Dagboek van mr dr L.F. Jansen, Batavia/Djakarta 1942-1945 - Uitgeverij Van Wijnen, Franeker 1988

Jansen – In deze halve gevangenis, 1b

[Jakarta 5 – Rijswijkstraat] 

31-5-42
Voor zijn komst hier, woonde hij in Hotel du Pavllion en 2 kamers van hem af woonde een Hollandsche gestudeerde vrouw (zij was M.?)' met een zoontje van 10 jaar, die bijna geen geld meer had. Op een avond zocht het zoontje zijn moeder. Yatayama ging de kamer binnen en vond haar opgehangen in de badkamer. Hij zorgde voor de begrafenis en voor de onderkomst van het kind. Hij vertelde me dit heel eenvoudig als een brokje oorlogsleed, waarin hij met Nederlandsche menschen had meegeIeefd. Wanneer we aan tafel zitten wordt er bijna geen woord gezegd. Je hoort niets buiten het slurpen van de soldaat, die Yatayama's schrifturen in behoorlijk Japansch vertaalt. Ik geloof, dat we uit voorzichtigheid zwijgen.

Jansen – In deze halve gevangenis, 3

[Jakarta 7 – Museum] 

5-6-42
Vandaag ook nog even Van der Hoop bezocht, die nog altijd in 't Museum zit na nogmaals voor Struyswijk gedeballoteerd te zijn. Hij voelde zich maloe tegenover het museum-personeel, omdat er nu al 3 maanden lang geen salaris is uitbetaald. Het hoofd van het Museum is nu Kohda!!

Jansen – In deze halve gevangenis, 6-7

[Jakarta 5 – de Koning] 

8-6-42
Waarom leest Tsuruta 'Gone with the wind' en niet een Japansche auteur? Waarom erkent hij tegenover mij de aanvaardbaarheid van een superioriteitsgevoel van de Nederlander ten opzichte van de Indonesiër? Waarom wil hij geen Japansche maar een Westersche vrouw trouwen? Waarom haasten alle Japansche officieren zich om bij De Koning en de Java-Stores Westersche kleeren te koopen? Het Westen mag sterk geschokt zijn in zijn superioriteitsgevoel door de Japansche militaire overwinningen, maar toch is 't zijn rol van in vele opzichten leermeester te zijn door 't enkele feit van militaire zwakte niet verloren. En dat weet de Japanner, al probeert hij dat gevoel in zijn optreden te compenseeren. Hij verwesterscht meer en meer. Onafhankelijk van de afloop van deze oorlog zal Japan toch vermoedelijk niet aan een toenemende verwesterlijking, verzakelijking, ontkomen. Westersche gewoonten blijven nog steeds binnendringen en dat beïnvloedt de heele verhouding van mensch tot mensch; d.w.z. niet van iedere individueele Japanner tot ieder individueele Westerling, want het spreekt vanzelf dat bij de officieren op dit moment een geest van minachting overheerscht. Ook niet bij de Japansche soldaat en onderofficier, maar bij de Japanner die het Westen bestudeerd heeft.

Jansen – In deze halve gevangenis, 7

[Bandung – ter Poorten] 
[Bandung 2 – Legercommandant] 
[Jakarta 5 – Fotografisch Atelier] 

13-6-42
Tentoonstelling van oorlogsfoto's in etalages van winkels in de Rijswijkstraat. Het interessantst zijn de foto's van de overgave van Kalidjati en Bandoeng. Ter Poorten probeert zich een houding van nonchalance te geven. De sympathiekste figuur op de foto van Kalidjati is de Japansche opperbevelhebber Imamura, die er soldatesk en tegelijkertijd als een gentleman uitziet. Daarnaast aan de eene kant een dozijn Japanners, die gedeeltelijk lachen. Aan de andere kant 4 Hollanders. Generaal Bakkers lijkt meer dan ooit op een verschrikte djongos. Op de achtergrond het pientere gezicht van Thijs. Op de Bandoengfoto staan 3 Nederlandsche opperofficieren opgesteld voor een schrijftafel waarachter een Japanner staat. Ter Poorten steekt iets in zijn borstzak en doet of hij niet luistert. Pesman staat papzakkerig en letterlijk in elkaar gezakt in een verkreukeld uniform in het midden. Zijn kwabberig gezicht vertoont een mengsel van schrik en moeheid. Hij maakt de indruk van iemand van goede huize, die opgepakt is door de politie en die de heele situatie waarin hij verkeert vooral onbehoorlijk vindt, ook al weet hij zich geen houding te geven. Hij lijkt op oom Adriaan. Het is allemaal even akelig en droevig. Ook de foto op de trappen van het paleis, waarop een paar Duitschers en Italianen, lachend, te zien zijn.

Jansen – In deze halve gevangenis, 8

[Jakarta 7 – N.I.R.O.M.] 

14-6-42
(Generaal-majoor) Pesman zou een interview hebben gegeven, waarin hij volgens een radiouitzending van ’t Koningsplein gezegd zou hebben, dat hij zich uitstekend voelt, die afgeloopen oorlog alleen nog ziet als een booze droom, dankbaar is voor de behandeling door de Japanners, verlangend is 't militaire leven vaarwel te zeggen en met zijn gezin 'boven’ ( in de bergen) te gaan wonen, en verwacht dat het onvergelijkelijke Japansche leger deze oorlog winnen zal.

Jansen – In deze halve gevangenis, 8-9

[Jakarta 6 – Sigarenhandel] 

15-6-42
Yatayama komt me iedere avond, voor we naar bed gaan, een uurtje gezelschap houden. Hij vertelt me van zijn familie- en zakenleven. Zijn vader was een handelsman, die er vroeger 5 concubines in verschillende plaatsen op nahield en die zijn moeder bij thuiskomst in haar gezicht sloeg wanneer hij uit zijn humeur was of wanneer 't eten hem niet beviel. De rechten van een Japansche man. Toen was het de taak van de zoon om opruiming te houden onder de concubines en zijn ouders bij elkaar te brengen. Hij deponeerde zijn beide ouders op een stuk land van zijn rijke vrouw in Atami. Zijn moeder, die bij de groote aardbeving in 1923 vreeselijke brandwonden opliep en daardoor half verlamd is, komt nu iedere week op Zondag haar zoon opzoeken. Ze wordt dan door zijn vrouw – sinds er geen benzine meer is voor de auto – per trein gehaald. […]
Een typische kijk op zijn mentaliteit geeft me ook zijn verzuchting, dat hij alle Chineezen graag zou afmaken, omdat ze listige uitzuigers zijn. (Hij wist van een tokohouder op Pasar Baroe een pakje cigaretten tegen de dubbele prijs los te krijgen en zorgde er toen voor, dat de voorraad in no time door passeerende soldaten tegen de vooroorlogsche prijs werd leeggekocht.) Hij zou zijn slachtoffers niet willen martelen, want van martelen houdt hij niet. Hij wil niemand onnoodig pijn doen, maar een zachte vlugge dood gunt hij ze allemaal en hij zou zonder bezwaar als beul fungeeren. Dit is Yatayama, die gisteren aan juffrouw Harms een gulden gaf om koekies te koopen, wat ze erg aandoenlijk vond. Wanneer hij over Europeanen spreekt, dan zegt hij: 'I know how to handle them'.

Jansen – In deze halve gevangenis, 15

[Jakarta 7 – Zuid] 

3-7-42
Op Koningsplein-Zuid is de weg om onbekende redenen een eindje omgelegd. 't Werk van de Australische krijgsgevangenen, die iedere dag tot het middel naakt door de stad worden vervoerd in vrachtauto's naar de plaatsen, waar ze te werk worden gesteld. Voorbijgangers steken af en toe een duim of twee vingers op. Wanneer Japansche wachten dit zien, worden die demonstranten op straat om hun ooren geslagen. Een meisje uit een winkel op Noordwijk, die 3 dagen geleden hetzelfde deed, werd zelfs met fiets en al op een vrachtauto geladen en zou tot vandaag niet terug zijn.

Jansen – In deze halve gevangenis, 17-18

[Jakarta 7 – Kenpeitai] 

9-7-42
Anita Rambonnet is vanmiddag om half drie bij de Kempeitai geroepen. Ze belde haar dochter op om haar te vergezellen. Nini wachtte eenige uren op straat en, toen voorbijgangers haar daar lastig begonnen te vallen, in de hall van de vroegere Rechtshoogeschool. Om 6 uur ging ze naar huis, omdat een Japanner haar zei, dat 't nutteloos was verder op haar moeder te wachten. Het is nu 10 uur en Anita is nog niet thuis gekomen. Nini vertelt me door de telefoon, dat de Kempeitai (volgens inlichtingen die Muramaru had) wil weten, waar haar moeder de heele week 's avonds geweest is en waarom ze zoveel menschen had bezocht. Dit moet toevallig Anita treffen, die door de heele Europeesche gemeenschap gewantrouwd wordt. Eerst haar man gearresteerd (gisteren ging ze kolonel Machida opzoeken om hem vrij te krijgen) en nu zij zelf.

Jansen – In deze halve gevangenis, 18

[Jakarta 1 – Pasar Ikan]

11-7-42
Soekarno is met een motorprauw uit Palembang in Batavia aangekomen. Zijn vriend Hatta had gezorgd, dat zijn komst bekend was geworden, zoodat duizenden menschen naar Pasar Ikan gingen om hem te verwelkomen, zooals ook duizenden de volksheld Soekarno naar 't station brachten, toen hij geïnterneerd werd. Soekarno is typisch volksleider, terwijl Hatta de denker van de twee is. Zij schijnen er beiden niet veel voor te voelen om zich eenzijdig voor ‘t Japansche wagentje te laten spannen en zoo zou de komst van Soekarno wel eens kunnen beteekenen, dat de 3A-beweging weer in 't zand loopt. Het begin van zijn optreden is een speech geweest, waar ook generaal Imamura bij tegenwoordig was, waarin hij gezegd heeft: 'Asia Raja tida bisa raja, djikaloe Indonesia beloem raia (Groot Azië kan niet groot zijn, als Indonesia nog niet groot is). Dat is zeldzaam openhartig en bijna revolutionair. Hatta schijnt trouwens al gezegd te hebben, dat 't hem niets schelen kan om weer geïnterneerd te worden. (Hij verscheen laatst op 'n receptie op 'n Japansch oorlogsschip, waar iedereen natuurlijk zooals 't hoort Maleisch praatte, met hardop in ‘t Nederlandsch tegen een kennis te zeggen: 'We schieten in ieder geval wel op tegenwoordig. We zijn met één sprong van 1942 in 2602 gekomen'.) Soekarno toonde zich volgens Said weer een groot redenaar, vol vuur. Hij heeft een forsch figuur, een knap gezicht en een mooie stem. Samsoedin zat er bij als een geslagen hond. Er wordt gezegd, dat de komst van Soekarno een einde maakt aan ’t regime van menschen als Samsoedin.

