G.A. van Oorschot Amsterdam, 1956

Du Perron – Verzameld Werk IV, 30-31

[Jakarta 6 – Rekenkamer] 

Te Batavia wordt hij [Multatuli] al dadelijk – op 15 Jan. 1839, dus 11 dagen na aankomst – geplaatst als klerk bij de Algemene Rekenkamer, aanvankelijk zonder bezoldiging. Maar op 1 Maart krijgt hij een maandelijks traktement van f 80, op 17 April wordt dit verhoogd tot f 125, lang niet slecht voor een jongmens, heet het. Nadat hij een goed jaar in lndië geweest is, wordt hij benoemd tot 2e commies bij de Rekenkamer op f 220 ‘s maands.
Dan maakt hij kennis met juffrouw Caroline Versteegh, met wie hij – maar het was juist om haar te ontmoeten – in roomse koren zong. Er zijn brieven van haar, die getuigen van evenveel persoonlijke als tijds-insipiditeit. Hij vertelt later toch, zowel aan Tine als aan Mimi, dat hij dol van haar was, wild verliefd en toch haar erend als de Madonna.
Maar hoewel hij f 220 's maands verdiende, hij kwam alweer niet toe, moet hebben gespeeld, althans gebiljart, kortom was ook hier volstrekt onmogelijk in geldzaken. Een bewijs ervoor vindt men in het volgende, meegedeeld door zekere hoogleraar Valckenier Kips, die de Havelaar een volmaakt prul acht. De anecdote werd hem aangebracht door de heer A. P. Gordon, oud-controleur bij het binnenlands bestuur, later wethouder van 's-Gravenhage en ‘bij oudere Hagenaars als een man van groote rechtschapenheid nog wel in herinnering’ (in 1926).
“Gordon en Douwes Dekker staan als jonge ambtenaars op een bescheiden tractement aan het begin van hun loopbaan. Dekker heeft moeite om van zijn geld rond te komen. “Zeg, Gordon, jij bent secuur; ik kan daar niet zoo mee overweg; wij moesten samendoen; dan mag jij voor ons tweeën den boel administreeren.”
Zo gezegd, zoo gedaan.
Op zekeren dag rijden zij uit voor de oefening der schutterij. Er staan andere jonge ambtenaren en kennissen op den aloon-aloon.
“Hallo, jongens, een rondje!” roept Dekker.
Gordon trekt hem aan zijn mouw en fluistert: “Dat gaat niet, dat kan er niet af”.
Dekker: “Och wat, als dat er niet eens af kan, dan moeten we maar weer boedelscheiding houden”.

Du Perron – Verzameld Werk IV, 32-33

[Jakarta 5 – Sluisbrugstraat] 

De heer Meerkerk, oud-bewonderaar van Multatuli, brengt uit dezelfde jeugdtijd (Batavia en Caroline) een anecdote aan, hem verteld door de gewezen resident Mispelblom Beyer.
“Eens op een morgen, vertelde deze, kwam hij bij me en vroeg: “Heb je ook tien duizend gulden voor me te leen?” Hij wist heel goed, dat ik, zoo min als hij, geene tien duizend duiten bezat, en ik begon te lachen. Hij werd boos en ging weg. Eerst na een dag of zes zag ik hem weer en toen vroeg hij mij: ”Wil je borg voor me zijn voor tachtig duizend gulden?” Natuurlijk antwoordde ik, dat niemand mij als borg voor zoo'n som aannemen zou, en weigerde dus. “Dat was de vraag niet, riep Dekker driftig, ik vroeg maar, of je wóú. En je wilt niet. Daaruit kan men zien dat je niet weet wat vriendschap is. Ik zou 't voor jou gedaan hebben; loop jij nu voor mijn part naar den bliksem”. Hij ging weer boos weg en ik heb hem in geene twee maanden weer gezien. Toen, op een Zondag, in den vooravond, reed ik door Gang Passarbaroe, waar Dekker toen woonde in een bamboehuisje, zoo wat van den weg af. Opeens riep hij: “Brenti!” – en de koetsier, 't was een kossong, hield op. Dekker stapte bij mij in. De koetsier reed door naar de Harmonie op Noordwijk. Daar stapte ik uit, hij ook. Ik nam eene keu en stootte zoo maar eens, hij ook – de javaansche biljartjongen begon te tellen. We speelden ééne partij, eene tweede, eene derde. lk lei mijne keu neer, hij ook. Ik stapte in mijn rijtuig, hij volgde me. We reden weg, denzelfden weg terug. Vlak voor zijne woning riep hij: “Brenti, koetsier!” De koetsier hield op en Dekker stapte uit. Toen keerde hij zich naar mij en zei: “Dank je wel voor den gezelligen avond en je prettig gezelschap”. – Daarna waren we weer heel goed met elkaar”.

