Deel I en II, KITLV Uitgeverij, Leiden 2001

Olivier – Tafereelen I, 27-30

[Jakarta 1 – ligplaats] 

Den 3den September, juist 118 dagen nadat wij van Texel waren uitgezeild kwamen wij op de reede van Batavia ten anker, doch vooreerst op een afstand van 1½ mijl uit den wal, hetwelk men de Buitenreede noemt. Eenige dagen later ankerden wij nader bij het land. Van de evengemelde 118 dagen moeten echter 18 dagen, welke wij te Rio de Janeiro hadden doorgebracht, afgetrokken worden, zoodat wij den overtogt juist in 100 dagen volbragt hadden.
De reede van Batavia wordt nog altijd met regt voor eene der beste ligplaatsen der wereld gehouden. Zij is wel is waar van het Noord-west tot Oost-noord-oost open, doch door zeventien eilandjes van onderscheidene grootte gedekt zijnde, kunnen er ten minste twaalf honderd schepen eene veilige ankerplaats vinden. De grond bestaat uit blauwen modder, die zeer week is, en om deze reden moet men ten minste eens in de veertien dagen de ankers opwinden om ze op eene andere plaats weder te laten vallen, daar zij bij verzuim hiervan al te diep in den grond zakken. Alleen aan de Noord-westzijde van de stad rijzen koraalbanken uit de zee op, waardoor aan deze kant het binnen loopen der schepen eenigzins moeijelijk wordt gemaakt. Het wordt voor nadeelig gehouden al te nabij den wal te ankeren, niet uit hoofde van eenig gevaar uit ondiepten of droogten ontstaande, maar omdat men daar aan de verderfelijke moerasdampen van het lage strand en van de uitgestrekte modderbank die vóór den ingang der rivier ligt, blootgesteld is, welke dampen een zeer noodlottigen invloed op sommige ligchaamsgestellen kunnen uitoefenen, en kwaadaardige koortsen kunnen veroorzaken; hoewel ook hieromtrent de berigten zeer overdreven zijn, gelijk ik straks nader zal aantoonen. Deze miasmen bedekken des morgens voor, en des avonds na zonsondergang het geheele strand dermate, dat men bijna niets van de stad noch van het lagere geboomte kan onderscheiden, bijna gelijk de daauw in weilanden van het moederland. Tegen den middag verdwijnen deze dampen naarmate de toenemende kracht der zon ze opwaarts doet stijgen, en tegen den avond rijzen weder nieuwe dampen uit den nog laauwen grond op. Of evenwel deze zoo zeer beruchte en als verderfelijk uitgekretene uitwasemingen van den grond werkelijk nadeeliger voor de gezondheid zijn, dan de avonddaauw die, vooral na warme zomerdagen, de grasvelden in ons vaderland bedekt, is nog op verre na door de ondervinding niet bewezen. Het zoude mij te ver doen uitweiden dit hier breedvoerig te betogen; ik wil voorlopig slechts aanmerken, dat de ondervinding dagelijks bewijzen oplevert, dat de schepelingen die aan boord blijven, en in het bijzonder alle die, welke eene matige en geregelde leefwijze in acht houden, jaren lang op de reede van Batavia vertoeven, zonder eenige de minste ongesteldheid te ondergaan; terwijl integendeel zij die naar wal gaan, en vooral zij, die eene geregelde en matige leefwijze uit het oog verliezen, veelal door kwaadaardige koortsen worden aangetast. De oorzaak dezer ziekten bestaat alleen in hunne onvoorzichtigheid. Door de nog ongewone hitte steeds dorstig, kunnen of willen zij de begeerte naar koud water niet weerstaan; gemengd met arak, die te Batavia zeer goedkoop is, gaat de matroos en de soldaat zich in het gebruik van het aldus tot grog hervormde water al zeer ligt te buiten; hij matigt zich evenmin in het gebruik der heerlijke, maar sterk verkoelende vruchten; gevoelt weldra buikpijn en wil die wederom door een glas arak verdrijven. Verhit, neemt hij andermaal zijne toevlugt tot koud water, of wel hij begeeft zich op eene koele plaats ter rust, in de open lucht (zoo als men zeer dikwijls in Oost-Indië doet, hetwelk echter meer binnenslands in het minst niet nadeelig is), en stelt zich dus hoogst onvoorzigtig, aan den kouden daauw bloot, die hem overvalt terwijl hij slaapt, en reeds op zijne gezondheid verderfelijk gewerkt, en de kiem tot eene hevige koorts gelegd heeft, wanneer hij in kille huivering ontwaakt, en te laat zich binnenshuis, buiten bet bereik der vochtige nachtlucht begeeft.

Olivier – Tafereelen I, 33-35

[Jakarta 1 – havenhoofd] 

Een meer duurzaam gedenkteeken der herstellende regering van den Baron van der Capellen, is het fraaije en tot op een aanmerkelijken afstand in zee uitloopende havenhoofd, uit dubbele reijen zware palen van djatiehout, tusschen welke de breede ruimten met groote klipsteenen zijn opgevuld. Door dit schoone gewrocht van waterbouwkunst, is aan de hier uitloopende rivier, de Tjiliwong, meer stroomkracht gegeven, waardoor het verder aanslibben van de modderbank verhinderd wordt, welke gedurig aangroeide en de haven van Batavia met een geheel verval bedreigde. In het regensaizoen staat op den zoom dezer modderbank eene vrij sterke branding, die voor sloepen, en vooral voor kleine jollen, werries, gieks en dergelijke ligte vaartuigjes, wel eens gevaarlijk worden kan. Ik herinner mij op zekeren onstuimigen dag, in de Westmoesson of regensaizoen, met onzen scheepskommandant, deze branding in eene werrie of zeer ligt sloepje overgeroeid te zijn. Telkens kwam de branding als een besneeuwde heuvel met vreesselijk gedruisch op ons aanrollen, en stiet met een ontzettend geweld tegen den kop van het ranke vaartuigje, dat hierdoor bijna perpendiculair op den achtersteven werd geworpen, terwijl wij achter in de sloep elke reis eene stortzee over het lijf kregen. De kapitein hield zelf het roer, en dit stelde mij volkomen gerust, zoodat ik hem, op de vraag, “of ik ook krimp kreeg?" werkelijk met alle opregtheid antwoorden kon, “Neen, Kapitein! daar gij zelf aan het roer zit, maak ik mij in het minst niet ongerust." Wij kwamen dan ook, wel doornat, maar heelhuids aan boord; ofschoon ik het voor ontwijfelbaar houde, dat ons dit geluk niet zoude te beurt gevallen zijn, indien een minder bekwaam zeeman, dien dag het roer van de sloep had bestuurd. In denzelfden voormiddag zijn op de reede van Batavia niet minder dan vier sloepen omgeslagen, waarvan eene met man en muis vergaan is, en wel juist de eenige, welke terug wilde keeren, en bij het dwars van de branding komen, door de stortzee werd omgeworpen.

Olivier – Tafereelen I, 35-36

[Jakarta 1 – Pasar Ikan]

In de drooge moesson is er echter noch moeite noch gevaar van de modderbank te duchten. Men ziet er wel eens een kaaiman, zich aan het strand in de zon bakeren, of op eenigen afstand van de rivier op de modderbank zwemmen, maar zeer zelden worden te Batavia menschen door deze gedrochten verslonden, omdat de rivier hun eene toereikende hoeveelheid van aas toevoert, zoo als doode buffels, geiten of andere dieren, welke in de bovenlanden door de inwoners in de rivier zijn geworpen. Niettemin is het nu en dan gebeurd, dat de kaaiman ook op de reede van Batavia een mensch gegrepen en met zich naar den afgrond gevoerd heeft. Bekend is de treurige geschiedenis van een jong adelborst, die, eene sloep naar wal brengende, bij zijn rokspand, dat ongelukkig over boord hing, door eenen kaaiman in zee getrokken en naar de diepte gesleept werd, van waar hij niet meer te voorschijn kwam! Men behoort derhalve altijd omzigtig te zijn, wanneer men zich in eene kleine sloep bevindt , en ik mag dezen raad met des te meer nadruk geven, omdat ik zelf op het punt ben geweest van door zulk een gedrocht verslonden, of althans ellendig omgebragt te worden. Dit gebeurde echter te Bantam, waar de krokodillen veel gulziger zijn dan te Batavia, omdat aldaar de rivier veel minder aas voor hen afvoert.

Olivier – Tafereelen I, 39-40, 41

[Jakarta 1 – Boom]

Nog eer men aan wal stapt vindt men gelegenheid om zich de gemakkelijke manier van reizen in het Vaderland te herinneren. Zoodra men den ingang van het palenhoofd bereikt, stapt men in eene soort van trekschuit over, en wordt door een of twee paarden, of zoo dezen, door te drokke vaart, niet meer voorhanden zijn, door koelies (daglooners) tot aan de stad getrokken. Op deze kleine trekvaart (het Jaagpad genaamd) ontmoet men niet veel belangrijks; […]
Aan de regterhand van de trekvaart ziet men het tolkantoor, in de wandeling de Boom genoemd, en van hier komt men in weinige minuten aan de Werf, en in de stad Batavia.
Deze zoo diep vervallene stad strekt den nieuw aangekomen reiziger zelden lang tot verblijf; zoo hij niet door dringende bezigheden gedwongen is er zich op te houden, begeeft hij zich, zonder zich den tijd te gunnen om de stad en hare zeer weinige merkwaardige gebouwen te bezigtigen, naar een der Hôtels aan het einde van het fraaije kanaal, Molenvliet genaamd, of wel nog iets verder, naar Weltevreden.

Olivier – Tafereelen I, 48

[Jakarta 4 – Voetbrug] 

Het reeds gemelde Molenvliet, onmiddellijk buiten de stad zich lijnregt tot aan de Groote Societeit de Harmonie uitstrekkende, geeft hem de gelegenheid aan zijne regterhand de prachtige woningen der Europeanen gade te slaan, terwijl de rivier aan de linkerzijde van den weg hem in staat stelt de eenvoudige vergenoegdheid der Javanen op te merken. Deze baden zich, en dartelen vrolijk in het water, terwijl zij hun badjoe, sarong en hoofddoek (drie artikelen waaruit veelal hunne geheele garderobe bestaat) uitwasschen en in de zon, binnen vijf minuten kurkdroog laten worden, zoodat zij, na zich met een bad verfrischt te hebben, ook dadelijk de verkwikking van schoone plunjes genieten.

Olivier – Tafereelen I, 110

[Surabaya – Sampurna] 

Het snuiven is derhalve bij den Javaan weinig bekend, maar wel het rooken. De gemeene man rolt een weinig inlandschen tabak in een stukje dun palmblad, en vormt aldus een smakelijk roko of sigaartje. De meer aanzienlijke Inlander rookt lange, dikke sigaren, insgelijks van palmbladen gevormd, maar waarvan de tabak met zeer geurige bestanddelen vermengd is, zoo dat zulk eene sigaar de geheele kamer parfumeert. In tegenwoordigheid van den Vorst is het niet geoorloofd andere dan deze geparfumeerde sigaren (roko wanggi) te rooken.

