Journalistieke getuigenissen uit kranten en tijdschriften
G.A. van Oorschot Amsterdam, 1971

Walraven – Eendagsvliegen, 96-97

[Bandung 2 – Pastoor] 

[Indische Courant, 4-8-1925]
Dat wil niet zeggen, dat door enkele geestelijken nu èn vroeger geen goed werk zou zijn verricht in het leger. Zeer zeker is door enkelen schitterend werk verricht. Doch dat deze geestelijken in staat waren zovele zegeningen om zich heen te verspreiden, vond niet zijn oorzaak in het feit dat zij geestelijken waren, doch meer in het feit, dat zij mensen waren. Hun geestelijke functie zal hen bij het verrichten van hun liefdewerk meer een beletsel zijn geweest dan een steun. Niet natuurlijk in hun relaties met de legerautoriteiten, die vermoedelijk een gewoon burger niet zouden hebben geaccepteerd, doch wel in hun omgang met Jan Fuselier, die ten opzichte van geestelijken nu eenmaal sceptisch is gestemd, enkele uitzonderingen daargelaten, waarover straks nader.
Wat soldaten in Indië nodig hebben is praktisch christendom en praktisch christendom wordt zowel beoefend door zogenaamde gelovigen als door zogenaamde ongelovigen. Het voornaamste werk van Pastoor Verbraak in Atjeh was het praktische werk dat hij daar verrichtte, de praktische hulp en de praktische steun in wereldse zaken, die door hem aan arme gewonden en stervenden werd geboden. Want als God een God is vol erbarmen, dan zal Hij niet vragen of er bij het sterfbed van een gewonde fuselier wel gebeden is door een predikant en of hem wel de laatste sacramenten zijn toegediend door een pastoor, alvorens hij de geest gaf, ver van zijn vaderland, in dienst van een zaak, waarvan hij nauwelijks de portee kon begrijpen. God zal alleen zien de barmhartige mens, die in de ure des doods aan het sterfbed stond en deed voor de stervende wat hij kon, en op die mens zullen de woorden van toepassing zijn: ‘Wat gij de minste Mijner schepselen hebt gedaan, dat hebt gij Mij gedaan’.
Maar hier hebben wij het officiële christendom, het christendom, dat wordt gedistribueerd via de Javase Courant, dat zich aandient met fraaie titel en gouden, besterde kraag, en dat geïntroduceerd wordt door het Departement van Oorlog!
Zal dit christendom op de chambree verschijnen en trachten iets te begrijpen van de noden en de vreugden der bewoners van deze merendeels vrij onfrisse barakken? Men zal roepen: ‘In orde ...staat! en de geestelijke heelmeester zal de moed in de schoenen zinken bij zoveel stramheid. Niets zal er voor hem te lezen zijn op die strakke gezichten voor de krib (ransel in het midden, kookpannetje links, drinkkroes rechts, stamboeknummer duidelijk zichtbaar!).

Walraven – Eendagsvliegen, 106

[Bandung – Aloon-aloon] 

[De Indische Courant, 24 Juli 1939]
Ook te Bandoeng viel het mij op, dat de straathandel met al zijn levendigheid en kleur, met zijn lichtjes bij avond en zijn vrolijk gewemel van en opgedirkte vrouwtjes, niet meer bestaat. Ook daar is de aloen-aloen woest en ledig bij avond, en de eetgelegenheden zijn teruggedrongen naar particuliere erven, waar zij veel moeilijker zijn te bereiken dan vroeger.

Walraven – Eendagsvliegen, 159-162

[Surabaya – Chineesche Voorstraat] 

Hoe staat de doorsnee geëmployeerde tegenover ‘de directie’? Op deze vraag kunnen wij antwoorden, dat de komst van ‘de directie’ op een onderneming ongeveer dezelfde uitwerking heeft als de komst van Alva destijds in de Nederlanden. Bij dergelijke evenementen voelt de gemiddelde suikerman zich staan als tegenover een onberekenbare, grillige godheid, waarvan het ontzagwekkend aangezicht is gehuld in raadselen. Een heiden tegenover zijn afgoden moet zich op vertrouwelijker voet gevoelen met deze laatsten dan onze suikerman zich voelt met zijn directie, want de heiden beweert te weten, wat hij moet doen om de god in goede luim te brengen; hij kan hem offeranden brengen en hem hullen in wierookgeuren en daarmee zijn van onbestemde vrees vervuld gemoed tot rust brengen. Maar de suikergeëmployeerde ziet zich zelfs daartoe geen wegen geopend. De directie heeft haast; zij heeft een vast programma, waaraan zij zich te houden heeft; zij heeft haar dagen gevuld en zij wordt uitsluitend in beslag genomen door de administrateur. De directie maakt de gebruikelijke omgang langs de ondernemingsmerkwaardigheden, staat in het gunstigste geval aan hen, die er de moed toe hebben en erom vragen, een audiëntie toe, officieel en kortaf, met afbreking van het gesprek, zodra zich dit op banen dreigt te gaan bewegen, die der directie te delicaat zijn, en keert dan weer vliegensvlug terug naar de stad waar andere besognes haar wachten. Wie en wat is ‘de directie’?
De directie (in de suiker schrijven wij dit woord altijd met een kapitale D!), de directie of haar vertegenwoordiger is een mijnheer in een kantoorlokaal, bijvoorbeeld aan de Chinese Voorstraat. Het kantoorlokaal kan ook aan de Griseese Weg liggen of in een andere, meer pittoreske dan hygiënische buurt in de benedenstad van Soerabaia. Maar ter wille van het bijzonder pittoreske en het hygiënische, denken wij ons de directie aan de Chinese Voorstraat. Schilderachtiger omgeving voor een directie is er zeker niet. Aan de achterzijde van het kantoor kabbelen vreedzaam de welriekende golfjes van de heilige stroom, waaraan Soerabaia zijn ontstaan dankt. Aan de voorzijde bevinden wij ons op niet minder historische-heilige grond. Zoals het gelaat van een mens schoon kan zijn door de teisteringen van stormen en orkanen en andere catastrofen des menselijken levens, die op dat gelaat hun sporen hebben achtergelaten, zo is de Chinese Voorstraat schoon door de littekens op haar uiterlijk voorkomen, achtergelaten door de bedrijvigheid van generaties van handelsmagnaten (whatever that means) van allerlei landaard.
Nog heden ten dage kunt u in de Chinese Voorstraat een oud-Javaanse tjikar aantreffen naast een automobiel van de meest moderne makelij. U vindt er de ‘square-faced, hard-headed businessman’ van de moderne tijd naast de handeldrijvende Chinees met het blote bovenlijf. De Chinese Voorstraat is het punt waar Oost en West elkander op het innigst ontmoeten en indien het mogelijk ware, dat iemand op Soerabaia in het genot was van de nodige tijd, en daarbij van de nodige kalmte des gemoeds en de nodige geestelijke geposeerdheid (maar dat is natuurlijk niet mogelijk!), hij zou een dissertatie kunnen schrijven naar aanleiding van deze zelfde Chinese Voorstraat, waarop hij zonder slag of stoot zou promoveren aan elke Europese universiteit bij minstens twee faculteiten tegelijk, letteren en wijsbegeerte en / of geschiedenis!
In de Chinese Voorstraat heerst een chronisch gebrek aan witkalk. Het is echter niet onze bedoeling hierop bijzonder de nadruk te leggen, alsof dit een tekortkoming zou kunnen zijn van de Chinese Voorstraat, want wij zijn bevreesd, dat de Chinese Voorstraat niet meer ten volle de Chinese Voorstraat zou zijn, indien zij behoorlijk werd bewerkt met deze zuiverende en desinfecterende stof. Het is ermee als met oude wijn: hoe dikker de stoflaag die de flessen bedekt, en hoe talrijker de spinnewebben die de toegang tot de bergplaats afsluiten, hoe fijner het ‘bouquet’ van de wijn en hoe groter de waardering van de connaisseur.
Wij accepteren dus de Chinese Voorstraat, zoals wij een eerste editie van Vondels gedichten zouden accepteren: wij letten niet op het beduimelde en wormstekige van het uiterlijk, doch wij voelen een trilling in ons hart bij het ontmoeten van een dier kostbare relikwieën van het verleden.
Doch keren wij terug tot het punt vanwaar wij ons lieten meevoeren door onze romantische verbeelding, nl. tot de mijnheer in het kantoorlokaal, de mijnheer die de directie is, of die haar plaats inneemt. De mijnheer heeft het druk. Met Batavus Droogstoppel kan hij zeggen: ‘Er gaat veel bij ons om!’ Hij ontvangt brieven van alle kanten; zowel van zijn principalen in Holland, die zitten te wachten op resultaten, ‘who are waiting for their ship to come home’, zonder een juist denkbeeld te hebben van de problemen van het Oosten, als van zijn lasthebbenden op de fabrieken, die hem overstelpen met gegevens van comptabele, technische, chemische en landbouwkundige aard. Het is voor één mens teveel om te verwerken. De mijnheer die ‘de directie’ is, doet daartoe dan ook geen poging, doch verdeelt de stof onder zijn medebewoners van het kantoor. Ieder van hen zuigt zich vast aan het voor hem bestemde gedeelte en handelt er mee op zodanige wijze als het meest geschikt is om ‘de directie’ te bevredigen en tevens zijn eigen reputatie als scherpzinnig man te bevestigen in de ogen van diezelfde directie.
De mijnheer, die ‘de directie’ voorstelt, heeft het maar steeds druk. Hij heeft niet alleen suiker, doch hij heeft ook koffie en rubber, en wellicht kapok en copra. Hij heeft effecten en coupons; hij heeft import en export; hij heeft bankzaken; hij heeft dikwijls relaties met de meest onverwachte zaken, waar een buitenstaander geen flauw idee van heeft. En mogelijk is hij in zijn vrije tijd nog bestuurslid van een genootschap tot bekering der heidenen of tot opheffing van gevallen meisjes!
Zijn activiteiten en zijn aandacht zijn verdeeld over vele zaken. En om die reden kan men niet van hem verlangen, dat hij zich verdiept in menskundige studiën omtrent de bijzondere karaktertrekken en capaciteiten van het personeel der onder hem ressorterende suikerfabrieken. Hij moet dit overlaten aan zijn adviseurs en zijn verdere secondanten en voor het overige steunt hij bij zijn beoordeling van personen op de papieren, die deze personen kunnen overleggen.

