze terug naar Java, na het aflopen van hun contract! Als ze het niet sparen, recontracteren ze hier, dat is goedkoper voor de maatschappijen, dan telkens nieuwe koelies te laten uitkomen.' Ze zwegen, beiden denkend aan deze woorden, de herinnering aan Joop als een schim achter hun gedachten. Het was geheel daglicht nu. Vóór hen lag de brede gouvernementsweg. Er waren veel vrachtauto's, die koelies vervoerden van de ene estate naar de andere. Ze reden woest en onverantwoordelijk, en herhaaldelijk moest John plotseling remmen om een botsing te voorkomen. Ook ossenkarren waren er. Lange rijen. Altijd reden ze aan de verkeerde kant van de weg. En je kon minuten lang toeteren, voordat de voerlui het hoorden. Gewoonlijk lagen ze te slapen en de ossen liepen suffend en herkauwend traag achter elkaar aan. Toch gebeurde er zelden een ongeluk. Er moest wel een speciale God zijn, die hen behoedde. Maar ze waren de wanhoop van de autobestuurders.