Du Perron – Verzameld Werk IV, 38-39

[Jakarta 6 – Rekenkamer] 

Elders geeft hij [Multatuli] een dichterlijk zelfportret: “Ik weet zeer goed, dat men mij voor bekwaam houdt,... maar men beoordeelt mij verkeerd. Ik veronderstel, dat gij nooit iets van J. J. Rousseau hebt gelezen, maar die man had dezelfde ongeschiktheid voor het dagelijksch leven... Men wilde zijne fortuin maken, – alles wees hij af, want hij wist, dat hij tot niets bekwaam was dan tot denken. In de wereld echter heeft men menschen noodig, die tot alles bekwaam zijn, behalve denken... Toen ik kommies bij de Rekenkamer was, heb ik een werk, dat mij jaarlijks opgedragen was, geheel in de war laten loopen en naderhand is het door een jong inlandsch kind zeer goed waargenomen.
Toen ik nog school ging, kende ik nooit mijne les, en ik heb nooit het werk afgehad, dat mij in vakantie-tijd was opgedragen. Dit is niet overdreven, maar letterlijk waar. Hier op Poerwakarta weet ik nog den weg niet, en toen ik op de Rekenkamer al een jaar gewerkt had, ben ik 's morgens eens de verkeerde trap opgegaan en ik had moeite mijn kamer te vinden. Ik ben menigmaal in de verzoeking geweest om alle hoop op avancement geheel op te geven en ergens klerk te worden om volstrekt niets te doen dan te copiëeren, ten einde niet genoodzaakt te zijn mij toe te leggen op zaken, die mij walgen.’
Met dat al stond Dekker bij de Rekenkamer bepaald goed aangeschreven. Op 10 April 1839 werd van hem getuigd dat hij “ofschoon nog jong van jaren en nog korten tijd van dienst, alleszins blijken geeft welke van hem doen verwachten, dat hij tot een bekwaam ambtenaar zal kunnen worden opgeleid, daar hij bij het bezit van gezonde geestvermogens, het voordeel heeft van een zeer bekwaam onderwijs te hebben genoten; zijnde hij door ons wederhouden om tot andere Departementen overtegaan, welke hem daartoe met zeer voordeelige propositiën hebben aangezocht”.
Op 31 Jan. 1840 werd hij bij de Regering aanbevolen omdat hij “zich door bijzondere vlijt en werkzaamheid heeft onderscheiden, niet alleen, maar ook de onbetwistbaarste bewijzen van vlugheid, doorzigt en kunde, in al hetgeen hem wordt opgedragen, heeft aan den dag gelegd”.

Du Perron – Verzameld Werk IV, 40-41

[Jakarta 5 – Michiels] 

Medio 1842 had Dekker dus gevraagd Java te mogen verlaten. De bundel Officiële Bescheiden betreffende de dienst van Multatuli als Oost-Indies ambtenaar, uitgegeven door P.M.L. de Bruyn Prince, oud-vice-president van de Raad van Indië, bewijzen al dadelijk het eeuwige geldgebrek, dat ook toen aan de orde was. Op 9 Juli werd Dekker benoemd tot controleur 2e klas ter Westkust van Sumatra, op een maandelijks traktement van f 275; nog geen week later (15 Juli), en ongezien de gebruikelijke toekenning van 3 maanden bezoldiging als voorschot (dus van f 825), riep hij de hulp van het Gouvernement in, daar hij een schuld had van f 917.78½ zilver en f 102.22 koper (een gulden koper had ongeveer de waarde van 80 cent) , om dit bedrag namens hem uit te betalen aan de advocaat Cremer te Batavia, bij maandelijkse kortingen van f 55 op zijn traktement. De Directeur-Generaal van Financiën beschikte 4 dagen later gunstig: “Overwegende dat eene afwijzende dispositie in deze den adressant hinderlijk kan zijn om de plaats zijner bestemming te bereiken”.
Dit stuk zou al dadelijk een zo slechte indruk maken op Dekker’s hoogste chef, kolonel Andreas Victor Michiels, civiel en militair gouverneur van Sumatra’s Westkust, dat deze op 10 October ’42 al schreef: “De behoefte aan een goed ambtenaar te Singkel is lang gevoeld en wordt dagelijks grooter. De vraag is echter bij mij gerezen of de controleur E. Douwes dekker wel voor die betrekking geschikt is … (Ook) komt het mij twijfelachtig voor, of hij wel een goed administrateur zal wezen …” In dit laatste bleek zijn taxatie profetisch.

Du Perron – Verzameld Werk IV, 43

[Jakarta 5 – De generaal] 

In de Havelaar vertelt Multatuli hoe zwaar de bestuurstaak was in het oproerig gebied waar hij kwam, dat hij ’s nachts gekleed sliep om dadelijk bij de hand te zijn, enz. Volgens de officiële bescheiden lijkt dit alles overdreven, sterk dichterlijk gekleurde jeugdherinneringen weer van een romantisch gemoed; al staat vast dat de Padri-oorlog inderdaad de streek geteisterd en in onrust had gebracht. Michiels had door de inneming van Bondjol en Daludalu de langdurige oorlog gestopt, maar de onverwachts uitgebroken opstand van Batipuk in 1841 had daarna iedereen weer opgeschrikt. Ik heb twee boeken hierover opgeslagen, waarvan het eerste De Vestiging en Uitbreiding der Nederlanders ter Westkust van Sumatra, door generaal-majoor ridder De Stuers, oud resident ter Westkust van Sumatra, later legercommandant, verscheen in 1849-50. De heer De Stuers, die Michiels in deze streken was voorgegaan, schijnt diens optreden nog maar met grote krachtsinspanning te kunnen waarderen; men moet natuurlijk altijd verdacht blijven op onderlinge naijver en waarheidsliefde veroorzaakt door concurrentienijd, maar over het algemeen maakt deze schrijver de indruk een (voor die tijd zeker) welmenend en behoorlijk mens te zijn, die vaak zijn hoofd geschud moet hebben over de grove tactloosheid waarmee Sumatra’s Westkust coûte que coûte werd ‘gepacificeerd’.