Olivier – Tafereelen I, 120-121

[Bandung – Milestone]

De Baron R. van der Capellen, destijds Resident der Preanger Regentschappen, zegt in een zijner officieele rapporten het volgende:
"Luiheid en zorgeloosheid zijn geene hoedanigheden, die tot het karakter der Javanen eigenaardig behooren. Wanneer zij met zachtzinnigheid tot den arbeid worden aangemoedigd, en daarvan klaarblijkelijk nut en voordeel te gemoet zien, arbeiden zij ijverig, aanhoudend en met inspanning van krachten. Dit wordt dagelijks bij de ondervinding bevestigd, en ik heb gelegenheid gehad hiervan de treffendste voorbeelden op te merken.
"Toen ik de onderneming van den nieuwen Bandongschen weg begon, en steeds nieuwe zwarigheden ontmoette, moet ik bekennen dat ik somtijds zelf niet begreep, hoe het mogelijk zoude zijn, een zoodanig werk met zulke onbedrevene werklieden ten einde te brengen. En echter is deze onderneming in eenen, naar evenredigheid der middelen zeer korten tijd, en ik mag zeggen zonder eenige onaangenaamheden, en zonder groote moeite voltooid geworden. Ik heb trouwens van geene ongepaste gestrengheid, noch ruwe behandeling gebruik gemaakt, om de Hoofden zoo wel als den gemeenen man aan hunnen pligt te houden; maar ik heb getracht hen allen te winnen door het eergevoel der Hoofden op te wekken, en den gemeenen man, onder het werk, vriendelijk moed in te spreken, en voor zijne behoeften, ja voor zijne genoegens zorg te dragen. Zoo hebben zij gestadig voort gearbeid, en hoe dikwerf ik zelf mij naar de plaatsen begaf, nooit heb ik eene bedrukte neêrslagtigheid, mismoedigheid, noch onwilligheid bij het werkvolk bespeurd. Ik heb mij verwonderd, met welk overleg de hoofden, van den Regent af, de werkzaamheden geschikt, verdeeld en bestuurd hebben; en men zou kunnen beweren, dat Europische werkbazen, die van hunne jeugd niets anders geleerd en verrigt hadden, niet beter het geheel der onderneming begrepen en op alle bijzonderheden gelet zouden kunnen hebben."

Olivier – Tafereelen I, 125-126

[Yogya 1 – Kraton] 

De Keizers van Java, wier gebied zich thans nog tot de zoogenaamde Vorstenlanden (Soerakarta en Djokjokarta) bepaalt, terwijl de overige van Java onder Nederlandsch bewind is gebragt, droegen van ouds de titels van Kiai-gedé, Praboe, Browi-djaja Ratoe, Maharadja en meer anderen; doch sedert de invoering van het Mahomedismus, hebben zij den titel van Soesoehoenan en Sultan aangenomen (De Vorst van Djokjokarta wordt Sultan, en die van Soerakarta Soesoehoenan genoemd). De erf-opvolging geschiedt meest van Vader op Zoon, doch het regt van eerstgeboorte wordt hierbij zelden in acht genomen. Vóór de invoering der Mahomedaansche leer hebben somtijds Vorstinnen den troon bekleed, doch dit heeft in lateren tijd niet meer plaats gevonden, ofschoon distrikts- en dorpshoofden op Java nog wel door hunne weduwen opgevolgd worden, in geval de bevolking aan deze laatsten uit eigene keuze het gezag wil laten behouden. Want de dorpen en kleinere gemeenten hebben van ouds het regt om zelven hunne hoofden te benoemen; en deze vrije verkiezing der dorpshoofden door de bevolking zelve schijnt wel het eenige bewijs van volksvrijheid te zijn; in alle andere bijzonderheden is de regering der inlandsche Vorsten zuiver despotisch, zonder vrijheid van eigendom of personen voor de onderdanen. De Vorst kan naar welgevallen den geringsten zijner onderdanen tot eenen hoogen rang verheffen, of den aanzienlijksten edelman met eenen wenk in het stof vernederen. De ambtenaren van het rijk en de officieren van het leger worden betaald met landerijen, over welke de Vorst willekeurig beschikt. Men vindt hier in één woord, volkomen de Aziatische onbepaalde heerschappij; maar gedeeltelijk ingerigt naar voorschriften of wetten van den Korân; en gedeeltelijk naar de aloude nationale gebruiken.

Olivier – Tafereelen I, 126-127

[Yogyakarta 2 – Rijksbestierder] 

Overeenkomstig met dit stelsel, geeft de Souverein zijne magt in handen van eenen vizier of eersten minister over, terwijl hij zelf zich alleen met de genietingen van een werkeloos leven bezig houdt. Deze vizier draagt op Java den titel van Radin-adipati, hetwelk gevolgelijk de hoogste rang na dien van den Vorst zelven is. De Radin-adipati behoudt zijn gezag zoo lang de Souverein met zijne vleijerijen te vreden is, en oefent alsdan eene onbepaalde magt uit, die zich in sommige omstandigheden zelfs over de leden van het Vorstelijk gezin uitstrekt. Van hem komen alle bevelen van den Souverein af, en niemand kan dezen laatsten genaken, zonder tusschenkomst van den vizier. Sedert een geruimen tijd echter, heeft de Nederlandsche regering zich het regt voorbehouden om zelve den Radin-adipati der Javasche Vorsten te benoemen, en hiervan is het gevolg dat de Souverein (die in zulk eenen minister geen zoo onbepaald vertrouwen stelt, als in dien van zijne eigene keuze) zich meer zelf met het bestuur van zijn rijk bemoeit dan voorheen, en dat ook de magt van den eersten minister eene heilzame beperking heeft ondergaan.

Olivier – Tafereelen I, 133-134

[Jakarta 7 – Dipo Negoro] 

Dit bewijst echter niet dat de Indische Vorsten, persoonlijk en uit eigen aanleg en karakter wreede, onmenschlijke dwingelanden zijn, gelijk zij zoo dikwerf afgeschilderd worden. Zelfs Dipo Negoro was op verre na zulk een monster niet, als de meeste berigtgevers van hem willen maken, en het is nu vrij algemeen bekend, dat voornamelijk de roekelooze onverstandige handelwijze van een onervaren Europeaan, het eergevoel van dien vorst (een gevoel hetwelk bij de Javaan van elken stand heilig is) en ook zijn godsdienstig gevoel op eene betreurenswaardige wijze gegriefd heeft.

Olivier – Tafereelen I, 150-151

[Jakarta 5 – Praauwtjes] 

Het is eene algemeene en zeer verstandige gewoonte bij de Europeanen te Batavia, zeer vroeg op te staan, zelden later dan half zes ure. De vroege ochtend is de aangenaamste tijd van den dag; doch van korten duur, want door de snelle oprijzing van de zon omstreeks den equator, waarvan in het vorige hoofdstuk gesproken is, stijgt reeds ten acht ure des morgens de temperatuur omstreeks Batavia tot 75 en somtijds 80 graden. Voor hen die liever de frissche, verkwikkende morgenlucht genieten, dan onder het gewoel der beau monde, die des namiddags gewoonlijk een toertje langs het Molenvliet, Rijswijk, Weltevreden of het Koningsplein maakt, de fraaiheid hunner paarden en hunne bekwaamheid in de rijkunst ten toon spreiden, is zulk een togtje te paard in den koelen ochtendstond zeer aangenaam en gezond, vooral wanneer men de heilzame gewoonte der inlanders heeft aangenomen, van zich elken morgen bij het opstaan te baden. Men ziet den weg die voor de voetgangers bestemd is, alsdan reeds vol met drokke Chinezen en Maleijers, die zich naar de omliggende markten, hetzij in de stad Batavia, of naar Weltevreden, Tanabang of de Pasarbahroe (nieuwe markt) begeven; met ambachtslieden die naar hunne werkplaatsen gaan, en ook met die klasse van menschen, welke onder den naam van geld-ophalers de schrik van vele jeugdige ambtenaren zijn. Voordat dezen naar hunne bureaux gaan, worden de geld-ophalers door de winkeliers en kooplieden, met eenen bundel rekeningen in de hand, bij alle hunne debiteuren rondgezonden, om hen uit hunne slaperigheid te wekken; en dit is bij sommigen eene reden te meer om vroegtijdig een toertje te paard te doen; ofschoon men bekennen moet dat deze geld-ophalers, zoowel als hunne meesters, zeer inschikkelijk en beleefd zijn, en zich doorgaans met het gewone antwoord, "Laïn boelan!” (in de andere maand!) te vreden stellen. De fraaije grachten van het Molenvliet en Rijswijk wemelen op dit uur ook reeds van kleine praauwtjes, die versch gras naar de onderscheidene stallen der Europeanen brengen, terwijl de inlanders van beide seksen zich in de gracht (die stroomend water heeft) komen baden.

Olivier – Tafereelen I, 153-155

[Jakarta 5 – Rijswijk] 

Alles wordt allengs minder woelig naarmate de warmte vermeerdert, en op het midden van den dag blijft een ieder, zoo veel hij kan, binnenshuis, totdat de kantoren en bureaux gesloten worden; alsdan vliegen de rijtuigen weder van de stad naar de vroeger gemelde omstreken, en als dit afgeloopen is, zoude men Batavia in de fraaiste wijken voor onbewoond kunnen houden. De huizen, zelfs de winkels, zijn gesloten, en de straten, waar nog voor eenige uren menschen van allerlei natie en kleur door elkander wemelden, gelijken thans naar die eener Europische stad welke men in het midden van den nacht bij helderen maneschijn doortrekt. Nu en dan ziet men echter nog op Rijswijk of het Molenvliet een enkel rijtuig, van dezen of genen Europeaan die, in of nabij de stad ten eten genoodigd zijnde, zich derwaarts begeeft; maar de drukkende warmte en het stof zijn op het midden van den dag zoo hinderlijk, dat men ongaarne van zulke uitnoodigingen gebruik maakt. Om dit laatste ongerijf tegen den namiddag te verhelpen, zijn opzettelijk eenige koelies (daglooners) belast met het gedurig besproeijen van den weg. Men ziet deze menschen met een paar groote gieters aan een juk op de schouders hangende, heen en weer gaan, en terwijl zij de gieters voorover houden, den droogen weg onophoudelijk nat maken *).
Tegen vijf ure of half zes wordt de warmte zeer dragelijk, en de lucht is alsdan zelfs aangenaam, vooral in een rijtuig zoo als die op Java ingerigt zijn, namelijk van achteren zoowel als van voren geheel open, zoodat bij snel rijden de lucht aanhoudend door de chais (bendi) of den wagen (kareta) stroomt, zelfs wanneer er schijnbaar geen of maar zeer flaauwe wind is. Dit is de tijd van het gebruikelijke toeren, waarbij de dames, even sierlijk als prachtig uitgedost, zich op de meest bezochte wandelwegen vertoonen. Daar het vroeg duister wordt, hebben de twee of drie boedjangs of slaven die achter op den wagen staan, altijd een paar obors of toortsen in voorraad, die een zeer schitteren licht geven. Deze obors zijn eenvoudige stukken bamboes, waarvan de holte met dammer (hars) gevuld is. Zij verspreiden bijna eenen glans als die van de pikkransen, welke men in Amsterdam bij eenen brand gewoon is te gebruiken. De geheele weg is derhalve ondanks de diepste duisternis zoo licht als op den helderen dag.
*) Zij vullen de gieters elk oogenblik uit de rivier weder aan. Tot het onderhoud dezer koelies werd eene belasting opgebragt, doch ik heb vernomen, dat deze inrigting onlangs afgeschaft is; men betaalt nog wel de oude belasting, maar de inwoners moeten zelven voor de besproeiing der wegen zorgen; zoodat men thans door de zware stofwolken meer dan door het felle zonlicht verblind wordt; want ofschoon sommigen de ruimte voor hun huis en erf met eene kleinen tuingieter doen bevochtigen, geschiedt dit op andere, en wel op de meeste plaatsen, door middel van eenen houten lepel of een napje nog veel gebrekkiger, en na verloop van een kwartier uurs stuift het wederom even sterk als te voren.

