Em. Querido's Uitgeverij B.V., Amsterdam 1983

Springer – Tabee, 21

[Bandung – Protestantsche Kerk]

We gingen naar de kinderkerk, op dinsdagmiddag, vlak bij het stadhuis. Die dominee speelde later leider in het burgermannenkamp. Menno, Theo, de anderen en ik vonden die jeugddiensten natuurlijk flauwekul, maar het was vooral in de grote vakantie een goede gelegenheid om elkaar weer eens te zien en de kippen te bekijken. Na de kerk slenterden we langs Braga en kochten ijs van het achtergehouden kerkegeld. Sommige meisjes viel de eer te beurt dat zij met ons mee mochten. Menno maakte meestal uit wie dat waren. Als ik dat wou, zei hij, mocht dat krielkippetje ook mee. Ik durfde het Dollie niet te vragen, dus het ging niet door en dat was maar goed ook want dat lanterfanten op Braga was niets voor haar geweest. Soms belandden we in een van de bioscopen rond de aloon-aloon of bij het station. We zagen onder andere die adembenemende film King of the underworld met Humphrey Bogart, voor een dubbeltje. Bij iedere zoen op het doek werd er gebruld en gefloten. Door ons het hardst. Dollie had deze uitspatting niet overleefd. Zij was er te rein en te fijn voor. Was ik dan te lullig om haar voor een nakerks uit stapje te vragen, Dollie zelf was flink genoeg. De volgende jeugddienst zat zij, met andere meisjes van onze zesde klas, in de bank achter ons en ik hoorde haar meegiechelen met de anderen om de grapjes van Menno c.s. De dominee oreerde over onze hoofden heen. Het was een ongevaarlijk bedrijf om zijn dienst in de war te schoppen. Zij liep opeens even naast mij bij het uitgaan van de kerk en ik voelde een propje papier in mijn hand. Waar haalde ze de moed vandaan! Ze vonden mij een zak omdat ik niet meeging naar Braga die middag. Ik peesde op mijn fietsje naar huis, dat propje in mijn hand. Het was klef en scheurde doormidden toen ik het in mijn kamertje openmaakte. 'Ga je mee zwemmen morgen dag Dol.'
Dat zwembad heette Tjihampelas en het lag in een ravijn.

Springer – Tabee, 56-57

[Bandung – tandarts Rütte]

Ja, zij leek weer te blozen en ik vond het verdomd warm in die zon, maar slaagde er toch in grappig tegen haar te knipogen en tegen Ferry en Lucy. Die Menno toch! Hij kon het niet hebben dat iemand hem was voor geweest. Nog een knipoog. Nu ging de zak in geuren en kleuren allerlei episoden uit de Bandoengse jaren oprakelen. School, kinderkerk, zwembad. Ook hij was niet veel vergeten. Dollie keek hem af en toe angstig aan.
‘Ach, schattig ja,' zei Lucy, ik ben dol op dat soort stories. Puppies' love. Vertel alsjeblieft verder, Men.'
‘Wij lazen die strip van Flash Gordon,' zei Menno, 'een heldendicht van avontuur, stond er boven. Ik gapte dat blad, d’Oriënt, iedere week weg bij die tandarts op Merdika. Die had zijn wachtkamer vlak aan de straat, weet je nog, Rudy?'
‘Flash Gordon en keizer Ming!' riep Ferry enthousiast. 'Wij waren op d'Oriënt geabonneerd.'
‘Verder Men, ajo.'
‘Wij speelden Flash Gordon. Ik was Flash Gordon natuurlijk. In raketten zoefden wij langs de Lembangweg. The girls were damned impressed, adoe. Iedereen noemde mij Flash. This guy here hebben we maar Winnetou gemaakt, maar Indianeneer, ho maar ! Ask Dola.'
Ze keek nu echt angstig met die grote open. Ik had ook liever dat hij ophield. 'Omong kosong,' zei ik tegen Ferry, ‘ik ben al dat kinderachtige gedoe al lang vergeten. En jij, Dollie?'
‘En jij, Dollie?' bauwde Menno mij na, 'Dollie didn't forget anything, waar of niet, Dol? Tell him, Dol.' Hij slurpte zijn glas bier leeg en rukte meteen een nieuw blikje open, een snor van schuim op zijn bovenlip.
‘Ik was bang voor Men,' zei ze zacht tegen Lucy, 'wil je wel geloven, I was really scared of him.' We lachten allemaal.
‘Hoe schattig,' zei Lucy weer vertederd, 'geef mij ook nog een biertje, Men.'
‘Maar we hadden het over Winnetou hier, zei Menno.

