De Brug-Djambatan n.v., Amsterdam 1960

Koch – Batig slot, 6

[Bogor – Buitenzorg]

Voor traditionele normen en gebruiken had Van Heutsz geen respect. De ambtenaar wiens werk hem niet beviel werd zonder pardon vervangen en buitengewone promoties buiten de ranglijst om waren aan de orde van de dag. Voor 'pommadekerels' met geoliede, gladde manieren had hij een diepe minachting. Hij hield er van lastige knopen eenvoudig door te hakken. Een typisch voorval maakte ik mee toen ik, in augustus 1907, deel uitmaakte van een gezelschap dat met een twintigtal auto's van de firma Verwey en Lugard een auto-reclametocht over Java ondernam.
De eerste morgen ging het naar het paleis van de G.G. te Buitenzorg, waar hij ons ontving. Er waren twee vrachtauto's waarop onze koffers geladen waren. De heer Verwey maakte de opmerking dat de telefoondraden hier en daar zo laag over de weg hingen, dat gevaar bestond dat ze stukgereden zouden worden. 'Rij ze maar kapot', antwoorde de G.G., 'ik heb er al meermalen op gewezen, maar dat heeft niet geholpen'.

Koch – Batig slot, 8-9

[Jakarta 7 – Resident] 

Zijn [Van Heutsz] houding tegenover zijn vrienden werd gekenmerkt door een grote mate van eenvoudige trouw; ze konden op hem rekenen. De ondertekening van het besluit waarbij Van Daalen ontslagen werd, kostte hem nachten slaap. De beschuldiging van nepotisme bij benoemingen is hij niet ontgaan. Meende hij voor een of andere vacature zijn man gevonden te hebben, dan zette hij diens benoeming door; veel kritiek ondervond o.a. de benoeming tot Resident van Batavia van een favoriet met passering van zesendertig anderen die boven deze op de ranglijst stonden.

Koch – Batig slot, 13-14

[Bandung – Staatsspoorwegen]

Hij [G.G. Idenburg] was aanhanger van de door dr. Snouck Hurgronje gepropageerde associatiepolitiek en eiste gelijke kansen voor Indonesiërs en Europeanen, en gelijke behandeling. In augustus 1913 wist hij gelijke bezoldiging voor dezelfde arbeid in gouvernementsdienst door te drijven, waardoor een eind werd gemaakt aan het stelsel van lagere salariëring van naast Europeanen dienende Indonesische ambtenaren, zodat niet langer naar verschillende maatstaven bezoldigd werd. Tevoren hadden de Indonesische ambtenaren in bepaalde betrekkingen, o.a. bij de Staatsspoorwegen, de Douanedienst en andere, de helft of twee derde aan salaris ontvangen van hetgeen de Europese collega's kregen.

Koch – Batig slot, 14-15

[Bogor – Buitenzorg]

In 1912 beleefden wij de oprichting van de vereniging Sarekat (Dagang) Islam, die al spoedig honderdduizenden leden telde. Onder de Europeanen in Nederlands-Indië gingen vreeswekkende verhalen rond over bloeddorstige plannen. In de Tweede Kamer werd gesproken van ‘zedelijke verwildering' van de inheemse bevolking, en van de regering werd geëist dat zij de beweging met sterke hand zou onderdrukken. Idenburg zag het verschijnsel anders en schreef in juni '13 aan dr. Kuyper:
‘Wat men zo noemt is niet anders dan het gevolg van het feit, dat de inlander over zichzelf en zijn omgeving gaat nadenken. Het is het begin van zijn 'ontwaken'. En dit behoeft volstrekt geen ‘verwildering' te zijn (en is het tot nog toe niet; ik tart ieder om het tegendeel aan te tonen); maar het is het einde van het taillable et corvéable à merci. Wij moeten ons daarover verheugen, al geeft het enige moeite. Wij hebben het alles gewild – althans het gezegd – en door ons onderwijs bevorderd.'
De G.G. trad de beweging met taktvolle welwillendheid tegemoet. In september 1912 zond het hoofdbestuur van de Sarekat Islam een rekest aan de regering, waarin het om toekenning van rechtspersoonlijkheid verzocht. Idenburg zag dat de leiding van de S.I. met haar honderdduizenden leden de beweging niet voldoende in de hand had en besloot, het verzoek om rechtspersoonlijkheid niet in te willigen. Ter gelegenheid van een audiëntie zette hij het hoofdbestuur de redenen tot die weigering uiteen.
Volgens berichten in de inheemse pers deed zich daarbij een tekenend incident voor. De leden van het hoofdbestuur wilden voor de G.G. gaan hurken, maar hij belette dit en wees op de stoelen die voor hen klaar gezet waren, zeggende: ‘Wij zijn allen mensen'. Dit eenvoudige gebaar maakte diepe indruk, en ondanks de weigering van de rechtspersoonlijkheid uitten de inheemse bladen zich in woorden die getuigden van erkentelijkheid en vertrouwen in de grootmoedigheid van de landvoogd te Buitenzorg.

Koch – Batig slot, 15

[Jakarta 7 – Gouvernement] 

Op 31 augustus 1913, ter gelegenheid van de verjaardag van de Koningin, had in het paleis te Batavia het jaarlijkse 'openbaar gehoor' plaats. De elite der ambtenarij, militair en civiel, was aanwezig, en de 'dertiende groep', de niet-ambtelijke burgerij, was vertegenwoordigd door de voorzitter van de Kamer van Koophandel en Nijverheid te Batavia, mr. H. s' Jacob. Deze hield een rede, waarin hij de regering ernstig waarschuwde tegen het gevaar dat van de zijde der 'inlandse beweging' heette te dreigen. Idenburg antwoordde met een voortreffelijke, sterke rede, waarin hij dit gevaar ontkende, een rede die zoveel indruk maakte, dat zijn gehoor na afloop applaudisseerde – een wel zeer ongewoon verschijnsel bij zo'n plechtige gelegenheid.

Koch – Batig slot, 17

[Bogor – Ingang]

Idenburg was edelmoedig en grootmoedig en vervuld van zorg voor anderen. In september 1913 werd een aanslag op hem gepleegd door een Europeaan, een verdwaasde, die tobde over een behandeling welke hij als grievend onbillijk gevoeld had. Hij loste twee revolverschoten op de landvoogd, doch trof de kapitein-adjudant, die een gevaarlijke wond in de buik kreeg. Idenburg zorgde allereerst voor de gewonde en snelde toen het paleis uit om de schildwacht te gelasten, de aanslagpleger, die de tuin van het paleis reeds uit gesneld was, niet te doden. ‘Schiet op de benen', riep hij de schildwacht toe. Het was al te laat; buiten de tuin van het paleis stortte de man neer, dodelijk gewond. Idenburg betreurde, dat hij dit leven niet had kunnen redden.
Zó was Idenburg: begrijpend en vergevensgezind. Een grote figuur, vooral een groot man.

Koch – Batig slot, 18

[Bandung – Van Deventer]

Nadat zijn vijfjarige ambtsperiode in december 1914 ten einde was gelopen, had Idenburg op verzoek van de Nederlandse regering, die begreep dat het verkeerd zou zijn 'van paarden te wisselen in de stroom' zich bereid verklaard voorlopig nog te blijven. Hij behield zijn functie tot maart 1916. Mr. Van Deventer, vrijzinnig-democratisch geestverwant van de minister van Koloniën Pleyte, was aanvankelijk voor het hoge ambt bestemd, maar in 1915 overleden.

Koch – Batig slot, 21

[Bogor – logies der bedienden] 

Wat aan verhalen over Van Limburg Stirum en zijn hoogstaande echtgenote van mond tot mond ging en in de Europese pers verzeild geraakte, was trouwens kenschetsend. Het verhaal van de zieke kebon van het paleis, aan wie mevrouw Van Limburg Stirum persoonlijk lekkere hapjes en bloemen bracht, werd maandenlang als staaltje van lachwekkend wanbegrip opgedist, en de bedden-met-klamboes voor het Indonesische paleispersoneel bleven voorwerp van afkeurend geroddel.
De landvoogd liet dit alles langs zich heen gaan. Maar toen de directie van een grote cultuurmaatschappij in haar jaarverslag lasterlijke dingen over de politiek van de G.G. had laten afdrukken, en kort daarna om een audiëntie verzocht, vond ze de deur gesloten; haar grote invloed was niet toereikend om Van Limburg Stirum te bewegen, haar over welke voor de maatschappij belangrijke zaken ook te woord te staan.

Koch – Batig slot, 23-24

[Surabaya – Suiker]

[G.G.} Van Limburg Stirum zag nieuwe wegen voor het bewind over Indië en durfde die te betreden. Hij zag in, hoezeer de uiterst geringe ontwikkeling van de binnenlandse markt oorzaak van ellende onder de bevolking was; en jaren voor de regering Albin Hansson van Zweden haar succesrijke conjunctuurpolitiek aanvaardde, drong hij aan op welvaartsmaatregelen in die geest. Er zou, meende hij, zich een eigen Indonesische ondernemersklasse moeten vormen, die deel zou nemen aan de teelt van hoogwaardige produkten voor de buitenlandse markt. Hij zag de nationalistische beweging als de politieke uitdrukking van dat streven en besefte het gevaar dat uit onderdrukking van die beweging moest ontstaan. Deputaties van het Suikersyndikaat, van het Landbouw-Syndikaat, van de Soekaboemische en de Kedirische Landbouwverenigingen eisten krasse maatregelen, maar keerden van audiënties onverrichterzake terug, met de goede raad voor redelijke arbeidsvoorwaarden te zorgen.

Koch – Batig slot, 24

[Bandung – ter Poorten] 
[Bandung 2 – Legercommandant] 
[Jakarta 7 – Vuurwerk] 

Aan persoonlijke moed ontbrak het de landvoogd [Van Limburg Stirum] allerminst. Bij de militaire luchtvaartafdeling hadden ongelukken plaats gehad, waardoor het vertrouwen van het publiek in de bekwaamheld der militaire vliegers en in de deugdelijkheid van de toestellen verloren dreigde te gaan. Toen daalde op een goede dag een jachtvliegtuig op het Koningsplein te Batavia en de G.G. vloog mee naar Kalidjati. Het was een complete verrassing. Deze zonder enige aankondiging of ophef volbrachte daad, die te kennen gaf dat de, G.G. voldoende vertrouwen had in de deugdelijkheid en de bekwaamheid van de luchtvaartafdeling, sprak tot de verbeelding van het publiek. Bestuurder van het toestel was kapitein Ter Poorten, de latere legercommandant.