Walraven – Eendagsvliegen, 181-182

[Malang - postkantoor]

De Indische Courant – 19 november 1932
Hoe het hier in vroeger eeuwen is geweest, welke aanblik de schone plek, waar thans de stad Malang met haar bijna honderdduizend inwoners ligt, destijds heeft opgeleverd, het zal wel altijd voor ons verborgen blijven. In het boekje staat te lezen dat deze streek in het jaar 1767 onder de invloedssfeer van de Compagnie kwam te behoren en dat er in genoemd jaar een loge of factorij werd opgericht. Maar al in 1706 ondernam de Compagnie een veldtocht tegen Soeropati die in de Oosthoek heerste, waarbij onder andere Pasoeroean en Bangil werden ingenomen. Dominee Valentijn maakte die veldtocht als veldprediker mee en schrijft er over in zijn later uitgegeven dagboek.
'Op de middag van 16 oktober', zo verhaalt Valentijn, 'reed ik (ofschoon ik van zwakte nauwelijks op mijn paard kon zitten en mij vasthouden moest) door de bres in Bangil; bevond dat stedeken groot en zeer fraai, gelijk er voor Soeropati en ook voor anderen, enige schone stenen dalams of hoven waren, waarin wij de gebraden vis en het vlees nog op de kolen, en de rijstpotten, die ons volk wonder wel te pas kwamen, te vuur, en van alles groter voorraad vonden dan wij gedacht hadden.'
Waar de loge of factorij heeft gestaan, valt niet moeilijk te raden. Dit moet geweest zijn aan de aloen-aloen, op de plaats waar thans het residentiehuis is gebouwd. Veel bizonders zal het zeker niet zijn geweest, die loge, vooral als men oordeelt naar de oude bouwsels, daar thans nog aanwezig. In de onmiddellijke nabijheid daarvan verrees uiteraard de Chinese kamp, nog heden in volle glorie zichtbaar, zij het ook hier en daar wat gemoderniseerd. Wie echter dieper doordringt in dit conglomeraat van huizen en huisjes, vindt daar dezelfde koekdeegachtige muren en pilaren, dezelfde verscholen binnenerfjes en toegangspoortjes als in elke oude stad van Java. In het boekje voor de toeristen is daarvan niets te zien en toch is deze buurt wellicht schilderachtiger dan het hoe langer hoe meer Amerikaans aandoende Kajoetangan met zijn vierkante gevels, die als reusachtige schermen de straat afsluiten.

Walraven – Eendagsvliegen, 182-183

[Malang - Klodjenkidoel(straat)]

Uit de Indische Courant van 19 november 1932
Wat evenmin onder het oog van de toerist wordt gebracht, zijn de oudere Europese buurten als Belakang Lodji (achter de Loge!), Tongan, Kaoeman, de beide Klodjen's, Djodipan, Temenggoengan, die nog in vele opzichten de bekoring bezitten van het oud-Indische en waar ook nog veel oud-Indische mensen wonen. Daar kan men in de morgenuren grijze Oma's bezig zien in de tuin, lekker commanderende naar oud-Indische trant tot de sullige toekang-kebon, die hier moet gieten en daar moet snoeien, die potten en bakken moet versjouwen en daarna moet vegen met de sapoe-lidi, tot er geen sprietje meer op de grond is te ontdekken. De oude gepensioneerde Opa leest intussen de krant van de vorige dag. Zijn koffie heeft hij al gehad; zelfs is hij in de meeste gevallen al op stap geweest met de honden en heeft hij een ochtendconversatie aangeknoopt met zijn tijd- en lotgenoten in de buurt. Hij heeft diverse pikelaars aangeklampt en naar de prijzen gevraagd van datgene, wat zij pikelden, het mogen mangga's of ananassen, aardappelen of groenten, brandhout of houtskool zijn geweest. In zijn hele leven heeft hij nog niet zoveel belang gesteld in de prijs van de rijst en de eieren, als sedert hij gepensioneerd is en wellicht minder behoeften heeft dan ooit tevoren. Als hij eerzuchtig is, is hij lid van verenigingen of politieke clubs en remt met zijn conservatisme de radicale neigingen der onbezonnen jeugd. Als hij niet eerzuchtig is, blijft bij thuis en fokt kippen en duiven, oefent zich in het zitten op de tuinbank en is de Opa van alle kinderen uit de buurt.
Ook gehoorzaamt hij onderdanig de bevelen van Oma. Niet zoveel roken, zegt Oma. Niet zoveel eten! Eén paitje is genoeg, hoor! Niet zolang in de krant zitten broeien; het lijkt wel of je hem van buiten leert. Is dat nou een man om mee te leven; als een standbeeld zit hij maar met die krant en spreekt geen woord!