Olivier – Tafereelen I, 157-159

[Jakarta 6 – Paleis] 

De eerste gedachte van den Generaal Daendels was geweest de stad Batavia, uit hoofde van hare ongezonde luchtstreek, geheel te doen sloopen, en den hoofdzetel onzer Oost-Indische bezittingen naar Soerabaya te verleggen. Hoewel hij in de uitvoering van dit ontwerp verhinderd werd volhardde hij niettemin in zijn besluit om de oude stad Batavia op te offeren, met het voornemen om een weinig verder binnenslands eene nieuwe hoofdplaats te stichten, waar hij toen reeds dadelijk zeer fraaije kazernes, mitsgaders sierlijke en gemakkelijke woningen voor officieren van het garnizoen deed bouwen. Hier legde hij ook den grond tot een groot paleis, voor de Gouverneur-Generaal bestemd, welk gebouw reeds kort daarna gestaakt werd, doch onder het bewind van Commissaris-Generaal du Bus voltooid, of liever afgebouwd is geworden, in dier voege echter, dat het binnenste tot de onderscheidene bureaux van het Gouvernement bestemd is geworden, en uit dien hoofde geenszins in denzelfden wijdschen, prachtigen stijl uitgevoerd werd als de buitenzijde. Nadat de Generaal Daendels eenmaal het ijs gebroken had, verlieten alle gegoede Europeanen het binnenste van de stad, om in meer voor het klimaat geschikte huizen, langs het Molenvliet, het kanaal van Rijswijk, Weltevreden, en later rondom het uitgestrekte Koningsplein en langs den weg naar Meester-Cornelis te wonen. In de stad zelve bleven slechts eenige oudgasten, die niet besluiten konden om van daar op te breken, mitsgaders eene menigte Portugezen en Chinezen, als ook de bureaux van het Gouvernement en de kantoren en pakhuizen der kooplieden.
De gemelde omstreken en vooral het Molenvliet, Rijswijk, Weltevreden en het Koningsplein zijn in de laatste jaren aanmerkelijk verfraaid, en de sierlijke woonhuizen der Europeanen aldaar aanzienlijk vermeerderd, zoodat de bevolking aldaar grootelijks heeft toegenomen. Op deze wijze voortgaande zal Batavia eerlang grooter worden dan eenige hoofdstad in Europa.

Olivier – Tafereelen II, 159

[Jakarta 4 – Hotel des Indes] 

[Uit het verslag van een vriend van Olivier:]
Nadat wij over eene passar of markt, die mij voorkwam van allerlei mondbehoeften ruim voorzien te zijn, en langs eenige vrij smalle grachten voortgereden waren, kwamen wij aan de Waterplaats, glodok genaamd; van hier keerden wij regts, en zagen langs het kanaal eene breede prachtige laan, met fraaije boomen, en twee reijen sierlijke huizen bezet. Dit is het Molenvliet, zeide mijn vriend, en wij zijn hier aan het Hôtel de Provence, van de kastelein Chaulan, waar wij juist van pas aankomen, om van de table d’hôte gebruik te maken, en ons door een goed middagmaal te versterken.

Olivier – Tafereelen I, 159-160

[Jakarta 1 – Timmerwerf] 

Wij begaven ons nu naar de werf, en naar de haven, waar ik twee tjunias of groote inlandsche vrachtschuiten zag binnenkomen met militairen beladen. Het was een detachement, dat pas uit Europa was aangekomen en thans ontscheept werd. Het verwonderde ons, dat deze ontscheping niet uitgesteld werd totdat het koeler was geworden; doch een heer, dien wij aan de werf ontmoet hadden, en die zoo vriendelijk was ons door de stad te willen vergezellen, zeide, dat de Gouverneur en de militaire kommandant meer dan eenmaal stellig hadden gelast, de pas aangekomene schepen niet omstreeks het midden van den dag aan wal te doen gaan; doch dat deze bevelen, door het ongeduld der scheepsbevelhebbers, zoowel als dat van de militairen zelven, maar al te dikwijls uit het oog werden verloren. De kapiteins verlangden evenzeer om van hunne passagiers ontslagen te zijn, als deze laatsten om het schip te verlaten en het lang gewenschte land te betreden; en ten gevolge hiervan werden zij doorgaans zoo vroeg mogelijk afgescheept, lang voordat de officieren die hen zouden afhalen, aan de werf konden aankomen. De soldaten maakten dan gewoonlijk van dezen tusschentijd gebruik, om kennis te maken met den vermaarden Bataviaschen arak, waarvan de matrozen hun reeds met grooten lof gesproken hadden, en die soms reeds op dezen eersten dag op hunne gezondheid den noodlottigsten invloed had.

Olivier – Tafereelen I, 160

[Jakarta 1 – Pakhuizen] 
[Jakarta 1 – Oostzijdse Pakhuizen] 

Van de haven gingen wij de Westzijdsche pakhuizen bezigtigen, die aan den ingang der stad liggen, mitsgaders de ongemeen fraaije Lombongs of koffij-magazijnen van het Gouvernement. Alle deze gebouwen, die nog in den tijd der Compagnie werden opgerigt, geven een grootsch denkbeeld van den bouwtrant van die dagen, waartoe men Europische werklieden en Europische bouwstoffen bezigde. Het zijn de fraaiste magazijnen welke het gouvernement te Batavia bezit. Die, welke aan de andere zijde van de rivier liggen en de Oostzijdsche pakhuizen genoemd worden, komen bij de eerstgenoemden niet in aanmerking, zoo min wat hunne hechtheid als wat hunne ruimte en fraaiheid betreft. Niettemin heeft men de eersten bij voorkeur aan de faktorie der Handel-maatschappij afgestaan.

Olivier – Tafereelen I, 160-162

[Jakarta 2 – Stadsboeien] 

Wij begaven ons vervolgens naar het stadhuis, dat een zeer schoon gebouw is, op een ruim plein, tegenover het zoogenaamde Vierkant, of het plein waar weleer het kasteel heeft gestaan. De voorgevel van het Stadhuis is eenvoudig, maar van eene zeer regelmatige bouworde. Wanneer men den grooten trap opgaat, komt men regts in de Zalen van het Hoog-Geregtshof, en links in die van den Raad van Justitie. Op de beneden-verdieping ziet men vertrekken der Weeskamer, en die, welke voormaals voor den Direkteur van het Verwisselingkantoor bestemd waren. De drie eerstgemelde administratiën zijn echter reeds naar het nieuwe Gouvernements-gebouw (het hooger beschrevene paleis, door den Generaal Daendels ontworpen) verlegd geworden, tot groot ongerijf der ingezetenen van Batavia, die aldaar zaken te verrigten hebben. De beide vleugels van het Stadhuis hebben ten allen tijde tot gevangenissen gediend, en dienen daartoe ook nog; hunne beneden-verdieping wordt door den Concierge en zijn huisgezin bewoond; op de eerste verdieping zijn drie of vier luchtige en ruime vertrekken, die voor Europische en aanzienlijke inlandsche gevangenen bestemd zijn. De groote binnenpleinen achter het gebouw zijn met kamers en hokken omringd, in welke de overige gevangenen des nachts opgesloten worden. Ik bewonderde de goede orde en de zindelijkheid, welke hier heerschten. De talrijke Javaansche en Chinesche gevangenen, welke ik er vond, zagen er allen gezond uit.
Elken morgen bezoeken de Stads-geneesheeren en Heelmeesters de hier aanwezige zieken, oom hun de vereischte geneesmiddelen voor te schrijven; de zieken en gekwetsten die eene meer zorgvuldige behandeling noodig hebben, worden naar het dusgenoemde Stads-verband of naar het Chinesche hospitaal gebragt. Het voedsel, hetwelk men aan de gevangenen uitgereikt, is overvloedig en wel toebereid; het Gouvernement geeft daartoe zes stuivers per dag voor elken Inlandschen, en een gulden voor elken Europischen gevangene. Op dit oogenblik was er slechts een Europeaan, en deze was door zijne schuldeischers van zijne vrijheid beroofd. Indien Europeanen om het eene of andere misdrijf voor langen tijd herwaarts gebragt zijn, kunnen zij gemakkelijk van het Gouvernement hunne overplaatsing naar eene der gevangenissen verder van de stad bekomen, teneinde eene meer gezonde luchtstreek te genieten. In een woord, het lot der ongelukkigen, die in dit verblijf van ellende geraken, wordt, zoo veel de omstandigheden het toelaten, verzacht en dragelijk gemaakt.