Koch – Batig slot, 28-31

[Jakarta 6 – Groote Huis] 

Naarmate in de loop der jaren lndië's karakter van beleggingsgebied voor Nederlands kapitaal en uitvoergebied van grondstoffen ging overwegen, geraakte de 'ethische politiek' van de baan. Ze ging overboord. Idenburg was de laatste G.G. die volgens de richtlijnen dier politiek kon besturen. Van Limburg Stirum zette in grote lijnen het beleid van zijn voorganger voort, maar de koloniale exploitatie had intussen definitief de vorm aangenomen van ontginning van Indië’s rijke welvaartsbronnen ten bate van de export naar het buitenland, met verwaarlozing van de binnenlandse markt.
De opvatting, dat het Indië vanzelf goed zou gaan als het westerse bedrijf bloeide en de uitvoer van produkten van de westerse landbouwondernemingen jaar op jaar zou toenemen, werd iets als een geloofsartikel voor de koloniale Europeaan. Ook Fock meende, dat daardoor tevens het belang der inheemse bevolking gediend zou zijn. Geheel het welzijn van de kolonie was, naar zijn opvatting, afhankelijk van de uitvoer van grondstoffen en voedings- en genotmiddelen. Een binnenlandse markt, en de taak, deze zo koopkrachtig mogelijk te maken, zag hij allengs niet meer.
Zijn beleid als landvoogd was dan ook het tegendeel van dat van zijn voorganger. Toen hij in Indië aankwam was de wereldcrisis uitgebroken en onder de gevolgen daarvan had het land zwaar te lijden: de export van de ondernemingen nam sterk af en de ontvangsten van de schatkist daalden onrustbarend. Uitvoering van de nieuwe belastingvoorstellen van Van Limburg Stirum zou vele miljoenen opgebracht hebben, maar de minister van koloniën hield die voorstellen zo lang aan, tot de winsten sterk gedaald of in verlies verkeerd waren en de baten voor de schatkist ernstig tegenvielen. De grote bedragen, door Van Limburg Stirum voor openbare werken uitgegeven, zouden eerst later hun rente opbrengen.
De uitgaven werden nu tot het uiterste besnoeid en de ontvangsten uit belastingen werden onmatig opgeschroefd. Hoe zwaar de bevolking gedurende de bewindsperiode-Fock belast werd kan daaruit blijken, dat de landelijke inkomsten en andere grondlasten, die over 1919 ongeveer f 23,5 miljoen bedragen hadden, stegen tot f 34 miljoen in 1924. In 1923 word bovendien de Inlandse verponding ingevoerd, naar een maatstaf van 7 pct. van de jaarlijkse huurwaarde.
Invoerrechten werden verhoogd: de opbrengst ervan steeg van f 32,8 miljoen in 1919 tot f 59,3 miljoen in 1924, niettegenstaande de hoeveelheid geïmporteerde goederen verhoudingsgewijs veel minder toegenomen was. De opbrengst der accijnzen op gedistilleerd, petroleum, lucifers en tabak, die in 1919 f 13,3 miljoen bedragen had, steeg tot f 24,9 miljoen. […]
Deze politiek bleef niet zonder gevolgen op sociaal en politiek gebied. De moeilijke levensomstandigheden der bevolking werden oorzaak van grote en algemene ontevredenheid. Een hoogleraar van de Handelshogeschool te Rotterdam berekende later, dat de belastingdruk op de bevolking in de regeerperiode van Fock [1921-1926], die jaren van crisis, depressie en malaise omvatte, met niet minder dan 47 pct- was toegenomen. De nationale volksbeweging nam in omvang toe en roerde zich met veel duidelijker beslistheid dan tevoren.
De regering reageerde op die uitingen met verbodsbepalingen, sluiting van vergaderingen, met hardhandig ingrijpen tegen stakingen, met arrestaties. Niet de moeilijke maatschappelijke omstandigheden werden voor de roerigheid verantwoordelijk gesteld, maar ‘opruiers’, ‘kwaadwilligen’, die onder de bevolking onrust zaaiden.

Koch – Batig slot, 31

[Bandung – Staatsspoorwegen]

Op 9 mei 1923 brak een staking van spoorwegpersoneel uit. Er was door het personeel reeds lang geklaagd over onderbetaling en Semaoen, de voorzitter van de Vereniging van Spoor- en Tramwegpersoneel, had getracht, door overleg te voorkomen dat de duurtetoeslag, die reeds met drie vierden was verlaagd geheel zou verdwijnen. In een opgewonden vergadering had de vereniging verklaard dat wanneer Semaoen gevangen genomen zou worden, de arbeid zou worden neergelegd. Semaoen werd toen op 8 mei gearresteerd op grond van een spreekdelict dat hij anderhalve maand tevoren te Tegal heette te hebben gepleegd, en prompt brak de staking uit.
Behalve de eis dat Semaoen op vrije voeten gesteld zou worden, stelden de stakers een aantal eisen, van welke geen enkele in het politieke vlak lag: ze betroffen alle de lonen en de overige arbeidsvoorwaarden. Toch werd de staking door de regering voor politiek uitgemaakt – omdat getracht werd, pressie te oefenen op de uitvoerende macht. Op 15 mei liet de G.G.[Fock] door de gemachtigde voor algemene zaken bij de Volksraad verklaren, dat het 'revolutionaire' karakter van de actie vast stond. Op 11 mei werd in het wetboek van strafrecht een inderhaast geconcipieerd artikel ingelast, waarbij staking door welke 'het economisch leven der maatschappij ontwricht' dreigde te worden, strafbaar werd gesteld met gevangenisstraf tot vijf jaren toe. Dit artikel was zo vaag geredigeerd dat geen rechter er houvast aan had, maar leiders van een staking konden op grond ervan in preventieve hechtenis gesteld worden, en zo kon elke staking tot mislukking gedoemd worden. De regering strafte met harde hand: duizenden spoorwegbeambten en arbeiders werden ontslagen.

Koch – Batig slot, 38

[Bandung – Gevangeniscel 5]

Er was iets onzekers in het beleid van [G.G.] De Graaff. Als hij een forse maatregel genomen had liet hij zich later door zijn goede hart er toe brengen, er gedeeltelijk van terug te komen. Ir. Soekarno werd in 1930 door een buitengewone rechtbank tot vier jaren gevangenisstraf veroordeeld, maar toen hij twee jaren opgesloten geweest was werd de rest van de straf hem kwijtgescholden. Doch toen hij op vrije voeten zijn actie hervatte met de felheid die van hem verwacht moest worden, werd hij verbannen.

Koch – Batig slot, 42-43

[Jakarta 5 – Paleis] 

Van Mook werd hoofd van de afdeling voor economische aangelegenheden van het departement van Economische Zaken te Batavia, vervolgens directeur van dat departement. In die functie leidde hij de onderhandelingen met de Japanse handelsmissie na de bezetting van Nederland door de Duitsers in 1940, – het eerste hoogtepunt in zijn carrière. Op geen enkel principieel belangrijk punt deed hij enige concessie; niets dat de zelfstandigheid van het Indische bewind of het belang van het land zou kunnen schaden tolereerde hij en geen onbeschoftheid liet hij over z'n kant gaan.
De waardering voor zijn houding en beleid als onderhandelaar was algemeen. En toen besloten werd, de G.G. in die jaren van spannende en dreigende buitenlandse verhoudingen van een deel van diens zware taak te ontlasten, werd Van Mook hem als luitenant-gouverneur-generaal terzijde gesteld. Na de Japanse invasie werd hij als opvolger van Welter minister van koloniën in het Londense kabinet. En na de terugkeer van het Nederlandse bewind over Indië werd hij regeerder van de kolonie.
Het werden de moeilijkste jaren van zijn loopbaan. Ook de jaren waarin wij hem, meer nog dan tijdens de onderhandelingen met de Japanse handelsmissie, in zijn stoere onverzettelijkheid leerden kennen. Men mag maatregelen van zijn bewind, en met name het besluit tot inzetten van de militaire actie tegen de Republiek Indonesia, scherp veroordelen – en dat verdiende inderdaad onvoorwaardelijke veroordeling – men kan afkeuren dat zijn personeelspolitiek faalde, dat hij voornamelijk gewillige uitvoerders van zijn wensen om zich duldde, dat hij de corruptie, die ook in de Nederlandse kringen in Indië in de jaren na de oorlog levendig tierde, liet voortwoekeren en dat zo goed als niets gedaan werd ter verlichting van de druk die door een eenzijdige en dilettantische economische politiek op de consumenten werd gelegd, – dit mag niet afdoen aan de bewondering voor het staatsmanschap waarmee hij, met wijziging van zijn inzicht na kennisneming van hem tevoren onbekende feiten en rekening houdende met veranderde omstandigheden, de teugels wist te vieren om ze voor het overige des te steviger in de hand te houden. Aan wat hem sinds de Stuw-jaren voor ogen stond hield hij vast: Indonesia als federatie van autonome delen zelfstandig deel uitmakende van het koninkrijk, na een overgangsperiode waarin het Nederlands gezag de leiding zou blijven voeren en de bevolking geleidelijk tot autonomie zou kunnen worden 'opgevoed'. Dit was de richtinggevende gedachte der voorstellen van 6 november 1945, van die van 10 februari 1946, van het akkoord van Linggadjati. Wel werd telkens verder gegaan, maar de wijzigingen betroffen het tempo, niet de essentie der plannen.

Koch – Batig slot, 51-52

[Jakarta 2 – Handelmaatschappij] 

Ook het vraagstuk van samensmelting van de handelsverenigingen en de kamers van koophandel bleef onopgelost, en dat van de oprichting van kamers van landbouw, dat door Lovink met steun van het Nederlands-Indisch Landbouw-syndikaat energiek werd gepropageerd, werd in de officiële stukken gesmoord.
Aan bevordering van de ontwikkeling van de inheemse nijverheid hechtte Lovink grote betekenis. In 1915 liet hij uit Nederland een deskundige voor de steen- en pannenbakkerij komen. Maar in het algemeen stuitten pogingen om de inheemse nijverheid tot hoger peil op te voeren op de winstgevende import van artikelen der Nederlandse Industrie door Europese handelshuizen in Indië. Ook de Commissie voor de Fabrieksnijverheid, die tijdens de eerste wereldoorlog op instigatie van de G.G. werd ingesteld, bracht het niet verder dan een rapport over mogelijkheden, die niet werden verwezenlijkt doordat de verhoudingen der koloniale exploitatie remmend werkten.

Koch – Batig slot, 64

[Bandung – Telefoonnet]

Met zijn [Ir. K.A,R, Bosscha] levendig initiatief en zijn zin voor praktisch-sociale mogelijkheden gaf hij in 1895 de stoot tot de oprichting van de Preanger Telefoonmaatschappij. Ze werd later door het Nederlands Indische gouvernement overgenomen.