Walraven – Eendagsvliegen, 183

[Malang - bioscoop]

De Indische Courant – 19 november 1932
Maar ook Oma heeft haar hobby's en het moderne leven gaat ook aan haar niet ongemerkt voorbij. Temidden van al die schermutselingen met de penatoe, die Opa's pakeans zo slordig behandelt, en met de kokkin die altijd op de blandja tracht te verdienen, waarbij dan nog komen haar geestelijke zorgen over de mevrouw van hiernaast, die al haar geld vergooit aan japonnen en schoenen (haar man kan er zijn jas maar voor uittrekken!), is zij toch ook nog hevig geïnteresseerd in de programma's van de bioscopen. Dit is immers een geheel nieuwe wereld, die in haar jeugd niet bestond. En 's avonds gaat ze met Opa (en als die niet wil, dan met haar dochter of kleindochter) naar zo'n nieuwerwetse kunsttempel, waar je en glimp kan opvangen van een geheel andere wereld, dan waarin zij oud is geworden. Wel heeft zij dat alles altijd een beetje geminacht en er haar neus voor opgetrokken, maar dat er in haar oude, gemoedelijke Malang nog eens dergelijke dingen te zien zouden zijn, dingen, die je onweerstaanbaar wegtrekken van je voorgalerijtje en van je hondjes en van je sprekende beo, dat had ze toch nooit kunnen vermoeden. En Oma, in haar zwarte japon met de witte bloemetjes, haar grijze haarknoedeltje op een dotje onder de rand van haar hoed, en haar comfortabele platte schoenen, stevent naar de eerste voortelling en geniet, zoals ze nog nooit genoten heeft van al de ijdelheden der 20e eeuw. Maar ze zou het voor geen geld openlijk bekennen!

Walraven – Eendagsvliegen, 188-189

[Malang - exercitieterrein]

Uit de Indische Courant van 19 december 1932
Het regent hier elke dag op een afgesproken uur. In de namiddag begint het al en gewoonlijk houdt het aan tot diep in de avond. Pajongs en klompen zijn lakoe en de kippen maken een misantropische indruk. Hun staarten en verder gepluimte hangen naar beneden als treurwilgen. De brave jongen die elke dag de krant brengt, zit met een pajong op de fiets en balanceert op die manier door onze straat. Hij murmureert in zijn binnenste en oppert bescheiden verontschuldigingen als het nieuwspapier wat nat is. Hij lijkt een sombere figuur uit een melodrama, net als de kippen trouwens. Kippen kijken zelden vrolijk, maar het gezicht van onze krantenbezorger is nog wel tienmaal treuriger dan de gelaatsuitdrukking van een doorsnee kip. Hij is elke dag in opstand tegen de elementen.
De jeugd kan niet naar buiten en stelt zich zo goed mogelijk schadeloos binnenshuis, al jo-jo-end en plukharend. Dit is geen toestand voor een Indisch kind, zeker niet voor een Malangs kind. In normale tijden zijn er hier in onze buurt elke avond de vreugden van het Rampalveld, een militair exercitieterrein, dat door het 'burgerlijk element' nochtans met vreugde wordt benut voor sport en spel. Al wat jong is, inheems en uitheems, komt daar tezamen in de vredige vooravond bij het scheidende licht van de dalende zon op het in deze tijden zachtgroene veld, waar het zo ruim is dat er met gemak meerdere matches naast elkaar kunnen worden gespeeld, elk met hun eigen bizondere 'supporters'.

Walraven – Eendagsvliegen, 189-190

[Malang - officierswoningen]

Uit de Indische Courant van 19 december 1932
Hier aan de buitenkant van de stad ziet men Malang van zijn militaire zijde. Langs het Voorkampement rijen zich uniform gebouwde officierswoningen, wat ouderwets van stijl (of van afwezigheid van stijl) met gesloten voorgalerijen van glas, waarvoor genoeglijke gordijntjes als bij een serre. Veel frisse jonge vrouwen, die soms, merkwaardigerwijze, ook iets onbestemds militairs over zich hebben in hun rechte gestalten en hun regelmatige gezichten, als stamden zij allen af van modelsoldaten met vierkante schouders en symmetrische knevels, bij wie alles rechtsgericht is en vierkant opgevouwen volgens de voorschriften, zitten in het groene gras van het voorerf onder de kenariebomen aan de theetafel. Hier en daar een blond spelend kind en een echtgenoot in politiek, visite-achtig manoeuvrerend met een kopje thee. En langs de weg het gestadige verkeer van grijsgroene soldaten, van soldatenvrouwen met kant-omzoomde kabaja's en kinderen met sluike zwarte haren en felgekleurde jurkjes, op blote voeten of in klossende schoenen, gewapend met griffeldoos en het rekenboekje in gekleurd kaftje van doorschijnend papier.

Walraven – Eendagsvliegen, 190

[Malang - kampement]

Uit de Indische Courant van19 december 1932
Wat verderop aan deze weg liggen de kampementen en de militaire sociëteiten. Bij het schildershuis de martiale infanterist op wacht, de karabijn aan de schouder, dribbelend binnen zijn afgemeten schilderterrein. Achter hem de ingang van planken getimmerten, met de gebruikelijke stoffage van de wachtcommandant, hunkerend naar het einde van de dag. Door de entrée-opening verschijnt het binnenste van de kazernehof, waar omheen de semi-permanente gebouwen der kwartieren. Prikkeldraad, wasgoed, bruine verf en koolteer; trompetsignalen, waarbij vooral veel 'sokken verkocht', dit is ongeveer wat de buitenstaander treft van deze aparte wereld, waarin ook de voetballende jeugd van Europese bloede zal komen te verkeren om op haar beurt deel te nemen aan de eeuwigdurende wacht. Want wat ook ter wereld moge haperen, de wacht nimmer! 'Fest steht und treu...!'