Olivier – Tafereelen I, 163-165

[Jakarta 3 – Strafgevangenis] 

Nadat wij over eene kleine, slechte brug waren gegaan, bevonden wij ons op eene plaats, die met grachten omringd was, welke eene soort van klein eiland vormden. Hier zagen wij het verblijf der dusgenoemde kettinggangers of misdadigers, die tot de ketting of tot dwangarbeid veroordeeld zijn. Twee groote, luchtige zalen kunnen van tweehonderd tot tweehonderd vijftig van deze ongelukkigen bevatten; zij worden met veel menschlievendheid behandeld; men doet hen aan wegen, aan kanalen en andere openbare werken arbeiden. Het Gouvernement voedt en kleedt hen, en geeft bovendien aan ieder van hen één gulden in de maand, om siri en andere kleine versnaperingen te koopen. Een afzonderlijk en zeer goed ingerigt vertrek is bestemd voor diegenen onder hen, welke ziek zijn. Wij vonden er slechts een twintigtal patienten; alle de overige kettinggangers, die juist in hun kwartier kwamen om hun middagmaal te genieten, zagen er gezond en welvarend uit. In hunne ledige uren, en zelfs terwijl zij zich naar hunnen arbeid begeven, houden zij zich bezig met het vlechten van matjes, korfjes en andere kleinigheden, welke zij tot hun eigen voordeel mogen verkopen.
Omtrent honderd schreden verder zagen wij een ander klein gebouw, hetwelk uiterlijk zoo sierlijk, eenvoudig en zindelijk was, dat ik het nooit voor een hospitaal zoude hebben aangezien. Dit was het echter; namelijk, het Stads-verband, waarvan ik reeds melding heb gemaakt, en hetwelk bestemd is, om de gewonde of verdronkene personen te ontvangen. Men legt hier het eerste verband, en zend hen vervolgens naar hunne bloedverwanten terug, indien dezen in het vermogen zijn, om hunne verdere verpleging te bekostigen; maar zoo dit niet het geval is, kunnen zij in het gesticht blijven, en worden door het Gouvernement verzorgd. Dit is eene der weldadige inrigtingen, welke men te danken heeft aan den Gouverneur-Generaal van der Capellen, die, zoodra hij vernomen had, dat alle ongelukkigen, hetzij Javanen, Chinezen of anderen, geene Christenen zijnde, die het slagtoffer van rampspoedige omstandigheden of van de boosaardigheid hunner landgenooten waren geworden, doorgaans naar de Stads-gevangenissen werden gebragt om aldaar de eerste hulp te bekomen, en aldus met misdadigers gelijk gesteld werden, zelfs menigmaal met dezelfde boosdoeners, aan welke zij hun ongeluk te wijten hadden, aan dezen staat van zaken onverwijld een einde maakte. Den 29sten Mei 1829, werd door dezen Opper-landvoogd een besluit uitgevaardigd, om het tegenwoordige gebouw tot een Stads-verband in te rigten, hetwelk eene veel gunstiger en gezonder ligging heeft. Het gebouw is verdeeld in eene groote en twee kleine zalen. In de eerste zijn veertig kribben, met even zoo vele matrassen en lederen kussens, voor eene gelijke menigte lijders. In eene der kleine zalen hebben de Heelmeesters eene verzameling van instrumenten en toestel om alle heelkunstige operatiën te doen. De derde zaal, die geene gemeenschap met de beide anderen heeft, is voor hulpbehoevende inlandsche vrouwen ingerigt.

Olivier – Tafereelen I, 166-167

[Jakarta 3 – Gereja Katolik] 

Wij begaven ons, na dit alles bezigtigd te hebben, naar het Chinesche kamp, waar wij bij den Kapitein dezer natie een kopje thee zouden drinken. De Chinezen zijn over het algemeen zeer wellevend en vriendelijk jegens de Europeanen, en zien het gaarne, dat men spijs en drank bij hen gebruikt. Hunne geregten zijn zeer menigvuldig, smakelijk en voedzaam; en thee is hun meest geliefde drank. Zij hebben sommige gewoonten, die hun in het bijzonder eigen zijn; onder anderen drinken zij zelden of nooit eenigen kouden drank, zelfs geen wijn en geen arak, welken laatsten zij doorgaans met warme thee mengen. Zij gebruiken nimmer melk, onder welke gedaante het ook zij, gekookt noch ongekookt. Bij de thee gebruiken zij evenmin suiker, maar de theetafel, die den geheelen dag gereed staat, is, behalve met een trekpotje en eene menigte kleine kopjes, ook met een groot aantal kleine schoteltjes en schaaltjes met onderscheidene confituren en gebak bedekt, welke bij de thee genuttigd worden. In elke kamer en schier op elke tafel, vindt men bij eenen gegoeden Chinees, thee en confituren gereed staan. Des avonds bij het naar bed gaan, worden de onderscheidene trekpotten in eene groote kom geledigd, en met dit overblijfsel van thee wascht zich de Chinees dagelijks het geheele ligchaam, of zoo hij daartoe geene gelegenheid heeft, toch zekerlijk het bovenlijf.
Hunne gewone maaltijden bestaan uit eene groote verscheidenheid aan geregten, soepen, vleeschspijzen, vogelnestjes, schildpadsoep, ragouts, enz.; alles in eenen half vloeibaren staat, en het vleesch altijd in kleine stukjes gesneden, omdat zij noch mes noch vork aan tafel gebruiken. De evengemelde spijzen worden altijd in porseleinen kommetjes genuttigd, en wel met twee ivoren of sandelhouten stokjes, waarmede zij ongemeen handig de stukjes vleesch, de groenten, rijst en andere spijzen in den mond weten te brengen. De Europeanen te Batavia, begeven zich dikwijls in het Chinesche kamp, om de viering der Chinesche feesten bij te wonen, waaronder hun Nieuwjaars-feest eene aanmerkelijke rol speelt. Ook heeft men schier alle avonden in de wijk der Chinezen wayangs of inlandsche tooneelvertooningen, pantomimes, schimmen, of andere vermakelijkheden, welke de Europeanen, vooral ten gevalle van hunne kinderen, menigmaal gaan bijwonen.

Olivier – Tafereelen I, 167-168

[Jakarta 6 – Pasarbaroe] 

De onderscheidene markten, maar vooral de vroeger gemelde pasar-bahroe, zijn eene soort van kermissen, waar niet alleen, in eene tallooze menigte kleine kramen en opstallen, allerlei eetwaren, ververschingen, snuisterijen en andere voorwerpen te koop zijn, maar waar ook allerlei vermakelijkheden met inlandsche muziek, zang en dans gepaard, tot laat in den nacht plaats vinden. De Javanen zijn groote liefhebbers van deze uitspanningen, en hierbij spelen de ronggings of dansmeisjes eene voorname rol. Op eene theatrale, gansch niet onbevallige wijze gekleed, dansen zij en corps met elkander, of wel paar aan paar met diegenen onder de aanschouwers, die goedvindt hen daartoe uit te noodigen, hetwelk veelal eene nadere kennismaking ten gevolge heeft. Men kan deze nimfen ook bij zich aan huis ontbieden, om hen hunne kunst tot vermaak der gasten te doen vertoonen, doch Europeanen doen dit zeer zelden, ten zij wanneer zij inlanders tot gasten hebben, die in de dansen en gebaren der ronggings, een zeer groot behagen scheppen.

Olivier – Tafereelen I, 170-171

[Jakarta 3 – Gereja Katolik] 

Hun opperhoofd, waartoe in elke gemeente een er aanzienlijkste en achtenswaardigste Chinezen door het Gouvernement benoemd wordt, heeft den titel van Kapitein, en oefent een groot gezag over hen uit. De Kapiteins der Chinezen en hunne Luitenants worden gewoonlijk levenslang aangesteld ten zij het Gouvernement hen om een of ander misdrijf mogt afzetten.

Olivier – Tafereelen I, 184

[Bandung – Milestone]

Hier begint de weg die in het gebergte uitgehouwen is geworden. Op sommige plaatsen scheen het openen van deze weg eene eindelooze moeite gekost te hebben, omdat men tot eene diepte van 30, 40, en op sommige plaatsen zelfs tot 50 voeten de bergen heeft moeten doorgraven. (De geheele postweg, van Bantam tot aan Bezoekie, heeft eene lengte van 700 palen, en loopt op verscheidene plaatsen over de toppen en langs de zijden der bergen heen).

Olivier – Tafereelen I, 200-202

[Surabaya – Munt] 
[Surabaya – Constructiewinkel] 

Als eene stad op zich zelve beschouwd, zoodanig als men zich daarvan in Europa een begrip vormt, mag Soerabaya buiten kijf de voornaamste van Java genoemd worden; zij is veel fraaijer dan Batavia, en in de stad zelve is oneindig meer vertier en levendigheid. Batavia is thans, als stad, niets meer dan eene verzameling van winkels, pakhuizen, kramen en markten; hare aanzienlijkste bevolking heeft zich buiten hare muren begeven. Soerabaya, daarentegen, is niet alleen eene koopstad, maar men vindt aldaar alles vereenigd wat men in onze aanzienlijke Vaderlandsche steden verlangen kan, en ofschoon zij met fraaije buiten-verblijven omgeven is, bevat zij echter ook binnen haren omtrek eene groote menigte aanzienlijke huizen, en is geenszins, uit gebrek aan ruimte en frissche lucht, door de welvarendste klasse verlaten geworden, zoo als dit met de stad Batavia, ondanks hare gemakkelijke haven en in vele opzigten gunstiger ligging, het geval is geworden.

Soerabaya is door deze omstandigheden als de tweede, of westelijke hoofdstad van Java te beschouwen, zoo als Batavia de eerste of oostelijke hoofdstad is. Hoezeer Soerabaya veel later dan Batavia en op ruim vijfhonderd palen afstands van deze algemeene hoofdplaats werd aangelegd, groeide zij in zeer korten tijd tot eene aanzienlijke koopstad aan, waartoe denkelijk de omstandigheid, dat zij minder aan den aanval eener Europische vijandelijke magt bloot ligt dan Batavia, zeer veel heeft bijgedragen.
Soerabaya heeft, gelijk uit gezegde reeds eenigermate gebleken is, eene veel gezonder ligging dan Batavia, en vooral deze omstandigheid, noopte den Maarschalk Daendels, die ondanks vele, zeer willekeurige daden, veel goeds in Indië gesticht heeft, de stad Soerabaya tot het onderwerp zijner bijzondere oplettendheid te maken. Een arsenaal en vele andere openbare inrigtingen werden hier door dien Landvoogd tot stand gebragt. De Scheepstimmerwerven zijn voorzeker de fraaisten, welke men in Indië zien kan; de Constructie-winkel en de Munt zijn zeer belangrijke inrigtingen. Voor soortgelijke etablissementen achtte men Batavia minder, of in het geheel niet geschikt. Niet alle deze inrigtingen zijn het werk van den Generaal Daendels geweest; want onder het bestuur van den Opper-landvoogd Baron van der Capellen, zijn sommigen daarvan gesticht, en anderen tot meer volmaaktheid gebragt, maar de Generaal Daendels verdient niet te min den lof, dat hij tot de thans bestaande bloei en welvaart van Soerabaya de eerste grondslagen heeft gelegd, gelijk den Baron van der Capellen in den volsten zin de eer toekomt, de welvaart, hier zoowel als door geheel Nederlandsch Indië, meer en meer te hebben vergroot en uitgebreid, waardoor deze Opper-landvoogd op zijne beurt den grondslag heeft gelegd tot de aanzienlijke voordeelen, welke het eiland Java gedurende eene reeks van volgende jaren, heeft opgeleverd, waarvoor dit eiland anders nimmer vatbaar zoude geworden zijn.