Du Perron – Verzameld Werk IV, 47-48

[Jakarta 5 – De generaal] 

Bij het heronderzoek van de zaak Si Pamaga kwamen Michiels en Dekker met elkaar in aanraking. Michiels’ toch al slechte indruk van de jonge controleur schijnt erdoor versterkt. In de Havelaar zegt Multatuli dat hij dit toen niet merkte, dat Michiels hem integendeel over zijn ‘kordaatheid’ had gecomplimenteerd. Maar hij geeft ook toe Michiels te hebben ‘gecontrarieerd’, en dit in de veronderstelling – die hem weer compleet tekent – dat de grote militair hem daarom zou achten. Hij zegt echter dat dit contrariëren er onder meer uit bestond dat Havelaar weigerde een paar verhoren mee te ondertekenen, en de officiële bescheiden weerspreken deze bewering: Dekker’s handtekening staat onder al de verhoren waarbij hij tegenwoordig was. ‘Dichterlijk kleursel’ dus weer, tot meerdere glorie van de ideaal-Dekker die Havelaar heet, en voor Multatuli-haters ‘aperte leugen’. Dekker vertelde later dat hij bevriend was met Soetan Salim en de jonge Toeankoe, het kan dus best zijn dat hij Michiels contrarieerde door hen moreel te steunen, iets wat alweer niet uit een proces-verbaal hoeft te blijken, Dat hij hierin ongelijk kan hebben gehad en dupe zijn geweest van de slimme Soetan Salim is een tweede. Toen Michiels bij zijn vertrek Soetan Salim meenam (hij werd later naar Tjiandjur op Java verbannen) kan Dekker’s houding tegen de gearresteerde onverholen sympathiserend geweest zijn.

Du Perron – Verzameld Werk IV, 147-148

[Jakarta 6 – Vonnissen] 

Uit een brief van Multatuli aan zijn broer Pieter – Menado 1851:
Het zal niet onaardig zijn u mijne baantjes eens optenoemen.
Secretaris […]
Algemeen ontvanger. Als zoodanig heb ik een doorloopende kas van ± drie ton. Voorts drie onderkassen in de binnenlanden die ik nooit zie, doch die op maandelijksche kasrekening bij mijne hoofdverantwoording verhandeld worden. Daarbij de geldelijke administratie voor dertien pakhuizen waar koffij etc. van de bevolking wordt ingekocht, en waarvan slechts drie op Menado zijn. De rest zie ik nooit, dat gaat alles op een distantie. De genoemde twee betrekkingen zijn hoofdzaken. De bijbaantjes die ik zooveel mogelijk aan anderen overlaat, doch waarvoor ik verantwoordelijk ben, zijn: President van de Weeskamer, Notaris, Griffier (en als de Resident absent is, President) van den Landraad en de Rijksraden. (Elk rijkje heeft zijn eigen geregt en eigene wetten die dan (alweêr God betere het!) met onze zoogenaamde Wetgeving zooveel mogelijk in overeenstemming moeten gebragt worden.) Dit is alles zooveel civiel als crimineel, en de vonnissen worden door den raad van justitie te Ternate of in sommige gevallen door het Hooggeregtshof te Batavia gereviseerd en desnoods, zoo als zij het noemen, gecorrigeerd, dikwijls met overwijzing tot Hugo de Groot, of Justinianus, of v.d. Linden en meer dergelijke lieden, die nooit een Alfoer gezien hebben, en dus zeer bevoegde regters zijn. Alweêr God betere het!

Du Perron – Verzameld Werk IV, 151-152

[Jakarta 5 – Oger frères] 

[Uit een brief van Multatuli aan zijn vriend Kruseman:]
3 Maart.[1851] Een fransche kleêrmaker te Batavia had eene broek voor mij gemaakt die ik wat duur vond. Ik trok eene andere broek aan, die door een Chinees gemaakt was, en die ik meende dat goed zat, ging daarmede naar den Franschman, en vertelde hem dat zij veel goedkooper was.
Hij betrok en beplukte de broek aan alle kanten, trok de lip op, en zei: “Ce pantalon (hij trok haar scheef regts), ce pantalon (scheef links), mais, m'sieur, ce pantalon ('t was sterk goed, gelukkig), ce pantalon, mais ce n'est pas un pantalon !”
Ik had er het ding toch voor aangetrokken, en meende er niet indecent mee gekleed te zijn. Ik had den man kunnen vragen of hij mij voor een sansculotte hield, etc. Maar je begrijpt dat ik mijn valsch vernuft niet waagde aan zijn genie. Want geniaal is het. 't Is een soort van Napoleontisme in de kleêrmakerij.

Du Perron – Verzameld Werk IV, 188, 191

[Jakarta 7 – Dipo Negoro] 

Van 26 Maart 1852 is een document, waarin Dekker de gouverneur kennis geeft dat hij zich met de invordering van de achterstallige verponding, bezighoudt en zodra mogelijk bericht van de afloop zijner bemoeiing zal aanbieden. Het stuk is in de krullige hand van een secretaris en door Dekker in kleine letters ondertekend.– Op 8 April meldt hij dat de banneling Pa Moer, met het schip Alfulek, gezagvoerder Sech Abdul Kader Baradjak, aangebracht, ‘alhier op heden door mij in ontvangst is genomen’. Zelfde kleine ondertekening.– Verder wordt hij als assistent-resident en magistraat genoemd in een stuk waar sprake is van een weggelopen slaaf die in militaire dienst was gegaan, maar toch aan de eigenaar moest worden teruggegeven. […]
Op ultimo 1851 waren op Ambon aanwezig: 280 veroordeelden tot dwangarbeid, waarvan 18 buiten en 261 in de ketting. Over de staatsgevangenen zegt het jaarverslag: “Over het algemeen gedragen zich die lieden rustig. De belangrijkste is de nog niet lang geleden herwaarts gerelegeerde Diepo Negoro Anom, op wiens gedrag tot dus verre geene aanmerkingen te maken zijn”. In Februari 1852 overleed de staatsgevangene Pangeran Achmad.
De schutterij, waarvan Dekker commandant was, telde eind 1852 een dertigtal officieren en 1638 manschappen, natuurlijk hoofdzakelijk bestaande uit Ambonezen.