Springer – Tabee, 85-87

[Bandung 2 – Hospitaal] 

Toen was er niets meer te doen voor ons. De akela's werden zelf in bussen weggevoerd en wij liepen, Japanse marsliederen zingend, van Tjihapit naar een voormalige KNIL-kazerne niet ver daar vandaan, waar een burgermannenkamp was ingericht. Ik werd ziek, al gauw na aankomst. Hongeroedeem en dysenterie wisselden elkaar af. Naast mij op de brits in de dysenteriebarak lag een zekere Frank Melis, een jaar of achttien, die urenlang vier uitgeknipte kookboekplaatjes beduimelde, kwijl in zijn mondhoeken. Een dampend bord puree met kalfsragout, een gebraden kip in jus, zo echt dat je hem rook, een tulband met krenten en poedersuiker, en een hele prachtige afbeelding van een ouderwetse rijsttafel. Ik mocht de plaatjes nooit bekijken, maar als Frank weer uren op de latrine zat te kreperen van de buikkrampen, deed ik het natuurlijk toch. Frank werd letterlijk van de honger scheel. Na een vreselijke aanval van krampen en een lozing van bloedontlasting viel hij in slaap en sliep ander halve dag. Toen hij wakker werd keek hij scheel.
Later zag ik hem nog eens in Den Haag, in '56 was het, en hij keek nog steeds scheel. Mijn benen werden dikker van het water, mijn lijf dunner van de dysenterie. Opeens kwam er meer eten. De afgeschreven ziektegevallen op de britsen bij de uitgang van de barak (na overlijden konden zij dan weggedragen worden zonder dat de hele zaal wakker werd) hadden er niet veel meer aan. Zij konden rijst en bonen niet meer verteren. De dokter had ook weer sulfaattabletten. Ik ging snel vooruit en zat 's ochtends met de andere lopende patiënten op de stoep van de barak tegen de zon te knipperen toen er plotseling grote vliegtuigen over de daken scheerden en oranje papieren uit gooiden. Een ging er later rond in de barak. ‘Landgenoten, houdt moed. Onze troepen zijn dichtbij. Japan heeft gecapituleerd. Oranje boven,' of zo iets. Buiten het kamp, in de stad, werd geschoten. Indonesische revolutionairen (die wij nog jarenlang 'ploppers' zouden noemen) trokken rovend rond, zei men. Vele gevangenen verdwenen nu de kamppoort uit, op zoek naar hun vrouwen. Japanners zagen we niet meer. Er werden broeken en hemden uitgedeeld, alleen hele grote maten, uit een ontdekte voorraad vooroorlogse politiekleding. Wij liepen erbij als op een gekostumeerd bal. Veel kampgenoten gingen er vandoor, al werd het afgeraden, want de opstandelingen schoten op iedere Hollander, zei men, en inderdaad werden twee lijken, een vader en zoon uit Garoet, 's nachts door onzichtbare moordenaars in het prikkeldraad bij de kamppoort gehangen.
Die morgen hadden wij ze jaloers, nagekeken. 'Naar moeders!' had de man geroepen. 'Hou je haaks, jongens!' tegen ons, scharminkels op de ziekenhuisstoep.