Olivier – Tafereelen I, 202-203

[Surabaya – 19de eeuwse]

Soerabaya bezit ook nog het voordeel van aan eene groote en het geheele land verfrisschende rivier gelegen te zijn, namelijk de Kediri, te Soerabaya meer bekend onder den naam van Kali-Más, waarvan de stroom niet, gelijk bij de rivier van Batavia, sedert eeuwen geschied is, door tallooze afleidingen en grachten verlamd is geworden. Aan den mond van deze rivier zijn twee sterke hoofden van palen en klipsteenen, op de zelfde wijze als het voortreffelijke hoofd te Batavia, ter lengte van omtrent een uur gaans in de zee gelegd. De eene oever is met fraaie, helderwitte woningen van Europeanen omzoomd, en levert een fraai gezigt op, terwijl de overzijde wel een woeliger, maar gansch niet bekoorlijker schouwspel vertoont, en veelal herbergen, openbare huizen voor de zeelieden en dergelijke gebouwen bevat. Het is een treurig gezigt, meisjes die naauwelijks den huwbaren leeftijd bereikt hebben, hier de afzigtelijke kenteekenen van ontucht op het aangezigt te zien dragen, op hetwelk de sporen van voormalige schoonheid het medelijden van den aanschouwer nog vermeerderen; doch in den tegenwoordigen stand der maatschappij is de toelating der openbare huizen, waarin de beklagenswaardige slagtoffers van dierlijken wellust zich ophouden, welligt een noodzakelijk, een onvermijdelijk kwaad, en alle bespiegelingen daarvoor, uit dien hoofde, zoo men wil, overtollig.

Olivier – Tafereelen I, 204

[Surabaya – Roode] 

Eene houten brug ligt hier over de rivier en verbindt de Chinesche wijk met den oever, welke met reeds gemelde fraaije woonhuizen der Europeanen versierd is. Honderden vaartuigen en praauwen wemelen door den stroom en vermeerderen de levendigheid van dit tooneel. De oevers zelven zijn met fraaije boomen beplant, onder welker lommer de huizen der Europeanen schilderachtig tevoorschijn komen.

Olivier – Tafereelen I, 205

[Surabaya – HVA]

Over het algemeen is de zamenleving in en om Soerabaya zeer gul en gezellig. De Sociëteit geeft gelegenheid tot dagelijksch onderhoud en uitspanning, terwijl er ook gewoonlijk eens in de maand een bal, en nu en dan vrolijke gastmalen gehouden worden. Men vindt in deze stad eenen schouwburg, waarin een gezelschap van liefhebbers op eene zeer voldoende wijze de beste Vaderlandsche tooneelstukken voorstellen. Dit is eene navolging van den Liefhebberij-schouwburg te Batavia, waarvan ik nader gelegenheid vinden zal iets te zeggen, wanneer ik over de gewone leefwijze der Europeanen op Java in het algemeen zal handelen.

Olivier – Tafereelen I, 205-208

[Surabaya – Constructiewinkel] 

Bijzonder echter had de reeds gemelde Constructie-winkel en de Munt, waarvan wij vóór onze aankomst te Soerabaya, reeds veel gehoord hadden, onze nieuwsgierigheid opgewekt, en wij namen de eerste gelegenheid te baat om deze etablissementen te bezigtigen.
De onderscheidene ruime gebouwen van den Constructie-winkel bevatten de werkplaatsen der scheepstimmerlieden, blok- en pompenmakers, kuipers, koperslagers, blikslagers, schilders, geweermakers, smids, zadelmakers en houtzagers, mitsgaders de ankersmederij en de kogelgieterij. Voor elke dezer handwerken zijn opene lootsen opgerigt, die met pannen gedekt zijn. De meeste arbeiders zijn inboorlingen van Java en Madura, die onder het opzigt van Bazen staan, welke den titel van Loerah voeren. Alleen in den smidswinkel zagen wij eenige Europeanen arbeiden.
De geheele Constructie-winkel wordt beheerd door eenen ambtenaar, die den titel van Directeur heeft; onder zijne bevelen staan, een Kapitein-constructeur, een Teekenaar, en een Boekhouder, aan welken laatsten ook het opzigt over het Magazijn is opgedragen. De geheele inrigting kost aan het Gouvernement jaarlijks ongeveer twee millioen guldens.
Bij den geest van bezuinigingen, die in Indië zulke zigtbare veranderingen te weeg heeft gebracht, zijn er ook bedenkingen tegen het nut van deze fraaije inrigting geopperd; want wat zouden inschikkelijke onderhoorigen niet hebben willen wegredeneren, om aan hun bezuinigend Opperhoofd in Indië te behagen! Kundige en onbevooroordeelde mannen, zijn echter van oordeel, dat de Constructie-winkel niet slechts hoogst nuttig, maar zelfs voor onze bezittingen in Indië ten eenemale onontbeerlijk is. Dit gevoelen strookt volkomen met dat van een kundig en zeer bekwaam ambtenaar, die thans nog eene aanzienlijke betrekking in het bewind van Nederlandsch Indië vervult. Ik bedoel den Heer Kruseman, die het volgende nopens den Constructie-winkel van Soerabaya heeft aangetekend.
Vele lieden beoordeelen het belang en de nuttigheid van deze inrigting naar de bearbeiding van het een of het ander stuk aldaar vervaardigd, hetwelk in Europa beter, spoediger en tot minderen prijs zoude gemaakt hebben kunnen worden, Zij stellen zich de groote som gelds voor oogen, welke voor den Constructie-winkel jaarlijks op de begrooting wordt gebragt; en zonder de zaak verder te onderzoeken, wordt op deze wijze deze belangrijke inrigting als een veel te omslagtig etablissement beschouwd, hetwelk, als veel kostende en weinig of niets opleverende, zoude kunnen worden afgeschaft, omdat de meesten der benoodigde voorwerpen tot geringere prijzen uit Nederland ontboden, en de overigen bij partikulieren aanbesteed zouden kunnen worden.
Ik wil niet ontkennen, zegt de Heer Kruseman verder, dat sommige artikelen in den Constructie-winkel te Soerabaya welligt niet zoo hecht en fraai gewerkt worden als in de gevestigde fabrieken en timmerwerven in Europa. Dit is onder anderen het geval met alle ijzerwerk, dat in Indië gesmeed is, omdat het vuur in eenen tropischen dampkring minder kracht heeft dan in meer noordelijke luchtstreken; doch daarentegen kan te Soerabaya alles gemaakt worden, wat voor de armee, de marine en de vestingwerken, als ook voor het bouwen van huizen vereischt wordt, alleen met uitzondering van geschut. Deze omstandigheid is op zich zelve een zeer belangrijk voordeel; want hoe zoude het Gouvernement, zonder den Constructie-winkel in de onmiddelijke behoeften der marine in Indië kunnen voorzien? Zouden met zoo veel gemaks en met zoo geringe kosten, niet alleen koopvaardij- en kleine oorlogs-vaartuigen, maar zelfs groote schepen, zoo als het fregat de Javaan, in Indië gebouwd kunnen worden, en hoe zoude het herstel van wapenen, affuiten en andere artillerie-goederen, in één woord, van zoo vele andere voorwerpen, die op de maat en naar gegevene voorschriften gemaakt moeten worden, zonder den Constructie-winkel kunnen geschieden? Men heeft Nederland niet zoo nabij, om dadelijk over werklieden van daar te kunnen beschikken; en hoe zoude men zich redden in oorlogstijden, wanneer het moederland niet zonder gevaar, moeite en zware kosten deze bezittingen kan bijstaan? Door partikuliere aannemingen, zal men antwoorden; maar de ondervinding heeft in alle landen geleerd, tot welken prijs het Gouvernement zich daarvan bedienen kan, wanneer het geene andere hulpmiddelen in zijn bereik heeft.
Bovendien, dus vervolgt de evengenoemde ervaren ambtenaar, geeft de Constructie-winkel bestaan en welvaart aan Soerabaya; deze inrigting is eene oefenschool voor timmerlieden, smids, wieldraaijers, kuipers, schilders en vele andere ambachten, die op Java hoe langer onontbeerlijk worden, naarmate de handel, welvaart en beschaving aldaar, zoo wel onder de Javanen en andere Aziatische natiën, als onder Europeanen op dit gezegende eiland, meer uitbreiding verkrijgt. Zij is misschien voor vele verbeteringen vatbaar, doch naarmate er meer werklieden uit Nederland gevonden, verkeerde gebruiken geweerd, en misslagen verbeterd zullen worden, zal de Constructie-winkel een hoogeren trap van volmaaktheid bereiken en meer en meer aan het heilzame doel van het Gouvernement beantwoorden.

Olivier – Tafereelen I, 208-211

[Surabaya – Munt] 

Het etablissement van de Munt is alleen tot het slaan van kopergeld bestemd, en bestaat uit lootsen, die met atap of palmbladen gedekt zijn, en in welke het koper gesmolten, tot platen gevormd, geplet, tot kleine ronde plaatjes geslagen, en eindelijk gestempeld of tot duiten gemunt wordt. Men ziet hier, wel is waar, die uitnemende zindelijkheid niet, welke men in den Constructie-winkel met zoo veel genoegen bemerkt, maar men moet in het oog houden, dat de aard van den arbeid, die in de Munt verrigt wordt, geene zoo groote netheid gedoogt.
In de eerste loots worden smeltkroezen, de plaat en cylinder-mallen gekneed, tot welken arbeid men aankomende jongens bezigt. De hiertoe gebruikte specie bestaat uit eene daartoe bijzonder geschikte soort klei, uit de Solosche rivier, gemengd met gebrand rijst-stroo en met gewoon water verdund. De arbeiders werken twee aan twee; de eene trapt de specie met den voet en de andere geeft er den vorm aan. Dit laatste vooral geschiedt met eene buitengewone behendigheid. Zij vervangen elkaar om de acht dagen, na verloop van welken tijd de trapper zijne voetzolen heeft doorgetreden, hetwelk echter geene schadelijke gevolgen heeft, want, nadat hij acht dagen met kneeden, in een zittende houding heeft doorgebragt, zijn zijne voeten weder volkomen hersteld. De aldus gemaakte vormen worden in den zonneschijn gedroogd.
De tweede loots wordt de smelterij genoemd, en bevat een aantal gewone smids-fornuizen, en vuurplaatsen van gebakken steen opgemetseld. Tot brandstof gebruikt men steenkolen, en het vuur wordt door kleine windpompen aangeblazen, die achter de fornuizen met de hand in beweging worden gebragt. In dezelfde loots bestrijkt en effent men de mallen, tusschen welke het gesmolten koper tot platen wordt gegoten. Eene [smelt]kroes kan somtijds tweemaal, doch zelden meer gebruikt worden.
Het eerste pletten van het koper geschiedt op de gewone en bekende wijze, tusschen twee cylinders, die door middel van water in beweging worden gehouden. De tweede pletting geschiedt door middel van eenen cylinder, die op den zolder van het gebouw geplaatst is, en door eenen molen bewogen wordt, welke bij gebrek aan betere hulpmiddelen, door de handen in werking moet gebragt worden.
Het slaan van de duitplaatjes en het stempelen, geschiedt op eene zeer eenvoudige wijze, en wij bewonderden de ongemeene behendigheid, welke de werklieden hierbij aan den dag leiden, vooral bij het plaatsen van de duiten order den stempel, waarbij zij gezwindheid met naauwkeurigheid wisten te paren. Sommige stempels waren uit Nederland herwaarts gezonden, maar de meesten in den Constructie-winkel zelven gemaakt. Als eene bijdrage tot het karakter der Javanen, mag men hier ter loops aanmerken, dat geene andere inlanders dan Madurezen bij den stempelschroef gebezigd worden, omdat zij zich telkens, wanneer zij de werkplaats verlaten, geheel moeten ontkleeden, hetwelk de Javanen zich volstrekt niet willen later welgevallen.
De Munt kan maandelijks veertig-duizend Nederlandsche ponden koper tot duiten slaan, hetwelk alsdan eene waarde van ruim honderd-duizend guldens bedraagt. Deze hoeveelheid, die reeds aanmerkelijk is, zoude nog kunnen vermeerderd worden, indien men de pletmolens tot meer volkomenheid konde brengen, en meer door kracht van water konde werken.