Du Perron – Verzameld Werk IV, 225-226

[Jakarta 7 – Rendez-vous] 

Van zijn verhouding tot Tine in deze dagen blijkt iets uit de volgende anecdote, door de heer Van Sandick meegedeeld, dezelfde die de Lebak-zaak zo bezadigd zou analyseren. Op een avond vóór het eten zat mevrouw H., nog een nicht van Tine, in haar voorgalerij aan het Koningsplein, toen een huurrijtuig het erf opreed; daaruit stapte Tine, die op haar toeliep met de woorden: “Dag nicht, hier ben ik. Ik kòn het thuis niet uithouden. Dekker is een duivel!” Mevrouw H. vraagt niet wat er gebeurd is, maar haalt Tine over om te blijven eten, daarna kalm wat te praten en dan eerst naar huis te gaan. Tine gaat in een zijkamer een briefje aan haar man schrijven dat ze niet thuis zal komen eten. “Maar was nauwelijks begonnen, toen Dekker de trappen van de voorgalerij opstormde; hij was blijkbaar zeer overspannen. Mevrouw H. verwelkomde hem zoo ongedwongen mogelijk en wees hem een stoel aan. Dekker begon dadelijk verbazend druk te redeneeren. Tine hoorde zijn stern, ze liet haar briefje in den steek en kwam ook naar voren. En daar zaten nu Dekker en Tine, alsof er niets gebeurd was. Mevrouw H. vroeg hen beiden ten eten. 't Werd een allerprettigste avond. Dekker schitterde van vernuft, sloeg paradox op paradox, deed allergrappigste verhalen, en de beide dames, Tine en mevrouw H., schaterden het telkens uit van het lachen. 't Spreekt wel vanzelf dat mevrouw H. tact, kieschheid genoeg bezat om met geen enkel woord een toespeling te maken op de aanleiding tot hun samenzijn. De avond vloog om. Toen het laat werd liet mevrouw H. inspannen. Opgewekt, vroolijk, gelukkig reden Tine en haar man, in de beste harmonie, samen weg.” Vóór het naar bed gaan kwam mevrouw H. met een kaars in de hand in het zijkamertje en vond daar het papier waarop Tine was begonnen te schrijven. De brief was nog niet ver gevorderd; bij het kaarslicht las mevrouw H. twee woorden: “Lieve engel”. Zij moest lachen, denkend aan het “Dekker is een duivel” waarmee Tine was binnengekomen.

Du Perron – Verzameld Werk IV, 358-359

[Jakarta 7 – Dipo Negoro] 

Uit een brief van Multatuli aan G.G. Duymaer van Twist van 9 april 1856:
Wie 't betwijfelt, hij vrage waar de Bandanezen zijn gebleven? Onze bondgenooten toen we zwak waren, onze slaven toen wij sterk werden. Pizarro, Cortez en hunne opvolgers hebben Indianen overgelaten in Zuid Amerika, maar wat heeft Nederland met de Bandanezen gedaan? Er zijn geen Bandanezen meer.
Wie' t betwijfelt hij onderzoeke de redenen van den laatsten opstand in Bantam, hij telle de arme vooropgestuwde onnozelen die neergesabeld zijn door Hollandsch staal en neergeschoten met Hollandsch lood.
Maar hij onderzoeke dat niet in de Archieven van Uwe Excellentie!
Wie 't betwijfelt hij ga naar de Molukken, en vrage wat er geworden is van de rijke streken wier specerijen zwaarder wogen in de schaal des oorlogs tegen Spanje dan het Perusche goud. Hij vrage wat er geworden is van de goedgemeende maar op lauwheid, onwil en ambtenaarsgeest verongelukte publicaties van den G.G. van der Capellen in 1825.
Wie 't betwijfelt, hij denke na, hij vrage, hij onderzoeke hoe de Javasche oorlog ontstond, hoe ze gevoerd werd, ten wiens behoeve ze gevoerd werd, en hoe ze eindigde?
Of is 't niet door trouwbreuk dat Diepo Negoro is gevangen genomen? Was hem niet vrijgeleide gegeven? En nog on!angs, was niet het gevangen nemen van Ferdana Mantrie te Palembang een verraad?
Is het voorts niet onder allen die den Inlander anders kennen dan van papier, eene uitgemaakte daadzaak dat hij niet opstaat dan na lang te zijn gekneveld en mishandeld? Hierop zijn geene uitzonderingen; waar opstand is, werd gekneveld, en wat kleur er moge worden gegeven aan de zaak, en hoe men – zij het dan voor Holland, zij het voor Europa – zij het uit zedelijke schaamte voor zich zelven, die bewimpele, – wáár blijft het dat er gekneveld was waar opstand is.