Koch – Batig slot, 66

[Bandung 2 – Schoolvereeniging] 

In juni 1917 werd mede dank zij Bosscha's steun de neutrale lagere school van de Bandoengse schoolvereniging geopend. Voor uitvoering van een goed project kon op zijn hulp gerekend worden.

Koch – Batig slot, 80-81

[Semarang – Hygeia] 

Twee jaren later [1896] vertrok hij naar Semarang, als employé van de firma R. Klaasesz en Co., die een apotheek en een fabriekje voor limonade exploiteerde, en drie jaar later werd hem de gelegenheid geboden, het gehele bedrijf over te nemen.
Tillema was een dynamisch werker, vol ideeën en nieuwe plannen. Hij bouwde het limonadefabriekje om tot een voor die tijd hypermoderne fabriek voor koolzuurhoudende dranken en durfde het als eerste in het toenmalige Nederlands-Indië aan, daarvoor een gebouw in gewapend beton op te richten.
Geen gelegenheid liet hij voorbijgaan om originele reclame te maken. Uit een luchtballon liet hij reclamedrukwerk werpen; kort nadat het echtpaar Curie het radium ontdekt had kocht hij 2 milligram en hij zorgde ervoor, dat dit in ruime kring bekend werd; en toen de Russisch-Japanse oorlog uitgebroken was wist hij de primeur van de berichten over de krijgsbedrijven te verkrijgen. In zijn fabriek werd een lopende band gebruikt; zijn fabrieksmerk, een zwarte kat, lopende op enige flessen, met daaronder het woord HYGEIA, zag men overal, op pleinen, in spoorwegstations, in hotels, van de trein uit in het vrije veld. Hij bezat een aantal boeken over reclame, voor het merendeel Amerikaanse, en was op verscheidene tijdschriften geabonneerd.

Koch – Batig slot, 102-103

[Bandung – Hotel Preanger]

Een incident dat zich in het Preanger-hotel te Bandoeng afspeelde was typerend. Het was in de tijd toen de Vaderlandse Club zich luidruchtig roerde en de bron was van kwaadsappige lasterpraat over politieke tegenstanders. Vooral Stokvis, toen lid van de Volksraad, moest het ontgelden. Toen hij als logé van het hotel in de lobby liep kwam een planter op hem af, die hem een opstopper gaf waardoor hij, met zijn kleine gestalte niet in het minst tegen de ander opgewassen, tegen de grond sloeg. Hij stond op, zweeg en begaf zich naar zijn kamer. Maar de volgende ochtend zag hij zijn mishandelaar aan het ontbijt, ging naast deze zitten en het geval bepraten. Het resultaat was dat de ander later ruiterlijk erkende, zich nog nooit zo klein te hebben gevoeld als toen hij door Stokvis onderhanden genomen werd. Dat was Stokvis' triomf; van wrok was bij hem geen sprake.
Stokvis is ontkomen aan de slachting, die de Duitsers onder de Nederlandse joden hebben aangericht. Na de bevrijding weigerde hij wegens gezondheidsredenen – hij leed ernstig aan asthma – een kandidatuur voor de Tweede Kamer. Nederlands politiek ten aanzien van Indonesië, vooral het aandeel dat de Partij van de Arbeid daarin had, was hem een diepe teleurstelling. Hij bedankte voor het lidmaatschap van de partij, doch trad later opnieuw toe, maar met het gevoel dat zijn rol uitgespeeld was. En hij deelde het lot van de Nederlandse socialisten die in Indië hun krachten hadden gegeven in hun strijd tegen het koloniale bewind. Wij zijn, schreef hij me, een verbruikt geslacht. De Indonesiërs weten niet of hebben, op enkele uitzonderingen na, vergeten hoezeer wij, al was het dan als Nederlanders, steeds aan hun kant gestaan hebben. Dat ligt, voegde hij er filosofisch aan toe, in de natuur der dingen; wij hebben ons er bij neer te leggen. Per saldo hebben wij altijd betoogd dat de bevrijding van Indonesië het werk van de Indonesiërs zelf zou moeten zijn. En wij hebben ons erover te verheugen dat ze kregen waar ze recht op hebben.
Het is de tragiek van de koloniale geschiedenis dat de namen van zovelen, socialisten en niet-socialisten, die in eerlijke toewijding hun krachten gaven om een einde te doen komen aan de overheersing, thans vergeten zijn.

Koch – Batig slot, 110-111

[Semarang 2 – Raad van Justitie] 

Sneevliet was, of werd in de loop der jaren, een volgeling van Trotski, op wie hij trouwens in vele opzichten geleek. Hij had een prima verstand en een grote kennis van feiten en verschijnselen. Hij was een dweper, gegrepen door de idee van de wereldrevolutie, waarop al zijn denken en doen, geheel zijn geest, gericht was. Hij was artistiek zeer begaafd, had een sterke mystieke inslag, een groot beeldend vermogen en de dichterlijke aanleg, die de grote redenaar maakt. Hij was een geweldig spreker van grote bewogenheid, meeslepend, niet uit op effectbejag, toch altijd pakkend.
Hij was geboren uit een rooms-katholiek gezin en 'de fijne mystiek, de innerlijke poëzie van het katholicisme' had hem, naar hij later in zijn verdediging voor de Raad van Justitie te Semarang getuigde, gegrepen en bleef hem, de bekeerling, zijn leven lang bij. De behoefte van te geloven was hem gebleven en het socialisme was hem een geloof, aan verbreiding waarvan hij zijn leven gewijd had. 'Het was', zei hij in zijn verdedigingsrede, ‘een voordeel dat in de harde praktijk van het leven ik niet de poëzie en de schoonheid van het katholieke geloof verloor zonder dat mij dezelfde levenspraktijk de rijkdom, de schoonheid, de glans van de religie der sociaaldemocratie schonk.' Hij was een bewonderaar van de poëzie van Henriëtte Roland Holst; ze was hem een aldoor vloeiende bron van geluk, haar verzen kende hij bijna alle uit het hoofd en het was een genot, ze hem, de geboren declamator, te horen voordragen. Die kunst welde hem uit het hart.

Koch – Batig slot, 112

[Semarang – Secretaris]

Hij [Sneevliet] begaf zich toen naar Nederlands-Indië en werd verbonden aan de redactie van het Soerabaiaasch Handelsblad onder M. van Geuns. Dit was een maar tijdelijk onderkomen voor hem; toen ik als secretaris van de Handelsvereniging te Semarang, medio 1913, op voorstel van Lovink naar Buitenzorg vertrok om benoemd te worden als referendaris en sous-chef van de Afdeling Handel van diens departement, volgde Sneevliet me op. Het bestuur van de Handelsvereniging nam ten opzichte van onze socialistische overtuiging een ruim standpunt in: zolang we geen 'revolutionaire actie' voerden, werd ons de vrijheid gelaten, onze mening te verkondigen. Sneevliet werd als secretaris van die organisatie zeer gewaardeerd.

Koch – Batig slot, 114

[Semarang 2 – N.I.S.] 

Ook op het gebied der vakbeweging stichtte het optreden van Sneevliet verwarring. De Vereniging van Spoor- en Tramweg personeel in Nederlands-Indië bestond vrijwel geheel uit Europese ambtenaren van de Nederlands-Indische Spoorwegmaatschappij te Semarang. Hij drong aan op openstelling van de organisatie voor al het personeel der maatschappij, hetgeen een uittocht van de Europeanen tengevolge had. Het denkbeeld van organisatie van het gehele spoorwegpersoneel was op zichzelf theoretisch juist, maar de verhoudingen, de sterk gedifferentieerde salariëring en de mentaliteit der onderscheiden groepen verzetten zich tegen de mogelijkheid van een eendrachtige actie in een organisatie.

Koch – Batig slot, 114-116

[Semarang 2 – Raad van Justitie] 

Het hoogtepunt van Sneevliets Indische loopbaan was het proces dat voor de Raad van Justitie te Semarang gevoerd werd in verband met een vervolging wegens publicatie in het Semarangse dagblad De Indiër van een artikel van zijn hand over de Russische revolutie. Het was een juichkreet, een 'lofzang uit een jubelend hart', en hij schreef het stuk op de avond van 18 maart 1917, nadat de eerste berichten over de Kerensky-omwenteling waren ontvangen. Het laatste gedeelte ervan bevatte kritiek op het koloniale beleid:
‘Hier leeft een volk dat duldt en draagt.
’Politieke organisatie verboden ... recht van vereeniging toegezegd maar niet doorgevoerd; kritiek in de pers met zware straffen bedreigd, door een justitie, die eenzijdig, onbillijk moet wezen, omdat zij de justitie van den overheerscher is; pogingen tot actie bestreden met het geweld van interneering.
‘Politieke actie slechts toegestaan als actie van den heerscher, als hoon voor het volk .... actie voor militaire weerbaarheid tot verdediging van het ‘vaderland,' door den vreemden heerscher aan zijn bevolking ontnomen.
’Hier leeft en duldt een millioenenvolk al eeuwen lang ... en sedert Dipo Negoro was er geen der voormannen, die de massa's in actie bracht om eigen lot in handen te nemen.
‘Volk van Java, de Russische revolutie houdt ook lessen in voor u, enz.
Het was de officier van justitie te Semarang te bar. Hij vorderde van de Raad rechtsingang tegen Sneevliet te verlenen, met bevel tot inhechtenisneming. Maar de Raad weigerde. De officier wendde zich toen met een memorie van verzet tot het Hooggerechtshof te Batavia, dat vervolging gelastte, doch de eis van gevangenneming afwees.
De openbare behandeling had op 21, 22 en 23 november 1917 plaats. Sneevliet voerde zelf zijn verdediging – hij was in totaal negen uur aan het woord. In het gedrukte verslag van de zitting dat door hem en Baars werd uitgegeven, beslaat zijn betoog ruim 300 bladzijden. De officier van justitie, die in zijn memorie van verzet domme dingen had gezegd, sloeg een reddeloos figuur onder Sneevliets vlijmscherpe kritiek. Leest men het verslag, dan wordt men getroffen door de hoeveelheid materiaal die verwerkt werd, zowel als door Sneevliets meesterschap in de discussie, zijn buitengewone slagvaardigheid, terwijl hij toch geheel de conceptie op hoog niveau wist te houden. Het was een stuk propaganda zoals in Nederlands-Indië zelden werd geleverd. Deze verdediging was overrompelend. De Raad van Justitie ontsloeg hem van rechtsvervolging.
De vervolging kostte hem zijn betrekking bij de Handelsvereniging.