Jansen – In deze halve gevangenis, 18-19

[Jakarta 7 – Rechtshogeschool] 

15-7-42
Anita zit nog altijd bij de Kempeitai. Niemand weet verder iets. Mevrouw Weynen, kennis van Stefje [aangetrouwde familie], is na een soortgelijke behandeling van 't cachot naar 't ziekenhuis gebracht, omdat 't heele geval haar een zenuwschok gegeven had. Plotseling zijn ze weer begonnen met op groote schaal 'Indische jongens' op te pakken. Vandaag eenige honderden.

Jansen – In deze halve gevangenis, 23-24

[Jakarta 7 – N.I.R.O.M.] 

28-7-42
Op 't einde van de dag ga ik soms in bed liggen met de lamp uit om te luisteren naar de radio, die Europeesche muziek speelt. De heele dag door zijn er alleen Indonesische klanken. Je hoort niets dan een eindeloos gekerm en gejammer van Inlandsche muziek. Het begint vroeg in de morgen en 't wisselt af van huilen, bidden in monotone gamelan, krontjong-imitaties van jazz of Soendaneesche liefdesliederen, waar geen eind aan komt. Tusschendoor aankondigingen, speeches, officieele berichten, nieuws, alles in 't Maleisch, met stemmen, die even agressief klinken als de onze het waarschijnlijk vroeger in hun ooren hebben gedaan. Maar tusschen 10 en 11 uur 's avonds komt er plotseling een eind aan en komt er een piano-concert of een zacht cabaret-liedje. Duizenden Europeanen luisteren dan stil naar hun eigen muziek, alleen gestoord door de stem in 't Maleisch, die voor iedereen, hemzelf inbegrepen, de titels zegt. Ik weet niet, waaraan we 't laten hooren van onze muziek te danken hebben. Japansche smaak of de smaak van de ontwikkelde Indonesiër, die op 't eind van de dag van zijn ‘eigen' muziek genoeg krijgt. Een soort differentiatie tusschen wat voor de groote massa en wat de ontwikkelden te apprecieeren valt. In ieder geval ben ik blij, dat dit eene uurtje met Europeesche muziek is blijven bestaan. Ik lig er naar te luisteren als naar geluiden uit een andere wereld, die onbereikbaar ver voor me is geworden. En buiten hoor ik nu en dan het driftige stappen van Yatayama, die langs mijn kamer loopt en inspectie houdt. Neen, 't is heusch de NIROM die aanstaat en niet San Francisco.

Jansen – In deze halve gevangenis, 26

[Jakarta 7 – Kenpeitai] 

14-8-42
Wat gebeurt er met de Hollandsche vrouwen, die in 't gebouw van de Kempeitai op 't Koningsplein vastgehouden worden? Anita en mevrouw Idenburg zitten er blijkbaar nog. Mevrouw van Karnebeek en mevrouw van Thiel zijn er na 14 dagen uitgekomen. Als bij vroegere gevallen met 'n zenuwschok. Er is een verpleegster bij en ze willen niemand ontvangen.

Jansen – In deze halve gevangenis, 30

[Jakarta 5 – Soos] 

22-8-42
De heeren Koyama en Tsuruta hebben vanavond ter gelegenheid van de 23e verjaardag van de eerste gedineerd op de Harmonie. Er waren Europeesche meisjes en 'fatsoenlijke dames', zei Koyama me, voor de bediening. Het was niet duur geweest en ze hadden f. 2,50 fooi gegeven aan de bediensters.

Jansen – In deze halve gevangenis, 32

[Jakarta 7 – Kenpeitai] 
[Jakarta 7 – Hotel] 

29-8-42
Anita is terug. Ze was vier dagen lang op de Kempeitai voor onderzoek aangehouden, omdat ze 3 x mevrouw van Starkenborgh had bezocht en verdacht werd van een samenzwering. In die 4 dagen was ze opgesloten in een hok met enkele anderen, in bijzijn van een soldaat, met absoluut spreekverbod. Zelfs hun behoeften moesten ze in die kamer doen, waar de soldaat bij was. Af en toe werd ze er uit gehaald voor een verhoor, waarbij op de gebruikelijke manier door onderofficieren geslagen werd, niet alleen op haar gezicht en niet alleen met het gebruik van hun handen. Na afloop werd ze door die onderofficieren heel behulpzaam en zelfs zachthandig verbonden. 'Ik kan deze menschen niet haten', zei ze me, 'ze deden hun plicht en zijn Aziaten'. Evenmin als iemand van ons een held zijnde, had ze tenslotte haar bezoeken volmondig toegegeven en alles verteld wat er gezegd was. (Dat heeft dus waarschijnlijk tot de arrestatie van mevrouw van Mook enz. geleid.) Na 4 dagen werd ze overgebracht naar 't politiebureau op 't Koningsplein, waar ze ruim 6 weken in een cel heeft gezeten. Daar was 't beter. Japanners kwamen er praktisch niet. Ze wende aan alles, behalve 't eten en viel 15 kilo af. Ook aan 't slapen op de steenen, nadat ze 't eerst met een plank had geprobeerd, maar dat in verband met de wandluizen in 't hout had opgegeven.

Jansen – In deze halve gevangenis, 36a

[Jakarta 5 – Hof van Holland] 

3-9-42
Gisteravond met Irma naar de bioscoop geweest. Hoofdzakelijk Japansch publiek. Veel Inheemsche kijkers op straat voor café's zooals ’t vroegere Hof van Holland waar Europeesche bediensters zijn, die zitten te praten aan de diverse tafeltjes met de Japansche bezoekers. Ze zullen op den duur ook de Inheemsche diensters in Concordia wel vervangen. De Europeesche vrouw schijnt aan de verliefde droomen van de Japanner nog 't best te beantwoorden. Een groot bordeel met een Chineesch uitziende ommuring is in de maak in Gang Chaulan.

Jansen – In deze halve gevangenis, 44b

[Jakarta 5 – Hotel des Galeries] 

24-9-42
Gisteravond met Irma langs de Galeries wandelend, uitbundig begroet door 3 djongossen, waaronder Doel. Ze gaven handen en zullen wel niet zooveel fooien als vroeger meer krijgen. Een van mijn bedjavoerders laat principieel zijn band leegloopen, wanneer hij een Japanner aan ziet komen. De poeasa is nu aan de gang. De optochten en 't kindergezang zijn van de straat verdwenen.

Jansen – In deze halve gevangenis, 46

[Jakarta 6 – Groote Huis] 

3-10-42
Van een bezoek aan 's Landskas – een uitgestorven kantoor – maak ik gebruik op 't Departement van Financiën binnen te loopen. De oppassers begroeten me uitbundig vriendelijk. Dat is geen comedie. Slamet zit in de kamer van Hogesteeger. Heeft niets te doen en vertoont groote belangstelling voor Amerikaansche vorderingen, wat volgens Hans Polak óók geen comedie is. Kentert er iets? Hermans vertelde me, dat nog niet de groote massa maar wel de intellectueele bovenlaag van de Indonesiërs anti-Japansche gevoelens begint te krijgen. Zij zijn zienderoogen veranderd. Ze hebben 6 maanden geleden gedacht dat nu hun kans kwam. Het Japansche leger is met een idealistische belofte het land binnen gekomen: bevrijding van het Westersche kapitalisme. Een leus die volgens hem wel pakte, maar de bedoelingen van het leger worden niet begrepen of tegengewerkt door de economen. Er ontstaan dus 2 stroomingen. Aan de eene kant de nog steeds doorwerkende invloed van het leger, die o.a. vertolkt wordt in de Asia Raja en die de Indonesiërs naar boven wil heffen en op belangrijke adviseursposten zetten en hun groote huizen te bewonen geeft. Sinterklaasje spelen van Europeesche bezittingen. Aan de andere kant het optreden in de praktijk van de Japansche burger, die de Indonesiërs minacht en zich van hun adviezen niets aantrekt.

Jansen – In deze halve gevangenis, 48-49

[Bandung – ter Poorten] 
[Bandung 2 – Legercommandant] 

5-10-42
Ritman (voormalig hoofd van de Regerings Publiciteits Dienst) doet me 't volgende verhaal over de overgave .[...]
Die officier heeft de persoonlijke overkomst geëischt van de G.G. en de legercommandant naar Soebang, wat later Kalidjati bleek te zijn. Er is toen getelefoneerd van Isola naar Ter Poorten en van Ter Poorten naar huize Kan [Villa Mei Ling van Volksraadslid Han En Kan], waar de G.G. juist teruggekeerd was van een verblijf van een week in het Residentshuis (dat heette veiliger te zijn, maar werd op Zaterdagmiddag gebombardeerd). De G.G. weigerde mee te gaan. Toen dit overgebracht was naar Isola, kwam het antwoord dat Bandoeng bij niet-inwilliging gebombardeerd zou worden. De G.G. is toen gezwicht. [...]
Om 10 uur werd de G.G. afgehaald door Ter Poorten, die vergezeld was door generaal Bakkers (chef staf) en overste Mantel. De G.G. nam Idenburg (directeur kabinet), Kiveron (hoofd Algemene Secretarie) , Hulsewé en Hagenaar (Dienst Oost-Aziatische zaken) mee. De reis naar Soebang duurde tot half twee 's middags, omdat de weg op veel plaatsen kapot was. Ze werden onderweg aangehouden door een Japansche generaal, die hen verzocht allen uit te stappen. Hij hield een toespraak, die niemand, ook de tolken niet, verstond maar die in moest houden, dat hij hen wenschte te troosten in hun lot. De ceremonie mislukte, het gezelschap begreep er niets van en reisde weer verder. Bij aankomst op Kalidjati werden hun de vliegtuigen getoond die Bandoeng bij een weigering gebombardeerd zouden hebben. Er moest daarna nog een tijd gewacht worden op de komst van generaal Imamura uit Batavia, die Miyoshi als tolk had meegenomen. Onze tolken bleken waardeloos, ze verstonden niet wat er gezegd werd (wat ik me bij zoo'n eerste oefening best begrijpen kan, gezien de belangstelling op Lovink's kantoor voor levende kennis van het Japansch). Met behulp van Miyoshi werd er uren lang heen en weer gepraat over de kwestie of de G.G. kon bevelen het vechten in Atjeh en andere buitenposten te staken. De G.G. probeerde ook gunstige voorwaarden te bedingen op zijn langzame bedachtzame manier, maar werd telkens in de rede gevallen door de eenvoudige en volkomen ontmoedigde Ter Poorten, die niets anders wist te zeggen dan: ' 't Geeft toch niets! Alles is immers toch verloren'. Geen wonder dat Imamura na een tijdje genoeg had van de tegenstribbelende landvoogd en hem verzocht of gelastte de kamer te verlaten. En toen speelde hij het met Ter Poorten in een half uurtje klaar. De G.G. kwam 's nachts om half twee uit Soebang thuis, at een boterham met sardientjes en was woedend op Ter Poorten, die volgens hem veel bedorven had en die achteraf gezien ook heelemaal niet begrepen had wat er bij deze heele oorlog op het spel stond. (Het moet een extra kwelling voor de G.G. zijn om nu dagelijks met deze man samen te zijn.) De volgende (Maandag)morgen vroeg hoorde Bandoeng en heel Indië de onvoorwaardelijke overgave.