Du Perron – Verzameld Werk IV, 379

[Jakarta 4 – Hotel Chaulan] 

Te Batavia nam Dekker aanvankelijk zijn intrek in het Hotel Chaulan; althans, van 24 of 26 April 1856 (het tweede cijfer is niet duidelijk) heeft het Multatuli-museum een brief van de controleur Van Hemert gericht aan dat adres. Twee andere brieven volgen; Dekker is dan nog steeds te Batavia, maar overgegaan naar het Rotterdamsch Hotel. Men ziet hier Van Hemert *] in, toegewijd maar zonder de steun nu van Dekker's persoonlijkheid, zeer angstig over de ‘vrolijke tijd’ die hij tegemoetgaat, als de resident hem ter verantwoording zal roepen over wat hij Dekker heeft verteld. De antwoorden ontbreken, maar de brieven op zichzelf zijn aardig genoeg om hier gepubliceerd te worden; in hun kinderlijk en soms stumperig stijltje houden zij toch nog genoeg ‘sfeer van Lebak’ in, van het Lebak onmiddellijk na Dekker's vertrek, om zelfs op een kleine historische waarde aanspraak te mogen maken.
*] De werkelijke naam van controleur Verbrugge uit de “Max Havelaar” is Van Hemert.

Du Perron – Verzameld Werk IV, 418-419

[Jakarta 4 – Hotel des Indes] 

Zes brieven aan Tine uit Buitenzorg en Bandung, van eind 1856, geven een goed beeld van één maand uit Dekker's laatste indische tijd. Het is eigenlijk alles wat men heeft, en het gaat hier om een rijstpelmolen, maar zij geven toch een volledige kijk op alle beslommeringen en plagen waaruit zijn leven in deze periode bestaat. Van Lebak is in deze brieven niet meer en van Havelaar nog geen sprake; Dekker moet zich zonder geld een nieuw bestaan zien te vormen en men werkt hem tegen. De grote rekenaars en kleine zielen nemen vanuit iedere hoek hun revanche – waarom? hij heeft hen niets gedaan, maar zijn zoals hij was moet hen altijd aanstoot hebben gegeven. De twee tantes uit Holland die hem geld leenden, schijnen juist geprotesteerd te hebben; zij hebben het ook arm.
Zijn eerste brief, uit Buitenzorg (28 October) geeft het hele tobben al volledig weer. Tine zit op dit ogenblik in het Hôtel des Indes te Batavia.
“Lieve beste Eef! Ik behoef u met te zeggen dat ik heel verdrietig ben. Het is verschrikkelijk. Kassian met ons!
Ik heb geen lust om te schrijven, want het zou niets dan bitterheid zijn. Het is mogelijk dat ik morgen eene gelegenheid vind om naar Tjanjor te gaan en daarom moet ik u nu van avond nog een décisie zeggen, want anders stelde ik het uit. Ik begrijp ook dat ze opgestookt zijn, maar door wie?
Het best is de wissel maar te zenden. Schrijf er bij (koel maar eenvoudig) dat zij spoedig meer zullen ontvangen, en antwoord maar niet op hun laatsten brief. Ik bedoel dat gij maar niet uw hart lucht geeft over hun dreigement, enz. God geve dat ik voor Dec. nader raad schaffen kan.
Ik heb geen lust om meer te schrijven. Dag beste lieve engel. Wij worden zwaar bezocht. Kus het hartje voor mij. Was het niet om hem dan zou ik er maar een eind aan maken...”
29 October: “ ... lk kan u het verdriet dat mij die Holl. brief veroorzaakt niet beschrijven. Ik ben er geheel van ontsteld en heb moeite om geregeld te denken... Wie of daar toch achterzit? De brief is niet door haar zelve gesteld. Zoude het de Kerkhovens wezen? Het klinkt zoo kantoorachtig. Op het oogenblik kan ik niets zeggen tegen de tantes en moet alles opslikken, maar het is toch infaam... Zij hadden toch genoeg van ons ondervonden om te weten dat het niet zenden van geld uit onvermogen voortkwam; waarom dus anderen daarbij te roepen?... Ik had juist gehoopt dat die f 500 de tantes tot zwijgen zouden gebracht hebben, zoo lang tot er kans zou zijn op redres. Nu is de kans om of met van Son of op andere wijze te slagen. Van der Hucht zal mij overal zwart maken, en dat nu juist, nu ik zoo noodig heb iets vertrouwd te worden.”

Du Perron – Verzameld Werk IV, 418, 424-425

[Bandung – Regent]

