Em. Querido's Uitgeverij b.v. Amsterdam 1979

Nieuwenhuys – Een beetje oorlog, 13

[Semarang – Station] 

Om drie uur in de middag, toen het nog snikheet was, reed de trein het station Tawang binnen. Ik rook als vanouds de scherpe geur van krètèk, van kruidnagel in de tabak, die voor mij altijd aan Semarang verbonden zal blijven. Semarang was een van de mooist gelegen steden op Java, voor een deel op heuvels gebouwd, zoals de kazernes van het 5de Bataljon, aan de voet van de Gombèl. Een half uur later wandelde ik als enige burger tussen de militairen het kampement Djatingaleh binnen. De vrolijkheid om mijn burger voorkomen was algemeen.

Nieuwenhuys – Een beetje oorlog, 23-24

[Semarang – Station] 

Op het station begon het wachten weer. We gingen maar op het perron zitten of liggen. Ik trachtte me af te sluiten door aan andere dingen te denken dan aan oorlog. Berendsen had een bundeltje van Dorothy Parker bij zich: ‘Enough Rope’, en las eruit voor. De versjes pasten uitstekend bij onze stemming. We moesten er allebei erg om lachen. Zoals om dit grafschrift dat ik nog letterlijk citeren kan:
   And I lie here warm, and I lie here dry
   And watch the worms slip by, slip by.
In de loop van de avond werd het ene onderdeel na het andere opgeroepen en naar de vooraf daartoe bestemde wagons gedirigeerd. Ze waren overvol. In het gangpad tussen de banken lagen tassen, helmen, gasmaskers, koppelriemen en zelfs pistolen. Het was al ver na middernacht toen de trein even schokte en daarna langzaam optrok. Je voelde het en je hoorde het aan het stoten van de wissels, het langzaam rijden over een brug. Buiten was heel vaag hier en daar nog een schijnsel te zien. Daarna werd het volmaakt donker. We gingen letterlijk de duisternis tegemoet.

Nieuwenhuys – Een beetje oorlog, 43

[Bandung – Sociëteit 'Concordia']

We reden weer weg dwars door het centrum. Op de Bragaweg hoorden we, eerst vaag, maar later duidelijk, muziek, dansmuziek. Die bleek te komen uit de officierssociëteit. Het was de wekelijkse dansavond en het leek of niemand zich door de oorlog had laten weerhouden. Het bracht Woudstra tot razernij. Hij had het portier van zijn auto al geopend en was eruit gestapt voor ik hem ervan kon overtuigen dat hij alleen maar een theaterstuk zou opvoeren. We bleven nog even stilstaan. Ik hoorde hem naast mij langzaam uitwoeden. We zagen een volle dansvloer met vrouwen in lange avondjaponnen, die zich straks natuurlijk zouden uitkleden om met hun man of andere mannen naar bed te gaan. De gedachte daaraan was onverdraaglijk. Wisten deze dames en heren-officieren dan helemaal niet wat zich daarboven achter Lembang had afgespeeld? Was er dan niets van het drama tot hen doorgedrongen? Dat was eenvoudig niet aan te nemen. Daarvoor was de oorlog te dichtbij. Hij was trouwens voor iedereen de hele dag hoorbaar en zichtbaar geweest.

Nieuwenhuys – Een beetje oorlog, 43-44

[Bandung – Hotel Preanger]

Verderop, in het Preangerhotel, was men bezig als voorzorgsmaatregel flessen drank stuk te gooien. We konden een paar flessen whisky bemachtigen. Die nacht heb ik me, voor het eerst van mijn ]even, bijna bewusteloos gedronken. 'Forever, forever to forget,' riep een Australisch officier, 'forget it, kut-ver-dom-me!' Hij had blijkbaar wat Nederlands opgepikt. Tegen de ochtend werd ons gezegd dat er nog enkele vliegtuigen van de Papandajanlaan zouden opstijgen om te proberen Australië te bereiken. Er waren natuurlijk wat risico's aan verbonden, but so what! We konden mee als we dat wilden. De risico's telde ik niet meer, daarvoor was ik te dronken, maar ik zag haar geliefde omtrekken voor me en ik zag Rogiertje liggen slapen. Nee, godverdomme, nee, dat kon niet. We hadden trouwens samen al zoveel meegemaakt. Ik kon niet zo maar verdwijnen. Ze had het bombardement van Lembang van de bijgebouwen uit kunnen volgen, had ze me verteld. En ze wist dat ik er zat. Pas na de oorlog heeft ze me toevertrouwd dat ze zich nauwelijks gerealiseerd had dat ik voor hetzelfde geld dood of verminkt had kunnen zijn.
Ik herinner me volstrekt niet meer waar Woudstra gebleven was. Vermoedelijk is hij in de loop van de avond weggegaan, maar Berendsen was er wel bij, en toch weet ik zeker dat hij niet met ons was meegereden. Ook hij was dronken, helemaal. Hij sprak bijna uitsluitend Engels, zong en vloekte, schold op de Dutchmen en smeet met glazen. Ook hij besloot te blijven om soortgelijke redenen als ik zelf waarschijnlijk. Ik zal ook nooit het wakker worden vergeten, de stilte na het spektakel en ravage in de lobby van het hotel, de slapende mensen, op stoelen, op banken en op de grond. Er bleken ook enige vrouwen bij te zijn; ze lagen daar zonder enige schaamte. Hoe wij weg zijn gekomen, weet ik niet, ik geloof gewoon met een taxi, want in de stad ging die ochtend het leven door. Er waren ook Europese vrouwen op straat die gewoon boodschappen deden of gingen winkelen. De oorlog leek uitsluitend een aangelegenheid van militairen. We dachten niet bepaald aan deserteren, maar wel heb ik op het punt gestaan naar de Heytinglaan terug te gaan. Een achteraf dwaas gevoel voor 'discipline' heeft me ervan weerhouden.