Jansen – In deze halve gevangenis, 49a

[Jakarta 3 – Sekolah Dasar] 

6-10-42
Verder loopt ’t hardnekkige gerucht dat een groot aantal Nederlandsche krijgsgevangenen, namelijk die oorspronkelijk uit Batavia kwamen, hier aangekomen zijn uit Tjimahi en in Glodok in een naburige school ondergebracht. Ligt verder transport in de bedoeling?

Jansen – In deze halve gevangenis, 59-60

[Bandung – ter Poorten]

20-10-42
Van wat Zimmerman (voormalig hoofd Leger Voorlichtings Dienst) me nu nog vertelt kan ik me zoo langzamerhand het beeld van Bandoeng in de laatste week vóór Kalidjati completeeren. De landingen op Java waren in de nacht van Zaterdag op Zondag (28 februari – 1 maart 1942), met de verrassende doorstoot naar Kalidjati in de loop van Zondag, waar het belangrijkste deel van onze resteerende vliegtuigen verloren ging. Alles draaide toen waarschijnlijk om pogingen in de loop van Maandag en Dinsdag om Kalidjati te heroveren. Dinsdag was dit mislukt en moest Schilling met zijn divisie uit Batavia terugtrekken. Woensdag was het duidelijk dat de stelling Bandoeng het eenige punt van tegenstand kon zijn en ook dat punt bleek 'wegens gebrek aan vliegtuigen' niet te houden. Uit het verhaal van Zimmerman begrijp ik, dat alles te vlug is gegaan om rustig overleg mogelijk te maken en de jongere menschen met ideeën een kans te geven een voorstel er door te krijgen bij de ouderen, die heelemaal versuft leken door de loop van de gebeurtenissen. Een paar flinke stafkapiteins, o.a. Buurman van Vreeden, toonden wel initiatief en wilden bijvoorbeeld een nachtaanval op Kalidjati ondernemen. Ze werden door de ouderen die niets van de tragiek schenen te begrijpen niet gesteund. Er werd veel ruzie gemaakt. Op Vrijdag moet 't besluit om te capituleeren genomen zijn, nadat er een voor Zimmerman niet duidelijk misverstand bestaan had, waarbij 't tijdelijk weer ingetrokken was. Een auto werd naar boven gestuurd met een officier, die onverrichterzake terugkwam, omdat hij zei geen contact te kunnen krijgen! Toen Zimmerman Vrijdagavond in het ondergrondsche hol van de generale staf kwam vond hij (Legercommandant) Ter Poorten, (generaal) Bakkers (chef staf) en (overste) Mantel bij een kruik Bols na het besluit tot capituleeren, waarbij de glazen dramatisch op de grond warden stukgesmeten (toen de Bols op was). Zaterdagmiddag maakte Gerharz contact. Zondagmorgen om 9 uur had Ter Poorten alle officieren van de generale staf bijeengeroepen op het moment van de bijeenkomst in Isola. Hij ontving hen met een geborduurd kussen waarop een eeredegen lag, aangeboden aan de cadet Ter Poorten voor een of andere schermwedstrijd 30 jaar te voren. Hij dacht namelijk dat een Japansche generaal ieder oogenblik kon verschijnen, waarbij hij zich met al zijn officieren zou moeten overgeven en waarbij de Japansche generaal hem dan met een sierlijk gebaar zijn degen geretourneerd zou hebben. Het was allemaal een beetje kinderlijk en in de verwachting dat capituleeren een beleefdheidsspelletje was.

Jansen – In deze halve gevangenis, 60-61, 62

[Jakarta 7 – Spoorwegovergang] 

20-10-42
Honderden vrouwen staan intusschen bij de spoorwegovergangen uit te kijken naar treinen met Nederlandsche krijgsgevangenen die hier passeeren in de richting Priok. Waarheen ze gaan? Naar Sumatra, Borneo of verder weg naar Japan zelf? Wanneer ik lees dat er in alle landen een groot gebrek aan arbeidskrachten is en dat de meest vernuftige middelen worden gebruikt in Amerika, Australia en Europa om iedere man en iedere vrouw aan 't werk te zetten, dan lijkt ’t me wel bijna zeker dat onze menschen naar munitiefabrieken in Japan of Mansjoerije gaan (naar Burma en Japan).
22-10-42
Waar ik 2 dagen geleden al bang voor was. Onze krijgsgevangenen gaan naar Japan of Mansjoerije.

Jansen – In deze halve gevangenis, 63a

[Jakarta 7 – Spoorwegovergang] 

23-10-42
Tehupeiory vertelde aan C. dat de krijgsgevangenen, die hun vrouwen bij 't passeeren van Menteng en Koningsplein vroolijk toewuifden bij de spoorwegovergangen, hun tranen niet konden inhouden, toen ze in Priok de booten zagen waarmee ze weg worden gebracht. Het gerucht wil dat de bestemming Sumatra is. Kolemijnen?

Jansen – In deze halve gevangenis, 66

[Jakarta 7 – K.P.M.] 

1-11-42
Het resteerende Europeesche stafpersoneel van de KPM, de Gasmaatschappij en de Droogdokmaatschappij is ontslagen met één maand extra salaris. Eenige uren later zijn ze door de Kempeitai naar de gevangenis gebracht. Dit kan een symptoom zijn, dat het laten werken van Europeanen geleidelijk ingekrompen zal worden naarmate er geschoolde menschen uit Japan komen.

Jansen – In deze halve gevangenis, 66-67

[Bandung 2 – Internaat] 
[Jakarta 6 – PHS]
 

3-11-42
Ter eere van Meiji-setsu (herdenking van de geboortedag van keizer Meiji) zijn vandaag groote kinderoptochten gehouden, waaraan ook sportvereenigingen hebben meegedaan. De Japanners hebben spoedcursussen geopend voor gymnastiek-onderwijzers. De leerlingen worden gekeurd en in een internaat opgeleid. Ze leeren ook Japansch en blijven 3 maanden practisch opgesloten. Ze worden ook geestelijk getraind en dat schijnt veel indruk te maken. De geest van judo spreekt tot de Indonesische jongens. Ze probeeren zich Japanner te voelen. Ze leeren zelfbewustzijn, mens sane in corpore sano. Bepaalde Japansche kringen doen dit opvoedingswerk met animo en 't is m. i. goed werk. Wij hebben 't verwaarloosd, omdat we er geen belang bij hadden en omdat we voor politieke bewustwording speciaal door massasport van de jeugd ook wel wat bang waren. Er worden nu voor 't eerst voor de Inlandsche jeugd zwemwedstrijden gehouden. Talip is vandaag weer voor 't eerst naar de HBS gegaan, waar nu alleen Maleisch gesproken wordt. Leerboeken zijn er nog niet. De leerkrachten zijn gedeeltelijk gewezen studenten van de TH. Er wordt ook Japansche les gegeven.
4-11-42
De school van Talib (onder Indonesische directie) is gevestigd in ’t zelfde gebouw waar ook een Japansche taalschool voor Indonesiërs gevestigd is (onder Japansche leiding). Leerlingen van Talibs school hebben staan lachen bij gymnastiekoefeningen van de andere school. Toen bovendien een Indonesische leeraar van Talibs school niet op zijn plaats bleef staan bij een oefening voor Meiji-setsu werd hij geslagen door een Japansche onderwijzer van de andere school. Hij moest bovendien op de grond knielen en diep buigen voor de leerlingen van de andere school. Vandaag is er de heele dag geen les geweest, want de leeraren moesten vergaderen!

Jansen – In deze halve gevangenis, 69

[Jakarta 5 – Oen] 

9-11-42
Abe gaat binnenkort naar Japan terug. Hij komt me uitnoodigen voor een afscheidseten in Toko Oen, waar hij verliefd is geworden op een van de bediensters, die waarschijnlijk veel te jong is om van zijn attenties gediend te zijn. Hij heeft hier wel ervaring opgedaan. Het slapen met een geisha in Bandoeng gaf hem geen bevrediging omdat ze te koel is. Rodie verzekerde hem dat er geen meer gepassioneerde vrouw op de heele wereld te vinden is dan 'that cool frigid English woman'. May be. Volgens Abe wordt de bijslaap in Japan ook tusschen echtparen 'as a rule' alleen beoefend in het holst van de nacht, in het stikdonker en zonder dat de vrouw zich helemaal uitkleedt. Wij zijn niet erg gepassioneerd, zei hij, omdat we groenten-eters zijn!

Jansen – In deze halve gevangenis, 69a

[Jakarta 7 – Consul Generaal] 

9-11-42
lk heb hem gevraagd of er nu niets gedaan kon worden voor de geïnterneerden in Struyswijk en ADEK, die sinds 8 maanden op de steenen vloer slapen en geen enkel contact met hun gezin in dezelfde stad inogen hebben. Dit is geen redelijke behandeling. Hij, wees naar onze behandeling van de Japanners. Altijd hetzelfde antwoord. Alsof daarvoor al niet genoeg 'geboet' is. Wie ik dan wilde aanklampen hierover? lk noemde Miyoshi, wat hij me sterk afraadde, omdat juist Miyoshi en alle menschen van het vroegere consulaat nog altijd verbitterd anti-Nederlandsch zijn. Hij zei nog dat hij ons Nederlanders moeilijk te begrijpen vond in onze 'waanideeën'. Wat hij precies bedoelde was niet duidelijk. Maar andere Europeanen als Denen en Zweden hadden hem ook bij herhaling gezegd Nederlanders niet te kunnen begrijpen.

Jansen – In deze halve gevangenis, 73

[Jakarta 7 – Gasmaatschappij] 

18-11-42
Een Hollander die bij de Gasmaatschappij werkte en avonddienst had, werd door zijn vrouw opgebeld dat een dronken Japanner hun huis binnengedrongen was en haar lastig viel. Hij ging naar huis en haalde er een Japansche getuige bij. Met z'n tweeën konden ze de dronken man niet baas, die tenslotte door een Hollander knock-out geslagen werd. Op aanraden van de Japansche getuige en van zijn Japansche chef bij de Gasmaatschappij, ging hij de volgende morgen naar de Kempeitai, waar de knock-out geslagene al eerder geweest was. De Hollander is niet meer thuisgekomen, behalve om wat kleeren te halen en toen had hij geen bril meer op en z'n hoofd was opgezwollen. Hij zit nu op ADEK.