Zes brieven aan Tine uit Buitenzorg en Bandung, van eind 1856, geven een goed beeld van één maand uit [Douwes] Dekker's laatste indische tijd. Het is eigenlijk alles wat men heeft, en het gaat hier om [het huren van] een rijstpelmolen, maar zij geven toch een volledige kijk op alle beslommeringen en plagen waaruit zijn leven in deze periode bestaat. Van Lebak is in deze brieven niet meer en van Havelaar nog geen sprake; Dekker moet zich zonder geld een nieuw bestaan zien te vormen en men werkt hem tegen. [...]
25 November(?). "Ik ben daar even uit geweest op mijn nieuwkoop paardje. Het is zoo lui dat ik liever loop. Er is nu wel niet aan verbeurd, want voor f 60 kan men niet veel vorderen, en het kan dienen voor jongenspaard. Voor ik nu een 2de koop ga ik het eerst probeeren. Dit zag er voor f 60.-- zoo lief uit, dat ik dacht er niet aan bekocht te zijn. Voorloopig zal ik nu om tourtjes in den omtrek te maken, maar een paard van Philippeau leenen.
Ik ben bij den Ass. Res. geweest. Hij heeft mij zeer goed ontvangen. Ik moet probeeren wel met hem te zijn, dat kan veel helpen..."
27 November. "Ik heb Ph. [Philippeau] gesproken. Ik hechtte hier veel aan omdat hij hier bij dit kleine publiekje een der hoofdpersonen is, en ik daardoor kan werken op den regent van wien alles afhangt. Hij denkt gunstig over huren en denkt dat ik dan de boel wel klaar zal spelen... Ik bouw echter een beetje op den regent. Ik heb eene visite bij hem gemaakt. Hij was zeer vriendelijk en kende mij nog, zeide hij, van 1846 op Tjanjor. Ook zeide hij (wat die menschen toch op alles letten en onthouden) dat ik zulk 'een mooi rapport over Krawang had geschreven'. Hij is rijk, of althans hij heeft groote inkomsten. Zoodat als ik wel met hem ben, hij in staat zou zijn mij te helpen, door mij bijv. het geld voor zijne padie wat in handen te later.
Ik heb visites gemaakt bij de kleine beau monde en getracht mij 'bien vu' te maken. Het is hier een vrij kleinstädtisch praatnest maar juist daarom moet ik trachten wel te zijn. Men heeft mij overal heel beleefd ontvangen en dadelijk contravisites gemaakt.
Mogt de zaak doorgaan dan ben ik van plan ronduit te zeggen dat ik zeer achteruit ben en geen menschen zien kan omdat ik moet trachten bij te komen etc. Daardoor moet ik probeeren de publieke opinie voor mijne zaak te winnen, zoodaanig dat de regent gedwongen wordt geen concurrent te bevoordeelen. Ik heb idee dat dit alles wel lukken zal als maar de v. d. Huchtsche kliek mij hier niet gaat tegenwerken. Als ik eerst maar aan den gang ben vrees ik hunne praatjes niet, wanneer zij mij maar niet beletten om aan den gang te komen. " [...]
Vier maanden later verliet Dekker Indië.

Du Perron – Verzameld Werk IV, 425-427

[Subaya 2 – Resident] 

Vier maanden later verliet Dekker Indië. De juiste datum is bekend uit een brief van de resident van Surabaja, die rapport moest uitbrengen aan de Directeur van Financiën, in verband met Dekker's schuld aan 's Lands kas.
“De Resident van Soerabaya antwoordde bij brief van 2 April 1857, dat Douwes Dekker zich nog daar ophield, doch dien ochtend een pas had genomen, om met de mail van die maand naar Nederland te vertrekken; dat hij den 3en April met het stoomschip Koningin der Nederlanden Soerabaya zou verlaten; dat vermits door hem geene aankondiging van zijn vertrek in de courant was gedaan, hij in voldoening aan de bestaande bepalingen twee borgen had gesteld, welke zich als zoodanig hadden verbonden voor den tijd van zes weken; en dat zijne echtgenoote, zoo ook zijn zeer jeugdig kind, zich te Soerabaya zouden blijven ophouden.”
Tine, die opnieuw zwanger was, zou haar bevalling op de tabaksplantage van broer Jan, te Bowerno bij Rembang, afwachten. Dekker vertrok dus op 3 April 1857. Het lijkt op het vertrek van een bankroetier, wat hij in zekere zin ook was, maar het was een bankroetier die in Europa Multatuli in zich zou vinden.
Op 10 April kreeg de resident van Surabaja echter een staat toegezonden van de sommen door Dekker nog verschuldigd, “met verzoek om die onverwijld door de borgen in ’s lands kas te doen overbrengen”. Op 20 Mei antwoordde de resident, “dat de borgen weigerden te betalen, terwijl het nu bleek dat de gestelde borgtogt geen waarde hoegenaamd bezat, verklarende de Assistent-Resident voor de policie te Soerabaya zelfs, dat die borgtogt niet anders kan genoemd worden dan eene bloote formaliteit en geenszins voor de borgen verbindend, om de schulden van Douwes Dekker te voldoen, doch wel om alle zoodanige inlichtingen te geven ten aanzien van zijn persoon, als belanghebbenden mogten vragen”.
Deze borgen hebben zich dus tenminste niet over hem te beklagen gehad.
Maar: “Over de verbindende kracht der borgtogtsacte, over de kwestie wie daaromtrent het gevoelen behoorde in te winnen van den Procureur-Generaal bij het Hoog-Geregtshof van Nederlandsch Indië, ontstond nu eene langwijlige correspondentie tusschen den Directeur van financiën en de algemeene rekenkamer, ...welke eindigt met de toezending aan de algemeene rekenkamer, bij brief van 22 Januarij 1858, van afschrift eener missive van den Procureur-Generaal, bevestigende, de acte van borgtogt van nul en geener waarde is”.
Dit alles staat in een officieel stuk van de Directeur van Financiën Diepenheim van Augustus 1861.