Nieuwenhuys – Een beetje oorlog, 56

[Bandung 2 – Krijgsgevangenen] 

Intussen werden wij Europese en Indo-europese krijgsgevangenen in Bandoeng naar een massaal concentratiekamp overgebracht. Er bevond zich zo'n tien- tot twintigduizend man. Daarvoor was een deel van de stad waar de meeste kampementen gelegen waren (zoals die van het 15de Bataljon Infanterie, van het Depot Bataljon en van de Luchtdoelartillerie) door een prikkeldraadversperring van het overige deel gescheiden. In deze militaire wijken werden wij losgelaten en we genoten daarbinnen een grote mate van vrijheid. We konden gaan waarheen wij wilden, als we maar binnen de omheining bleven. Op vluchten stond de doodstraf. Het was vooral de eerste weken een stimulerende tijd, er kwamen geen Japanners in het kamp, we konden vrij door de straten lopen, we zagen kennissen en vrienden terug en maakten kennis met anderen, we legden bezoeken af, dronken vele kopjes koffie en hadden eindeloze gesprekken. Zodra het de toekomst betrof, werden we wel een beetje vaag, maar we konden die toch niet anders zien dan als een voortzetting van het leven van vroeger. Onze nu al maandenlang stilgelegde energiebronnen barstten uit in allerlei activiteiten. Bestuursambtenaren gingen het bestuur reorganiseren (waarbij de Indonesiërs, 'uiteraard' zei men erbij, een veel grotere mate van zeggenschap zouden krijgen), officieren gingen zich opnieuw in de krijgstactiek verdiepen en confereerden over een nieuwe opzet van het leger, anderen zorgden voor de recreatie door muziekgezelschappen te vormen en een cabaret te stichten – en wij? Wij gingen universiteitje spelen. We werden daartoe in de gelegenheid gesteld door de heroprichting van de Literaire Faculteit, die als een voortzetting moest worden beschouwd van de officiële die in 1940 enige maanden na de bezetting van Nederland was opgericht. Daarin was voor mij een bescheiden plaats ingeruimd.

Nieuwenhuys – Een beetje oorlog, 96-97

[Jakarta 7 – Station] 

We vertrokken in de middag uit Tjimahi en pas 's avonds laat kwamen we in Batavia aan. Het was hetzelfde station Gambir waar voor mij op 12 december 1941 de oorlog begonnen was. We stonden als havelozen met onze barang te wachten, omhangen met potjes en pannetjes en andere voorwerpen om maar zo min mogelijk te moeten dragen. Op het perron gebeurde iets heel bijzonders. Verderop, aan de andere kant, opzij van de locomotief, hadden zich de nieuwe Japanse bewakers verzameld. Er was ook een officier bij, dat merkte je aan zijn optreden en aan het uniform dat hij droeg. Hij begon ineens te roepen. De Indonesische stationschef werd op de ons welbekende wijze opgecommandeerd: 'Lekas! lekas!' vlug! vlug! Hij moest zich tussen ons door een weg banen. 'Neemt u mij niet kwalijk, heren,' hoorde ik hem heel duidelijk in het Nederlands zeggen, ‘zou ik er even langs mogen?' Hij moet zich er eerst van vergewist hebben dat er geen Japanner in de buurt was. 'Hoorde je dat?' zei mijn onbekende buurman.