Jansen – In deze halve gevangenis, 76

[Jakarta 3 – Tay Tong] 

23-11-42
Kolonel Nakayama heeft 3 opdrachten gegeven aan het hoofd van de Kempeitai in Batavia:'
1. tot arrestatie van meer pro-Chungking Chineezen over te gaan,
2. geruchtmakerij met kracht tegen te gaan en
3. goed te letten op relaties tusschen Japanners en Europeesche vrouwen.
In 't Chineesche kamp doen geruchten [de ronde], dat de Chineesche academici gearresteerd zouden worden. H's broer heeft zijn koffertje gepakt. Zijn moeder en zuster zijn in Tjitjoeroeg, vader en oom in Boekit Doeri. De Chineezen zullen niet kunnen vergeten hoe ze door de Indonesiërs gerampast zijn. Hij vertelde me enkele staaltjes. De eerste rooverijen begonnen op Dinsdag of Woensdag aan de grens van de stad op de J.P. Coenweg. De daders werden niet doodgeschoten maar met vrachtauto's naar de gevangenis gebracht. Een groote fout! Toen de Japanners er eenmaal waren was 't hek van de dam. Op Glodok werd Thay Thong belegerd en niet veroverd, omdat de bezetting de eene flesch na de andere op straat smeet tot 't plaveisel bezaaid was met scherven. Op 't particuliere landgoed van de familie Kan werd een oude administrateur, die er 30 jaar gewerkt had, vermoord. Zijn testikels samen met zijn losgesneden bovenlip en Bismarcksnor waren op tafel gelegd. Het woonhuis in Tjitjoeroeg bleef gespaard door de heilige kracht van de 3 waringinboomen. De Chineezen maken zich nu al bezorgd wat er bij een eventueele aftocht van de Japanners zou gebeuren en of dezelfde toneelen zich dan zouden herhalen. Ze zijn geen helden, deze peranakans. Ze haten de Inlanders en hebben minachting voor ons gekregen.

Jansen – In deze halve gevangenis, 84

[Jakarta 6 – Toko Bombay] 

4-12-42
Verjaardag en de gebruikelijke depressie. Zakdoeken van Stefje [aangetrouwde familie], een vulpotlood van Irma, een stuk dik speculaas van de goeie Koyama en niets van de ontoegankelijke Carla. Verveling de heele dag. Ciska heeft weer iets beleefd op Pasar Baroe. Duitsche matrozen gaan een Bombay-winkel in en uit en spreken Engelsch om verstaan te kunnen worden. Een katjong die de vreemde uniformen ziet, hoort 't en zegt tegen een andere katjong: 'Apa goa (ik) bilang, Amerika datang'. (‘Wat ik zeg, Amerika komt’) Ze gaan er achter aan en roepen de paar woorden Engelsch die ze nog uit de tijd van de Australiërs kennen: 'O.K. toean!' En dan komt er een Japanner die alles gezien en gehoord heeft en de katjong een paar meppen geeft. Ter eere van 8 December ( De verjaardag van de overval op Pearl Harbor) zou er eerst een lampion-optocht worden gehouden, maar nu is het een verduisteringsoefening geworden, die 6 dagen duurt tot en met 10 December.

Jansen – In deze halve gevangenis, 84-85

[Jakarta 4 – Des Indes] 

6-12-42
B. legt me de voordeelen van de bezettingstijd uit. In de eerste plaats is hij practisch verlost van de alimentatie van zijn vrouw. In de tweede plaats hoeft hij niet hard meer te werken en heeft hij geen sociale plichten meer. Hij kan in shorts rondloopen en vooral veel slapen. Met zijn vriendin gaat hij als 't donker wordt naar bed. Ze kan niet meer eischen om eerst iets te drinken op 't platje van Des Indes, dan naar de bioscoop te gaan en tenslotte nog wat te gaan dansen, voordat 't eigenlijke slot van de avond komt. Dansen is vermoeiend en hij heeft er nooit van gehouden 't laat te maken. Iedereen leeft nu veel meer op zijn gemak volgens hem. En hij ziet bijna nooit Japanners.

Jansen – In deze halve gevangenis, 85-86

[Jakarta 7 – Zuidwesten] 

7-12-42
Soekarno heeft een soort 'Hitler-Jugend' gevormd, die de 'bantengs' van Soekarno genoemd worden. Zij marcheeren met naakt bovenlijf en houten stokken en groeten elkaar met uitgestoken arm en ‘hidoep Soekarno’ (‘Leve Soekarno’). Vandaag zijn deze kinderen – en duizenden andere – met honderden militaire vrachtauto's door de stad gevoerd. Kleine Inlandertjes mochten de mitrailleurs vasthouden, die de soldaten op de vrachtauto's hadden gezet. Goeie propaganda, die de massa pakt. Er is wat dit betreft minder afstand tusschen dit bewind en het volk. Ze weten ook betere volksfeesten te organiseeren. Op 't Koningsplein (nu 'Gambir' genoemd) komt Soekarno's stem zwaar door de radio. Hij wacht telkens op applaus. Hij articuleert langzaam het woord In-do-ne-sia als hij op effect uit is. Hij praat over de nieuwe politieke organisatie, die 1 Januari zal gaan werken als de geboortezang van een heel nieuw land. Dit bewind heeft de beste redenaars aan zijn zijde. Het verschijnt samen met die redenaars op dezelfde estrade. Er wordt enthousiasme gewekt, vooral bij de jeugd. De ouderen die op de tribune zitten luisteren waarschijnlijk wat sceptisch, maar ze zien toch ook in de gebeurtenissen van dit jaar de geboorte van iets nieuws voor hun land.
En hoe zal zich deze volksbeweging, waar niemand buiten staat, straks houden bij 'n keerpunt in de oorlog? Dan zal alles vermoedelijk weer uitdooven. Er zal gewacht en gezwegen worden. Er zal een soort verlegenheid zijn als kinderen die midden in een feestje met ’n harde stem tot stilte worden gebracht en 't hangt er dan maar van af wat de Westersche ooms zullen doen. Kwaad zijn heeft geen zin. De Japanners hebben het voordeel van hun huidskleur en hun eigen kinderlijkheid gehad in de omgang met Indonesiërs. Die voordeelen hebben wij niet. Wij zijn altijd in 't nadeel, omdat we meer op 'n afstand zijn, minder geïnteresseerd, meer nuchter, minder 'en famille'. Dat is overigens geen reden om dit land aan de Japanners cadeau te geven.
We zullen met die kinderen dus weer van voren af aan moeten beginnen. Vriendelijk blijven en, om de Japanners te doen vergeten, concessies moeten doen. In de eenheid van Hoesein tot Soekarno is tenminste dit bereikt, dat de terugkeerende Westerling moeilijk alleen enkele leiders voor verraders heeft uitgemaakt, want praktisch iedereen heeft zich bij Soekarno aangesloten. Het zal dus wel noodig zijn om volledig overstag te gaan en de groep Soekarno-Hatta als leider van de volksbeweging, waarmee samengewerkt kan worden, aan te merken. De eenheid, die op 't oogenblik bestaat, is vanzelfsprekend alleen 'n uiterlijke. Dewantoro bijvoorbeeld is heel wat gematigder in zijn uitlatingen dan Soekarno, die de Westerlingen haat. Soekarno gelooft blijkbaar blindelings in de Japansche belofte van co-prosperity en Azië voor de Aziaten, als de Indonesiërs maar voldoende kracht ontwikkelen en aan de Japanners afdwingen om als gelijkwaardigen behandeld te worden. De anderen gebruiken Soekarno als een motor voor de Indonesische volksbeweging, maar ze hebben weinig vertrouwen in de Japansche beloften. Ze verdenken de Japanners terecht van cynisme en ze denken misschien aan de mogelijkheid van een blanke terugkeer. Maar alles is op 't oogenblik nog uiterlijk ondergeschikt aan 't doel om 't volk langs de weg van Soekarno vooruit te brengen. Het is trouwens de vraag of zich tegen Soekarno en Hatta oppositie baan zal breken. Een nuchter denkend volk zou zich – à la Tambu – afvragen wat voor wezenlijke vooruitgang de Japanners brengen op economisch, cultureel en staatkundig gebied. Het antwoord zou moeten zijn: niets. En dus is er geen enkele reden om de Japanners in de kaart te spelen.

Jansen – In deze halve gevangenis, 87-88

[Jakarta 5 – India League] 

9-12-42
De Indiërs in Java, 'n stelletje Bombayers en Madrassers, zijn opgecommandeerd om een 'India League' te vormen (met een kantoor op Rijswijk naast de Harmonie) en om f. 200.000 te betalen voor de bevrijding van hun vaderland ( = belasting te storten in de Japansche oorlogskas).Ze hebben alleen de helft van het geld mopperend bij elkaar gekregen en zijn gisteren bijeengeroepen en toegesproken door de Japansche kolonel Yamayagi (?). Hij keek ze eerst een volle minuut onbewegelijk aan, maakte toen een paar passen op en neer en riep iets in 't Japansch, dat vertaald luidde: 'koewee samoea boesoek' (‘Jullie zijn allemaal waardeloos.’). De tweede verklaring was: jullie denken alleen aan je eigen geld. De derde: ik wil dat jullie nu opstaan, je hoofd buigen en 1 minuut nadenken over je egoïsme. Toen dat afgeloopen was, wandelde hij weg.

Jansen – In deze halve gevangenis, 97

[Bogor – Resident] 

22-12-42
Deze week zijn alle Europeesche vrouwen van Buitenzorg, de Poentjak enz. opgepakt. Ze werden ’s nachts gewekt. Ook veel Indo-Europeesche. Ze moesten 's morgens met een koffertje met lijfgoed met de kinderen op 't residentiekantoor komen en werden later op de dag per trein weggebracht, vermoedelijk naar Bandoeng. Sleutels van de huizen inleveren op 't residentiekantoor. Dat beteekent dus dat de inboedel weg is, cadeau aan nachtelijke inbrekers of Japansche bewoners. De kwestie van de Indo-Europeanen is nog altijd niet opgelost. Er is deze week weer lang over vergaderd. Het aantal is te groot. De Europeesche vrouwen op Java worden geconcentreerd in Batavia, Bandoeng, Malang en Soerabaia, zegt men. De verhuispartijen zijn voorloopig nog niet klaar, zelfs hier in Batavia, waar Indo-Europeanen en Duitsche en andere vrouwen niet weten wat er met hen gebeurt. De Chinezen blijven zenuwachtig. Willen geen zaken meer doen. Wilde geruchten dat Nieuw-Guinea al bezet is en dat de Amerikanen tòch binnenkort komen.

Jansen – In deze halve gevangenis, 98-99

[Jakarta 7 – N.I.R.O.M.] 