Walraven – Eendagsvliegen, 194-195

[Malang - gemeentehuis]

De Indische Courant – 22 October 1932
Ergens in het doolhof in de buurt van ons achtererf woont ook de oude portier van het gemeentehuis. Hij is nu geen portier meer, want Malang is niet langer 'de stad der ouden' voor wat gemeentebetrekkingen aangaat; men heeft de ouden successievelijk afgevloeid. Dat 'afgevloeid' betekent voor sommigen, de kleinsten en de eenvoudigsten en de minst gesalarieerden, dat zij nu inderdaad gaan afvloeien op de ongewisse stroom van de behoeftige ouderdom. Als het ambtelijke iets doet, dan doet het dat altijd met de onpartijdigheid van een stoomwals zonder bestuurder: alles wat in zijn weg komt, wordt plat gedrukt, ook het kleine en het zwakke. Het 'afvloeien' is het gevolg geweest van kritiek in dit en andere bladen; doch zó rigoureus had niemand het bedoeld. De oude portier met zijn gagement van zevenendertig gulden en zijn expeditiekruis met gespen, hij die zo vol respect gesalueerd heeft voor elke ingezetene, zonder onderscheid, die het stadhuis binnenkwam, men had hem wel kunnen sparen. Het schijnt dat men daarvan ook iets heeft gevoeld, want men heeft hem het 'recht' verleend om wacht te houden bij de fietsenrekken aan de ingang, die een bordje dragen: 'Fietsen bewaren 2½ cent'. Die gobangs zijn dan voor hem en als het meeloopt, verdient hij zijn blandja. Hij salueert nog even trouw en waakt over bozen en goeden, over gullen en schrielen. Want er zijn ook nog mensen die weigeren de 2½ cent te betalen, omdat ze 'dienst' zijn of omdat ze het nu eenmaal niet wensen te betalen en omdat de waker er immers tóch staat! Wie iets wil vernemen over de financiële 'genialiteit' van het publiek, hij ga zijn licht opsteken bij Demmo-bestuurders en fietsenbewakers. Als men dat alles hoort, uit de mond van deze Europeanen, dan vraagt men zich af, wat de Inlander in die positie dan wel moet tegenkomen! De Inlander, die maar altijd zwijgt!

Walraven – Eendagsvliegen, 199-200

[Surabaya – Toko Haverkamp] 

Pah zal nu bij ons komen eten, rollade met boemboe! Vooral in de boemboe is zij zeer geïnteresseerd. De boemboe heb ik gekocht bij Haverkamp in de Werfstraat, waar ze de meest wonderlijke collectie kruiden hebben volgens Nederlandse mengprincipes, alles voor 5 cent per busje. Pah heeft aan zo’n busje wonderbaarlijk lang geroken, en het tenslotte vastgehouden, als een zeldzame kostbaarheid. Maar zij is nog niet wezen eten! Bij nader inzien schijnt dát haar toch te ver te gaan.

Walraven – Eendagsvliegen, 218-219

[Surabaya – Sosok] 

[De Indische Courant, 9 October 1935]
Speenhoff heeft een klein liedje gemaakt op de Indischman-met-verlof, dat ik onlangs vond, maar dat ik hem nooit heb horen zingen:

Als verfijnde hovelingen,
Zo aandachtig en zo moe,
Komen ze na jaren werken
Mager naar Europa toe.
Om hun levers op te knapen,
Op de hei of aan het strand,
Of een kouwe neus te halen
In het lieve vaderland.

Meestal zijn hun overjassen
Veel te lang of veel te klein,
Dragen ze gekleurde dassen,
Die al uit de mode zijn.
Met hun grote fletse ogen
Zien ze hier het zaakje aan
Net alsof ze weer na jaren
Voor hun kinderspeelgoed staan.
En daarbij heeft Speenhoff dan een prentje getekend van zo’n Indischman met verlof, zoals ze ook inderdaad waren, want zelf heb ik ze ook zo gekend. In Holland namelijk, in vroeger jaren. En het is wel heel vreemd, of liever opmerkelijk, dat men zulke typen van mensen tegenwoordig niet meer ontmoet. Wij zijn nu allen gezonder en flinker, wij hebben meer kleur op onze gezichten en wij zien niet zo geel van de leverziekte. Misschien komt dat, omdat we niet meer wonen op Kali Sosok en geen water meer drinken uit de leksteen en ons beter voelen en hygiënischer leven.

Walraven – Eendagsvliegen, 220

[Surabaya – Hellendoorn] 
[Subaya 2 – Hellendoorn] 

Ik was op de Jaarmarkt in de stand van het Stehimu* [Stedelijk Historisch Museum]. En een dame, die ik al zeventien jaar geleden kende toen ze nog korte rokken droeg en een blonde vlecht op haar rug, bracht me naar een hoekje van de stand, haalde een oude foto van de wand en ziet: daar zaten de Indischmannen van Speenhoff aan een gastmaal in het oude Hellendoorn!
‘Kijk,’ zei ze me en ze wees op een heer met een snor en een cricket-cap op de voorgrond van de foto, ‘ik ben er bijna zeker van dat dit mijn pleegvader is. Ik herinner me het gezicht nog zo goed, maar ik was nog zo klein toen hij stierf.’ En allebei keken we en ogenblik naar het gezicht van de man op de foto, die zachtjes voor zich heen scheen te lachen, zittende aan een overladen tafel met eetwaren, alsof hij zeggen wilde: ‘Wat denken jullie van deze pan?’
En de dames – allemaal corpulent! – met zwarte rokken en witte blouses en slecht gemaakte schoenen en grote hoeden op heur hoofden, waaronder de bolle haarpruik broeide ... En ik was toch maar blij dat ik toen nog niet in Indië was. En ik keek eens naar het elegante hoofd van mijn chaperonne en naar haar lichte, bijna transparante japon en haar elegante schoentjes, die niet meer waren dan een vernuftig samenspel van riempjes en gespjes, en ik geloof dat zij hetzelfde dacht.
[* zie Nieuw Soerabaia, 392-393]

Walraven – Eendagsvliegen, 240-242

[Malang - station]

'Kritiek en Opbouw' 20 Januari 1942
Voor de politierechter te Soerabaia werd een veertigjarige man tot drie maanden gevangenisstraf veroordeeld, omdat hij op 12 december jl. aan twee dames te Soerabaia had verklaard, positieve inlichtingen te hebben ontvangen omtrent een bom, die op 20 december op de stad Soerabaia zou vallen. Met de man scheen iets niet in orde te zijn. Zo was hij al tien jaar werkloos, en bovendien verklaarden de dames, dat hij algemeen bekend stond als 'een opsnijder'. Uit het verslag in de bladen blijkt, dat de man bij de dames op visite was, althans door haar werd ontvangen voor een gezellig praatje. De schuld van de man bestond in het verwekken van onrust, hetgeen op bovenvermelde wijze werd gestraft. De eis van het O.M. was vier maanden.
De gedachtengang van de rechter zal wel een raadsel blijven voor het grootste deel van het publiek. Het is dus nutteloos hierover in beschouwingen te treden. Maar de gedachtengang van deze dames trekt nog veel sterker de aandacht. Zij waren 'onrustig' geworden, en liepen naar de politie, terwijl zij de beklaagde blijkbaar heel goed kenden en wisten, dat hij zekere afwijkingen vertoonde.
Was er reden voor deze dames om meer dan gewoonlijk onrustig te zijn? Niemand zal dit volhouden. Elke dag bestaat de mogelijkheid, dat er een bom valt op een der bewoonde plaatsen van Nederlands-Indië. De vrees hiervoor wordt door niemand onder stoelen of banken gestoken. Wie het gevaar ontkent, en zich dienovereen-komstig gedraagt, wordt als onmaatschappelijk beschouwd en ook hem klaagt men aan. De schuilkelders, de verduisteringen, de maatregelen voor evacuatie, de luchtalarmen, al deze verschijnselen, hoe begrijpelijk, nood-zakelijk en nuttig ook, verwekken uiteraard onrust. Wat betekent daarnaast het gebazel van iemand, die wellicht niet eens geheel toerekenbaar is?
Nochtans togen deze dames, opgeschrikt uit haar rust, naar de politie en bezorgden de man drie maanden verblijf in Soekamiskin, waar hij zelfs geïsoleerd zal worden, tenzij de directeur van die inrichting hem het bestaan iets dragelijker kan maken.
Wet, politie en justitie, geschenken van het Westen aan het Oosten, spelen in het leven van de echte Indische mens een grote rol. Duizenden gewone mensen in Nederland worden geboren en sterven op hoge leeftijd zonder ooit de noodzakelijkheid te voelen de politie in hun leven te betrekken. Een groot deel der bevolking van Nederland heeft daartegen zelfs ernstige gemoedsbezwaren. Doch hier in Indië, waar men leeft onder een geïmporteerd recht, betrekt men dat recht elk ogenblik in het dagelijks bestaan. Men haalt er dingen uit, die men er in het land van herkomst nooit in heeft vermoed. Men gebruikt het als wapen in de strijd met vijanden; men gebruikt de rechter als instrument om een vijand te treffen; men zoekt geen recht, doch men zoekt wraak, bevrediging van eigen machtswellust. Want men heeft slechts op de knop te drukken en de machine komt aan 't rollen.

