Korte verhalen brieven kronieken
G.A van Oorschot – Amsterdam 1952

Walraven – Op de grens, 13-14

[Pasuruan – Havenhoofd] 

Het huis stond in een tamelijk breede, gewoonlijk uitgestorven straat, in een van die snikheete, oude kuststadjes van Oost-Java, die voortvegeteeren op het achterland, waar enkele suikerfabrieken en wat bergcultuurondernemingen, samen met den onnaspeurlijken opkoophandel van Chineezen en Arabieren, behoefte hebben aan een afvoergelegenheid. Hoe meer je naar den kant van de zee liep, hoe meer plompe goedangs met gegolfd ijzeren daken je zag, totdat je eindelijk in de verte de zee zelf ontdekte, waarvan je toch altijd nog gescheiden bleef door een modderige ondiepte. Slechts een breede geul, in stand gehouden door het uitmondende rivierwater van de landzijde, doorsneed het moddergebied. Door de geul voeren prauwen tot aan de stoomschepen, die veilig ‘op stroom’ bleven en zich niet waagden in de buurt der aanslibbing. Aan weerskanten, onafzienbaar ver, was een net van vischvijvers. En op het slik, terzijde van de geul, lag een wrak van een houten scheepje, overzij gevallen, jammerlijk te vergaan. Het was eens hier, bij een storm, in het gezicht van de haven gekraakt en men had het, na onttakeling, verder aan zijn lot overgelaten.
Maar het havenhoofd met zijn bestrate vierkante kade van klinkertjes, en zijn douanekantoortje met groengeverfde luikjes, was volkomen Hollandsch. En als je de rivier volgde, terug naar de stad, kwam je, voorbij een brug, aan een verbreeding, waar de oevers beschoeid waren ter voorkoming van afkalving. De kromming van den oever aan de rechterzijde verraadde dadelijk een Hollandschen aanleg. De kaai, die eveneens beklinkerd was, was aangelegd voor het lossen en laden in de schaduw der boomen, en zij kon in een Zeeuwsch havendorp liggen. De lage huisjes, die met hun ramen uitzicht hadden op het haventje, waren gebouwd in precies dezelfde bocht als de kaai. Kleine meerpalen staken hun koppen nog op uit de bestrating. De huisjes hadden boven- en onderdeuren, en soms een stoepbank naast de deur, maar altijd één flink groot raam, dat de kamer daarbinnen verlichtte. Niets ontbrak aan het beeld dan heldere gordijnen, wat roode geraniums en fuchsia’s in de vensterbanken, wat tjalken en boeiers voor den wal, met roefjes en loopplanken en een keffende keeshond in het gangboord. Maar het vroegere schippersleven, dat hier eens in zuiver Hollandschen trant moest hebben getierd, met inbegrip van den reuk van touwwerk en teer en tabak, was verdwenen sedert den aanleg van spoor- en tramlijn, en alleen het oude décor was bijna onaangetast behouden. In den laten namiddag, als het havenbuurtje verlicht werd door de wat zwakker geworden schuine stralen der dalende zon, besloop je de weemoed als je ernaar keek. Dan leek het op een zomermiddag, lang geleden, ergens in Brouwershaven of Stavenisse.
Maar aan den anderen kant van het oude haventje waren nu schuttingen, of verbrokkelde, zwart uitgeslagen muren van de achtererven der groote huizen, die aan de straat lagen, welke natuurlijk de Heerenstraat heette. Want vroeger woonden daar ‘de Heeren’ van het stadje, en zij waren ook inderdaad de echte Heeren geweest. Nu woonden er niet zulke Heeren meer, ook al bleef de naam ‘Heer’ angstvallig in eere. Zelfs aan het haventje, in de huisjes met de onder- en bovendeuren, woonden nu heeren. Welzeker.