Koch – Batig slot, 119-120

[Jakarta 5 – Bataviaasch Nieuwsblad] 

Hoofdredacteur van het Bataviaasch Nieuwsblad was F. K. H. Zaalberg, een Indo-Europeaan die het van jongste corrector tot leider van het blad gebracht had. Het Bataviaasch Nieuwsblad was een courant van klein formaat – in de wandeling werd het ‘het lorretje’ genoemd – en Zaalberg wist het in Indo-kringen een stevige positie te verschaffen. In die kringen leefde een sterke wrok tegen Nederland en de gemeenschap der geïmmigreerde Nederlanders. De periode van familiebezit van ondernemingen in Nederlands-Indië liep ten einde, de exploitatie van de natuurlijke bronnen van rijkdom geschiedde in toenemende mate door naamloze vennootschappen, hetgeen stijgende belegging van Nederlands kapitaal en instroming van Nederlandse werkkrachten betekende.
In het Europese milieu dat zich daardoor vormde gevoelden de Nederlanders zich meer thuis dan de in Indië geboren en opgeleide Indo-Europeanen, die zich meer en meer uitgesloten achtten. Toen dank zij de verbetering van het onderwijs die door de 'ethische politiek' werd gebracht, Indonesiërs konden mededingen naar klerken- en opzichtersbaantjes die tevoren vrijwel uitsluitend door Indo's bekleed waren, voelden dezen zich ook naar die zijde bedreigd door de politiek ener regering die voor hun belangen geen oog scheen te hebben.
Voor zover de geest van onvruchtbaar zelfbeklag niet in de gelederen der Indo's ging overheersen, ontstond een rebelse stemming, waaraan het blad van Zaalberg uiting gaf. Al wat Nederland deed en uit Nederland kwam werd honend gekritiseerd. Maar Zaalberg eiste hulp van de regering voor de Indo-groep. Douwes Dekker beschouwde medewerking van die zijde tot verlichting van de concurrentie op de arbeidsmarkt uitgesloten, en hij verliet de redactie van het Bataviaasch Nieuwsblad.

Koch – Batig slot, 130

[Jakarta 5 – Paleis] 

In januari 1919 had in het paleis van de gouverneur-generaal te Weltevreden de installatie van de Commissie tot Herziening van de Staatsinrichting van Nederlands-Indië plaats, de reeds enkele malen ter sprake gekomen Commissie-Carpentier Alting.
De keuze van de te benoemen leden was met grote onpartijdigheid geschied; naast keiharde koloniaal-reactionairen waren principiële tegenstanders van het koloniaal bewind uitgenodigd, in de commissie zitting te nemen. Toen de eerste voltallige vergadering in april-mei te Bandoeng plaats had, bleek zich een linkerzijde te vormen, die incidenteel haar meelopers had onder de minder beslist vooruitstrevende leden. De Indische Partij van Douwes Dekker was vertegenwoordigd door de heer G.L. Topée, sociaaldemocraten waren ir. Ch. G. Cramer en schrijver dezes, Hadji Agoes Salim, lid van het hoofdbestuur der Sarekat Islam, werd gesecondeerd door Raden Hassan Djajadiningrat, de leider van de S.I. in West-Java. Pater F. van Lith S. J. de grijze geleerde javanicus, directeur van de R.K. kweekschool te Moentilan, een nobele, indrukwekkende figuur, man van groot gezag, vonden we meestal aan onze zijde, en op ir. D. de Iongh Wzn., burgemeester van Semarang, en mr. dr. W. G. M. Schumann, lid en leider van de oppositie in de Volksraad, kon bij stemmingen vaak gerekend worden.

Koch – Batig slot, 136

[Bandung – Sociëteit 'Concordia']

[Hadji Agoes] Salim had waardering voor hetgeen het Nederlandse bewind in Indonesië aan goeds had gebracht, en had de moed van die waardering openlijk blijk te geven, ook in de jaren van ondubbelzinnige politieke vijandschap. Hij verfoeide het koloniale bewind, maar een vijand van Nederland was hij niet. Voor de eerste januari 1941 organiseerde ik met enige vrienden een bijeenkomst ter herdenking van de inval der Duitse legers in Nederland. Ze had plaats in de grote schouwburgzaal der sociëteit Concordia te Bandoeng. Een viertal sprekers was uitgenodigd daar het woord te voeren, ook Salim. Hij was de laatste die sprak, en meer dan de woorden van wie hem op het spreekgestoelte voorafgegaan waren en van wie enkelen zich in lege pathetiek verloren, deed hetgeen hij zei ons als Nederlanders tot in het hart door de Duitse inval getroffen gevoelen. Juist zijn woorden maakten een diepe indruk en wekten onder het grootste deel van het uit Nederlanders bestaande publiek, dat nooit een Indonesisch spreker had aangehoord, verbazing: dat 'een inlander' zó spreken kon had men niet verwacht....

Koch – Batig slot, 139-140

[Subaya 2 – Gedung Nasional] 
[Surabaya 3 – Facta] 

Soetomo koos de zijde der nationaal-democraten; hem trok het streven naar sociale verbeteringen meer dan de politiek. Nadat hij in Nederland het volledige doktersdiploma behaald had, vestigde hij zich te Soerabaia. Daar nam hij van harte deel aan de werkzaamheden der vereniging Moehammadyah, die gericht waren op een islamitisch reformisme, aanpassing van de Islam aan moderne geestesstromingen, en sociale arbeid als oprichting van scholen en ziekenhuizen. Hij gloeide van liefde voor zijn land en zijn volk; zijn deernis met de armen en eenvoudigen die zich zelf niet konden helpen, was oprecht; en hij zag het als de plicht der intellectuelen onder zijn landgenoten de leiding op zich te nemen. [...]
Om doelgericht actie te kunnen voeren was kennis en begrip voor de vraagstukken waarmee geworsteld moest worden, onontbeerlijk. Soetomo richtte zijn Indonesische Studieclub op, die open stond voor ieder die tot medewerking bereid was, ook voor leden van Boedi Oetomo, de Sarekat Islam en de communistische partij. Hij werd voorzitter, en onder zijn energieke leiding werd de club een van de belangrijkste centra van politiek-sociaal leven in Oost-Java. Dit voorbeeld werd elders gevolgd: ir. Soekarno werd te Bandoeng de leider van de Algemene Studieclub, mr. Singgih te Semarang die van de Soerya Ngalan. Het doel werd omschreven als : bevordering van de nationale eenheid, aankweken van besef voor de openbare zaak, bevordering van de volksontwikkeling, stoffelijk zowel als geestelijk, vorming van een hechte band tussen de intellectuelen, die een kern zouden moeten vormen ter voorlichting van de massa. Soetomo was niet blind voor de betekenis van massa-actie als middel om pressie uit te oefenen, maar legde daarop niet, als Soekarno, de nadruk; hij was te zeer democraat om niet te willen overtuigen in plaats van te dwingen of zelfs te overreden.

Koch – Batig slot, 140-141

[Subaya 2 – Walikota] 
[Surabaya 2a – Walikota] 

Soetomo had zich door zijn energieke en doelbewuste arbeid een plaats in de Soerabaiase gemeenschap veroverd. Hij was geen non-coöperator en toen hij in de eerste helft van 1927 tot lid van de gemeenteraad benoemd werd, accepteerde hij deze zetel, in de hoop, daar ten bate van zijn volk praktisch werkzaam te kunnen zijn. Ruim een jaar later trad hij, met drie geestverwanten, weer uit de raad, naar aanleiding van een wethouders benoeming waartegen zij krachtig, doch zonder succes, geopponeerd hadden. De vruchteloosheid van dit verzet maakte hun duidelijk, dat de samenstelling van de gemeenteraad, waarin een beperkt aantal zetels voor Indonesiërs gereserveerd was en waar zij altijd in de minderheid zouden zijn, dermate ondemocratisch was dat wat zij wilden ieder ogenblik door een Europese meerderheid kon worden belet. Dat was geen samenwerking en zij bedankten er voor.
Dit betekende niet dat Soetomo tot het beginsel der non-coöperatie bekeerd was. Hij beschouwde het aftreden als gemeenteraadslid als een incidentele tactische zet. Opzegging van de medewerking met de overheid zou in bepaalde omstandigheden aanbeveling verdienen, er zou van weigering geen politiek systeem gemaakt mogen worden. In een vergadering van de Studieclub gaf hij uitvoerig rekenschap van zijn overwegingen; zouden, wanneer hij tot lid van de Volksraad of van een provinciale raad benoemd of gekozen worden zou, de democratische rechten der minderheden gewaarborgd zijn, dan zou hij een zetel aanvaarden. Maar in de gemeenteraden was de bevolking der steden zeer onvoldoende vertegenwoordigd, ook doordat het kiezerskorps overwegend Europees was. Zo'n vertegenwoordiging kon geen waarde hebben.

Koch – Batig slot, 142-143

[Subaya 2 – Soetomo] 
[Surabaya 3 – Facta] 