Nieuwenhuys – Een beetje oorlog, 118-120

[Jakarta 5 – Het kerkhof] 

Hoe vaak zagen we elkaar in Batavia? In de eerste tijd na onze kennismaking vrij vaak, geloof ik, vooral toen Jan Greshoff weer terug was van zijn reis door Java. Ik zie ons tenminste verschillende keren op ons terrasje zitten in gezelschap van Leo [Vroman], Greshoff en zijn vrouw. We gingen ook vaak toeren, in een taxi, zo tegen de avond, om wat koelte te vangen, met de steeds door pratende Jan Greshoff tussen ons in. We zochten dan de verlaten en stoffige 'benedenstad' op; we reden langs oude Compagnieswoningen aan de Tijgergracht, langs pakbuizen, langs het heilige kanon en de Amsterdamse Poort, om het Stadhuisplein heen of we zochten de zeewind op bij Pasar Ikan. Een onvergelijkelijke atmosfeer van vergankelijkheid en verval woei ons tegemoet. In de haven rook het naar teer en vis. Soms ook reden we langs de Antjolweg naar Tandjoeng Priok en aten in de havenbuurten goelasj bij een Hongaarse oud-scheepskok of saté bij Restaurant Madoera, al was Greshoff altijd een beetje bang voor dysenterie. Eenmaal heb ik Leo meegenomen naar het grote Europese kerkhof Tanah Abang, ook tegen het vallen van de avond, een macaber genoegen dat aan Leo welbesteed was.
Het was niet zo dat Leo toen ‘moederziel alleen' zat, misschien wel de eerste maanden, later had hij genoeg mensen om zich heen. Soms zocht hij Darja Collin en Edmée de Froideville op die op hun danstournee door Indië door de oorlog waren overvallen. Greshoff die overal en met iedereen contacten maakte, sleepte Leo van de een naar de ander. Zo betrok hij Leo ook bij De Fakkel, een cultureel maandblad dat op initiatief van P. J. Koets ('Peejee') was opgericht en dat met ingang van 1 november 1940 begon te verschijnen. De uitgebreide en overwegend ambtelijke redactie die alle groeperingen en alle lagen van de samenleving moest vertegenwoordigen, vertegenwoordigde in werkelijkheid niets. Ze kon eenvoudig niet werken, ze was te log en te sterk verdeeld. Behalve Ritman, die bezig was met zijn eigen krant, bezat niemand enige redactionele ervaring. Die had alleen Greshoff. Met het vierde nummer werd ik op aandringen van Greshoff en Koets ook in de redactie opgenomen. We hielden in het geheim voorbesprekingen met een klein groepje: Koets, Binnerts en ik. Greshoff was daar altijd bij en soms ook Leo, die er altijd een vrolijk en vrijblijvend gesprek van maakte. Ik herinner me een bijeenkomst bij Binnerts thuis. Het dreigde te gaan regenen. ‘Steek jij je neus eens naar buiten, Leo,' zei Jan Greshoff toen. Ik schrok wel een beetje, omdat ik aan de jodenvervolging dacht, maar in hun onderlinge verhouding van vriendschap bleek dit achteraf best te kunnen. Leo voldeed onmiddellijk aan het verzoek en snoof er luidruchtig bij.

Nieuwenhuys – Een beetje oorlog, 120-121

[Bandung 2 – Krijgsgevangenen] 

Ik ontmoette Leo [Vroman] weer voor het eerst in het reusachtige verzamelkamp voor krijgsgevangenen te Bandoeng met ongeveer twintigduizend militairen achter prikkeldraad. Het was er overigens in de eerste tijd lang niet onprettig. Ik vond Leo in een van de barakken van het luchtdoelkampement, liggend op een dun matje op de stenen vloer. Hij las ergens in. Leo bleek geen volledige klamboe meer te bezitten. Hij behielp zich met een stuk klamboe over zijn hoofd, waarvoor hij een ingenieuze stelling van ijzerdraad had gebouwd, die onder andere aan zijn neus bevestigd was. Zo sliep hij zonder zich te bewegen. Daarna zag, ik Leo weer elke dag. We deden niets dan slenteren, mensen ontmoeten, boeken lenen, lezingen volgen, cabaretvoorstellingen bijwonen en seances bezoeken. In het kamp krioelde het van optimistisch gestemde toekomstvoorspellers, er waren tal van spiritistische seances en tafeldans. Leo was daar altijd buitengewoon nieuwsgierig naar. Op een dag liet ik hem maar alleen gaan, omdat ik er niet meer tegen kon mij te bewegen in een sfeer van verwachting en zelfbedrog. Maar dit keer kwam Leo al spoedig terug. Ik zie hem nog grinnikend aankomen; hij was weggestuurd omdat de geest gezegd zou hebben: 'lk houd niet van dat soort.'
Na enige maanden, in juni 1942, vertrok een deel van het kamp naar Tjimahi, een ander deel werd naar Tjilatjap gebracht, een havenstad aan de zuidkust van Midden-Java, en over twee kampen verdeeld. Het waren afschuwelijke kampen, waar de Japanners kennelijk de bedoeling hadden door terreur het moreel van de gevangenen te breken. Overal werd geslagen, om het minste vergrijp, de hele dag door klonken de bevelen en de orders; geen ogenblik werden we met rust gelaten, zelfs ’s nachts niet. We werden systematisch vernederd, geïntimideerd en uitgehongerd.