Walraven – Op de grens, 14

[Pasuruan – Soos] 

De Heerenstraat was beplant met knoestige kenarie- en asemboomen, oude exemplaren, die hun wortels uitstrekten tot onder de steenen tuinmuurtjes der huizen en ze hier en daar zelfs opgelicht hadden, zoodat de pilaartjes scheef stonden en het ijzerwerk verbogen was.
Ommuringen waren er genoeg in het stadje. Geen baksteen, geen kalk en zand waren gespaard door de langgestorven geslachten, die deze huizen hadden gebouwd. Plompe bakbeesten van huizen, met dikke zuilen, die niets te dragen hadden dan een halfverteerd pannendakje, en die aan alle kanten bedekt waren met vele lagen witkalk van jaren her, zoodat alle scherpe lijnen, alle hoeken, waren afgerond. Alsof de zuilen waren opgetrokken uit kneedbaar materiaal, uit een soepele brij, met handenvol door klodderige koekebakkers gefatsoeneerd tot plompe kolommen.
Oud was de stad, snikheet, rommelig en vuil, met resten van vergane grootheid en snobistische bouwsels van lateren tijd. De soos was voorzien van ontzaglijke zuilen. Men zou daartusschen wel Shakespeare’s ‘Julius Ceasar’ hebben kunnen opvoeren zonder eenige noemenswaardige wijzigingen in de entourage, zoo voortreffelijk leenden zich de ruimten tusschen de pilaren voor de opstelling van Caesar’s doodbaar, mitsgaders de weidsche gebaren van den lijkredenaar.

Walraven – Op de grens, 14-15

[Pasuruan – Residentswoning] 

Het residentshuis was eigenlijk een ruïne, met afgebrokkelde ringmuren en vervallen pleisterwerk, vol onvermoede kamers en ‘bijgebouwen’, dateerende uit en tijd der ongelimiteerde heerendiensten, toen zulke groteske steenklompen uit den grond konden worden gestampt zonder de begrooting van het land noemenswaard te belasten. Maar toch had Louis Couperus in dit huis, ergens in een van deze kamers, in het begin van deze eeuw gelogeerd, en er zelfs de laatste hand gelegd aan een roman! .....

Walraven – Op de grens, 15

[Pasuruan – Alun-Alun] 

Vage verhalen waren in omloop over fabelachtige sommen, die in vroeger jaren ‘verdiend’ moesten zijn met smokkelarij op de ongecontroleerde kust, ontoegankelijk geacht door koortsverwekkende moerassen. Aan die smokkelwinsten moeten het meerendeel van die protserige, smakelooze huizen hun ontstaan te danken hebben. In den tijd van Modjapait en Mataram was er om het bezit van deze stad gevochten en zelfs nog in de dagen der Compagnie hadden hier gewichtige krijgsbedrijven plaatsgevonden. Nog was de aloon-aloon wijd en prijkte met den eeuwenouden waringin in het midden. De toren der moskee priemde er hoog in de lucht en de graven er omheen waren zeer heilig. Alles wees erop, dat in vroeger jaren deze veste het bestaan had Soerabaia en Semarang naar de kroon te steken, maar tragisch was het verloop der dingen geweest. Het leven was geweken en de stad deed thans denken aan het opgegraven Pompeji of Herculanum.
Klein en zielig was ook de gedachtengang der bevolking en geen vrije geest vond daar ook maar eenige ruimte ter ontplooiing, iedereen kende iedereen en men begluurde en bekletste elkaar, vol ziekelijk verlangen toch zooveel mogelijk te weten van de zaken van den evennaaste. Wie daaraan niet meedeed, werd als bij onderlinge afspraak doodverklaard en ruimde vroeg of laat het veld. Als een geacht ingezetene op zijn schemeravondwandeling een hem onbekenden Europeaan tegenkwam, dan beloerde hij deze steelsgewijs van onder zijn neergelaten oogleden en vroeg zich af, wie dat kon zijn? Wat kwam die hier doen? Wat had hij hier te maken? Wie en wat zou hij zijn? Hoeveel zou hij ‘verdienen’? En niet eer was de gemeenschap gerust, dan nadat de vreemdeling visites had gemaakt en rekenschap en verantwoording had afgelegd omtrent zijn herkomst en toekomstplannen

Walraven – Op de grens, 16

[Pasuruan – Moskee] 