Du Perron – Verzameld Werk IV, 434-436

[Bandung – Van Deventer]

Kortom, het is het koloniale probleem reeds met al zijn complicaties: hoe blijft men kolonisator wanneer men erkend heeft dat de Javaan even goed een ziel heeft als wij? en vooral: tot waar kan men kolonisator blijven, als men deze zielbezitter ook wil opvoeden en liefhebben? of liever: waar is het punt waarop de liefde ons weer verlaten moet, om ons, in ònze bezitting immers, danig schrap te zetten? De heer Van Geuns lost dit probleem niet op, wat men hem niet euvel kan duiden; maar Multatuli heeft het voor het eerst werkelijk doen leven, al heeft hij het niet voor het eerst gesteld. En hier raakt men ook de durende actualiteit van Multatuli, de haat en verering die hij nog vermag te wekken, vaak in het roerendste misverstand. Na de circulaire-Van der Wijck heeft lndië heel wat andere stromingen gekend, waarin het 'sentiment' weer rijkelijk aanwezig was, althans dezelfde uitwerking had, al was het vaak maar half- en soms volstrekt òn-multatuliaans. De z.g. ethische richting was voor particulieren, als door de heer Van Geuns bedoeld, iets even verfoeilijks als Multatuli, als al wat 'rood' is, even vijandig en belangenbedervend. Anderzijds vindt men de bewondering voor Multatuli zowel bij een raden adjeng Kartini, voor de vrouwenemancipatie gloeiende regentsdochter, als bij mr. C. Th. Van Deventer, ethisch voorvechter, en tenslotte hebben beiden met Multatuli heel wat minder gemeen dan oppervlakkig lijken kan. Het beste wat het nederlandse volk heeft, bij gebrek aan beter, een edelwillende halfzachtheid die in Holland zelf soms de nationale kwaal bij uitstek lijkt, wordt door contrast met het koloniaal-brutale eigenbelang iets treffend aangenaams. Voor de overtuigde beoefenaren van het laatste is Multatuli, of wat hij in laatste instantie betekent, een koloniaal gevaar en daarmee uit; een gevloekte naam als Van Limburg Stirum en De Graeff, al was hij een 'verlicht despoot' en om de dood niet in koloniale zin 'ethicus'. Een uitstervend ras van journalisten – koloniale editie van Multatuli-epigonen – kon zich nog veroorloven te onderscheiden; voor de anderen is het 'één rommel' van Multatuli's, ethisch of rood. Binnenkort zal het wellicht de vraag zijn in hoever Multatuli – nationale glorie toch – zou hebben voldaan als nationaal-socialist met wat Oranje-hypocrisie tot 'historisch bewustzijn', als mede-Wawelaar over de 'nederlandse stam van blank en bruin'. Wat Nietzsche in Duitsland overkomen is, kan hem bij ons overkomen, al lijkt het krankzinnig dat iemand die niets kon voelen voor de dictatuur van het proletariaat, op enige wijze ze zou willen meewerken aan de dictatuur van de winkelstand. Hij, die eens droomde zelf dictator van Insulinde te zijn, had zich hiervoor waarschijnlijk toch te veel denker weer gevoeld. De zaak van de Javaan is van hem losgeraakt, volgens het eigen fatum, dat aan andere invloeden onderworpen is dan morele alleen. Hier is Multatuli op zijn best nog een soort heilige naam; het practische stadium waarin de Saïdjah van nu verkeert, is hem voorbijgestreefd zoals een klewangwettende krijgszang wordt voorbijgestreefd door een machinegeweer. De Indonesiër is een soort gediplomeerde Insulinder.

Du Perron – Verzameld Werk IV, 454-455

[Jakarta 4 – Hotel des Indes] 

Op een dag vroeg ik hem of hij ook Multatuli niet ontmoet had; en ja, ook dat was hem geschied. Ja, in 1867, met zijn vader wandelend op het Buitenhof, waren zij die Douwes Dekker eens tegengekomen. Hij had zijn vader aangeklampt en zij hadden toen even gepraat, zo op straat. Toen zijn vader daarna thuis was gekomen, had hij tot zijn vrouw gezegd: “Ik heb Eduard ontmoet” en zijn vrouw, de moeder van mijn oom dus, had onmiddellijk gevraagd: “Wat, die smeerlap? Je hebt hem toch niks gegéven?” “Neen”, had zijn vader gezegd; maar híj had heel goed gezien dat zijn vader toch iets uit zijn borstzak gehaald had.
In 1867: mijn oom, geboren 1850, was toen dus al 17 jaar. Ik stelde mij voor wat het geweest zou zijn als ik Multatuli op mijn 17e ontmoet had. Misschien dat ook hem iets ervan was bijgebleven. “En hoe zag hij er uit, oom?” “Nou, zó... mager,... schunnig.” Ik wachtte; er kwam niets meer. Voor ’t eerst van mijn leven begon ik te realiseren dat Multatuli misschien toch heel wat minder geweest was dan een Gouverneur-Generaal. “Maar had hij niet iets bijzonders, in zijn uitdrukking of zo?” “Nee,... ja, ik heb niet zó goed gekeken, hoor, ik stond wat opzij natuurlijk.” “Maar... wàt u dan gezien hebt, hoe herinnert u zich dat?” “Nou ja, zó,... mager,... schunnig. Schùnnig!... “
Enige tijd later bracht ik hem een nummer van het Tijdschrift voor Indische Taal-, Land- en Volkenkunde, waarin een artikel over Molenvliet in de oude tijd en over het Hotel des Indes. Hij voelde voor dergelijke artikelen, hij had immers iedereen gekend en wist van iedereen nog uitstekend hoe zij heetten en wat zij geweest waren. In de schaduw van een zijgalerijtje van wat vroeger zijn ‘kantoor’ was, zat hij in pyama te doezelen, maar zodra men hem wat vroeg, werden zijn ogen levendig en bleek zijn memorie paraat. Tandeloos en met een dunne hangsnor, in een gezicht dat met de jaren een beetje chinees was geworden, zag hij eruit als een goeiïge oude tijger. Hij nam het tijdschrift met gretige handen; zodra ik de naam Wijss had uitgesproken (naam van een van de vroegere gerants) begon hij te vertellen. “Volgens dr F. de Haan, zei ik, heeft die Wijss de naam des Indes gekregen van Multatuli”. “Van wie?” “Van Multatuli.” “Ach, kom! zei hij, van die... Douwes Dekker? Wèlnee...” Ik zei hem dat Multatuli, die ‘Insulinde’ gevonden had, ook wel ‘des Indes’ had kunnen vinden, maar daar hij wat doof was hoorde hij het niet. Hij schudde grommig het hoofd. Ik vroeg hem of hij dan wist wie de naam wèl aan de heer Wijss gegeven had. “Nee, hij zelf, zei hij, zèlf... Ach kom, die Douwes Dekker!” En in de schaduw van het galerijtje, zich uit zijn wipstoel naar mij overbuigend met glinsterende oogjes, vertrouwelijk: “Dat was een st–vent, die Douwes Dekker. Echte st–vent. Afzetter”.
Er was een klank van gewijde overlevering aan deze woorden. Het sissen van de haat die Multatuli's nagedachtenis nu nog in bepaalde indische milieu's kan doen opleven.