Walraven – Eendagsvliegen, 285

[Jakarta 6 – Pieter van Hoorn] 

[De Indische Courant, 4 / 5 / 9 Augustus 1939]
Het was tamelijk vroeg in de morgen, toen wij per taxi Gang Sentiong inreden om te gaan naar het oude landhuis van Frederik Coyett, nu een Chinese klenteng. Gelukkig maar, dat een Chinese klenteng is! Ware dat niet zo, het zou reeds lang niet meer bestaan. In Batavia is eigenlijk alleen datgene over – wijlen Dr. De Haan heeft het vele malen geschreven! – wat niet kòn verdwijnen, omdat het eigendom was van het Gouvernement, of omdat men er een bijgelovige, dan wel een eenvoudig gelovige verering voor had. Al het andere is gevallen onder de hamer van de sloper, of is versjacherd door geldzuchtige lieden.
Het huis was nog intact. (Ik zal u in dit opstel telkens moeten vertellen over mijn opluchting over wat nog intact was!) De rode plavuizen waren er, en de balkjes in de zoldering, en de luiken voor de raamopeningen. Ook aan de indeling was niets veranderd. In de zijkamer, misschien vroeger een slaapkamer, stond de merkwaardige verzameling Hindoebeelden nog op haar gemetseld voetstuk, zwart berookt door de vele offervlammen, maar ongeschonden. Hoe die beelden er komen, kan blijkbaar niemand met zekerheid verklaren, noch hoe zij tot deze kanonizering zijn geraakt. Feit is, dat zij daar zijn, en dat het licht erbij nooit wordt uitgeblust.
Eens moet het huis temidden van een tuin hebben gelegen. die tuin is nu verdwenen en de omgeving is tot kampong geworden. Verderop, in de richting van de Weg van Jacatra, wordt het terrein een groot, met zwiepende klapperstammen beplant grafveld voor Chinezen. De graven zijn al heel oud.

Walraven – Eendagsvliegen, 287

[Jakarta 3 – graf van Zwaardecroon] 

Uit De Indische Courant, 4 / 5 / 9 Augustus 1939
Pieter Erberfeldt is ook al netter behuisd dan vroeger jaren! Het terreintje ervoor heeft men netjes gladgepatjold en het prikkeldraad, waarop altijd vuile lappen hingen te drogen en waarbinnen gewoonlijk een geit graasde, is verdwenen. In de plaats daarvan is er een cementen voetpad, dat van de weg naar de schandsteen leidt. De kop heb ik nog eens goed bekeken en het lijkt mij best mogelijk, dat er werkelijk een menselijke schedel zit binnen de laag van kalk of specie. De ogen had men, naar het scheen, met zwartte verf omcirkeld. Misschien baldadigheid, evenals katjongs zwarte knevels tekenen op de gezichten vol reine rust der Singosarische beelden.

Walraven – Eendagsvliegen, 287-288

[Jakarta 3 – graf van Zwaardecroon] 

Uit De Indische Courant, 4 / 5 / 9 Augustus 1939
Honderd meter verder ligt, vóór de Portugese Buitenkerk, het graf van Zwaardecroon, den grote vijand en buurman van Erberfeldt. De koperen plaat op het graf blijft volkomen gaaf. De koster komt al aanlopen om de deur te ontsluiten en wij betreden Batavia’s enige kerkgebouw uit den Compagniestijd. Aandoenlijk is het, altijd, om die vrouwenstoeltjes daar in het midden bijeengeschaard te zien. Ook hier was men aan het opknappen geweest, en men was wel wat ver gegaan. De cireerkwast op de banken der Hoge Heren van de regering laat ik nog passeren, maar is het nodig met blikken stencilletters en witte verf op die banken te vermelden voor wie zij bestemd waren? Weten wij daar nu nog wel iets met zekerheid van? Weten wij nog, waar de ouderlingen en de diakenen zaten, waar de Raden van Indië, waar de ex-Raden, en waar de Heer Generaal, als hij ooit de dienst bijwoonde in deze armeluiskerk?
Buiten sta ik nog even stil bij Zwaardecroon’s laatste rustplaats, het enige graf van een gouverneur-generaal uit den Compagniestijd, dat hier, omdat het op een pauperskerkhof lag, bewaard is gebleven. Ik loop over het kerkhof, ‘het Jassenkerkhof’, tientallen malen omwoeld, steeds voor nieuwe graven. De klok hangt in de houten stelling, naast de kerk, om de hoek. Het is er nog allemaal, en ik verheug mij daarover! De huisjes aan den overkant van den Gelderse-weg beginnen te verdwijnen. Ik zag er nog maar enkele, die in de oude toestand waren.

Walraven – Eendagsvliegen, 288-289

[Jakarta 2 – Kaarsrechte Prinsenstraat] 
[Jakarta 2 – Gevangeniscellen] 

De Indische Courant, 4 / 5 / 9 Augustus 1939
Het oude Stadhuis, op het Stadhuisplein, wordt goed onderhouden. De conciërge, een oud-onderofficier met een fris en blozend gezicht, liet mij met een gerust hart overal rondneuzen, behalve natuurlijk in de kamers, waar de provinciale ambtenaren verdiept waren in hun dagtaak. Maar het martelkamertje kon ik even zien. Het trapje naar de tribune, waar de heren uit den hogen neerzagen op de pijnbank-operaties van den beul, angstvallig luisterende of de gepijnigde niet een bekentenis uitsprak, had men weggebroken, maar het balkonnetje zelf was er nog. Men had het zelfs ijselijk mooi opgeverfd! Ook de lange, smalle kamer aan den voorkant van het gebouw, op de eerste verdieping, waar de rechters getuige waren van de executies, die op het terras buiten plaatshadden – dat getuige-zijn behoorde tot hun taak en na afloop gingen zij dan smakelijk eten! – die kamer is er nog altijd, hoewel er niets bizonders is te zien. Maar met enige historische eruditie kan men hier de geesten van het verleden oproepen, en als men uit de ramen ziet, ligt de kaarsrechte Prinsenstraat voor u, met in de verte, aan het einde, de Amsterdamse Poort, waarin de verroeste ijzeren beelden van Mars en Minerva nog altijd met hun ogen schijnen te rollen, alsof zij de wandelaar willen afschrikken. De muren zijn dik, en de sloten zijn zwaar in het oude Stadhuis. Opzij, in de Binnen Nieuwpoortstraat, ga je door het poortje met het spiegat en den klopper naar de achterplaats, waar de oude cellen zijn, die de gevangene niet veroorloofden rechtop te staan. Blijkbaar zaten ze daar zichtbaar voor iedereen, achter de dikke tralies. Ik hoop van harte, dat men aan dit Stadhuis niet gaat verbouwen, niet gaat breken!