24-12-42
Kerstavond! Bloemen gestuurd aan Nancy en mevrouw Selderbeek.
Wat te zeggen? Een 'vredig' kerstfeest. Mijn laatste doozen badzeep aan Irma en Carla. Thuiskomend hoor ik van Koyama, dat vanmiddag 't Hollandsche personeel van de NIROM en Radio Holland gearresteerd is op 4 man na (Stenfert, Boer, De Wilde en nog een). De rest is op vrachtauto's meegenomen. Op kerstavond! Said zit kennelijk te gnuiven, omdat er nu meer kansen komen voor Indonesische technici en boekhouders. Er zijn nog altijd te veel Hollanders. Opruimen. Als ik een opmerking maak over de fijngevoelig gekozen dag, zegt Tsuruta dat de Japanners op 8 december '41 (arrestatie van Japanse burgers in N.-I. direct na Pearl Harbor.) ook geen minuut van tevoren gewaarschuwd werden. We praten door over een ander onderwerp, de nieuwe diploma's die aan semi-artsen op de CBZ worden uitgereikt. Koyama heeft 't, om Said op te hitsen, altijd over 'die knuppels van Indonesiërs' en al 't beschavingswerk dat de Japanners hier nog moeten doen. Ik maak de opmerking dat Japan nog heel wat Westersche beschaving zal moeten brengen (Oostersche vooruitgang bestaat niet). Dan barst Said los, dat de Indonesiërs beschaafder zijn dan de Hollanders en dat hij snakt naar de dag waarop ze gezamenlijk, de Indonesiërs en de Japanners, tegen Europa zullen gaan vechten. Ik antwoord zoo beleefd mogelijk, dat wij, als zij die oorlog winnen, dan eindelijk als Hollanders de toppen van de Indonesische beschaving zullen bereiken, zooals we nu alleen nog maar aan de bloem van de Japansche beschaving ruiken.
Dan komt Yatayama thuis en hij weet niets van de arrestaties en hij krijgt een driftbui, waarin hij niet meer uit zijn woorden kan komen. Hij kan die menschen van Radio Holland niet missen. Miyake had dat moeten weten. Hij had een lijst van onmisbaar Europeesch personeel bij de generale staf moeten indienen, met 't oog op de komende inkrimping tegen 15 januari. Die lijst heeft hij zelf wel ingediend. Miyake heeft zijn plicht niet gedaan. Hij kan hem aanklagen en dan wordt hij gefusilleerd. Hij moet die menschen terug hebben. De 20 Japansche technici die aangekomen heeten te zijn, kennen hun taken niet. Zoo buldert hij nog een heele tijd door. Rent naar 't huis van Miyake en Kyokawa, die als gewoonlijk niet thuis zijn, en bedaart pas laat op de avond, wanneer we samen in de tuin staan en naar de sterren kijken en praten over de tijd toen hij een kleine Japansche misdienaar was.

Jansen – In deze halve gevangenis, 102-103

[Jakarta 5 – Java Stores] 

28-12-42
Gisteren werd me in de 'Java Stores' gevraagd hoe lang de oorlog nog duurt. Ik zei, dat het definitieve einde vóór 1944 me wel bijna uitgesloten lijkt, dat 't voorzichtig is op nog minstens 2 jaar te rekenen, dus tot 1945 en dat 'n veel langere duur niet uitgesloten is. Vandaag waarschuwde 'Erica’ me voor 'iets' wat ik gezegd had, omdat ’t verhaal rondgegaan was in 't vrouwenkamp met de voor de hand liggende conclusie, dat ik na de oorlog ‘als wij de baas zijn' tegen de muur verdien te worden gezet. Nuchter zijn is verboden. Als er een paar bommen op Sabang vallen, zooals deze week gebeurde, moet je aannemen dat de Amerikanen ieder oogenblik hier kunnen zijn. Ook de haat tegen pessimisten is begrijpelijk. Een collega van Rodie verklaarde na hun intree in 't 10e batallion [in Bandoeng], dat ze daar de eerste 5 jaar niet meer uit zouden komen. Hij is vrijgezel en had precies uitgerekend wat hij met zijn geaccumuleerde tractement in 1947 in Parijs zou kunnen gaan doen. De hele profetie draait om de vraag, of Duitschland zich in 1943 nog staande kan houden. Als dat 't geval is (en wat weten we van de stunts die Hitler nog uit kan halen, bijvoorbeeld een gasoorlog) dan blijft Japan ook zonder moeite tot 1944 op de been. Ik heb dan ook 't gevoel, dat opsluiten in ADEK of Struyswijk – iets wat ieder oogenblik gebeuren kan – beteekenen zal dat ik een of 2 jaar half naakt op de grond zal zitten in een steenen hok zonder voldoende eten en dat we er als 't afgeloopen is, half versuft uit zullen komen. Opgesloten worden is ten slotte onvermijdelijk voor ons allemaal, maar hoe later hoe beter.

Jansen – In deze halve gevangenis, 104-105

[Jakarta 6 – Roomschen] 

2-1-43
Matsui stuurt me naar de bisschop (Mgr. P.J. Willekens) voor een boodschap. Hij ontvangt me in crèmekleurig habijt met paarse knoopjes, rozet en gouden kruis. Het bekende pruimenmondje van de Jezuïet als hij lacht. Hij is minzaam en heeft 't aristocratische van een burgerjongen die deftig heeft leeren praten. Telkens zet hij een soort muizenlachje op. Ik vraag hem naar zijn officieele contact. Hij is lid van de 'contactcommissie’ ( GESC: Gemeentelijk Europees Steun Comité) onder Kramers leiding met de gemeente (Tsukamoto?), die zich bemoeit met de vrouwen (voedingsmiddelen, geneesmiddelen, scholen enz.) en ook wel met de geïnterneerden, al is dat eigenlijk een kwestie die alleen de Kempeitai aangaat en waarmee de gemeente niets te maken heeft. De commissie had de kerstbezoeken van de vrouwen geregeld toen de Kempeitai de zaak aflastte. Volgens hem was er geen sprake van dat de mannen geweigerd hadden (typisch voor de inventieve geest). Ook wist hij niets van een executie van Kramer. Met hoogere autoriteiten zooals Nakayama, Okasaki of Imamura had hij nooit eenig contact gehad. Die ontvangen blijkbaar in principe geen Hollanders. Wanneer hij 'n enkele maal een vrij hooge Japanner ontmoette, vroeg die hem altijd zijn naam niet te noemen. Ogura zei bij zijn kennismakingsbezoek dat hij bepaalde gevoelens had die hij onder de tegenwoordige omstandigheden, die in de eerste plaats om stipte gehoorzaamheid vroegen, niet uitte. Deze menschen zijn poppen geworden. Ook Taniguchi. Er is volgens hem practisch niets te doen voor een verandering van het Struyswijkregime. Hij zou ‘t argument over de toestanden in andere landen (bijvoorbeeld Amerika) zoo mogelijk in de commissiebesprekingen gebruiken.

Jansen – In deze halve gevangenis, 105

[Bandung – Station]

3-1-43
Er is nog al wat opwinding over de behandeling van totokvrouwen in Buitenzorg en Soekaboemi, die naar Bandoeng overgebracht zijn (zooals die van Cheribon, Krawang enz., en die van Bantam naar Batavia). De vrouwen in Buitenzorg moesten om 8 uur 's morgens met een klein draagbaar koffertje op 't residentiekantoor zijn. Die uit Megamendoeng, de Poentjak enz. kwamen, moesten soms uren ver loopen. Indonesiërs dorsten niets voor hen te dragen. In Buitenzorg werd gewacht tot 4 uur 's nachts. Indo- en 'neutrale' vrouwen moesten eten brengen. Ze vertrokken in 3 treinen. De eerste 's nachts om 4 uur. In de treinen werden 2 kinderen geboren. Ze werden hartelijk ontvangen in Bandoeng aan 't station door de Europeesche gemeente daar, die vooral voor eten gezorgd had. De vrouwen uit Soekaboemi werden op soortgelijke wijze bijeen getrommeld. Ze wachtten bijna twee dagen in leegstaande huizen zonder een stukje meubilair, geen tikar, geen licht of water. Vriendelijke handen moesten alweer voor eten zorgen. Geen spoor van voorzorg door de 'autoriteiten', Indonesisch of Japansch. Toen werden ze met vrachtauto's naar Bandoeng gebracht. De reis duurde 2 dagen. Onderweg werd hun al 't geld afgenomen. Ze sliepen onderweg in de auto's. Er stierven enkele vrouwen, waarvan een de vorige dag bevallen was. Onze menschen behandelden Japanners slecht in een tijd van groote opwinding; zij wreken zich honderdvoudig.

Jansen – In deze halve gevangenis, 107a

[Jakarta 7 – Volkscredietbank] 

6-1-43
(Knipsel uit de Java Shimbun met het bericht dat professor Abe Tomoji in Tokyo is teruggekeerd.)
Abe is in Tokyo aangekomen. Er ging hier 't gerucht dat hij dood zou zijn. Hij schrijft een nieuwjaarsgroet over de samenwerking van Japanners en Indonesiërs, de betrekkelijke lichte offers die de Indonesiërs brachten en de daartegenover staande schuldbevrijding aan de Hollanders. (Volkscredietbank?) (de Nederlands-Indische banken werden op 20 oktober 1942 opgeheven)

Jansen – In deze halve gevangenis, 108

[Jakarta 4 – Reynier de Klerk] 

10-1-43
Het hoofdartikel van de Asia Raja van gisteren zegt, dat de Indonesiërs niet alleen 'blij' moeten zijn omdat ze 'bevrijd zijn', omdat hun taal geaccepteerd is, omdat vele Hollanders gevangen zitten, omdat de Hollandsche taal verboden is en omdat veel 'Hollanders' nu bij het Landsarchief vragen om Aziaten te mogen zijn' *) maar ze moeten ook studeeren en hard werken aan hun eigen opvoeding.
*) Bedoeld wordt de groep van Indo-Europeanen, die hoopten een asal-usul, een stamboom, te bemachtigen, waaruit moest blijken dat zij Indonesische (voor)ouders bezaten teneinde op deze wijze buiten de internering te blijven.

Jansen – In deze halve gevangenis, 110

[Jakarta 4 – Reynier de Klerk] 

12-1-43
Java Shimbun: ‘Het schijn-Europeanen leven van de Indo heeft nu een einde genomen. Eerst viel Holland, toen Indië. De Hollanders lieten hen in de steek(!). Ze werden aan hun lot overgelaten. Waar konden ze heenvluchten (zooals de Hollanders), ze waren nu eenmaal geen Hollanders. Dat was hun tragiek. Maar ze wilden toch deel hebben aan de blijdschap die Nippon voor deze landen bracht. Het was of een wolk voor hun oogen wegtrok. Ze herkenden zichzelf, dat ze Aziaten waren'.
Dit is het hartroerende verhaal over de Indo-Europeanen die naar 't Landsarchief gaan, om zodoende uit de gevangenis te blijven. Vroeger zou ik gedacht hebben, dat 't verhaal een cynisch grapje was. Nu geloof ik, dat Japanners feitelijk te primitief zijn om dit soort hooger gevoel van humor te bezitten. De man gelooft wat hij schrijft, of tenminste hij weet wat hij als journalist in de nieuwe orde gelooven en schrijven moet. En dat is geen terrein voor bewuste humor. De man probeert zijn gewone preek- en propagandatoon.