Du Perron – Verzameld Werk IV, 461-462

[Jakarta 2 – Monument] 
[Jakarta 6 – Standbeeld] 

Het zij zo: men raakt in Indië niet uitgefeest over de verdiensten en het herbegraven van Coen en het is bepaald een genot om te zien hoe vurig deze heldenverering de vorm weet aan te nemen van grafschennis; het verzamelen en fotograferen 'van de gesupposeerde botten van Coen heeft plaats met een wellust zoals men die misschien alleen in de zaak Landru heeft kunnen waarnemen, en natuurlijk met niet minder honorabele bedoelingen. Het is te hopen dat na dit bedrijf Coen, reeds vertegenwoordigd door een standbeeld dat hem nauwelijks voorstelt, op een Batavia dat nooit het zijne was, niet ook nog in zijn graf zal komen te liggen met het skeletwerk van één of meer remplaçanten. Maar het monument dat daarboven zal worden opgericht, zal zeker de publieke opinie méér voldoen dan de wijze van eren die tot dusver zijn nagedachtenis deed leven: de 5 delen bescheiden en brieven van zijn hand, gepubliceerd door prof. Colenbrander.
leder zijn meug, en dit alles neemt niet weg dat ook Multatuli een der grootste Nederlanders blijft die ooit geleefd hebben. Zijn streven om Holland ruim en groot te krijgen (ook en vooral in de Oost) ging gepaard met het kastijden van die specifiek-hollandse eigenschappen, die – van de weeromstuit? – altijd voorkomen bij Multatuli-haters. Toen in 1920 het eeuwfeest van Multatuli's geboorte gevierd wend, voorspelde de jezuïet Padberg dat het eeuwfeest van zijn dood zeker vergeten zou worden. Wij zijn zo ver nog niet, omdat het in 1937 nog maar een halve eeuw geleden is dat hij stierf, maar zonder bijzonder stoutmoedig te willen doen, kan men even goed voorspellen dat 1987 voor zijn nagedachtenis heel wat meer zal doen dan 1937. Hoewel de herdenking zich ditmaal vooral kenmerkte door een pro en contra zo levendig, dat men zich voor een 50 jaar dode eigenlijk geen groter compliment denken kan; en in dit opzicht is de hollandse natie althans kinderlijk naief, want soortgelijke polemieken bij een overlijdensherdenking kan men zich in het beschaafde buitenland slechts met moeite voorstellen. En herdenking of niet, het blijft de eer van Nederland en Nederlands-Indië dat een Multatuli bij ons mogelijk is geweest. Brits-Indië heeft vrij nauwkeurig zijn Coen en zijn Daendels: zij heten Clive en Warren Hastings; de engelse Multatuli ontbreekt.

Du Perron – Verzameld Werk IV, 635-636

[Bogor – Buitenzorg]

Een van de grote verwijten van Multatuli's bestrijders is: dat hij de ‘zaak van de Javaan’ achteraf had uitgedacht, dat hij eigenlijk niets voelde voor de inlander. Een brief van Duymaer van Twist zelf moge het tegendeel bewijzen; een brief van 1882 (dus nadat hij reeds jaren door Multatuli was uitgescholden), die de heer Zwart als bijlage XXXIII achter zijn werk afdrukt, en die trouwens ook reeds voorkomt in ‘Multatuli en de Zijnen’ van dr Julius Pée. Van Twist getuigt daar van de assistent-resident Douwes Dekker:
“Ik had hem te Buitenzorg leeren kennen, waar hij zich, van verlof terug gekeerd, en wachtende op herplaatsing, had gevestigd. Op de diners, of liever na de diners, waarop ook hij met zijn echtgenoote nu en dan werden genoodigd, had ik meermalen met hem gesproken en had hij mijn sympathie verworven door zijn hart voor den inlander [cursivering van mij – E. d. P.]. Toen Lebak open kwam en ik wist, dat dáár de toestand der bevolking veel te wenschen overliet, dacht ik, dat hij daar de regte man op de regte plaats zou zijn en ofschoon de R.[aad] v. I. [ndië] hem niet had voorgedragen, benoemde ik hem tot assistent-resident.”