Diens opvolger, jhr. Mr. A. C. D. de Graeff, hoopte het vertrouwen, dat G.G. Van Limburg Stirum in zo ruime mate genoten had, te herwinnen en benoemde Tjokroaminoto en Soetomo tot leden van de Volksraad. Eerstgenoemde kon die benoeming niet aanvaarden omdat de Sarekat Islam, waarvan hij voorzitter was, in overgrote meerderheld het non-coöperatiebeginsel aanvaard had. Soetomo riep zijn Studieclub bijeen om haar over aanneming of verwerping van het aanbod te laten beslissen. Zelf was hij bereid, zitting te nemen in het centrale college, maar in de bijeenkomst die hijzelf leidde, liet hij anderen spreken en bepaalde hij zich tot een houding van volstrekte neutraliteit en passiviteit – een naar mijn mening onjuiste houding, temeer omdat dubieus was of de stem van de Studieclub als die van nationalistisch Indonesië beschouwd kon worden.
Na levendige debatten werd met 35 tegen 29 stemmen een motie aangenomen, waarbij men zich tegen aanvaarding van de benoeming tot Volksraadslid uitsprak op grond van de overweging dat volgens de nieuwe staatsregeling en op grond van het in de Tweede Kamer aanvaarde amendement-Feber de meerderheid der leden van het college uit Nederlanders zou bestaan.
Ofschoon hij het met deze uitspraak van zijn Studieclub niet eens was legde Soetomo zich erbij neer; hij noemde zich, ietwat pathetisch, ‘niet de leider, doch de dienaar der Club'. De regeringsgemachtigde voor algemene zaken bij de Volksraad mr. J. J. Schrieke nodigde hem toen uit tot een onderhoud, waarop hij zich naar Batavia en naar Buitenzorg begaf en uit de mond van de G.G. vernam dat de verhouding in de Volksraad gewijzigd zou worden overeenkomstig het oorspronkelijke voorstel, en aan de andere grieven – betreffende de samenstelling der lokale raden, het kiesstelsel voor die raden, de beperking van het recht van vergaderen, het irritante politieoptreden – de nodige aandacht zou worden geschonken. Van de goede bedoelingen van G.G. De Graeff die een beminnelijk man was, kreeg hij een diepe indruk: ‘Ik vind', verklaarde hij in een interview met een lid der redactie van de Nieuwe Soerabaia Courant, 'Zijn Excellentie een gentleman in de ware zin van het woord, en persoonlijk zou ik willen zeggen dat ik voor hem door het vuur zou willen gaan.' Die uitlating was karakteristiek. Soetomo was van vlekkeloze eerlijkheld, maar emotioneel en suggestibel, en hij werd door de oprechte toon van de stellig niet geveinsde woorden van de evenzeer emotionele heer De Graeff op slag geïmponeerd. Hij keerde naar Soerabaia terug en stelde in een bijeenkomst van de Studieclub voor hem de benoeming tot Volksraadslid te doen aanvaarden. Dit voorstel werd met 59 tegen 11i stemmen aangenomen. Hoe het mr. Singgih en diens medestanders toen weer gelukte, Soetomo toch van zitting-nemen in de Volksraad te doen afzien, is mij niet bekend. In elk geval kwam van zijn afvaardiging niets.
Hij was trouwens geen man voor het fijnere politieke spel met zijn knepen en intriges. Voor zijn gemoedsrust was het goed dat hij zich tot zijn opbouwende sociale arbeid te Soerabaia en zijn pogingen om eenheid te brengen in het nationale streven kon bepalen. Daarmee had hij succes. Opgericht werd in 1930 de Persatoean Bangsa Indonesia, die een gematigde politiek voerde en zich vooral op sociaaleconomisch gebied bewoog: zij stichtte een vrouwentehuis, een weefschool, een polikliniek, studententehuizen, kredietcoöperaties. In 1932 ontstond een overkappend orgaan, de Kahoeripan, een Indonesische Kamer van Koophandel en Nijverheid, een Bank Nasional Indonesia, een coöperatie van prauwenvoerders, inkoopcentrales voor verkoopcoöperaties, boerenbonden, die aangesloten werden bij de Roekoen Tani. Dit was werk naar zijn hart; hij was de ziel van dit alles.

Koch – Batig slot, 145

[Subaya 2 – Soetomo] 
[Surabaya 3 – Facta] 

Maar zijn [Soetomo] gezondheid liet te wensen over; de consciëntieuze werker, wie geen moeite te groot was, eiste teveel van zijn krachten. Hij overleed op 30 mei 1938, vijftig jaar oud, en werd te Soerabaia, de stad van zijn levenswerk, begraven. Vijftigduizend personen volgden de baar; het beeld van deze volksman leefde in de harten der massa die zoveel aan hem te danken had.
Soetomo was inderdaad een buitengewone figuur, een der nobelste leiders van de volksbeweging in haar geschiedenis van tientallen jaren. Oprecht, impulsief, met een sterke drang naar objectiviteit, altijd bereid om anderer oordeel te overwegen, toch doelbewust en tot elk offer voor zijn idealen bereid. Een bescheiden werker, die dank zij bezieling en tomeloze energie een vooraanstaande plaats in de beweging en in de samenleving innam, zonder dat hij daarnaar streefde, maar doordat zijn werk hem daar bracht, uit kracht van de grote betekenis ervan. In de jaren waarin ik te Soerabaia de hoofdredactie van de politiek-radicale Indische Courant voerde, sprak ik hem herhaaldelijk en bezocht ik als regel de bijeenkomsten van zijn Studieclub. En telkens weer werd ik getroffen door zijn menselijke eenvoud en zachtheid, zijn streven om niemand onverdiend te kwetsen, de afwezigheid van ijdelheid, zijn grote bewogenheid, zijn mededogen met de armen wier ellende hem tot tranens toe kon roeren, zijn onuitputtelijke goedhartigheid en hulpvaardigheid. Zijn dood was voor de volksbeweging een niet te schatten verlies.

Koch – Batig slot, 148-150

[Bandung – Vorkink]

Na de opheffing van zijn verbanning en de terugkeer in zijn vaderland werd Tjipto met J. J. E. Teeuwen tot lid van de Volksraad benoemd als vertegenwoordiger van de Indische Partij. Hij was er een uiterlijk weinig opvallende figuur, met zijn hoofddoek, zijn eenvoudig Javaans kostuum, dat uit een gestreept baadje en een sarong bestond, met de blote voeten in inheemse sloffen. Maar als hij het woord kreeg dan wist hij in voortreffelijk Nederlands te zeggen wat hij op het hart had, zonder pose of pathetiek, ook zonder enige poging tot overdrijving. Hij gaf zich zoals hij was: open en eerlijk, verbitterd, maar toch altijd bereid de oprechtheid van bedoelingen van een politieke tegenstander te waarderen.
Aan zijn Volksraadslidmaatschap kwam in 1921 een eind. Hij vestigde zich in Solo en nam deel aan de agitatie onder leiding van Hadji Misbach, die in het Sragense ageerde tegen de bestaande landhuurregelingen in de Vorstenlanden. Misbach werd in preventieve hechtenis gesteld en vervolgd, maar de Raad van Justitie te Semarang vond geen termen om hem aan de hand van de strafwet te veroordelen. Toch vielen er klappen. Douwes Dekker [Multatuli's achterneef] werd tot gevangenisstraf veroordeeld, Hadji Misbach werd door G.G. Fock naar Merauke op Nieuw-Guinea verbannen en aan Tjipto werd verder verblijf in de Vorstenlanden ontzegd. Hij verhuisde toen naar Bandoeng, waar hij een woning betrok aan de Pangeran Soemedangweg en zijn dokterspraktijk uitoefende. Daar sprak ik hem meermalen. Ik was in de tweede helft van 1925 toegetreden tot de Algemene Studieclub van ir. Soekarno, waarvan ook Tjipto lid was, en toen eerst leerde ik hem goed kennen in zijn menselijke grootheid, zijn grenzeloze goedheid en goedhartigheid, zijn vaak naïeve oprechtheid. Tjipto was een persoonlijkheid die men zonder vrees voor vergissing en desillusie zeer hoog kon stellen, fier en zelfbewust, bereid te aanvaarden wat hem door de overheid werd aangedaan als reactie op zijn strijd voor wat hij als Recht zag. Zijn zelfrespect weerhield hem van meer of minder louche handigheidjes om zich te vrijwaren van morele mishandeling door een macht die hem maatschappelijk breken kon. Tjipto genoot bij wie hem kenden de reputatie van een man die niet liegen kon. Zijn invloed in de inheemse wereld was zeer groot – de leiders die veel invloed op de bevolking hadden werden door de regering in het bijzonder geducht.
Maar de Nederlands-Indische bureaucratie, die hem niet kende, vertrouwde hem niet; zij was, ofschoon bewijzen ontbraken, ervan overtuigd dat hij gevaarlijk 'stookte'. En toen in november 1926 de bekende opstandspoging in West-Java ondernomen was en in het begin van het volgende jaar te Bandoeng en te Meester-Cornelis enkele sporadische relletjes onder inheemse militairen uitgebroken warm, meende ze haar kans schoon te zien. Tjipto had een in het Nederlands gestelde brochure geschreven over de oorzaken van de opstandspoging, die hij, terecht, toeschreef aan de reactionaire onderdrukkingspolitiek van G.G. Fock, in het bijzonder aan diens onmatige verzwaring van de belastingen der inheemsen, en hij voerde een uitvoerige polemiek daarover met de hoofdredacteur van de Preangerbode, de heer Craye. Die polemiek was een in de Indische perswereld door zeldzaamheid opvallend staaltje van gedachtewisseling tussen elkaar wederzijds respecterende politieke tegenstanders. Maar men mocht niet verwachten dat de bureaucratie dáárvoor oog zou hebben. Tjipto werd verdacht, en een kleinigheid zou voldoende zijn om zijn schuld aan do opstand bewezen te achten.
Die kleinigheid was een gift van f 10,- aan een Ambonnees korporaal uit het garnizoen Bandoeng die zich naar Meester-Cornelis wilde begeven en daar als deelnemer aan een relletje gevat werd. Bij zijn verhoor vertelde de man wie hem aan reisgeld geholpen had; en daarmee was, meende men, Tjipto's medeplichtigheid afdoende bewezen. Zijn woning werd door de politie scherp bewaakt, zijn schreden werden nauwkeurig nagegaan en wie contact met hem hadden vonden politiespionnen op hun weg. In de pers werd voorspeld dat Tjipto, die de hand heette te hebben gehad in de muiterij te Meester-Cornelis, verbannen zou worden. Hij verzekerde, met de relletjes niets te maken te hebben gehad, ook omdat hij de tijd voor een opstandspoging niet gekomen achtte, en zich er ook niet voor te hebben geïnteresseerd, waarom de korporaal zich naar Meester-Cornelis wilde begeven. Ik verdedigde hem toen in een Soerabaiase courant tegen de beschuldiging, waarop de redactie reageerde met de goedkope veronderstelling, dat de regering stellig niet op losse gronden tot verbanning zou overgaan; als het een 'inlander' betrof, maakte men het zich met de bewijsvoering niet moeilijk. Ik zond met enkele anderen een telegrafisch verzoek aan de G.G. Ook van andere zijde werden dergelijke pogingen ondernomen. Tjipto achtte ze alle nutteloos, voorzag dat hij ondanks alles geïnterneerd zou worden en betreurde dit, omdat hij een onderzoek naar een middel tegen de t.b.c., waar vele zijner patiënten aan leden, niet zou kunnen voleindigen. Wat hemzelf zou overkomen aanvaardde hij bij voorbaat, in de overtuiging dat de Indische bureaucratie toch niet voor rede vatbaar zou blijken te zijn.
Hij kreeg van de resident van Priangan het gebruikelijke lijstje vragen voorgelegd, dat de inleiding tot een verbanning vormde en werd op Banda geïnterneerd. Zijn gezin volgde hem daarheen. Daar overviel hem een pijnlijk gevoel van eenzaamheid. De bewoners van Banda, die de hand van het binnenlands bestuur vreesden, meden hem. Intellectueel contact had hij niet. Eerst zeven jaar later kwamen drs. Hatta, Sjahrir en mr. Iwa Koesoema Soemantri, die tevoren als bannelingen op Digoel gezeten hadden, en toen kreeg Tjipto de conversatie die hij zo lang gemist had. Hij leed in hevige mate aan asthma, die hem in dat warme klimaat het leven nagenoeg ondragelijk maakte. Het was en bleef een lijdensweg die hij ging.