Jansen – In deze halve gevangenis, 114

[Jakarta 3 – Jit] 

16-1-43
Avond met Erika voorafgegaan door ettelijke ‘theevisites'. We rijden per bedja naar Glodok wanneer 't al donker is. De restaurants zijn dood. Japanners komen er bijna niet, maar er zijn als altijd duizenden Chineezen en er is nog van alles te krijgen, zooals zeep, scheermesjes en ondergoed. Wanneer we langs de stalletjes slenteren, komt er plotseling beweging als in een hoop met mieren. Iedereen begint zijn barang in kisten te smijten en sado's en bedja's worden haastig volgepakt. Met schreeuwen en krijschen wordt de markt in een kwartier opgebroken en dan barst een orkaan-regen los, terwijl wij al in Jit zitten. We zijn de eenige gasten, zij in een zwart mantelpakje, op 't voorterras. In het donker van de straat zie ik een vrachtauto passeeren met een flikkerende bajonet en schimmen van krijgsgevangenen. Misschien zijn er kennissen bij, misschien zelfs ziet haar eigen man daar zijn vrouw zitten met een vreemde in 't verlichte restaurant, terwijl hij ergens heen gebracht wordt om nog een paar kisten te lossen of half verroeste auto's weg te zeulen. De regen is nog niet over wanneer we om 11 uur opbreken, tegelijk met ’t sluiten van 't restaurant, want na 11 uur mag er niets meer open zijn. Er komt een bedja aangereden als een kleine gondel. Het ding is aan alle kanten potdicht. We blijven droog op de punten van onze schoenen na en alles is even comfortabel als een vroegere taxi, op 't schokken na, waardoor ik of en toe met haar tanden in aanraking kom.
Thuis verdedigt ze haar kuischheid 2 uur lang, staat dan bedaard op en zegt: nu goed, maar ik moet eerst even de deur sluiten, en vertelt me na afloop, dat ze dagenlang alles precies bedacht had en dat ik aan alle verwachtingen beantwoordde. Wanneer ze zich uitgekleed heeft, is ze slank en recht, zonder heupen, als een jongen. Ze heeft diepblauwe oogen, een kleine neus met dunne smalle neusvleugels en een hoog kapsel. Het is na een avontuurtje met een Engelsche officier in Tjimahi alweer een jaar geleden dat ze in bed niet alleen was. Aan de muur hangt de huwelijksfoto en wanneer ze die wil laten zien, valt het spijkertje er uit en kan ze hem niet meer ophangen. Ik begin vorderingen te maken in de techniek, ofschoon ik 't moment van 't afdoen van mijn sokkenophouders vervelend blijf vinden. Vrouwen zijn beleefd op zulke momenten en zeggen nooit: wat heb je dikke beenen. Ik ben 't met Rodie eens, dat 't me nooit veel schelen kan of ik m'n partner na de eerste keer niet meer terugzie. Het genoegen komt pas later (en de liefde).

Jansen – In deze halve gevangenis, 115

[Jakarta 6 – PHS] 

20-1-43
Op de school van Talip is weer herrie. Het Departement van Onderwijs heeft bepaald, dat jongeren die sinds 6 maanden geen schoolgeld hadden betaald (niemand vroeg er om) nu alles in moeten halen, ook als ze toegelaten waren als gratis leerlingen. Verder heeft een jongen van zijn klas een portret van Soekarno geteekend en opgehangen. Toen de Japanner, die Japansche les geeft, de klas binnenkwam en dat zag, werd hij woedend. (Een Indonesiër als object van jongensvereering, stel je voor!) Hij liet de Indonesische directeur (Bachtiar) n.b. in de klas roepen om zijn verontschuldigingen te stotteren. Hij verbood de jongens in de school ‘aan politiek te doen'. (Het is natuurlijk geen politiek als de jongens toegesproken worden bij de oorlogsverklaring van Wang Tsjing-wei of wanneer de Japansche leeraar belachelijk moeilijke zinnetjes opgeeft over 't Hollandsche uitzuigersbewind.) Talip begrijpt zijn Japansche vrienden nu niet heelemaal. Hij raakt er van in de war. Wat willen ze eigenlijk? Het allernieuwste is dat de jongens verboden werden op een schoolfeestje een toneelstukje in het Maleisch op te voeren. Het moest in het Japansch zijn, waar niemand iets van verstaat. De heeren zijn hard bezig om alles voor zichzelf te bederven. Wat te verwachten was.

Jansen – In deze halve gevangenis, 119

[Jakarta 7 – Willemskerk] 

27-1-43
Pogingen van Matsui om de Bataviasche dominees voor zijn microfoon te krijgen zijn met ruzie geëindigd. Nadat de bisschop (Mgr. P.J.Willekens) zich een half jaar heeft laten gebruiken om Japansche propaganda te dienen in de Australia Broadcast, werd ik er op uitgestuurd om de dominees te strikken. De voorzitter van de Kerkeraad, ds. Kostelijk, was niet enthousiast, maar ik kon hem duidelijk maken dat een Japansch verzoek een bevel beteekent en dat er meer verloren is met 't sluiten van de kerken dan met ’t uitspreken van een strikt godsdienstig toespraakje in een Japansche radio-uitzending. Maar hij kon zijn vier andere collega's niet mee krijgen. Ze willen persé geen propaganda dienen; wij dienen God etc. De eenige oplossing was dus dat de oude Kostelijk het alleen zou doen en in die richting zou vandaag op 't kantoor van Matsui met Kostelijk samen een afspraak worden gemaakt. Jammer genoeg bracht hij zijn collega Vunderink mee, die vragen begon te stellen over het religieuze nut van de uitzending en die verklaarde alleen voor zijn eigen gemeente te willen spreken, lain tida (anders niet). Matsui wond zich op en zei dat Christus ook tot iedereen sprak, dat hij zijn 'vak' niet kende en dat hij de kerk dan maar zou sluiten. (Hij zei ook nog dat de katholieke kerk voor de Aslanden voelde!) Hij ging toen de Kempeitai of een andere instantie opbellen. Toen hij weg was, deed Ritman net of hij van 't principieele gebaar niets begrepen had. Hij verdedigde Matsui en toonde zich van een kant die naïef of al te serviel is. Ik kreeg van Kostelijk, die hem erg zat te knijpen en geen Engelsch verstaat, gedaan, dat hij 't nu alleen wel zou doen. Maar ook dat hoefde niet. Matsui kwam terug en gelastte de heeren hun banden ( Een witte armband met rode bal, het herkenningsteken van de ‘Nipponwerker’) achter te laten. Een allervervelendste zaak. Dit is de 2e maal, dat ik feitelijk gedwongen was mee te werken dat anderen de gevangenis in gaan.

Jansen – In deze halve gevangenis, 129

[Jakarta 6 – Roomschen] 

11-2-43
De bisschop (Mgr. P.J. Willekens) vraagt me bij hem te komen voor een paar inlichtingen die hij me geeft over de kwestie Kostelijk – Vunderink. Die kwestie is namelijk nog niet uit. De rest van de dominees voelt weinig voor 't standpunt Kostelijk en ook niet voor dat van de bisschop. Er zijn over en weer disputen geweest. Protestanten hebben katholieken geattakeerd etc. Kostelijk is afgetreden als voorzitter van 't kerkbestuur. Van Herwerden is hem opgevolgd. Om nieuwe interneeringen te voorkomen lijkt ‘t beste, dat 't contact met Matsui beperkt blijft tot Kostelijk.
De bisschop vertelt me ook, dat de Japanners geen contactcomité van totoks meer willen zien en dus is de GESC (Gemeentelijk Europees Steun Comité) van het toneel verdwenen De eenige die overbleef was Bogaardt, die nu door de Japanners erkend wordt als 'kapala' in Batavia van alle Europeanen. Hij doet 't GESC werk samen met de verschillende subcomité's voor onderwijs, voeding, hygiëne enz., waaruit ook zooveel mogelijk, de totoks verwijderd zijn. Bogaardt uit zich fel tegen ’t driemanschap Van der Tas-Ellendt-Endert. Hij zou hun dat krachtig gezegd hebben. Daarop zou een van de drie zich hebben willen terugtrekken. Bogaardt zou ook bezwaren tegen dit soort vertegenwoordiging zonder mandaat (van geroyeerde IEV-ers of NSB-ers ) geuit hebben tegen Kobayashi van de Kenpeitai, waarmee hij in min of meer vriendschappelijke relatie staat. Kobayashi zou die bezwaren best begrepen hebben (zijn natuurlijke wantrouwen tegen halfslachtig gedoe werd door Bogaardt alleen maar versterkt). Ik vraag me alleen af – zonder een spoor van aanwijzingen en mogelijk ten onrechte – of Bogaardts eigen rol niet wat halfslachtig is. Of heeft hij alleen maar liefhebberij in het spelen van een ‘vertegenwoordigende’ rol.

Jansen – In deze halve gevangenis, 153

[Jakarta 3 – Glodokplein] 

7-3-43
Het weghalen van meubilair uit 't kamp gaat door. Dit doet het orgaan voor beheer van vijandelijke onroerende en roerende goederen. De afdeeling roerende goederen staat onder leiding van Okamura, gewezen tokohouder op Senen. Er zijn in de stad een aantal opslagplaatsen opgericht o.a. op de Madoeraweg en op Menteng, waar Japanners voor een prik de gestolen meubels kunnen krijgen. Verkoop van meubilair door Europeanen is verboden. Je moet wachten tot de belastingdienst of de Japanners het gratis of nagenoeg gratis (bijvoorbeeld tegen verrekening met steungeld) komen afhalen. Maar de Arabieren loopen stilletjes huis aan huis. Ze zijn ondanks alles nog weldoeners. Er is een groote clandestiene handel van barang uit Europeesche buit afkomstig. Ook van Chineesche voorraden die boven de officieele marktprijs verkocht worden. Op Glodok is een 'zwarte markt', waar vrijwel alles te krijgen is.

Jansen – In deze halve gevangenis, 153

[Jakarta 7 – Gasmaatschappij] 

7-3-43
Bij de Gasmaatschappij wordt op de 8e van de maand (dag van 't keizerlijk rescript *) altijd met eenige plechtigheid de vlag geheschen. Op 8 Februarl scheurde de vlag, wat eenige Europeesche meisjes aanleiding gaf te giechelen. Er volgde een wat geïrriteerde Japansche toespraak, waarin vermoedelijk van de Tenno Heika (Z.M. de Japanse keizer) gerept werd. De meisjes giechelden opnieuw en zijn sindsdien opgesloten en naar men zegt tot 1 jaar gevangenisstraf veroordeeld. Alleen de mooie mejuffrouw Mollinger is er uit gekomen, waarvoor haar mama, niet minder mooi, misschien een paar kleine concessies heeft moeten doen. In de gevangenis krijgen ze 2 baadjes en 2 sarongs. Een van de 2 sarongs moeten ze in stukken scheuren voor gebruik in de menstruatietijd. De andere moet gedragen en soms ook gewasschen worden.
*) Op elke achtste van de maand werd het uitbreken van de Pacific-oorlog herdacht, meestal door het plechtig voorlezen van het keizerlijk decreet van 8 december 1941.