Het leven van de Inlanders, van de ouderen onder hen, concentreerde zich veelal om de moskee en het bidhuisje, wel wat zelfvoldaan en lichtelijk farizeesch als zij op Vrijdag ten tempel gingen, de hadji’s in lange kaftans en met Europeesche zwarte paraplu. De Madoereesche koelie leefde zijn sober bestaan en spaarde zijn geld in zijn buikriem, ’s nachts slapende in een krot of een lege pakkist. Onder hen waren er toch ook velen, die reeds vroeg in den morgen, voordat de zon op was, met anderen samenkwamen in het bidhuisje van den kampong, waar zij baden, eerst kalm en langzaam en gedempt, doch tenslotte al harder en harder, woester en woester tot geen levende ziel meer het oog look in den kampong en zijn naaste omgeving. Doch het jongere geslacht van eenige meerdere ontwikkeling in cosmopolitische zaken sierde zich naar de laatste Westersche mode, hoe exentriek die dan soms mocht zijn. En stil onder elkaar op maanlichte avonden bedwelmden zij zich aan exotische woorden als ‘imperialisme’, uitheemsch kapitaal’, ‘nationalisme’. Dan hurkten zij bijeen tot laat in den nacht en ronkten hun guitaren eentonig, met nu en dan een nasaal uitgegalmden volzin van een pantoen.

Walraven – Op de grens, 19-20

[Pasuruan – Kampong] 

O, de kampong! Daar was haar leven. Daar ademde zij vrijer. Er waren oude kampongs in de stad, met stille plekjes en schilderachtige hoekjes, die de menschen van de breede straat niet vermoedden en nooit zelfs hadden gezien. Onmiddellijk achter de Europeesche gevaarten van kalk en steen begon de kampong, bereikbaar door smalle gangetjes van den grooten weg, zelden betreden door een Europeaan. En het mocht dan vuil zijn en primitief, zooals de menschen zeiden, het was ook mooi, en genoegelijk, en zelfs poëtisch, zooals men hier en daar een huisje aantrof, dat half verborgen was in de schaduw van een bamboestoel, of een breede, koele woning van een welgestelden ouden Inlander, waarvan de vloer met tot zitten uitnoodigende matten was gedekt en waar men genoeglijk keuvelde bij thee en snoeperij, of bij de ingrediënten van den aloude sirihpruim. Waar men het immers valsche “mevrouw” of “njonja” achterwege liet en haar aansprak met het respectvolle en toch zoo vertrouwelijk en veilig klinkende “mas adjeng”. En, oh Allà-àh, zuchtte zij. Met een langen nadruk op de laatste lettergreep van dat woord, zij kon het niet helpen, maar de stille hulde in de oogen der mannen was haar aangenaam. Haar eigen volk, haar eigen taal, haar eigen adat. Wat had zij, ondanks al het goede in de afgeloopen jaren, veel gemist in haar leven. Het was toch immers, ondanks den mevrouw-titel, slechts een leven geweest van dienstbaarheid en slaafsche ondergeschiktheid? En nòg was het dat. In de oogen van de kleine Gerda zelfs las zij den superioriteitswaan van het andere ras. En de neerbuigende vriendelijkheid van de andere mevrouwen in de straat, nu eens onderwijzend, dan weer meesterachtig, haast bevelend terechtwijzend, maakte, dat er iets in haar verkilde als zij weer het oude huis betrad, waarin al haar kinderen waren geboren, maar toch nooit het hare werd.

Walraven – Op de grens, 21-22

[Pasuruan – Pasar] 

In deze entourage, die niets met het heden had uit te staan, vervulde zij haar mechanische plichtjes. Zij hielp het kind naar school, at een blokje plakkende kleefrijst met geraspte klapper en goela-djawa, rookte een Djatiroenggo-sigaret, die zij heerlijk vond, al haalden de kinderen den neus op voor die vulgaire gewoonte, en toog met een gulden ter passer. Als zij terugkwam, na een uur van genotvol loven en bieden, telkens om twee centen op een bandeng, of een cent op een handvol bajem, riep ze kokkie Toerie, Madoereesche, een wandelend skelet.
Kokkie Toerie knielde neer bij het verrukkelijke stilleven van den passer. Hoe glansden de felroode lomboks tusschen de lichtgroene petéh-boonen; hoe glinsterend zilver schitterden de schubben van dien vetten bandeng! Hoe frisch aangesneden lonkten daar de schijfjes tempeh, oranje tusschen schimmelgrijs. En het rose vleesch met een randje lichtgeel vet, en twee blaadjes witte kool, en de terrong voor de sajoer, en het stukje karbouwenmaag met de prikkels, oh, en de trassi zoo aanlokkelijk verpakt in een versch pisangblaadje. De gemberwortel, de koenir, de laos! Samen delibereerden zij over de prijzen, en kokkie Toerie, vriendin van jaren, die al de kinderen in den slendang had gedragen, en die een “familiestuk” was, zooals de Indische menschen zeggen, kokkie Toerie sperde haar rooden sapmond wijd open van eerbied en verbazing bij het hooren omtrent de talenten van de njonja op het punt van afdingen. Een cent afdingen, dat beteekende een overwinning op het leven, op de wereld.