Nieuwenhuys – Een beetje oorlog, 147-149

[Jakarta 5 – Hotel Djokja] 

Ik was nog maar kort in mijn kamer terug toen er geklopt werd en dokter Van Bommel, de neef van mijn vrouw, binnenkwam ‘Fried heeft opgebeld,' zei hij, ‘ze zit in Hotel Djokja, ga haar morgen maar halen.'
Die avond bereidde ik het weerzien voor. In onze brieven hadden we elkaar niet teruggevonden. Daarom was er mij veel aan gelegen haar te ontvangen in een atmosfeer waarin de oude intimiteit hersteld kon worden. Na het eten vroeg ik de sleutel van de linnenkamer en haalde er lakens en slopen uit en hoofdkussens. Ik begon onmiddellijk de kamer te dweilen, de bedden af te wassen en op te maken en ik zocht naar een glas of fles om er bloemen in te zetten. Toen ging ik naar de konvooileider en sprak met hem af dat hij mij de volgende dag zou afzetten en tegen de middag weer zou ophalen.
Het Hotel Djokja herinnerde ik me nog wel, het lag achter Pasar Baroe. In de binnengalerij van het kale, ongemeubileerde hotel stonden enkele koffers. Ik zag haar direct aan het eind van de overloop. Ze keek me aan, maar bleef bijna beschaamd staan.
Ze was heel bleek en mager, met grote ogen in blauwachtige kassen. Alleen het haar was nog mooi. Ik kwam op haar toeIopen en ze nam me mee naar haar kamer. Op de vloer lagen twee matrassen en daartussen wat handbagage en een stuk zeep zoals dit ook aan ons verstrekt was. We waren beiden aangedaan, maar het gevoel zette niet door. Onze lichamen waren vreemd voor elkaar. Eerst later vond ik het gebaar terug voor de aanraking van de vertrouwde plekken.
We gingen praten, maar het praten liep voor haar uit op het vertellen van haar ervaringen tijdens de treinreis van de vorige dag. Het bleek hoe gevaarlijk de situatie voor haar was geweest. De trein had bij elk station gestopt en bleef soms lange tijd staan en op elk station waren honderden zwijgende en starende mensen. Ze zeiden niets, ze bewogen zich nauwelijks, ze keken alleen naar de trein met vrouwen en kinderen en naar de enkele Gurkha's die als gewapend geleide waren meegegaan. ‘Ik was doodsbang,’ zei ze. Er behoefde maar één siááááp! te roepen, de bekende aanvalskreet in de revolutietijd, en de lont zou in het kruitvat geslagen zijn. 'Het was een verschrikkelijke reis,' zei ze nog eens. Ze was er nog ontdaan van, ze kon zich er niet van losmaken. Ze was onder het vertellen een ander geworden, zoals ik haar nooit gekend had: gespannen en tegelijk vastberaden, een vreemde. Eenmaal dacht ze dat het zou gebeuren, toen een groepje met bamboe roentjing een paar passen naar voren deed. Ze had het kind in haar armen genomen en tegen zich aan gehouden. 'Had ik hem daarvoor met zoveel pijn en moeite door het kamp gehaald?' Ik dacht dat ze zou gaan huilen, maar er gebeurde niets. 'Ook dat kan ik niet meer,' zei ze. Eerst langzaam kwam ze tot zichzelf. We bleven elkaar zwijgend aankijken, ieder met onze eigen emoties.
Toen ineens wendde ze zich af en riep: 'Rogier, pappa is gekomen, hier is hij !' Hij kwam uit de badkamer naar mij toelopen alsof onze eerste ontmoeting de gewoonste zaak van de wereld was, een wit mager jongetje met groene ogen en een hoofd dat met een steel op het lichaam scheen te rusten. Hij had een leeg blikje in zijn hand dat hij kennelijk in de badkamer gewassen had. ‘Kan je dat gebruiken, pappa?' vroeg hij. Ik wist dat hij het kostbaarste weggaf dat een kampkind kon bezitten.