Walraven – Eendagsvliegen, 289a

[Jakarta 2 – Grafstenen] 

De Indische Courant, 4 / 5 / 9 Augustus 1939
Aan de Westzijde van het plein is dan het bouwwerk, hetwelk verrezen is op de plaats, waar eens de Hollandse Kerk stond en later goedangs zijn gekomen, doch waar in de bodem altijd de oude graven van zoovele regeringspersonen zijn gebleven. Het in aanbouw zijnde heiligdom staat geklemd tussen andere huizen. Het heeft een spitse gevel, en men bereikt de ingang langs een stenen stoep. Daarbinnen was men nog aan het werk. Overal werklui. Er was trouwens een bordje ‘verboden toegang’. Hoe het zal worden, kon ik dus nog niet zien, maar toen ik ’s middags op het kerkhof Tanah Abang kwam, zag ik de grafsteen van Abraham Patras, die uit de muur was gebikt, klaar om vervoerd te worden. Ik miste daar ook de steen van Van Imhoff, de mooist bewerkte van alle, maar één van de vele lanterfanters in het kantoor vertelde mij, dat die al was overgebracht naar het Stadhuisplein. Mijn ongerustheid over het lot van de steen zakte dus weer wat. ‘Men leeft er zoo vreemd mee’, zou De Haan verzuchten, als hij het zag.

Walraven – Eendagsvliegen, 289b

[Jakarta 1 – Schildershuisje] 

De Indische Courant, 4 / 5 / 9 Augustus 1939
Bij Pasar Ikan ben ik geweest, bij den ouden stadsmuur. Wij hebben den walgang gelopen, waar de schildwacht liep. Wij hebben gestaan in de stenen ‘peperbus’, die hem tot schuilplaats diende bij regen. Op het bastion Zeeburg bleek al het puin – ook de vele losse IJsselstenen! – dat daar vroeger rondzwierf, opgeruimd en het binnenste van het fortje was met gras begroeid, alsof men het in cultuur had gebracht. Wat zou er gebeurd zijn met de oude gele steenen? Misschien heeft de vereniging ‘Groot-Batavia’ begrepen, dat zij te pas kunnen komen bij herstellingen aan oude gebouwen! Waar is ‘het puin’ uit Mangga Doewa? Het heeft waarde voor den in Oud-Batavia geïnteresseerde!

Walraven – Eendagsvliegen, 290

[Jakarta 1 – Zeevisserij] 
[Jakarta 1 – de Uitkijk] 
[Jakarta 1 – Vierkantspoort] 

De Indische Courant, 4 / 5 / 9 Augustus 1939
Wie hier komt, moet ook het aquarium niet overslaan! Het is maar een klein aquarium, maar het bevat zeer veel moois, en de vissen worden goed verpleegd.
Wij wandelden over de gronden van de westzijdse pakhuizen, een goede twee eeuwen oud. Wij bekeken de Uitkijk, nog niet zoo oud, en Culemborg. Hier ergens was de plaats van het Vierkant, waar iedereen aankwam, die pas in Indië arriveerde, en waar zijn blik het eerste viel op de galg, volgens het matrozenliedje: *)
’t Is nu ruim vyf jaar geleden
Dat ik quam in ’t Injes Land.
En met myn voet quam getreden
Binnen de Poort al van ’t Vierkand,
De Galg het eerste was
Die ik aanschouwde ras.
Even zagen wij de Werf, want de poort stond open. Het houtwerk en de balustrades van gedraaide spijltjes waren ongeschonden. De Haan kan gerust zijn
*) [Du Perron – De muze van Jan Compagnie, 130, 133-135]

Walraven – Eendagsvliegen, 291

[Jakarta 1 – Roa Malakka] 

De Indische Courant, 4 / 5 / 9 Augustus 1939
Op de Roa Malakka (de Jonkersgracht) zijn nog mooie huisjes, die ook van binnen mooi houtwerk bevatten. Ik weet het. Maar ze zijn nu onbewoond en dus gesloten, en ik heb geen tijd den eigenaar op te schommelen. Het doet mij slechts genoegen, dat het er tenminste nog alles is en ik hoop, dat men het voor vernieling zal bewaren, zoolang mogelijk.

Walraven – Eendagsvliegen, 291-292

[Jakarta 2 – Kanon] 

De Indische Courant, 4 / 5 / 9 Augustus 1939
De hogepriester van het ‘heilige’ kanon was zeven jaren ouder, en ook naar evenredigheid dikker geworden. Het was alsof hij van verre zag, hoe profaan mijn houding was tegenover zijn gewijde relikwie, want haat straalde uit zijn dikomwalde lodderogen. Ik lachte honend. Ik zou toch wel graag eens willen weten, wie deze hogepriester zijn aanstelling heeft verleend. Het kanon is eigendom van het Nederlands-Indische gouvernement. Waarom werkt dat gouvernement deze poppenkast in de hand? Is deze hogepriester werkelijk in vollen ernst daar geplaatst door of namens de eigenaar?
Ik zag in een publicatie naar aanleiding van het verslag over 1938 van de Stichting ‘Oud Batavia’ in volle ernst gewag gemaakt van dit ‘heilige’ kanon als een voorwerp van zorg voor de Stichting en de regering. Het kanon, met zijn obscene sluitstuk, gegoten door een gieter met een verontreinigde verbeelding!
De hogepriester is er nu al jaren, en de dikke krans van papieren parasolletjes bewijst, hoeveel hier geofferd wordt. Hoeveel mensen hier in dodelijke ernst heentijgen, misschien wel van ver buiten Batavia, om van de geest des ‘heiligen’ kanons kinderzegen af te smeken! En het kanon is zoo volslagen Westers, zo beschamend Westers eigenlijk, niet alleen door de Latijnse woorden, die er – als bij een kerkklok van Hemony – in zijn gegoten, maar ook en vooral door dat aan de vieze grappen van oud-Hollandse matrozen en ambachtslui herinnerende sluitstuk. En daarom kan ik niet nalaten erbij te lachen, half geërgerd ook. Wanneer zal het offergrage Oosten nu toch eindelijk eens wijzer worden?