Olivier – Tafereelen I, 253-255

[Bogor – Bogor] 

De geheele provincie of Residentie, wordt naar het lustverblijf van den Gouverneur-Generaal, thans Buitenzorg genoemd. De inlandse naam voor dit distrikt is Bogor, en deze is bij de Javanen nog altijd in zwang. Tijdens den Gouverneur-Generaal van Imhoff, was dit gewest, dat nu een der fraaiste gedeelten van het geheele eiland is, in den volstreksten zin, eene wildernis, die door tijgers, wilde zwijnen en ander wild gedierte, zoo onveilig was, dat schier niemand deze landstreek durfde doorreizen, veel minder zich daarin met der woon nederzetten. Het is echter meer dan waarschijnlijk, dat dit zelfde gewest in vroegere eeuwen, toen het aloude rijk van Padjadjaran aldaar nog bloeide, zeer bevolkt is geweest, maar ten gevolge der binnenlandsche oorlogen van dat tijdvak, gepaard met de snelheid, waarmede in een tropisch klimaat de natuur hare regten herneemt, zoodra de mensch ophoudt haar door kunst naar zijne inzigten om te vormen, was van die vroegere welvaart omstreeks het midden der vorige eeuw, geen spoor meer te vinden, dan welligt hier en daar een vervallen overblijfsel van voormalige tempelpracht en beeldhouwkunst.
Het woeste en onbewoonde landschap Bogor werd echter door de ongemeene vruchtbaarheid van zijnen grond, door zijne hooge en gezonde ligging, en zijn geringen afstand van de hoofdstad Batavia, zeer geschikt gekeurd, om in een der aangenaamste oorden der wereld herschapen te worden. In het jaar 1745 werd het door de Indische Regering aan den toenmaligen Opper-landvoogd, Baron van Imhoff afgestaan, voor hem en zijne opvolgers als een bijzonder eigendom, gedurende den tijd van hun Bewind in Indië. Een zeer eenvoudig huis werd destijds ter plaatse gebouwd, waar de oostelijke vleugel van het tegenwoordige vorstelijke paleis is opgerigt, en de Opper-landvoogd, die hier eenige verpoozing in de zorgen van het Landsbestuur vond, gaf daaraan den eigenaardigen naam van Buitenzorg, welke door den Engelschen Gouverneur Raffles, over de geheele provincie werd uitgestrekt, welke tot daartoe slechts onder den naam van Bogor bekend was.
De tegenwoordigheid van den Opper-landvoogd lokte natuurlijk een menigte aanzienlijke ambtenaren en andere vermogende ingezetenen naar deze landstreek, die hierdoor in weinige jaren geheel van gedaante veranderde. De wildernissen werden in lusthoven herschapen, en in de onmiddellijke nabijheid van het woonhuis des Opper-bewindvoerders, ontstond van lieverlede een fraai en welbevolkt dorp, hetwelk even als het geheele land in vruchtbaarheid, vertier en welvaart, bloei en beschaving van dag tot dag toenam, waartoe de nieuwe en gemakkelijke wegen, die in later tijden werden aangelegd, en waardoor de gemeenschap met de hoofdstad zeer gemakkelijk werd, aanmerkelijk hebben bijgedragen.
In den tijd van den Gouverneur-Generaal van Imhoff, deed men telkens, wanneer hij zich naar Buitenzorg begaf, openbare gebeden, voor zijne behoudene aankomst; zoo gevaarlijk achtte men destijds nog dit kleine binnenlandsche togtje, dat nu niets dan bekoorlijke tafereelen oplevert.
Het eenvoudige lusthuis van den eersten bezitter van Buitenzorg, is even als de landstreek zelve, verfraaid hervormd geworden, in dier voege, dat het nu een prachtig paleis en waardig verblijf voor de vertegenwoordigers van Neerlands beminden Monarch in de Oostersche landen geworden is. Een zeer groot voorplein geeft gelegenheid om dit grootsche gebouw in al zijn pracht en van onderscheidene gezigtspunten te beschouwen. Het sierlijke geboomte, het gebergte in het verschiet en vooral de heerlijke plantentuin, die hier door den Gouverneur-Generaal van der Capellen is aangelegd, de verrukkelijke schoonheid van de geheele omstreek, bekoren het oog niet minder dan de goede smaak, waarmede het paleis zelf is aangelegd.

Olivier – Tafereelen I, 256

[Bogor – ingangspoort] 

Eene fraaije kazerne strekt mede tot sieraad van Buitenzorg; zie dient tot huisvesting voor eene compagnie blaauwe huzaren en een detachement artillerie.

Olivier – Tafereelen I, 304-305

[Semarang 2 – Pemuda] 
[Semarang 3 – Douanekantoren] 

De stad Samarang is tusschen Batavia en Soerabaya, aan de Noordkust van Java gelegen, en zoude naar deze ligging de tweede stad van het eiland zijn; doch in belangrijkheid mag men haar niet boven, noch zelfs gelijk met Soerabaya stellen, en moet haar derhalve slechts den derden rang toekennen. De stad is niet zoo fraai noch ruim gebouwd als Soerabaya, en dit is de reden dat men er meer last van de warmte heeft, hetwelk sommigen aan de nabijheid van het gebergte hebben toegeschreven, welke de hitte der zon zoude terugkaatsen. De zonneschijn is in de veelal naauwe straten van Samarang, tusschen de wit bepleisterde muren der huizen, op zich zelve zoo drukkend, dat men de oorzaak van de banaauwde hitte in sommige gedeelten van de stad niet in het gebergte behoeft te zoeken, hetwelk veeleer de hitte van den dampkring matigt, tenzij de stad, gelijk Bantam, van alle zijden door het gebergte, als in eene kom ingesloten ware, hetwelk te Semarang het geval niet is. Een ander nadeelig uitwerksel van de enge, witte muren der huizen is eene zoo sterke overprikkeling der oogen, dat men nergens meer dan hier heele en halve blinden ontwaart. Een verdienstelijk geneesheer heeft in der tijd hierover een vertoog in de Bataviasche Courant doen plaatsen; doch dit heeft niet verhinderd, dat de muren nog even helder wit bepleisterd worden als voorheen. Tot afkeering van de hitte der zon uit het binnenste der woningen, is voorzeker deze kleur zeer dienstig, even als de drie- en vierdubbele daken van de Chinesche gebouwen.
De haven of liever de reede van Samarang is op verre na zoo veilig niet, als die van Batavia en Soerabaya, integendeel ligt zij schier voor alle winden bloot. De ingang van de rivier wordt door eene modderbank belemmerd, en is bovendien moeilijk te verkennen, vooral des avonds of des nachts, omdat zij bijna geheel in het kreupelbosch van het strand verholen ligt.
Men vindt te Samarang weinige merkwaardige gebouwen. Het stadhuis, eene hervormde en eene katholijke kerk, leveren niet veel bijzonders op. Een der aangenaamste wegen om te toeren (wandelen is in Indië niet gebruikelijk), hetzij te paard of met den wagen, is de weg naar Botjong, eenige palen van de stad gelegen, waar de Resident gewoonlijk zijn verblijf houdt. Ook de societeit en de liefhebberij-schouwburg vermeerderen het genoegen van de zamenleving in deze stad, waarvan de inwoners overigens gul en vriendelijk jegens vreemdelingen zijn, iets waardoor de Europeanen zich in Indië vrij algemeen onderscheiden, ofschoon men wil dat de gezellige omgang thans op verre na zoo ongedwongen en belangloos niet meer is als voor eenige jaren, hetwelk ik echter liefst wil betwijfelen.

Olivier – Tafereelen I, 305

[Semarang – Oei] 

Onder de Chinezen die zich te Semarang zoowel als in alle Oost-Indische handelplaatsen in menigte hebben nedergezet, zijn vele zeer vermogende of liever schatrijke lieden. Daar de Chinezen, gelijk reeds aangetoond is, bijzonder geslepen in alle handelsverrigtingen, en ervaren in allerlei winstgevende ondernemingen zijn, weten zij de voor den handel bijzonder gunstige ligging van Samarang meesterlijk tot hun voordeel aan te wenden. De stad ligt bijna regt tegenover den zuidhoek van Borneo, zoodat de vaart derwaarts in de beide moessons kan plaats hebben, hetwelk voor de Chinezen van Samarang de gelegenheid geeft om met hunne talrijke landgenooten die de goud- en diamantgroeven van Borneo bearbeiden, eene onafgebroken gemeenschap te onderhouden.

