G.A. van Oorschot, Amsterdam 1955

Du Perron – Verzameld Werk II, 540-541

[Bandung – Sociëteit 'Concordia']

De eerste europese toneelopvoering die ik zag, brengt mij in een beschaafder negorij en zes jaren verder: ik zag toen de Haghespelers te Bandung, een avond van de wedrennen van Tegallega; het was een soort detective-klucht, getiteld 'Agent no 666'. Cor Ruys speelde de agent, met een plattere leukheid, geloof ik, dan ik later van hem gezien heb; onder de andere spelers waren Verkade, Enny Vreede, Annie van Ees en Paul de Groot. Het was waarschijnlijk een stevig snertstuk, heel speciaal voor Indië uitgezocht, en de Bandungers zelfs noemden het in de pauze een 'draak'. Ik weet tenminste nog dat ik mij gekwetst voelde door dit woord en dat ik de meneer die het zei een aansteller vond: het ogenblik waarin Paul de Groot Verkade een revolver onder de neus hield (hij kwam uit een koffer en het gordijn ging onmiddellijk daarna neer), was voor mij supreem, en Annie van Ees overtrof verre mijn conceptie van lieftalligheid. Ik had hierover zelfs een koppig verschil van mening met mijn gymnastiekmeester, die (zoals het trouwens behoorde) Enny Vreede veel mooier vond: veel meer een vrouw, zei hij, en zo'n lady, en zo elegant; en men kon aan mij zien dat ik een kleine jongen was, omdat ik die bakvisliefheid van Annie van Ees bewonderde. Het is werkelijk pijnlijk, dat men zo verandert. Nu, twintig jaar later, zou ik niet weten hoe het aan te leggen om een actrice 'lief' te vinden; de enige woorden die men voor een actrice (of acteur) gebruiken kan zijn 'groot' en 'beroemd'. Men zegge: een goed schrijver, maar een grote acteur of actrice. Mevrouw Else Mauhs is onze beroemdste, maar mevrouw Charlotte Köhler onze grootste actrice, zou ik zeggen, wanneer ik mij over een aangelegenheid van dit belang moest uitlaten.

Du Perron – Verzameld Werk II, 541

[Jakarta 5 – Stam & Weijns] 

Ik hoefde Indië niet te verlaten, om mijn geboeidheid door de toneelmens op één middag te zien vervliegen. Weer enige jaren later, te Batavia, genoot ik van opvoeringen van het gezelschap Cor Ruys; er waren enige charmante jongevrouwen en geestige jongemannen, meende ik, aan dit gezelschap verbonden, die men 's avonds ook wel ‘particulier’ in een restaurant van Noordwijk ontmoeten kon. Zoiets gebeurde mij ; ik zat één tafeltje verder van een groep die ik op het blote gezicht voor de crème van het gezelschap zou hebben gehouden, en ik kon woord voor woord indrinken van wat deze mensen elkaar te vertellen hadden. Het was de vulgairste, zotste aanstellerij, die ik tot op dat ogenblik te verduwen had gekregen, en het duurde met liefde zolang het maar duren kon. Zij waren aan een geïmproviseerd toneeltje bezig, neem ik aan, en dus zonder de steun van de tekst; het resultaat was zelfs voor mijn achttienjarige weltfremdheid en als anti-toneel-kuur van een verbijsterend snelle uitwerking; ik verliet mijn tafeltje met de wetenschap dat ik nooit trachten zou met een dezer mensen in aanraking te komen, en vijftien jaar nu al bleef ik dit inzicht zonder enige moeite trouw.