Walraven – Op de grens, 38

[Surabaya – Willemsplein] 

Het regende al de gehele morgen en het zag er niet naar uit, dat het die dag nog zou opklaren. Het Willemsplein was leeg en verlaten en over de Rode Brug reed slechts nu en dan een taxi of een ossenkar.
De verkeersagent op zijn ton droeg een regenjas, die glom van het water. Grijs was de lucht aan alle kanten en de Soerabaia-rivier stroomde snel, takken, pisangstammen en vuil met zich meevoerende in de richting van de Oedjoeng. Het plein was leeg op een enkele Opelette na, die met neergelaten zeilen midden in het water stond, dat zich in grote plassen had verzameld, daar waar het asfalt verzakkingen vertoonde. Ik liep dicht langs het grote kantoorgebouw van ‘Internatio’, hopende een taxi te ontdekken, die mij naar trein of autobus zou brengen, toen ik plotseling uit de richting van de Opelette luid mijn naam hoorde roepen.
Een gezicht was zichtbaar door een kier in de zeilen. Het was het gezicht van Harry de Pareira en ik stelde inwendig vast, dat ik aan Harry niet zou ontkomen, regen of geen regen. Ik danste op de punten van mijn schoenen door het regenwater en bereikte veilig de achterkant van het voertuig, waar Harry het portier met het zeil al gastvrij openhield.
Toen ik op het bankje tegenover hem zat, na mij ontdaan te hebben van mijn druipende hoed en mijn jas, bood hij mij een sigaret aan, die ik weigerde, omdat ik de voorkeur geef aan een pijp, vooral wanneer ik in een kleine ruimte voor de regen schuil. Toen wij beiden rookten, vroeg ik:
‘Wat doe je hier, Harry?’
‘Wachten! Moet U naar Malang? Ja? Ik ook. Maar ik moet nog wat wachten op orangs.’
Ik keek hem aan. Hij was mager, maar dat was hij altijd geweest. Achter de ronde glazen van zijn zwartomranden bril stonden zijn ogen donker en trouwhartig, als altijd. Hij was een van die Indo-Europeanen, voor wie tien jaar geen verschil schijnen te maken, die niet schijnen te verouderen, omdat hun trekken een vaste vorm hebben aangenomen, die niet oud en niet jong is.

Walraven – Op de grens, 41-42

[Surabaya – Panggoeng] 