Koch – Batig slot, 154-156

[Jakarta 7 – Thamrin] 
[Jakarta 7 – Parlementaire strijd] 

Op 11 januari 1941, des ochtends om 4 uur, stierf in zijn woning op Sawah Besar te Batavia Mohamad Hoesni Thamrin, de bekende, veel bewonderde en veel verguisde leider van de nationalistische beweging in Nederlands-Indië. Hij was 47 jaar geworden, een leeftijd die recht gaf, nog veel van deze zeer bijzondere figuur te verwachten. Voor het publieke leven der kolonie, voor de volksbeweging, welker geduchte voorman hij was, betekende zijn heengaan een onherstelbaar verlies.
Thamrin had een middelbare opleiding genoten en was daarna in de handel gegaan; hij was koopman. Hij was, als alle meer ontwikkelde Indonesiërs van zijn generatie, nationalist, maar sloot zich aanvankelijk niet bij enige politieke partij aan. In het publieke leven van Batavia speelde hij al spoedig een rol. Hij was ere-voorzitter van de lokale vereniging Kaum Betawi en lid van de gemeenteraad. Toen in 1924 in de grote gemeenten het instituut van wethouders werd ingevoerd – zij werden uit en door de raadsleden gekozen – was Thamrin de eerste Indonesiër die in deze functie werd benoemd. In het begin van de jaren dertig was hij lid van de Provinciale Raad van West-Java.
In 1927 werd hij door de Nederlands-Indische regering tot lid van de Volksraad benoemd, nadat dr. Soetomo de uitnodiging in dat college zitting te nemen, had afgeslagen. Hij trad er aanvankelijk weinig op de voorgrond; andere figuren, Pangeran Achmad Djajadiningrad, Engelenberg, Kerkkamp, Stokvis, domineerden. De groep der Indonesische leden had maar geringe invloed, en zijn eerste werk was, hen tot samenwerking te brengen in de Nationale Fraktie, die gedisciplineerd optrad. Die Nationale Fraktie vormde een blok, dat invloed kreeg. Thamrin was de leider en woordvoerder ervan.
Met de invloed van die fractie breidde die van Thamrin zelf zich ook buiten de Volksraad uit. Hij was medeoprichter van de P.P.P.K.I., de federatie van nationalistische verenigingen, later van de Gapi, waarin de partijen eveneens in federatief verband samenwerkten op een progressief programma. Hij nam de leiding op zich van een nieuwe partij, de Partai Indonesia Raja (Parindra), die grote invloed verwierf. Buiten hem liepen toen nog maar weinige bekwame leiders meer op vrije voeten rond: Thamrin werd de aangewezen leider van de nationale beweging.
In 1931 werd hij opnieuw tot lid van de Volksraad benoemd en tot lid van het College van Gedelegeerden gekozen. Vier jaar later werd hij gekozen als afgevaardigde van de kieskring West-Java en in 1939 werd hij herkozen als afgevaardigde van de Parindra. In juni van laatstgenoemd jaar volgde zijn benoeming tot eerste plaatsvervangend voorzitter van de Volksraad. […] Thamrin was als tegenstander van het koloniale regiem door de Europese gemeenschap gevreesd. Hij was niet, als Soekarno en Douwes Dekker, een demagoog, gebruikte geen dikke woorden, noemde feiten en cijfers, waaraan niet te tornen viel. Zijn redevoeringen bij de algemene beschouwingen over de jaarlijkse begrotingen waren welsprekende en sterke betogen. Hij speelde niet op de sentimenten der massa, was geen revolutionair-om-de-revolutie en verzweeg zijn appreciatie voor naar zijn mening nuttige regeringsmaatregelen niet.
Met zijn zin voor objectiviteit leverde hij degelijk werk, dat in wezen voor het koloniale bewind gevaarlijker was dan de grote woorden van andere volksmannen. De Europese gemeenschap voelde dat in hem een tegenstander opgestaan was, met wie niet gemakkelijk zou kunnen worden afgerekend en die op den duur niet kon worden doodgezwegen. Hij werd object van een beschamende lastercampagne, waaraan vooral bladen als het Nieuws van den Dag voor Nederlandsch-Indië en de Java-Bode zich te buiten gingen. Een ontzaglijke hoeveelheid gemeenheid en vuil werd over hem uitgestort. Terwijl zijn optreden in een deel der nationalistische beweging als te gematigd veroordeeld werd en hij hier en daar de naam kreeg van ‘blandist’ – een vriend van de blanken of blanda’s te zijn –, hielden Europeanen hem voor een slimme vos, een ‘glimpieper’, die zijn kwade bedoelingen wist te maskeren achter een schijn van objectiviteit en redelijke boordeling.

Koch – Batig slot, 160

[Jakarta 7 – Parlementaire strijd] 

Sinds de volksbeweging van het romantische stadium in dat der nuchtere doordachtheid begon te komen, doordat de groeiende klasse van inheemse handelaren en ondernemers al meer naar de voorgrond drong en het streven vooral op behartiging van die belangen gericht raakte, was Thamrin voor de functie van woordvoerder en pleitbezorger als voorbestemd.
Dáár, op die plaats, was hij met zijn zeer bijzondere gaven een vechter met wie rekening gehouden moest worden. Het gezag, dat hij in alle kringen genoot, was in die zijner politieke tegenstanders vermengd met ontzag voor de kracht zijner argumenten, de logisch sterke inhoud en de suggestieve vorm van zijn betoog en voor de slagvaardigheid in het debat. Men erkende in hem de tegenstander van groter formaat dan zowat allen die aan eigen zijde de parlementaire strijd mee streden. En het ontzag werd vrees, en uit die vrees werd achterdocht geboren ten aanzien van zijn bedoelingen. Thamrin was, naar de schatting van het gros Europeanen, deloyaal.
Geen enkel feit uit zijn politieke loopbaan is mij bekend waardoor dit oordeel zou worden gerechtvaardigd. Enig afdoend bewijs voor de juistheid ervan is ook nooit aangevoerd. Hij streed de politieke strijd mee zonder van andere dan wettelijke middelen gebruik te maken. Hij was de leider van een volkomen loyale oppositie.

Koch – Batig slot, 162-163

[Surabaya – Handelsblad]

Te Soerabaia bestonden gedurende de eerste decenniën van deze eeuw dagbladen, van welke het Soerabaiaasch Handelsblad verreweg het belangrijkste was. Hoofdredacteur was de heer M. van Geuns, die als onderwijzer aan een particuliere school in Indië gekomen was, enige jaren medewerker van de Java-Bode was geweest en langs die weg in de journalistiek verzeild was geraakt. Van Geuns was een goed journalist, onder wiens leiding ik gedurende twee en een half jaar het vak leerde kennen. Hij was niet, als Wijbrands, een briljant stylist, ook niet bezitter van een door ingespannen studie verworven dieper inzicht in de verhoudingen – de wetenschappelijke allure was hem volmaakt vreemd – maar dank zij een fijn intuïtief besef voor wat het ogenblik eiste en een buitengewone speurzin, die hem telkens argumenten en bewijzen deed vinden voor hetgeen te verdedigen en tegen hetgeen af te breken viel. Hij had, om een wat versleten uitdrukking te gebruiken, voortdurend de vinger op de pols van de tijd – zijn tijd, uit de aard der zaak zo als hij die zag; en wist dan zonder aarzeling het juiste medicament en de juiste dosering daarvan te vinden. Hij was een jood en bezat de kwaliteiten die de jood kenmerken: zakelijkheid en punctualiteit. Voor een beginnend journalist, die allereerst de techniek van het vak had te leren kennen, was hij een uitstekend leermeester. Aan Van Geuns denk ik altijd met gevoelens van waardering en erkentelijkheid terug voor wat hij me aan praktische opleiding gaf. Hij had ongetwijfeld zijn fouten, van welke ijdelheid de meest opvallende was – vergeeflijk in een publiek persoon die van de zijde dergenen wier belangen hij krachtig verdedigde en die de zeer invloedrijke bovenlaag der koloniale samenleving vormden, onverholen blijken van instemming kreeg. En hij wist zijn eigen belang terdege in het oog te houden. In de leiding van zijn blad was hij fatsoenlijk; zijn toon was beschaafd, en ik ben ervan overtuigd dat hij zelf geloofde m de hoofdstrekking van wat hij schreef.
Van Geuns was een doorgefourneerde oud-liberaal en twijfelde er geen ogenblik aan, dat Indië’s welzijn geheel afhing van de bloei van het westers bedrijfsleven; als met name de westerse cultures bloeiden, dan ging het, naar zijn overtuiging, Indië vanzelf goed. En dus hadden allen daar te lande, alle maatschappelijke groepen en alle bevolkingsgroepen, het grootste belang bij een omvangrijke uitvoer van ondernemingsprodukten tegen prijzen die een ruime winstmarge inhielden. Oproerige propaganda kon enkel de stemming in die beste van alle werelden bederven, zonder zin, tégen het belang der betrokkenen zelf – wie het dan ook zouden mogen zijn. Als de Europese geëmployeerden in de suikerindustrie te klagen meenden te hebben en hun klachten een spoor van rechtvaardigheid zouden vertonen, dan zou het voldoende zijn om daaraan tegemoet te komen, opdat zij verder zonder reserve er toe zouden medewerken het bedrijf te doen bloeien. En de inheemse maatschappij had zich muisstil te verheugen over de weldaden die de westerse bedrijfswereld over haar uitstortte aan goede werken, welke zij zelve nooit tot stand zou kunnen brengen. Waren er geen spoorwegen en wegen en irrigatiewerken gebouwd? Zorgde het gouvernement niet voor hygiënische voorzieningen, waardoor het zielental zo sterk had kunnen stijgen? Had het geen onderwijs gebracht, zodat Indonesiërs dingen konden naar betrekkingen die tevoren uitsluitend door Europeanen bekleed werden? En brachten de ondernemingen niet in de vorm van lonen geld onder de mensen, aldus het kwantum bestaansmiddelen voor de bevolking vergrotende ? Van opstandig gemopper in de inheemse wereld werd destijds nog weinig gemerkt. Met welk recht zouden die mensen zich daaraan ook kunnen overgeven, vroeg Van Geuns; en hij citeerde ijverig uit Valentine Chirols Indian Unrest, ten betoge dat nationalistisch-opstandige actie in ons Indië even onredelijk zou zijn als ze in Brits-Indië was. Een uitvoerig opstel van Van Geuns onder het opschrift 'Multatuli en het sentiment in de koloniale politiek', en het bijschrift Onze Eeuw jrg. 1909 is een bijna lyrische verheerlijking van de welvaart en zegen verspreidende westerse grootlandbouwondernemingen in Indië.