Jansen – In deze halve gevangenis, 154

[Jakarta 6 – Standbeeld] 

8-3-43
Als onderdeel van de feestelijkheden is Coen – na maanden lang met bilik bedekt te zijn geweest – van zijn voetstuk gehaald in tegenwoordigheid van leden van het gemeentebestuur. De weggehaalde monumenten worden gelukkig bewaard, o.a. Pieter Erberfelt in 't museum Oud Batavia.

Jansen – In deze halve gevangenis, 156

[Bandung – ter Poorten] 
[Bandung 2 – Legercommandant] 

9-3-43
Achteraf (en van Japansch standpunt gezien) lijkt de poging tot marchandeeren van onze kant een gemis aan realiteitszin, in overeenstemming met het gemis aan vechtlust. Onze menschen waren even onvoorbereid op de Japansche methodes bij deze onderhandelingen als op 't slagveld. De voldoening van Miyoshi aan 't slot over de klein geworden Hollanders is begrijpelijk. Nu toch 't standpunt van de Nederlanders eenmaal in Bandoeng als de meest voorzichtige aanvaard was, was de houding van de G.G. 't meest principieel en krachtig. Het was te irreëel en juridisch voor 'een eenvoudig soldaat' als Ter Poorten, die aan de andere kant wel wat al te naïef uit de hoek komt, wanneer hij goede maatjes wil worden (zonder begrip van de opgekropte Japansche haat en de heele achtergrond van deze oorlog). Het is te begrijpen dat de G.G. ten slotte opstond en een einde wilde maken aan 'onderhandelingen' die geen inhoud hadden. Wanneer zijn wensch gevolgd was en Ter Poorten was met hem meegegaan, dan waren zij enkele dagen later in Bandoeng gevangen genomen. Wat nu eenige weken later gebeurd is.

Jansen – In deze halve gevangenis, 169, 171

[Jakarta 7 – Politie] 

15-3-43
De Smalen doet me 't volgende verhaal van de overgave van Batavia: […]
Zaterdagochtend werd de compagnie [Stadswacht] van Van Karnebeek gelast handdoeken af te doen en wapens over te geven. Zij verwachtten toen naar huis te gaan. Dit is blijkbaar ook met alle andere compagnieën gebeurd (Vossenaar kwam in zijn pijama per fiets van 't hoofdkwartier). Maar er waren 'incidenten'. De begraven stukken van Van Karnebeek werden in de tuin achter 't NKPM [Nederlandsche Koloniale Petroleum Maatschappij] gebouw gevonden. Gronewold begon de verzamelde stadswachters, die aangetreden stonden voor enkele Japansche officieren, met veel gebaren toe te spreken en te zeggen dat hun diensten nog niet afgeloopen waren, want anders zou 't een 'Barhtolomeusnacht' worden. De Japanners verstonden natuurlijk niets en gelastten de troep naar 't hoofdbureau van politie te marcheeren, waar ze in een gang werden opgesloten, waarop eenige celdeuren uitkwamen en achter die deuren zaten in een zware urinelucht de resident, burgemeester enz. Ze bleven daar tot Maandag, grootendeels op een grasveldje, vrijwel zonder eten. De burgemeester had spijt gekregen over zijn niet teekenen en praatte van cel tot cel met een ondergeschikte, die tot amusement van de buitenstaanders telkens antwoordde met 'ja burgemeester' en 'nee burgemeester'.

Jansen – In deze halve gevangenis, 169-170

[Jakarta 2 – Factory] 

15-3-43
De Smalen doet me 't volgende verhaal van de overgave van Batavia: […]
De heele Donderdag deden ze [de Stadswacht] patrouillediensten. Zij zonden vrachtauto's uit, waarop de mannen, voorzien van witte handdoeken over de schouders, maar gewoonlijk kwamen de mannen te voet terug, omdat onderweg de auto door Japansche soldaten met de noodige dreigementen was afgenomen. (Dezelfde vorm van samenwerking als de militaire politie in Bandoeng ondervond.) Optreden tegen rampokkers ’s avonds was moeilijk. Er werd herhaaldelijk geschoten, maar de rampokkers waren in de kleine zijstraten van Senen niet te achtervolgen. Idem waren de ervaringen in de compagnie (Stadswacht) van luitenant Daum, die in de benedenstad in het Factorij-gebouw zijn hoofdkwartier had. Een partij rampokkers stond daar onder leiding van een Arabier. Zij stalen alle toko's op Glodok volledig leeg. Als een bewijs dat er wel opgetreden was, zei hij, dat er op de stoep van Kit Lok Yong 3 lijken gelegen zouden hebben.

Jansen – In deze halve gevangenis, 169-170a

[Jakarta 4 – Tangerangse Weg] 
[Jakarta 4 – Residentiekantoor] 

15-3-43
De Smalen – voormalig stenograaf bij de Volksraad – doet me 't volgende verhaal van de overgave van Batavia:
In 't begin van de week (vóór Donderdag) – 5 maart 1942 – begonnen de Indonesiërs uit de verschillende compagnieën, die op diverse punten in de stad gekazerneerd waren, te deserteeren en verschenen op 't appel alleen nog de commandanten. In de (gemengde) compagnie bleven maar enkele Indonesiërs over. Dinsdag of Woensdag kwamen Bantammers als voorhoede binnen. Donderdag om 12 uur 's middags hield in zijn compagnie onder commando van Van Karnebeek – commandeerde de vierde compagnie van de in totaal uit zes compagnieën bestaande Stadswacht – (die herhaaldelijk voor iedereen eten uit de Harmonie liet halen) een luitenant Sonneveldt een korte toespraak met de mededeeling dat de stad overgegeven was. (Er werd toen in de stad een proclamatie van Voorneman aangeplakt, eindigend met de woorden: 'God sterke u in uw lijden' (of iets dergelijks).) Woensdag was door de BRV elk half uur omgeroepen dat de stad zich wilde overgeven. Er werd contact met de Japanners gezocht. Eenige officieren werden daarvoor uitgezonden en kwamen (net als in Bandoeng) ‘met volle broeken terug'. Er was een commissie van overgave gevormd, bestaande uit de resident (Abbenhuis) (de gouverneur?, de regent?), de burgemeester (Voorneman) en de commandant van de Stadswacht, overste Gronewold. Het contact is op de Tangerangsche weg gemaakt met 6 Japansche soldaten en een korporaal. Donderdagmiddag gebeurde er nog niets. 's Avonds kwamen de eerste officieren op 't residentiekantoor, waar de commissie van overgave aanwezig was. De Japanners stelden mitrailleurs op voor ’t gebouw en betrokken er een wacht. Duizenden Indonesiërs kregen Japansche vlaggetjes van de Japanners en er ontstond een soort kermisstemming. Met volgeladen taxi's, joelende menschen en gejuich op 't Harmonieplein, om de intocht te zien.
's Avonds om 11 uur reed De Smalen uit nieuwsgierigheid (Menteng en de bovenstad was nog doodstil) in de richting van de Rijswijkstraat. Daar zagen ze voor 't eerst duizenden menschen. Een pantserauto van de Stadswacht kwam langzaam langs Hotel des Galeries gereden. Plotseling vielen er een paar schoten (volgens De Smalen gelost uit een politieauto). Direct daarop ratelden Japansche machinegeweren van 't erf van 't residentiekantoor. (Er zouden hierbij wel 15 menschen gewond zijn en een paar dooden.) De truck waarop De Smalen zat reed hierop af, langs 'Des Indes', over de brug en terug langs Molenvliet-West, waar ze door de Japanners van de auto werden gehaald, vastgebonden met de handen op de rug en in een soort wachtzaal, vol poep, op de grond werden gesmeten, terwijl hun met revolvers en bajonetprikken en gebaren met sabels duidelijk werd gemaakt, dat ze als de vermoedelijke aanleiding van de schietpartij geëxecuteerd zouden worden. Toen ze met de handen omhoog de voorgalerij binnenkwamen, liep de residentiesecretaris, Morison, hun zenuwachtig tegemoet en zei dat alles natuurlijk een vergissing was. Zij zagen de resident en de burgemeester die er uitzagen of ze 2 x 24 uur niet uit de kleeren waren geweest. Pas later op de nacht kwam de verlossing in de vorm van een Japansch officier met een tolk (Kumamoto?), die vroeg wie ze waren, de touwen liet losmaken en ze naar de voorgalerij liet gaan, waar intusschen ook het zogenaamde 'reservecorps' was aangekomen. Vrijdagochtend vroeg was 't misverstand opgehelderd. Ze kregen hun wapens terug en liepen terug naar hun Stadswachtcompagnie die in 't NKPM-kantoor gevestigd was. Van Karnebeek was daar bezig geheime stukken in de tuin te begraven!

Jansen – In deze halve gevangenis, 169, 171-172

[Jakarta 3 – Gevangenis] 

15-3-43
De Smalen doet me 't volgende verhaal van de overgave van Batavia: […]
Maandag werd de hele troep verzameld en opgesteld. Voorop de resident, burgemeester enz. Daarachter de Inheemsche politie en tot slot de compagnie [Stadswacht] van Van Karnebeek. Zoo marcheerden zij door de stad naar Glodok. (De Indonesiërs mochten hun uniformen uittrekken en naar huis gaan.) In de Rijswijkstraat kwamen ze [commandant van de Stadswacht] Gronewold tegen, die op de fiets zat en in burger was. De critiek op de man was algemeen. In de eerste plaats schreven zij aan zijn tactloosheid hun gevangenneming toe en in de tweede plaats hadden zij gedacht met 't leger mee te trekken naar Bandoeng en ergens op de hellingen van de Poentjak de ‘strijd' te mogen voortzetten. Gronewold werd dus door zijn soldaten met de kreet 'landverrader' begroet. Hij fietste toen mee langs de andere kant van Molenvliet tot aan Glodok en riep opgewekt terug: 'Ik zal zien wat ik voor jullie doen kan'. In Glodok was 't onbeschrijfelijk vies en ellendig. Ze zaten met meer dan 100 man in een hok, dat een open gat had in de hoek voor ‘t doen van behoeften. Het nam 3 uur tijd in beslag totdat iedereen ‘s morgens van de gelegenheid gebruik had gemaakt. Zij kregen bedorven rijst en begonnen erg te verzwakken.
(Friedericy hield enkele avonden causerieën o.a. over de Australiëreis, waarover hij later – met De Vries – een monografie in Struyswijk moest tikken.) Na twee dagen werden ze versterkt met alle overige Bataviasche stadwachten. Dat ging zoo. De Japanners deelden de officieren mee dat de compagnie van Van Karnebeek volledig gefusilleerd zou worden (met hun vrouwen en kinderen om 't nog een graadje erger te maken), wanneer ze niet zorgden dat 24 uur later de heele Stadswacht in Glodok arriveerde. De officieren vertrokken toen en trommelden met telefoons en boodschappers de heele Stadswacht bij elkaar. De menschen werd gezegd dat 't om een soort registratie ging. Ze namen niets mee. Ze bleven 18 dagen in Glodok (of tot 18 Maart?) vanwaar ze toen uitgeput, met baarden, door de stad naar Struyswijk werden gebracht. Daar vonden ze bij aankomst de hoofd-ambtenaren en professoren en de 'ligging' en voeding in Struyswijk (waar ook resident, gouverneur en burgemeester al waren) was na Glodok een soort paradijs. In Glodok werden na 10 Maart dagelijks nieuwe slachtoffers binnen gebracht. Een aantal geïnterneerden zaten aan tafeltjes met regeeringsalmanakken en telefoonboeken de heele dag te schrijven. Bij deze ploeg waren o.a. Holtkamp en Hogesteeger. Zij gingen ook mee uit om de nieuwe menschen op te halen. En niemand dacht dat 't langer dan voor een paar dagen was! De Japanners gaven bijvoorbeeld opdracht om van iedere krant in Batavia 10 journalisten naar Struyswijk te brengen. Toen die er niet waren, wilden ze: alle Europeesche journalisten.