Het eerst kwam er een vrouw met een grote rol, die de hele breedte van het busje besloeg. Zij werd afgeleverd door een sinjeur, die het woord voor haar deed, vermoedelijk een ‘makelaar’. Ook verscheen er ergens uit een warong aan de waterkant een ‘kornet’, die Harry’s zwerversleven bleek te delen en hem moest helpen bij alles. Ik vroeg verder niets want Harry is eigenlijk van een zwijgzame natuur, maar ons tête à tête in het achteronder was ten einde. Wij verhuisden naar voren en Harry zat achter het stuur, ik naast hem. Wij rookten en het regende nog steeds.
Kort daarop verscheen er een gezicht, nat van de regen en met een brede mond en gebarsten lippen. Er kwamen rauwe geluiden uit de mond, die alleen Harry kon verstaan. En, zo is dan zijn gewoonte, hij neemt het stuur, geeft gas, en voort gaan we, de buurt van Panggoeng in, naar de nauwe straatjes, waar de ‘vreemde Oosterlingen’ wonen.
Harry geeft geen uitleg. Ik weet het wel, dat hij mij liever vlug en snel naar Malang zou brengen, en ik tracht hem zijn lot te verlichten door opgewekt te praten en hem een verhaal te doen van een Hindoe-barbier in Panggoeng, die met Lebaran zich in wanhoop bedronk, omdat zijn omgeving hem op die dag speciaal uitschold voor ‘Hindoe! Hindoe!’. Op de andere dagen van het jaar was iedereen heel gewoon tegen hem, maar op die dag, de dag van lebaran, was zelfs zijn huishoudster steil orthodox!
Harry hoort me aan, zonder veel aandacht. We houden stil voor een kleine Arabische toko met twee ramen en een deur in het midden, waar in de etalage fluwelen mutsen en stoffen voor mannenkleding liggen. De kornet gaat naar binnen, komt weer buiten en begint de opelette van binnen te bekleden met grote Amerikaanse kranten. New York Sun, Boston Examiner, en Chicago Herald. Dan wordt de wagen volgedragen met grote, vieze, zwartberookte aarden potten, van boven dichtgebonden met een stuk mat, die scherpe vislucht verspreiden en op elkaar worden gestapeld tegen de kranten aan.
‘Wat is dat, Harry?’ vraag ik.
‘Zalm’.
‘Zalm?’
‘Nou ja, Indische zalm!’
‘Maar hoe heet dat dan in het Maleis?’
‘Piendang! Houdt U ervan? Dan zal ik wel zorgen dat er een pot blijft hangen. Smaakt heel lekker! Ze koken die vis met zout, net zolang tot al het vocht verdampt is, en dan kun je de visjes zo van de graat breken. Fijn bij Uw nassie!’
Harry weet heel goed, dat ik vijfentwintig jaar nog maar heel slecht nassie heb leren eten, maar daarom juist houdt hij deze culinaire redenering. En intussen vervult hij zijn stuwadoorstaak, telt de potten, en let op of de lading wel goed f.o.b. in zijn wagen komt. Het zou ook c.i.f. kunnen zijn, want er ging nog een vrouw mee, die de eigenlijke handelaarster in piendang bleek te zijn. De potten moesten naar Lawang, naar het huis van de koopster.

Walraven – Op de grens, 155-156

[Malang - ANIEM]

Uit de kroniek 'Apologie'.
Ik wil nog iets verder gaan en toegeven dat ik in Indië ben, tegen mijn persoonlijken wil. Ik word er eenvoudig vastgehouden door vele plichten, net als zoovele anderen waarschijnlijk. Maar ik heb in mijn langjarige Indische practijk ontdekt, dat er verschillende 'Indië's' bestaan en het is nu maar de vraag, welk Indië men kiest of cultiveert. Ook Europa is geen ondeelbaar geheel en als ik moest kiezen tusschen het platte land in Nederland en Indië, zoo koos ik onvoorwaardelijk Indië. Op het platteland in Holland zou ik nog meer 'tegen mijn persoonlijken wil' leven dan hier. Want in sommige opzichten is Indië voor mij een heerlijk land. Wanneer ik mij zorgvuldig verschans achter mijn klamboe of in de tot studeerkamer geïmproviseerde garage of desnoods in een leegstaande bediendenkamer, die voorzien is van een Aniem-lichtpunt. Wanneer ik mij daarin installeer temidden van obat-njamoek geuren en met een pijp, in een zeer summier toilet, 'dan laat de wereld mij zoo koud als ijs', zooals het liedje zegt. En in dat eigenaardige en zeer comfortabele 'Indië' heb ik gelegenheid gekregen boeken te lezen, waartoe ik in Holland zeker nimmer zou zijn gekomen.
Juist mijn verzet tegen dat Indië 'van de buitenkant' heeft mij den strijd doen aanbinden tegen de sloomheid van den achtermiddag, tegen het gewauwel van de voorgalerij, tegen de conversatie van de glimlachende en handjesgevende menschen, tegen den sleurdwang van de bridgetafel, en tegen de luidruchtige, maar oppervlakkige hartelijkheid van de soos.
Inderdaad mis ik in Indië sommige dingen. Bijvoorbeeld een werkelijk goed geoutilleerde bibliotheek en nu en dan een verwante ziel. Alle verwante zielen worden overgeplaatst, of ze gaan trouwen, of ze zijn werkloos en moeten zich ergens opbergen voor den storm. Wat ik vroeger in Holland heb gezien met mijn oogen van twintig jaar, dat zou ik nu willen weerzien met mijn oogen van veertig en meer jaren. Bovendien zou ik willen zien wat ik vroeger heb vergeten of verwaarloosd of zelfs geminacht!