Koch – Batig slot, 164

[Subaya 2 – Bierhal] 

Deze opvattingen maakten mogelijk dat Van Geuns het hoogste woord voerde op een bijeenkomst van geëmployeerden in de Java-suikerindustrie, die op een der eerste dagen van april 1907 in een zaaltje van het restaurant Oei Moo Liem aan het Bülzinglöwerplein te Soerabaia – een destijds bekend ‘zitje' dat oud-Soerabajanen zich nog zullen herinneren – plaats had en waar de Bond van Geëmployeerden bij de Suikerindustrie op Java, de Suikerbond, de vakvereniging der employés, opgericht werd. Niet tegenstrijdigheid tussen de belangen der ondernemers en die der employés rechtvaardigde naar zijn mening de oprichting van een vakvereniging, maar juist het feit dat tussen die belangen harmonie bestond en deze door samenwerking van organisaties van beide groepen zou worden bevestigd. En eigenlijk bestond, vond hij, een overeenkomstige harmonie tussen de ondernemersbelangen en die van het inheemse personeel – doch daar sprak Van Geuns niet over, want de 'bruine broeder' was nu eenmaal nog erg onverstandig; en kreeg deze zijn organisatie, dan was niet te voorzien hoe hij haar hanteren zou. Want er heerste onmiskenbare ontevredenheid in de inheemse wereld, er waren politieke verenigingen opgericht, en 'raddraaiers' wekten de mensen op, voor hogere lonen te gaan ageren. Maar toen de Suikerbond werd opgericht kon Van Geuns de mentaliteit van de Europese geëmployeerden beschouwen als bewijs, dat hij het bij het rechte eind had.

Koch – Batig slot, 166

[Jakarta 1 – Peet] 

Een hunner [de redactie van een dagblad] moest in staat zijn, de sterk gecomprimeerde taal der Reuter-telegrammen te ontcijferen. Dat vereiste een routine van maanden. Agent van Reuter was destijds de Engelse handelsfirma John Peet te Batavia, waar een employé des middags voor de distributie van die telegrammen over de daarop geabonneerde bladen zorgde.
Te Soerabaia werden deze om ongeveer half drie ontvangen en ze moesten dan met spoed persklaar gemaakt worden. Was de telegrammenredacteur ziek dan kreeg hij, als hij niet te dicht bij zijn einde stond, de telegrammen op zijn ziekbed. Maar was hij er erg aan toe, dan was Leiden in last. Dan werden bokken geschoten of bleef men aan de veilige kant door een bericht eenvoudig weg te laten, al zag er het op het eerste gezicht belangrijk uit. De bewerker van de Reuter-telegrammen kon feitelijk op het bureau van de courant geen dag worden gemist; toen ik met die arbeid belast was, en, in mei 1909, trouwen wilde, kon ik met moeite twee dagen verlof krijgen, een vrijdag en een zaterdag, en de daarop volgende zondag kwam de hoofdredacteur me, met zijn persoonlijke gelukwens, de mail brengen die voor de komende week bewerkt moest worden.

Koch – Batig slot, 170-171

[Jakarta 1 – Het Nieuws van de Dag] 

In het eerste decennium dezer eeuw was een der meest bekende, ook meest beruchte namen in Nederlands-Indië die van Karel Wijbrands, eigenaar en hoofdredacteur van een der drie te Batavia verschijnende dagbladen, Het Nieuws van den Dag voor Nederlands-Indië. Hij werd in de loop der jaren een bijna legendarische figuur.
Hij was inderdaad een der meest markante persoonlijkheden, een der meest besprokenen in Indië, een man die door een deel van het Indische publiek beschouwd werd als een sterk en moedig strijder tegen al wat er scheef ging in de koloniale samenleving, door een ander deel verguisd werd als een volslagen bandiet.
De figuur Wijbrands was karakteristiek voor het sociale milieu der kolonie. Hij was, naar eigen getuigenis, niet naar Nederlands-Indië gegaan om er 'vliegen te vangen' en toen hij een krant in handen gekregen had, redigeerde hij die op de wijze waar het publiek naar zijn mening behoefte aan had. Het koloniale milieu was een conglomeraat van individuen van wie de overgrote meerderheid zich een ruim inkomen en een verzorgde oude dag als ideaal en als doel stelde en het tekort aan culturele ontspanning niet als gemis voelde. De koloniale samenleving was niet een naar het oosten overgeplaatst fragment van de maatschappij van West-Europa, al waren er westerse produktiemiddelen, westerse produktiemethoden, westerse bedrijfsleiding en westerse middelbare werkkrachten geïmporteerd. De sociaal organische samenhang die tot de vorming van een homogene maatschappij zou hebben kunnen leiden, ontbrak. Het koloniale milieu was atomistisch; de publieke opinie, voor zover ze al bestond, was weinig geprononceerd. Het publiek was zeer suggestibel en lichtgelovig. De invloed en de macht van de pers werden daardoor vergroot in een mate die in geen enkel opzicht adequaat was aan de over het geheel zeer middelmatige algemene ontwikkeling, het inzicht en het doorzicht van de leiders der redacties. Elke nieuwe sensationele prikkel was welkom, doch ook spoedig afgestompt.
Bij het tekort aan gelegenheid tot culturele genieting, waar trouwens een klein minderheld van het publiek behoefte aan had, en het gemis aan belangstelling voor de toekomst van het land en voor de dagelijkse politiek, werd genoten van laster- en roddelpraat. Aan die behoefte kwam Wijbrands tegemoet. Zijn krant was iets als de 'merry-go-round' in de samenleving der zuidelijke staten van Noord-Amerika, nog slechts weinig tientallen van jaren geleden, waar een kermis voldoende was om de dorst naar culturele genietingen te lessen. Hij was produkt van de koloniale samenleving, welker eigenschappen hij met ijver exploiteerde.

Koch – Batig slot, 171-172

[Jakarta 5 – Noordwijk] 
[Jakarta 6 – Societeit] 

Zijn natuur was gecompliceerd. Hij [Karel Wijbrands, eigenaar en hoofdredacteur van Het Nieuws van den Dag] was allereerst een artiest. Zijn uiterlijke verschijning sprak ervan: een fijne kop met zwarte lokken en een koolzwarte baard, een fijne rechte neus, een sensitieve mond, één fel schitterend oog – de linker oogkas was leeg – slank en lenig, doch niet zwak gebouwd. In de toenmalige Indische journalistiek was er niemand anders die schrijven kon als hij, met dat plastisch beeldend vermogen, die gave om in zuiver, sappig, vaak flikkerend Nederlands te zeggen wat hij bedoelde te zeggen. En doordat hij intelligent en geestig was kon hij dingen schrijven waar de literaire fijnproever van genoot. Geestigheden van de hoofdredacteur van het Nieuws gingen vaak van mond tot mond. Maar hij was in hoge mate nerveus, turbulent, ijdel en lichtgeraakt; hij genoot als zijn werk geprezen werd, maar was doodsvijand voor wie er kritiek op uitoefende.
Een man als hij is voorbestemd om zich een leger van vijanden te maken, openlijke zowel als hem onbekende. En als hij dan beschikken kan over de kolommen van een eigen courant, krijgt deze vanzelf een zeer persoonlijk cachet, doordat ze gebruikt wordt ter zelfverdediging en ook als aanvalswapen tegen wie door wat ook zijn gramschap heeft opgewekt. Komt daar dan nog de zucht bij om de afkeuring van mannen van beschaving en smaak – welke afkeuring bij velen tot minachting aangroeide en die hem zeer goed bekend was – te beantwoorden met geforceerde blijken van zelf-gesuggereerde persoonlijke superioriteit, dan verklaart dit alles de scherpe toon, die niet overtuigen, doch overbluffen wil – óók de eigen innerlijke, deels onderbewuste twijfel. Wijbrands was door de sociëteit De Harmonie te Batavia als lid geroyeerd en door de sociëteit Concordia tot tweemaal toe gedeballoteerd. Welnu, hij zou hen, die filisters, leren dat hij hun meerdere was. En hij gebruikte de courant voor het uitoefenen van een terreur.
Hij hanteerde daarbij voornamelijk het wapen van de spot. Niemand was er veilig voor, en weinige gevoelden zich daarvoor immuun. Concordia was de officiers sociëteit, en dus werd het officierskorps belachelijk gemaakt. Zijn haat tegen het officierendom maakte hem antimilitarist, en zo kon het gebeuren dat hij zijn auto besturende terwijl hij langs Noordwijk te Batavia reed, een troep soldaten ramde die onder leiding van een kapitein zijn weg kruiste en niet voor hem uitweek – bij welke gelegenheid hij een stevig pak slaag opliep. Kruseman en Zaalberg, hoofdredacteuren van de beide andere Bataviase bladen, negeerden hem, noemden zijn naam nooit, en werden dus gehoond. Hans van de Wall, die onder her pseudoniem Victor Ido enkele romans geschreven had en in Indo-kringen de niet verdiende reputatie genoot van een groot stylist, werd beschimpt. Met de Parijse medewerker Alexander Cohen had hij herhaaldelijk ruzie, doordat deze wel even vlot en pétillant kon schrijven als hijzelf. Hij had voor geen enkele reputatie respect. Maar hij besefte dat ongeveer elke reputatie beter was dan de zijne.

Koch – Batig slot, 174-175

[Surabaya – Landbouw-syndikaat] 

De gemeenteraad van Soerabaia had besloten om nieuwe, nogal kostbare urinoirs te plaatsen. Ze werden, volgens de krant van Wijbrands [Het Nieuws van den Dag], 'ingewijd bij monde van' mr. Paets tot Gansoyen, voorzitter van het Algemeen Landbouw-syndikaat. Nadat mr. Paets zijn inwijdingsrede zou hebben gehouden, zou, zo spotte Wijbrands, de resident en na deze de burgemeester het nieuwe stadsmeubel daadwerkelijk in gebruik nemen, waarmee de ban geopend zou zijn en Soerabaia's burgers zouden kunnen volgen. Dames zouden de plechtigheid mogen bijwonen, maar buiten de afstand-van-duidelijk-zien. Het was een dolle fantasie, geïllustreerd door de tekenaar Menno van Meeteren Brouwer, die aan het Nieuws verbonden was.