Olivier – Tafereelen I, 308-309, 313

[Borobudur 0 – Tempel] 

Een te vroeg aan het Vaderland ontrukt geleerde heeft met regt nopens de residentie Passoeroewang aangemerkt, dat dit gedeelte van Java allerwaarschijnlijkst vele oudheden bevat, welke nog niet opgespoord zijn geworden. Deze aanmerking is ook op vele andere plaatsen van het eiland van toepassing. De ontdekkingen welke men in de streken van Brambanan, Mataram, Boro-bodo, Kadoe, Singa-sahri en Malang heeft gedaan, doen met grond vermoeden, dat men op verscheidene andere plaatsen belangrijke gedenkteekenen zal vinden, hetzij door toeval, naarmate de landbouw en kolonisatie, meer uitbreiding zullen bekomen, hetzij ten gevolge van opzettelijke nasporingen, door weetgierige particulieren ondernomen, of wel door het Gouvernement te eeniger tijd voorgeschreven. [...]
De tot dusverre beschrevene tempels worden in grootschen bouwtrant en pracht nog verre overtroffen door het ontzaggelijke kunstgewrocht, onder den naam van Boro-Bodor bekend, waardoor het distrikt Boro, in de residentie Kadoe, eene welverdiende vermaardheid bezit. Deze bewonderenswaardige tempel bedekt in eene, pyramidale gedaante de kruin van eenen heuvel, die zich midden in eene vruchtbare en romantische vlakte verheft, en bestaat uit eene opgaande reeks van zes prachtige muren, tusschen welke even zoo vele terrassen zijn. In de geheele lengte der muren zijn fraai gebeeldhouwde nissen, van drie- tot vierhonderd in getal, waarvan elke een zittend beeld (van Buddha) bevat. In het midden verheft zich een koepelgebouw, hetwelk, ofschoon de top er aan ontbreekt, ruim twintig voeten hoog; is. De geheele massa van dezen majestueuzen tempel is honderd zestien voeten hoog, en bij den grond aan elke zijde ruim vijfhonderd voeten lang. Hier vindt men insgelijks vier voorname ingangen aan de vier hoofdstreken; maar in stede van de gedrochtelijke Raksas, vindt men aan deze ingangen leeuwenbeelden, als wachters opgerigt.

Olivier – Tafereelen I, 325-333

[Jakarta 7 – Dipo Negoro] 

Onder de op zich zelve onbeduidende gebeurtenissen, uit welke veelal de grootste staatsomwentelingen geboren worden, behoort, met betrekking tot den vijfjarigen oorlog op Java, de toevallige omstandigheid van Dipo Negoro’s kennismaking met den doortrapten, heerschzuchtigen en boosaardigen priester van Modjo, onder den naam van Kiay-Modjo (de eerwaardige van het dorp Modjo) bekend. Uit de latere gebeurtenissen is ten duidelijkste gebleken, dat Dipo Negoro, zoo hij niet door Kiay-Modjo daartoe ware aangezet geweest, nimmer eenen openbaren opstand tegen het Nederlandsche Gouvernement zoude ondernomen, en zich vergenoegd zoude hebben, indien hem in den eersten aanvang voldoening voor den onderganen hoon ware verleend. geworden.
De noodlottige omstandigheid, dat Prins Dipo Negoro door persoonlijk ondergane beleedigingen van den Hoofdambtenaar der plaats en zijnen Secretaris, meer dan ooit tegen het Gouvernement (op hetwelk hij ten onregte, maar uit eene zeer natuurlijke kortzigtigheid, den geleden hoon wilde wreken) verbitterd werd, kwam den boosaardigen, listigen, misnoegden, dweepzieken, heerschzuchtigen, wreeden en verraderlijken Kiay-Modjo als een gunstig toeval voor, hetwelk hem, tot bereiking van zijne lang in het geheim gekoesterde oogmerken, zeer dienstig konde zijn. Niet Dipo Negoro zocht zich met Kiay-Modjo, maar Kiay-Modjo zocht zich met Dipo Negoro te verbinden; en dit gelukte hem zelfs boven verwachting, daar hij, als een vurig voorstander van de Mohamedaansche leer, weldra eenen invloed op het gemoed van den meer dweep- dan heerschzuchtigen Dipo Negoro wist uit te oefenen, die dezen laatsten tot een gewenscht werktuig van den doortrapten priester gemaakt hebben.
Dipo Negoro deed geene schrede, zonder met Kiay-Modjo geraadpleegd te hebben, en op het voorschrift van dezen laatsten, vaardigde hij het vermaarde bevelschrift uit, hetwelk hem denkelijk van het begin tot het einde door den snooden Opperpriester in de pen gegeven was. Dit firman of bevelschrift luidde als volgt:
“Dit bevelschrift komt van mij, Prins Narjo Dipo Negoro, die de magt heb verworven, om het aardrijk om te keeren aan de westzijde van den berg Soembing; die den heiligen strijd Gods wil strijden, om alle ongeloovigen van het eiland Java te verdrijven , en het geloof in den Propheet te bevestigen, op wien Gods vrede ruste. lk gelast alle distriktshoofden voortaan geene belastingen meer te betalen, maar die als middelen aan te wenden, om de Christenen van het eiland te doen verdwijnen, als ook om die de leer van Mohammed niet willen omhelzen, te vermoorden. Willen zij zich tot het ware geloof (Islam) bekeeren, zoo zullen zij het leven behouden, maar hunne goederen zullen verbeurd zijn; zij zelven zullen de besnijdenis ondergaan, en hunne staarten zullen afgesneden worden. Wee dengenen, die aan dit bevelschrift niet stiptelijk gehoorzaamt; de vloek van den Almagtige zal hem treffen. Maar wie mijn gebod opvolgt zal roem en magt en groote rijkdommen verwerven, hij en zijne nakomelingen.”
Dipo Negoro was destijds vijf en veertig jaren oud, en in de volle kracht van zijn leven. Persoonlijken moed kon men hem niet ontzeggen, schoon zijne dapperheid grootendeels de uitwerking is van een blind vertrouwen op zijn onveranderlijk bepaald noodlot, hetwelk, naar hij denkt, hem geroepen heeft, om als een nieuw grondvester of hersteller van het Mohamedaansch geloof op te treden. Meer dan eenmaal heeft hij in den oorlog eene onverwrikbare bedaardheid in de hagchelijkste omstandigheden, en een standvastigen moed in het gevecht aan den dag gelegd. Zelfs bij zijne gevangenneming toonde hij zich gelaten, en schikte zich, zoo als hij het noemde, naar zijn onvermijdelijk noodlot. In de gesprekken, welke hij gedurende zijnen overtogt met den officier, die bestemd was om hem te vergezellen (1), gehouden heeft, heeft hij steeds diezelfde volstrekte onderwerping aan een onwankelbaar noodlot aangekleefd, welke trouwens, zoo men weet, eene der leerstellingen van de Mohamedanen uitmaakt. Nog altijd sprak hij van zijn voornemen, om (zelfs van Menado, werwaarts hij verbannen is) eene bedevaart naar Mekka te doen, welk ontwerp zeer waarschijnlijk ook met andere inzigten in verband stond. Dat stroefheid en stugheid hem, als een karaktertrek eigen waren, schijnt zich later in het geheel niet bevestigd te hebben; wel echter onderscheidde hij zich door eene groote geveinsdheid, wanneer het gesprek zijne heimelijke ontwerpen betrof.
Kiay-Modjo matigde zich meer gezag en magt aan, dan Dipo Negoro zelf. Eene zijner eerste gruweldaden was het heimelijk doen vermoorden van de twee nieuw benoemde voogden over den minderjarigen Sultan van Djokjokarta, welken moord hij openlijk eene regtvaardige straf noemde, omdat die voogden, Mohamedanen zijnde, door hunne gehoorzaamheid en getrouwheid aan het Nederlandsche Gouvernement den dood verdiend hadden. Van dit oogenblik af wierp hij het masker neder, verzamelde duizenden Javanen, en tastte daarmede de hier en daar verspreide kleine bezettingen van Nederlandsche troepen aan, die na eene echt Spartaansche verdediging, door de overmagt meest allen om het leven werden gebragt. Kiay-Modjo heeft zich ten allen tijde door verregaande wreedheid doen kennen, en de talrijke onmenschelijkheden, welke van de zijde der Javanen, in den vijfjarigen oorlog gepleegd zijn, waren meerendeels aan zijnen heilloozen invloed te wijten. Hij is tien of twaalf jaren jonger dan Dipo Negoro, en veel sluwer, geveinsder en verraderlijker dan deze Prins.
Een derde hoofdpersoon op het tooneel des oorlogs was Bassa-Prawiro-Dirdjo, ook onder den naam van Sentot bekend. Den eerstgemelden titel had hij van Dipo Negoro ter belooning voor zijne dapperheid bekomen. Meermalen had Sentot verklaard, dat hij in zich eene bovenmenschelijke roeping gevoelde, om als Veldheer op het slagveld te sneuvelen. Inderdaad heeft hij ongeloofelijke wonderen van dapperheid verrigt, ofschoon hij slechts achttien jaren oud was. Hij voerde het bevel over eene bende, die zeer wel gewapend en gekleed was, en wist met deze troepen, vooral in hinderlagen, aan onze dapperen menigmaal groot verlies toe te brengen. Meer dan eens heeft hij, vervolgd zijnde, wanneer hij niet kon ontkomen, zich van zijn paard ter aarde geworpen, en de vijandelijke ruiterij over zijn ligchaam heen laten rennen. Zijn geheele ligchaam is overdekt met wonden. Dat de dapperheid altijd geëerd wordt, bewijst de geheel verschillende wijze, op welke hij na het eindigen van den oorlog door het Nederlandsche Gouvernement behandeld is geworden; want terwijl de beide eerstgenoemde muitelingen naar Menado (Celebes) verbannen zijn geworden, werd aan Sentot het bevel over een legioen ruiterij van omtrent 800 man, in Nederlandsche dienst toevertrouwd.
De oorlog was uit den aard van het land en van de bevolking zeer moeijelijk te eindigen. Het was een oorlog van guerilla’s, of naar die der Vendeërs gelijkende, die altijd den vijand door kleine gevechten en lange marschen wisten af te matten, zonder ooit in het open veld tot een beslissenden veldslag te komen. De dorpen, die onder boschjes verholen liggen, waren zoo vele schuilplaatsen, waaruit duizenden en tienduizenden van Javanen eensklaps met gevelde pieken, dolzinnig op onze troepen aansnelden, en onder een woest getier hals over hoofd, als krankzinnigen, met een onweerstaanbaar geweld alles voor zich neervelden, terwijl zij even snel weer, achter het gebergte, in diepe ravijnen, in de bosschen en andere hun alleen bekende tallooze schuilhoeken verdwenen, wanneer zij door onze troepen aangevallen of vervolgd werden. De dessa's of dorpen zijn doorgaans door zeer hooge levende bamboes-heiningen omschut, welke door de inlanders met omgevelde boomen, steenen en aarde tot eenen ondoordringbaren wal versterkt worden.
Ontoegankelijk in hunne gebergten en dessa's, en begunstigd door de gesteldheid van den grond vol ravijnen, bosschen en overstroomde rijstvelden, wisten de Javanen, die zich door Dipo Negoro hadden laten wegslepen, zich een zeer langen tijd staande te houden, en de rustelooze inspanningen onzer dappere troepen waren, in den beginne althans, veelal vruchteloos; zoodat deze vernielende en kostbare oorlog van 1825 tot in het begin van 1830 voortduurde. Ongemeen groot en hoogst lofwaardig was gedurende al dien tijd de volharding en moed van onze Vaderlandsche dapperen. De troepen weerstonden blijmoedig zoowel de zwaarste vermoeijenissen, die in een warm klimaat natuurlijk veel afmattender zijn dan in Europa, als (wat den krijgsman veel zwaarder valt) de troostelooze uitzigten van zulk een langdurigen oorlog, waarin de grootste dapperheid dikwerf niets baatte. Zij hebben zich onder de drukkendste omstandigheden en de grievendste ontberingen steeds door onwankelbare kloekhartigheid onderscheiden.
De Generaal De Kock, Opper-bevelhebber van het leger, nam eindelijk eene van de gewone Europische krijgskunst geheel verschillende wijze van oorlogen te baat, Welke de ondervinding hem als de eenige doeltreffende, in zulk een land als Java, en tegen zulk eene bevolking als die der Vorstenlanden aldaar, had leeren kennen; te weten, niet om, gelijk de toenmalige Commissaris-Generaal Du Bus de Ghisignies het wilde, in massa aan te vallen, maar deelsgewijze door middel van mobiele kolonnes den vijand te verdelgen, en overal, waar men voet gewonnen had, kleine schansen, redoutes of geretrancheerde kampen, bekend onder den naam van bentings op te rigten, als zoo vele steunpunten, om zich in dezen guerillas-oorlog van het eenmaal veroverde terrein te verzekeren. De pionniers en artilleristen toonden veel bekwaamheid in het opwerpen dezer bentings, in het leggen van bruggen, in het banen van wegen door bosschen en rijstvelden, en dergelijke werkzaamheden meer.
Dit nieuwe stelsel van oorlogvoeren had de Generaal De Kock grootmoedig op zijne persoonlijke verantwoording ondernomen, nadat bij den Commissaris Du Bus bewezen had, dat er geen andere weg ter overwinning open stond. Niettemin had deze Commissaris er zich tegen verklaard, en de verantwoordelijkheid geheel op den Generaal De Kock geschoven, wiens beleid en bekwaamheid volkomen door den uitslag bekroond werden. De opstandelingen werden, in het begin van 1830, geheel ten onder gebragt; hun dweepzuchtig Opperhoofd Dipo Negoro door den Generaal Cleerens gevangen genomen, en de oproerige landen werden, als eene billijke aanwinst en vergoeding voor de kosten en verliezen door den oorlog aan het Gouvernement en de Nederlanders berokkend, gelijk hooger gezegd is, in vier nieuwe residentiën gedeeld, en onder het Nederlandsche Gouvernement gebragt. Dipo Negoro en zijne aanhangers Kiay-Modjo en Sentot, moesten zich ten laatste, nergens meer heen kunnende vlugten, aan den dapperen Opper-bevelhebber onzer troepen onderwerpen, hetwelk in een daartoe opzettelijk gekozen gebouw, onder toezegging van lijfsbehoud, doch zonder bepaling van andere voorregten, bij verdrag tusschen Dipo Negoro en den Generaal De Kock geschiedde.
De invloed van Dipo Negoro had zich nimmer tot een der Nederlandsche distrikten uitgebreid, en dezen waren gedurende den oorlog niet alleen onverwrikbaar getrouw aan de Nederlandsche Regering gebleven, maar hadden ook meer dan eens krachtdadige hulp tegen de opstandelingen verleend.
(1)De Heer Knörle, later Adsistent-Resident te Benkoelen, waar hij in eenen opstand der inboorlingen, na zich manmoedig verdedigd te hebben, voor de overmagt bezwijkende, op eene zeer betreurenswaardige wijze om het leven kwam.