Walraven – Eendagsvliegen, 292

[Jakarta 5 – Kaptein Jas] 

De Indische Courant, 4 / 5 / 9 Augustus 1939
Datzelfde vraagt men zich af, als men op de begraafplaats Tanah Abang bij het al evenzeer ‘heilige’ graf komt van ‘Kaptein Jas’, een personage, dat naar alle waarschijnlijkheid nooit heeft bestaan. ‘Kaptein Jas’ stelt hogere eisen aan de bedevaartgangers, die hem komen aanbidden. Hij is, pot-hier-en-gunter, niet tevreden met een parasolletje van Chinees papier! Maar men schijnt hem dan ook te consulteren voor gewichtiger zaken dan het krijgen van kinderen, en zijn clientèle is blijkbaar welgestelder. Rondom zijn boom liggen dure kunstbloemen, gesloten in blikken trommels met glazen deksels. Er waren erbij, die nog van zeer jonge datum waren, maar er zijn er ook, die door en door verroest zijn. Die hebben vroeger hoog in de takken van de boom gehangen, als ledige kraaiennesten in een winters bos. Het grafje van metselstenen is overwoekerd door de luchtwortels van een soort waringin, en vroeger was die boom hoger dan tegenwoordig. Men schijnt de takken te hebben gesnoeid, of eigenlijk, – want snoeien zal wel niemand hebben aangedurfd bij zoiets heiligs als deze boom – eigenlijk houd ik het ervoor, dat zij vanzelf naar beneden zijn gekomen door de wind. Toen vielen ook de verroeste blikken met de kapotte plaatijzeren bloemen erin, en die heeft men nu allemaal opgestapeld rondom het grafje, de nieuwste aan de buitenkant, zodat het gelijkt op een bebloemde vuilnishoop, een ‘rosokan’. Ik zag ditmaal geen overblijfselen van wierookstokjes of eindjes kaars, maar die waren er vroeger wel! De opzichter van het kerkhof naderde indertijd het graf nooit zonder zijn hoed af te nemen! ‘Kaptein Jas’ is de beschermheilige van Tanah Abang.

Walraven – Eendagsvliegen, 293

[Jakarta 1 – Havenhoofd]

[De Indische Courant, 4 / 5 / 9 Augustus 1939]
In de namiddag reden wij langs het oude havenkanaal, aan de rechterkant, naar de plaats, die nog altijd wordt aangeduid als ‘Kapal Roesak’. Het geraamte van het ijzeren schip, dat hier vroeger inderdaad op het strand lag, was niet meer terug te vinden en dus blijkbaar opgeruimd, maar een eindje in zee was een baggermolen gezonken. Het bovenstuk ervan stak uit het water en werd omspoeld door de grijze golven. Aan het eind van het jaagpad is een café gebouwd, een simpele gelegenheid van blik. Op het zand staan tafeltjes en stoeltjes en men kan er allerlei verversingen krijgen. De wind uit zee brengt een heerlijke koelte, ook in de namiddag, en wij tuurden in de richting van Onrust.
Aan het uiterste eind van het jaagpad brandde een groot vuur op het zand. Het bleek een Japanse lijkverbranding! Een hoofdagent van politie waakte erbij als vertegenwoordiger van het Gezag, en de vrienden en familieleden van de overledene zaten in het cafeetje en dronken limonade en koffie, onophoudelijk druk pratende. Twee koelies hadden tot taak het vuur te onderhouden, en elk ogenblik smeten zij met een boog grote houtblokken, plof, in het vuur, zodat de vonken opvlogen. De blokken ploften telkens met weinig reverentie bovenop het stoffelijk overschot, dat werd gecremeerd, maar dat scheen geen bezwaar te zijn. Het proces was al een halve dag aan de gang, en nog lang niet afgelopen. Wij trachtten er geen notie van te nemen en zaten wat achteraf op het strand en dronken onze koffie. Totdat wij ten leste toch een eigenaardige braadlucht in onze neus kregen, een Japanse sateelucht om het dan zo maar eens te noemen, want het scheen, dat de wind enigszins was gedraaid. Toen zijn we maar weggegaan. Het vuur brandde nog lustig, en de koelies smeten er telkens nieuwe houtblokken in. Het gezelschap in het cafeetje zat erbij met stoïcijnse kalmte en bepaalde zich tot toekijken.

Walraven – Eendagsvliegen, 294

[Jakarta 3 – Torong] 

Uit De Indische Courant, 4 / 5 / 9 Augustus 1939
Bijna aan het einde van Molenvliet is Gang Torong (Gang Toren), waar de twee lange rijen huisjes staan, die de rijke Willem Vincent Helvetius van Riemsdijk in zijn dagen heeft doen bouwen om te verhuren aan de kleinen man. Zij staan er nog bijna onveranderd, althans in hoofdzaak, want hier en daar is het front wat gemoderniseerd, en zijn de houten kolommen verwisseld voor gewone vierkante stijlen. Maar de onder- en bovendeuren zijn gebleven. Binnenshuis zijn de roodaarden tegels meestal verwisseld voor cementen dito. En aan het einde staat nog altijd de klenteng, ‘de Chinese Kerk’, waarnaast de toren van Ds. Mohr stond, die natuurlijk verdwenen is. Ds. Mohr beoefende er later een soort internaat in voor ‘de borsten van de pen’. Daar kon men eertijds heengaan om nieuws te vernemen uit bijna officiële bron, en de Indische, of Bataviase zegswijze van ‘de Chinese Kerk zegt het’, moet hier van deze plek stammen.

Walraven – Eendagsvliegen, 294-295

[Jakarta 3 – Tiong Hoa] 

Uit De Indische Courant, 4 / 5 / 9 Augustus 1939
Glodok is vlakbij, en Pantjoeran. Daar gaan wij natuurlijk eten en kijken naar den avondpasser op het gedempte gedeelte. De passer vond ik niet meer zo schilderachtig als voorheen. Men had orde geschapen in den chaos. Men had de eetkooplieden tezaam gebracht in één afgeschoten, overdekt gedeelte, en de rest van het terrein werd ingenomen door stalletjes van Chinezen, die bij het felle licht van gasolinebranders allemaal dezelfde artikelen bleken te verkopen: hemdjes en broekjes, everready’s, kammen, tandenborstels, zeep en spiegeltjes. Wel was er een druk geloop van volk, vooral Chinezen en Chinese vrouwen en kinderen, want de benedenstad is een volkomen Chinese stad. Maar de avondpasser zelf was te ordelijk om nog langer schilderachtig te zijn. Evenals in Bandoeng merkt men ook in Batavia de dwingende hand van de politie en den locale wetgever.
Doch men kan nog zeer goed eten op Pantjoeran, even goed als in de dagen van Maetsuycker en Camphuys. Ook wij gingen als de dichtende matroos van die tijden, ‘naar het neesje’, naar het restaurant Tiong Hwa.

Ik nam mijn koers weer van het pad
Al door de groene hegge,
Ik nam mijn weg regt na de Stad,
Ik ging bij ’t Sneesje leggen;
Ik eyste daer een Massak
En ik rookten een Pijp Toebak
En ik at wat sla
En dronk een gloria.

Wat ‘een gloria’ is geweest, weten wij niet meer, maar merkwaardig is, dat nog heden te Batavia middenstandszaken van Chinezen ‘Gloria’ worden gedoopt. Wasserij Gloria. Muziekhandel Gloria. Het is even ingeburgerd als de portebrisée sedert het huis van Reinier de Klerk aan de Molenvliet, als de pilaren en zuilen sedert de bouw van de Harmonie. Dit restaurant Tiong Hwa en het daarnaast gelegen Thay Tong – dat met de balkons! – zijn niet veranderd sedert vele jaren. Dezelfde Chinezen vindt men daar nog, dezelfde wijze van koken, dezelfde manier van bedienen, zonder Inheemse djongos. Misschien heeft alleen de ijskast haar intrede gedaan, maar dat is dan ook alles.