Koch – Batig slot, 175-176

[Jakarta 2 – Raad] 

Als hij de gelegenheid gunstig achtte was Wijbrands van een opzettelijke bestudeerde onbeschaamdheid. Hij verscheen op een goede dag voor de Raad van Justitie te Batavia wegens publikatie van een geheim stuk: op Celebes waren getuigen mishandeld, de gouverneur had daarover naar de regering gerapporteerd en G.G. Van Heutsz, die het geval blijkbaar niet verschrikkelijk vond, had op het stuk aangetekend dat zo iets eigenlijk niet te pas kwam, maar dat de sergeant die de voornaamste schuldige was, het wel niet meer zou doen. Wijbrands [hoofdredacteur van Het Nieuws van den Dag] had dit stuk door omkoping van een klerk van het departement van Binnenlands Bestuur in handen gekregen en in de krant gepubliceerd. Hij werd dus vervolgd.
Op de dag der zitting van de Raad van Justitie was een groot publiek in de rechtszaal aanwezig; de zaak hield de publieke aandacht sterk bezig. Voor Wijbrands, die zelf verslag van de zitting wilde geven, was op zijn verzoek tegen de groene tafel een tafeltje neergezet; in alle kringen, ook in die der autoriteiten van bestuur en justitie, heerste een neiging om de geduchte lastige criticus te ontzien. Toen hij door de deurwaarder binnengeleid zou worden treuzelde hij opzettelijk, zodat de president van de raad, die al achter de groene tafel plaats genomen had, ongeduldig bellen moest om beklaagde voor te leiden. Wijbrands stapte, onder doodse stilte, op het tafeltje toe, een dik gevulde aktenmap onder de arm. Hij groette niemand, had voor niets aandacht dan het uitpakken van die tas en het schikken van de inhoud op het tafeltje: er kwam een blok schrijfpapier uit, een stuk vloeipapier, een pen, een potlood en een zakinktkoker. Publiek en rechters zaten in ademloze stilte toe te kijken. Toen alles netjes gerangschikt was, keek hij op, als achtte hij de tijd gekomen om notitie te nemen van zijn omgeving, en zich tot de raad richtende gaf hij te kennen dat, wat hem betrof, het spel beginnen kon: ‘Nou, ik ben klaar, heren!'
Toen de Officier van Justitie, van wie bekend was dat hij van een stevig glas hield, het ongeluk had in zijn requisitoir te spreken over journalisten die men liever niet aan huis ontving, repliceerde Wijbrands met de sneer, dat er rechterlijke ambtenaren waren, die men niet aan huis wenste te ontvangen, tenzij de jeneverfles achter slot was....

Koch – Batig slot, 180

[Jakarta 4 – Java-bode] 

Hem [H.C. Zentgraaf] werden al spoedig van andere zijde aanbiedingen gedaan, en hij ging over naar de Java-Bode, vandaar weer naar een andere courant. Hij is aan tal van redacties verbonden geweest, werd later mede-hoofdredacteur van het Soerabaiaasch Handelsblad, dat tijdens en na de eerste wereldoorlog een hausseperiode beleefde, en eindigde als hoofdredacteur van de Java-Bode.
Voor zijn journalistieke arbeid kon hij putten uit een rijke herinnering. Hij was, toen hij als 'koloniaal' in Indië aankwam, nog geen twintig jaar oud en bleef jarenlang jong genoeg om zich aan wantoestanden en onrechtvaardigheden die hij zag gebeuren, te stoten. Zijn oudste publikaties dateren uit de eerste jaren dezer eeuw; en doordat hij als militair her en der in het grote land werd overgeplaatst, zag hij veel dat hem ergerde. Hij was, van aanleg, met zijn voor indrukken vatbare geest en doordat hij van land en volk zoveel zag, als voorbestemd voor de werkkring van de reizende reporter; zijn beide bundels verzamelde artikelen spreken er van. Hij maakte de Boni-expeditie en de gevangenneming van de vorst Kraeng Segiri Lapawawooy in 1905 mee, en toen hij als sergeant-schrijver naar Muntok gezonden was, leverde de slechte behandeling van de koelies bij de tinwinning hem stof voor scherp kritische artikelen in de Java-Bode en het Bataviaasch Nieuwsblad, die er veel toe bijdroegen de regering in beweging te brengen, zodat de levensomstandigheden der arme duivels enigszins verbeterd werden.
Het lot van de soldaat van het Indische leger, de Europese 'fuselier', de verschoppeling, die overal gemeden en in alle kringen behalve de kampong uitgesloten werd, trok hij zich sterk aan; met grote nadruk en zeggenskracht heeft hij voor betere waardering en sociale erkenning van deze paria's der vredesgarnizoenen gevochten. Uit voile overtuiging en vaak met succes heeft hij zich tegen onrecht verzet. Die stukken maakten indruk en werden gretig gelezen.

Koch – Batig slot, 186-187

[Jakarta 6 – Berretty] 

Die periode was nog lang niet achter de rug toen Berretty zijn persbureau oprichtte en trachten moest in die chaos een weg te vinden die leiden zou naar een monopolie van berichtenlevering. Dat is hem gelukt. Maar men vrage niet wat dat aan geduld, volharding, vindingrijkheid, afwezigheid van scrupules, vechtlust en bedenkelijke streken kostte. Berretty toonde zich tegen de moeilijkheden opgewassen.
Geheel de natuur van de man tekende zich in zijn uiterlijke verschijning. Hij was van iets meer dan gemiddelde lengte, Blank, goed gebouwd, met lange, stalen spieren, snel en soepel in zijn bewegingen; hij was een goede floretschermer. Zijn trekken waren die van de intelligence Indo-Europeaan, zijn hoofd was smal, het voorhoofd hoog. Wat in zijn gelaat het meest opviel waren de dicht bij elkaar geplaatste ogen, die klein en van een diep bruin waren, met een listige uitdrukking en van rusteloze bewegelijkheid. Men kreeg de indruk dat hij niet alleen alles in zijn omgeving zag, doch dat ook alles wat hij zag tot zijn bewustzijn doordrong. Niets ontsnapte aan zijn blik en zijn besef; omtrent alles vormde hij zich direct een beeld. Zijn altijd parate verstand analyseerde en combineerde, en zo zag hij wegen naar een doel en uitwegen uit moeilijkheden nog voor anderen zich van die moeilijkheden ook maar rekenschap hadden gegeven. Dit was het wezen en het geheim van zijn waarlijk verbluffend talent voor organisatie en onderhandeling. Als directeur van Aneta zond hij geregeld gedrukte instructies en wenken aan de correspondenten die altijd blijk gaven van kennis van zaken en doorzicht. Zijn eerste Aneta-kantoor was een kamertje in het gebouw van de Java-Bode, in de Binnennieuwpoortstraat te Batavia, dat met twee schrijftafels en drie personen geheel gevuld was. Overvuld was het trouwens van de energie van de stichter. Het was al spoedig te klein. Hij huurde een leegstaande voormalige kopragoedang en verhuisde vandaar nog drie maal, tot hij zijn Aneta-building kon betrekken, een groot gebouw, dat drie jaar na de oprichting van het persbureau verrees en onbezwaard eigendom was, ter waarde van anderhalve ton.
Van de gedachte aan Aneta was Berretty doorlopend vervuld; dat was het centrale punt in zijn gedachtewereld: een na de stichting van het persbureau geboren dochter kreeg de naam Aneta. Hij droomde van grote concepties, maar verwaarloosde geen enkel detail; want hij wist dat ook het kleinste en schijnbaar onbelangrijkste van invloed kon zijn op het resultaat. Hij was realist, doordat hij tot grote hoogte idealist was. Hem lokte een leven in luxe, maar het organiseren ter bereiking van een of ander doel was hem een sport, een lucratieve sport weliswaar, maar toch een sport.

Koch – Batig slot, 189-190

[Jakarta 6 – Aneta] 
[Subaya 2 – Indische Courant] 

Met ingang van januari 1922 liet Aneta een geïllustreerd weekblad verschijnen, De Zweep. Aan de bladen werden contracten opgedrongen, waarbij zij zich abonneerden op even vele exemplaren van het periodiek als zij zelf abonnees op hun krant hadden. Zo kreeg De Zweep een geregelde oplaag van tienduizenden exemplaren en werd het blad als advertentie-object een goudmijn. Maar de inhoud was al spoedig beneden peil; de redactie kon haar fatsoen niet bewaren, verviel tot laster en leugen en pornografie, speculeerde op de slechtste neigingen van het lezende publiek, welks smaak en beschaving blijkbaar zeer laag werden aangeslagen. De redactie van De Indische Courant werd het te bar: zij weigerde het schendblad door te sturen aan de eigen abonnees en de exemplaren die volgens contract ontvangen moesten worden, werden in een goedang opgeslagen. Dat verminderde de advertentiewaarde van het vod en Berretty voorzag dat, wanneer andere bladen dit voorbeeld zouden gaan volgen, het uit zou zijn met de grote winsten op de exploitatie en de overvloedige inkomsten. Hij trachtte ons dus te dwingen, De Zweep aan de abonnees op De Indische Crt te zenden, en toen dit niet hielp, onthield hij ons de Reuter en de eigen Aneta-telegrammen en de verslagen en vertalingen van belangrijke beschouwingen in buitenlandse bladen die hij volgens contract leveren moest. Ten aanzien van de te Batavia verschijnende West-Java-editie van De Indische Crt maakte hij het al heel bont. Aneta had de advertentiepagina's van die krant gepacht en deze steeds ten dele met 'stoppers', lok-advertenties, gevuld. Deze werden teruggenomen en er kwamen advertenties waarin De Zweep aanbevolen en De Indische Crt geraffineerd afgebroken werd, voor in de plaats.
De heer Burger, die voorzitter van de Suikerbond en directeur van De Indische Crt was, was er de man niet naar om niet terug te slaan. Er werd een radio-ontvangsttoestel gekocht, een bezitter van het diploma – er werd destijds nog in morsetekens uitgezonden – werd in dienst genomen, en we konden onze gang gaan. Ik was destijds hoofdredacteur van de Oost-Java-editie van De Indische Crt te Soerabaia. Aan een regeling van de ontvangst en de publikatie van berichten uit de ether werd in de regeringsbureaus gewerkt, zodat we geen last hadden van enige verbodsbepaling. Na minder dan een week hadden we een telegrammenrubriek die klonk als een klok. Elke morgen werden onze berichten naar de West-Java-editie, die onder hoofdredactie van de heer W. Belonje stond, doorgeseind. Berretty werd een proces wegens contractbreuk aangedaan.
Die toestand heeft ongeveer tien maanden geduurd. Berretty werd bij rechterlijk vonnis veroordeeld tot betaling van een niet geringe schadevergoeding en hervatting van de nieuwslevering. Hij bleek 'a good looser' te zijn, kwam weer periodiek op bezoek en over het conflict werd niet meer gesproken. Hij had zijn les geleerd. De Zweep kwam, onder een andere naam, in andere handen en Aneta's advertentiebureau, dat ook een geweldig machtsmiddel tegenover de pers was geweest, werd verkocht.