Olivier – Tafereelen II, 140-141

[Jakarta 1 – reede] 

Daar ik [de Heer A.] mij voor het eerst in een tropisch land bevond, en men mij in Europa nadrukkelijk tegen het gebruik van veel ooft in Indië gewaarschuwd had, was ik huiverig om gebruik te maken van de heerlijke vruchten, welke mij, nog eer wij aangeland waren, door de kadraaijers in overvloed werden aangeboden. Een der officieren, echter, die nog kortelings in Indië eenige jaren had doorgebracht, stelde mij gerust. Het is waar, zeide hij, dat de vruchten hier over het algemeen veel sappiger en verfrisschender zijn dan in Europa, vooral de meloenen en ananassen, maar ook dezen kunt gij zonder vrees nuttigen, zoowel als de volstrekt onschadelijke manggas, de bananen of pisangs, de mang-gostans en honderden meer. Eet gerust van deze vruchten, en draag slechts zorg daarna geen koud water te drinken, maar bij voorkeur een glas goeden wijn te gebruiken, dan zullen zij u geen nadeel doen. Over het geheel moet gij u in het minst niet storen aan de schroomvallige waarschuwingen, welke men in Europa zoo gaarne met overdrijving uitdeelt, om u van deze of gene vruchten en groenten te onthouden. Zelfs een nieuweling moet zich niet al te zeer in zijne diëet beperken, hetwelk slechts zijne maag zoude verzwakken en daardoor juist den grond tot eene duurzame ongesteldheid zoude leggen. Maak integendeel geene verandering in uwe leefwijze, en onthoud u slechts van onmatigheid in alle dingen, dan zult gij weldra ondervinden, dat men in Indië even zoo gezond als in Europa kan leven.

Olivier – Tafereelen II, 158-159

[Jakarta 3 – Zwaardecroon] 

Wij staken met eene pont over de Mookervaart, naar Kali-dras, en ontwaarden langs de oevers dezer vaart verscheiden fraaije buitengoederen, onder anderen het landverblijf, hetwelk de Gouverneur-Generaal Zwaerdekroon te Kadawong aangelegd en bewoond had, en waar hij in 1722 de koffijboomen, welke hij voor het eerst uit Arabië ontboden had, onder zijne oogen deed aankweken. Deze eerste proefneming viel volkomen naar wensch uit, en van toen af is de koffijboom allengs over geheel Java geplant geworden.

Olivier – Tafereelen II, 159-160

[Jakarta 6 – Groote Huis] 

Ik wendde mij tot een jong ambtenaar, die met ons aan de table d’hôte gegeten had, om hem te verzoeken, mij de woning van den Heer P. te willen aanwijzen, die, zoo als men mij gezegd had, een der voorname ambtenaren bij het Bestuur der Financiën was. Hij is niet meer in functie, zeide mij de vreemdeling, ofschoon hij een zeer werkzamen post in Europa bekleed heeft en Lid van de Staten-Generaal is geweest. Ik vroeg hem eenen boedjang of inlandschen jongen, om een anderen brief bij den Kapelmeester van het 18de Regiment te bezorgen. Wat ! riep hij uit, bij den Kapelmeester ! de Duivekater ! als gij bij het Departement van Financiën iets te verrigten hebt, kan deze brief u van dienst zijn, en ik raad u dien zelf te brengen. Deze persoon bekleedt een der aanzienlijkste posten bij het Gouvernement en bewoont een der fraaiste hôtels aan den weg naar Meester Cornelis.
Zoo gaat het hier nu in de wereld! vervolgde hij, terwijl hij spotachtig om mijne verbazing lachte: uw brief aan den Directeur van Financiën is van geene de minste waarde, en die aan den Kapelmeester brengt u in aanraking met den Inspecteur van Financiën, die de gunsteling van het Hoofd der Regering is.

Olivier – Tafereelen II, 162-164

[Jakarta 1 – Leeuwinnengracht] 

De stad Batavia heeft langen tijd den treurigen en maar al te zeer gegronden naam gehad, van eene der ongezondste plaatsen op den geheelen aardbol te zijn. Deze ongezondheid was minder toe te schrijven aan hare geografische ligging dan wel aan andere oorzaken, onder welke vooral de wijze in aanmerking komt, op welke onze voorzaten, toen zij Batavia stichtten, deze stad gebouwd en versierd hadden. Naar het Europische gebruik van dien tijd waren de straten eng, de huizen sloten digt aan elkander, en de vrije omloop der frissche lucht was overal belemmerd. Men had, naar Hollandsche trant, de stad voornamelijk versierd met grachten, waarvan de kanten met boomen beplant waren, en die bij gebrek aan zorgvuldige onderhouding weldra geene toereikende doorstrooming hadden, zoodat zij met een slijkachtig, stilstaand en luchtverpestend water gevuld waren.
De uitgestrekte lage vlakte, die, in de nabijheid van de woningen der Europeanen, tot eene begraafplaats voor de Chinezen bestemd was, droeg nog meer bij tot de onreinheid der lucht; en aan den mond der groote rivier van Batavia (de Tjiliwong), was allengs eene modderbank ontstaan, waar alle vuilnis, krengen en andere onreinheden, welke de rivier medevoerde, zich bijeenhoopten, en, bij laag water telkens droog blijvende liggen, een verpestenden stank verbreidden, welke door den zeewind over de stad gedreven werd. Tijdens de regering van den Gouverneur-Generaal van der Capellen is echter dit alles grootelijks verbeterd. De meesten der gemelde oorzaken zijn door de aanhoudende zorg en vooral door de standvastige volharding van dien verlichten Staatsman uit den weg geruimd, of, waar dit ondoenlijk was, aanmerkelijk verminderd; en men kan met grond beweren (de sterftelijsten van die jaren strekken er tot bewijs van), dat Batavia thans niet ongezonder is dan eenig ander oord, hetwelk tusschen de keerkringen en aan den oever der zee ligt. Op uitdrukkelijk bevel, en onder onmiddellijk toezicht van dezen Opperlandvoogd (want hij vreesde de lucht van Batavia niet, en bezocht de openbare werken, de hospitalen, zelfs die der Chinezen en der Melaatschen) werden verscheidene grachten gedempt, hetwelk meer stroomkracht aan de overblijvende kanalen gaf, welke laatsten allen uitgebaggerd en gereinigd werden; nieuwe straten werden in een gezond oord (het Koningsplein) aangelegd, en de omliggende grond, onder zeer gemakkelijke voorwaarden van betaling, aan Europeanen verkocht, behoudens hunne verplichting, om er in eenen meer voor het klimaat geschikten trant, en op zekeren afstand van elkander, woonhuizen te bouwen;

Olivier – Tafereelen II, 187

[Jakarta 1 – Roa Malakka] 

De Arabieren en Mooren zijn op Java niet zeer talrijk; men treft hen gewoonlijk slechts in de steden en in de hoofdplaatsen der residentiën aan. Te Batavia bewonen zij voornamelijk de Roea Malacca en den Moorschen passar, en hebben een opperhoofd, die den titel van Majoor voert. Ook hebben zij eene Moskee. Behalve die, welker beroep de scheepvaart is, zijn de meesten kooplieden, vooral in goud- en zilverwerk, diamanten en andere kostbare gesteenten. Zij leven afgezonderd en stil, en zijn zeer vredelievend van aard, zoodat zij nimmer onderling eenig pleitgeding of ander geschil hebben. De Javanen en Maleijers betoonen hun een grooten eerbied, omdat de Arabieren hen in de kennis der zaken betrekkelijk de Mahomedaanse leer verre overtreffen. Zelfs gebeurt het zeer zelden, dat een Arabisch vaartuig door de roovers wordt aangetast, welke de zeeën van den Indischen Archipel hier en daar onveilig maken.