Walraven – Eendagsvliegen, 295-296

[Jakarta 6 – Luilekkerland] 

[De Indische Courant, 4 / 5 / 9 Augustus 1939]
Maar op Pasar Baroe vindt men ‘Het Snoephuis’ en ‘Luilekkerland’, namen die alleen maar verzonnen kunnen worden door Chinese meisjes met een Hollandse schoolopleiding. Als wij aan snoepen denken, krijgen wij voorstellingen van kleverige zuur- en gomballen, of felrode suikerstokken, die smelten en kleven. Hier in Indië houdt snoepen verband met dingen, die in een wrijfschotel worden gewreven met een krom wrijfhout, trassi en lombok en knoflook en zure, onrijpe vruchten. Ook wel satee en lontong. Dat heet dan ‘snoepen’, hetgeen bewijst hoe weinig met het in vroeger dagen heeft moeten stellen.
Deze ‘snoephuizen’ en ‘luilekkerlanden’ worden druk bezocht in de voormiddag. De percelen op Pasar Baroe zijn er eigenlijk te smal voor, Zodat men in ‘Luilekkerland’ soms als haringen in een ton gepakt zit.

Walraven – Eendagsvliegen, 296

[Jakarta 5 – Capitol] 

[De Indische Courant, 4 / 5 / 9 Augustus 1939]
En als men bepaald iets anders wil, gaat men naar ‘Capitol’, waar de heer Duel nog altijd de leiding heeft en waar de muziek zeer goed is. Bizonder druk is het er niet des avonds, evenmin als het in geheel overig Batavia bizonder druk is. De stad is nog altijd donker en stil na zonsondergang en ook dat is een traditie. In de benedenstad is het zelfs spookachtig bij avond, maar die benedenstad heeft dan ook nog nooit behoorlijke verlichting gekend, vooral in de tijd van haar ontstaan, toen elke inwoner een lichtje brandde voor zijn eigen deur en niemand zich zonder fakkel op straat begaf bij avond. De oude tijd komt op u toe, ook heden nog.

Walraven – Eendagsvliegen, 296-297

[Jakarta 6 – Volkslectuur] 

Toch is het mij wederom gebleken, dat er te Batavia gehele mensenlevens worden gesleten, zonder dat er ook maar een ogenblik contact bestaat met de resten van het verleden der stad. Ik heb een jongeman ontmoet, die zelfs in het bezit was van een tweedehandse Ford, doch die, ook al zwierf hij door de hele stad met dat ding, nog nooit den ouden stadsmuur had opgemerkt op Passer Ikan. En de dame uit het hotel, overigens afkomstig uit Den Helder, doch reeds zeventien jaar te Batavia woonachtig en werkzaam in verschillende departementen van het stedelijk leven, verklaarde mij in alle gemoedskalmte: ‘De Portugese Buitenkerk, meneer? Ik ben d’r nog nooit geweest! Ik weet niet eens waar die staat!’ Er was toch cynisme in haar stem, alsof zij zeggen wilde: ‘Je ziet, hoe weinig een mens aan zijn leven kan hebben in Indië’.
Zoo zou zij dus ook niet geweten hebben, waar Balai Poestaka is gevestigd, alwaar wij vriendelijk en voorkomend werden ontvangen en waar wij Maleise pantoens en Soendanese sisindrans kochten, omdat Du perron onze belangstelling daarvoor had gewekt

Walraven – Eendagsvliegen, 297

[Jakarta 1 – brug]

[De Indische Courant, 4 / 5 / 9 Augustus 1939]
Niet altijd is het verleden even mooi. Wellicht is het meer tragisch dan mooi en verheffend. Maar het spreekt tot ons met een luide stem, als wij tenminste wat gelezen hebben van die dingen en er wel eens persoonlijk op uit zijn gegaan. Ik kan het nog altijd betreuren, dat ik aanvankelijk eveneens vrij onverschillig tegenover dit alles stond. Dat ik mij bepaalde tot klachten over de warmte en den rommel. Doch nu, alhoewel ik mij heb voorzien van een waaier in Batavia en ik mijn excursies hoofdzakelijk in hemdsmouwen heb volbracht, gevoel ik spijt, als ik bedenk, dat bij mijn komst in dit land Pantjoeran nog niet gedempt moet zijn geweest, en ‘het rondeel’ nog op Glodok bestond, en dat ik daar niet aandachtig naar heb gekeken. Dat er meer ophaalbruggen waren in dien tijd dan alleen de Hoenderpasserbrug, en dat ik, komende uit een land vol ophaalbruggen, daar onverschillig aan ben voorbijgegaan. Wie pas uit Nederland komt, blijft koud bij een gelen baksteen van IJsselstein of Krimpen, maar wie hier een kwarteeuw ongebroken heeft geleefd, en nimmer kon teruggaan, die voelt zich diep geroerd bij dienzelfden gelen steen. Hij acht dien steen plotseling zeer kostbaar en merkwaardig, ook al vraagt de ‘baar’ hem, waar hij het eigenlijk over heeft?...

Walraven – Eendagsvliegen, 308-309

[Bogor – Buitenzorg]

[De Indische Courant, 1 Augustus 1939]
Er wonen veel mensen in Buitenzorg en men ziet er personen van allerlei rassen en van velerlei beschaving. Ik wandelde langs het paleis. De gouverneur-generaal was in Batavia en toekangs waren bezig op het dak. Misschien zou het paleis wel mooi kunnen zijn, als de zuilen nog rank en vrij stonden, maar het is lelijk gemaakt door later aangebrachte luifels van grijze materie, die op een derde van de pilaren hangen, van boven af gerekend. Men mag het park niet betreden, maar nochtans zaten op het gazon twee vrouwen, waarvan de ene in volle gemoedsvrede het hoofd van de andere ijverig inspecteerde. Uit de ramen van het paleis kon men het zien. Had D.D. het niet gezegd? ‘Dit volk leeft seigneuriaal!’

Walraven – Eendagsvliegen, 309

[Bogor – Restaurant] 

[De Indische Courant, 1 Augustus 1939]
Buitenzorg is de plaats met de grootste regenval van Java. De lucht was er steeds bewolkt, somber, donker, weinig zon. Maar de beide dagen die ik er doorbracht, brachten geen regen, hoogstens dreiging. In de namiddag zat ik met Du Perron bij Foek’s restaurant. Ik dronk bier, hij ijskoude thee in een glas, met wat suiker. Dan schonk hij een beetje van mijn bier in zijn zoete thee en dronk dat zoopje, en ondertussen vertelde hij van Parijse feuilletonisten en toneelcritici, beschreef hun persoon en eigenaardigheden, om dan te besluiten met uit het hoofd opgezegde fragmenten van enkele hunner opstellen, en dat in prachtig Frans, sonoor en meeslepend. Om dan enkele ogenblikken later een diepgaande beschouwing te wijden aan de gado-gado van Foek’s restaurant, die ‘overheerlijk’ moet zijn, om met de Indische dames te spreken, die ‘eten buitenshuis’ leveren. ‘Als je die gado-gado bestelt, dan kun je ook zeggen dat je gegeten hebt, zie je’. En daarom besloten wij er maar niet aan te beginnen, want wij hadden nog afspraken.