Walraven – Op de grens, 158-159

[Jakarta 7 – Rechtshogeschool] 

De Indische Courant 1 Maart 1940.
Indië kent de wet! Weliswaar heeft het die wet zelf niet uitgevonden. Het heeft feitelijk nimmer enige invloed kunnen uitoefenen op het ontstaan der wet. De wet is Indië eenvoudig opgelegd. De wet is, als zovele dingen hier, een importartikel. Maar Indië is gelukkig met de wet. Het weet uit deze wet dingen te voorschijn te halen, het ontdekt in die wet mogelijkheden, die de gewone burger in het land van herkomst nooit in het hoofd zijn opgekomen. Evenmin als men vóór zijn komst in Indië besefte, wat het wil zeggen ‘Europeaan‘ te zijn, evenmin kan men vóór die komst bevroeden welke mogelijkheden het burgerlijk recht en het strafrecht bieden, wanneer deze rechten worden gehanteerd door het zeer juridisch aangelegde Indië.
Indië zoekt eigenlijk zelden recht. Veelal zoekt het wraak! Het ziet in de wet een dierbaar middel om een vijand te negeren, om een gehate nabuur te treffen. En om dat doel te bereiken schroomt het geen moeite of kosten, daarvoor zet het de ganse machinerie van het recht in beweging. Evenzeer als Indië op audiëntie gaat bij de allerhoogste ambtenaar, die het slechts kan vinden, tot bij de gouverneur-generaal, enkel en alleen om quasi zijn ‘belangen’ te bepleiten, doch in werkelijkheid om een medemens in een minder gunstig daglicht te stellen, evenzo aarzelt Indië niet om de hoogheid van het recht, van de toga, naar omlaag te halen door datzelfde getogade recht te gebruiken als instrument waarmee men wraak neemt, waarmee men zijn woede koelt. Indië, in wezen dictatoriaal van aanleg, en geenszins overtuigd, dat alle burgers gelijk zijn voor de wet, acht het daarnaast niet beneden zich gebruik te maken van de geïmporteerde democratische bestanddelen van het Westerse wetboek ter bereiking van zijn Oosterse oogmerken. Niemand geniet meer van de wet dan Shylock, dan een Arabische woekeraar. De wet zelf is hem vreemd, en zulk een wet zou in zijn eigen land wellicht nimmer kunnen zijn ontstaan. Doch hij juicht bij haar mogelijkheden en hij verheugt zich in de middelen, die deze wet hem verschaft om anderen te kwellen en uit te persen. Dit is het noodlot van Westerse wetten in het Oosten.
Een prachtig middel is de deurwaarder! [...]

Walraven – Op de grens, 176

De tekst over ‘Batavia’ in Op de grens, 176 – 186 is dezelfde als die is opgenomen in Eendagsvliegen, 285 - 297

Walraven – Op de grens, 183-184

Zelfde tekst als Walraven – Eendagsvliegen, 294-295

Walraven – Op de grens, 226

[Malang - vrijmetselaarsloge]

Uit de kroniek '10 Mei 1941'
De ethische Europeaan is in de jongere categorieën vrijwel verdwenen; de socialistische Europeaan met zijn vroegeren proletarischen broederzin wordt volkomen gemist. Er zijn welwillende en weldenkende Europeanen in den zin van voorheen. Men vindt hen nog op middelbaren leeftijd bij het Binnenlandsch Bestuur, bij de rechtspraak en bij vele andere takken van dienst, die er vooral zijn voor de bevolking en die dus geregeld contact met haar hebben. Maar onder jongeren en niet het minst onder hen, die in particulieren dienst zijn, vond het nationaal-socialisme zijn aanhangers in Indië.
En naar mijn mening kan geen ernstiger en fataler slag lndië treffen dan een overwinning van het nationaal-socialisme. Men durft niet meer in deze tijd, maar laat ons niet vergeten, dat de echte Indischman het nationaal-socialisme innig heeft bemind. En hij is niet veranderd. De meest respectabele menschen sympathiseeren ermee, hoewel zij zullen zwijgen, zooals ze ook vroeger altijd gezwegen hebben, maar ze zullen geen vinger uitsteken om het regiem te keer te gaan.
Dit is wat ik zeggen wil op den tienden Mei. Men denke na en zij op zijn hoede voor den buitenlandschen, maar ook voor den thans nog onzichtbaren en zijn eigen krachten nog nauwelijks beseffenden binnenlandschen vijand.