Jansen – In deze halve gevangenis, 172

[Jakarta 4 – Hati Kudus] 

16-3-43
Drie pastoors [?] van het kerkje op de Chaulanweg zijn ongeveer een week geleden om onbekende redenen door de Kempeitai gehaald. Ze zijn gisteren teruggekomen in hun onderbroeken die bovendien aan rafels hingen. Al deze onderzoeken gaan over 't zelfde: onderzoeken tegen ondergrondsche acties [en] spionage. Gewoonlijk gaat er bij de betrokkenen en hun familieleden buiten een zucht van verlichting op wanneer het 'onderzoek' bij de Kempeitai is afgeloopen en overbrenging naar ADEK volgt.

Jansen – In deze halve gevangenis, 175

[Jakarta 5 – Harmonieplein] 

16-3-43
Volgens sommigen is 't voor 't opmaken van een bestek van de tegenwoordige toestand voldoende 's morgens tusschen 9 en 10 naar 't Harmonieplein te gaan als net als vroeger de auto's naar de benedenstad suizen. De auto's zijn dezelfde van vroeger. Ook de chauffeurs zijn dezelfde. De inzittenden zijn kleiner en komen met hun hoofden nauwelijks hoven de raampjes uit. En net als vroeger loopen de Indonesiërs. Maar niet als vroeger hebben veel Indonesiërs tegenwoordig honger. De economische toestand wordt geleidelijk slechter, wat vooral merkbaar is in de groote centra. Uit sommige uitlatingen van Said merk ik op, dat het 'enthousiasme' voor de feesten, als het er ooit geweest is, wel heel snel bekoeld is en dat er druk gemopperd wordt. Het vertrouwen op Soekarno is er nog.

Jansen – In deze halve gevangenis, 188

[Jakarta 5 – Soos] 

31-3-43
Als inleiding van de anti-spionnen week hebben alle vijandelijke onderdanen, mannen en vrouwen, een roode band om de arm gekregen, zoodat de spionnen bij de komende oefeningen te herkennen zullen zijn. ‘Wie geen band draagt zal zwaar gestraft worden.' Het gevolg is geweest dat weer een aantal verstopte mannen om een band kwamen vragen en prompt ingerekend werden. Bij allen die nog niet onderzocht waren, werd gisteren huiszoeking gehouden. Vanmorgen – Woensdag – werden de vrouwen die uit 't kamp [kwamen] op straat aangehouden en werden hun papieren nagekeken. Dit gaf weer 't gerucht dat Europeesche vrouwen, die vandaag op straat komen, opgepakt worden. Ciska zat angstig thuis. Ritman (voormalig hoofd van de Regerings Publiciteits Dienst) werd, naar kantoor fietsend, eenige tijd in een politiepost vastgehouden. Veel vrouwen werden de Harmonie binnen gebracht, misschien om gevisiteerd te worden. Zooals Doodeheefver (voormalig redacteur van de Javabode) me zei: Vandaag is de jacht op de Europeanen weer geopend. Ook tegen Japanners zijn de bepalingen strenger geworden. De heeren liepen te veel naar de vrouwen en amuseerden zich te veel in 't donker. Plotseling heeft de Kempeitai bevolen dat alles wat geen officier is vanavond en voorlopig na 7.30 (6 uur Java-tijd) niet meer op straat mag komen. Café’s zijn uitgestorven. Wanneer er nu maar iets gevonden wordt bij Europeanen komt opnieuw de avondklok.

Jansen – In deze halve gevangenis, 189-190

[Jakarta 4 – Reynier de Klerk] 

8-4-43 
Van der Hoop en Verhoeven zijn naar ADEK gebracht. Geruchten over 'gezinsinterneering' (in Buitenzorg of Soekaboemi) voor alle ontslagenen na 1 Januari j.l. lijken voorloopig te mooi om waar te zijn. Het zou bovendien onbillijk zijn tegenover alle anderen. De Kempeitai is nu eindelijk bezig met 't Indo-probleem. Voor de 15e moeten alle Indo's geherregistreerd worden. De bedoeling schijnt te zijn uit te vinden wie een totok-vader heeft. De rest wordt (voorloopig) weer als Aziaat beschouwd. Voor Ciska's huis zaten vanmorgen een stelletje baliekluivers waarvan een, toen hij me zag, riep: 'Ada Blanda!' (‘Er is een Nederlander’). Een ander vroeg me hoonend: 'Beloem masoek?’ (‘Nog niet binnengegaan?’, met andere woorden: ‘nog niet geïnterneerd?’)

Verhoeven’s vrouw vertelt me dat haar man 's morgens, toen ze nog sliepen, door een politieagent gehaald werd. Ze dachten dat 't een vergissing was. Zij ging informeeren bij de Japansche chef, die zei in opdracht van Tokyo (!) haar man en mevrouw Prins te moeten ontslaan. Maar hij zou 'een speciale behandeling' krijgen. Ze heeft toen haar man, via 't hoofdbureau van politie waar ze eenige uren moest wachten, tot aan de poort van ADEK weggebracht. Later zei een Japansche souschef, dat er 'misschien' gezinsinterneering zou komen. Dit bewijst dat er in Japansche kringen toch overwogen wordt om ‘vijanden', die een jaar lang hun loyaliteit toonden niet in 'n gevangenis, gescheiden van hun gezin, op te sluiten, maar te behandelen als burgerlijk geïnterneerden in andere oorlogvoerende landen. Het ontslag van mevrouw Prins doet mij denken dat er van Indonesische kant bezwaren bestaan tegen de verklaringen van afstamming die zij opgaf. (Mevrouw M.H.Ph. Bloys van Treslong Prins-Callenfels werkte op het Landsarchief en daar werden verklaringen over Nederlandse dan wel Indonesische afstamming van Indo-Europeanen, asul-usul, verstrekt.)

Jansen – In deze halve gevangenis, 196, 197

[Jakarta 7 – Politie] 

14-4-43
Bogaardt vertelde me nog 't volgende over de overgave: […]
Vrijdag gebeurde er niets bijzonders. Alles was rustig. Vanwaar de plotselinge woede van de Japanners tegen de avond? Dit raadsel is nog niet opgelost. De verwoestingen waren volgens Bogaardt minimaal. Misschien werkten de Japanners zich tot propagandistische toneelen op. (Zeker van de overwinning? Comedie? Propaganda? De bevolking moest gewonnen worden, of vreugde-reactie, triomfgevoel op ’t bericht wapenstilstand in Bandoeng.) Vrijdag werd van de burgemeester de levering van een aantal auto's gevraagd onder bedreiging dat de stad in brand zou worden gestoken bij niet voldoening. Tegen de avond werden de resident (Abbenhuis) en de burgemeester (Voorneman) met anderen gehaald die naar 't hoofdcommissariaat van politie werden gebracht, waar toen nog 't Kempeitai-hoofdkwartier was. Ze werden daar in 't bijzijn van veel Indonesiërs grof beleedigd. De resident werd geslagen en een epaulet afgerukt. Abbenhuis is blijkbaar een driftig man. Hij rukte zichzelf de andere epaulet en zijn knoop af en zei zijn functie neer te leggen.

Jansen – In deze halve gevangenis, 196-197

[Jakarta 4 – Residentiekantoor] 

14-4-43
Bogaardt vertelde me nog 't volgende over de overgave: […]
De proclamatie van overgave was Dinsdagavond al gedrukt op last van [resident] Abbenhuis, samen met in het Japansch gestelde proclamaties die de bezettingstroepen de bedoeling van de beschermde wijk en de Stadswacht moesten uitleggen. Hiervoor was de hulp van O A Zaken ingeroepen. Dat kantoor schreef ook 3 Japansche brieven die aan de toegangen van de stad afgegeven zouden worden. (Alles ging geheim. Er was een 'conflict' sinds 'n paar weken tusschen Abbenhuis en de pers.) De briefdragers (secretaris van de gemeente, gewestelijke secretaris etc.) stelden zich Donderdagmorgen op maar er kwam geen vijand opdagen. Om 10 uur werd de bevolking per proclamatie ingelicht. Eindelijk om 9 uur s avonds kreeg de gewestelijk secretaris contact met een paar fietsende soldaten die hem in zijn auto meenamen naar een luitenant (vanzelfsprekend door ons voor een generaal aangezien) die toen omstreeks 10 uur zijn intrede in de stad maakte en weer anderen met auto's liet halen. Bogaardt heeft de nacht in het residentiekantoor niet meegemaakt. Hij was wel op weg geweest, zijn auto was hem onderweg afgenomen en misschien is hij van al 't gejuich van de Indonesiërs wat bingoeng geworden om verder zijn autoriteit te laten gelden.

Jansen – In deze halve gevangenis, 198

[Jakarta 7 – Kenpeitai] 

14-4-43
Bogaardt vertelde me nog 't volgende over de overgave: […] In Glodok is Bogaardt niet langer dan een halve dag geweest omdat hij opnieuw gehaald werd en die nacht sliep op de Kempeitai die intusschen verhuisd was naar de Rechtshoogeschool. Hij kon zich wasschen en kreeg eten en zelfs sigaren. Iedereen sliep op de grond. Ook de officieren. De volgende ochtend werden op zijn aanwijzingen verschillende groote goedangs verzegeld. In een daarvan vonden ze een hoeveelheid drank, waarvan de heele Kempeitai stomdronken werd met 't gevolg dat de eenige aanwezige Europeaan flink afgerost werd totdat hij bewusteloos op de grond bleef liggen. Die afrospartijen herhaalden zich in de volgende weken herhaaldelijk, toen hij alweer kantoor hield op het gemeentekantoor. Telkens was er nieuwe achterdocht. Eerst over voedselkwesties, toen over 't IEV. (Bij een van deze gelegenheden n.a.v. een brief van 25 'dames' aan de Kempeitai, waarin zij mededeelden dat Indo's niet minder maar juist meer Oranjegezind etc. waren dan de totokken. De mentaliteit!) Bij een gelegenheid werd hij zoo mishandeld dat hij om op te knappen in de CBZ moest en 14 dagen onder doktershanden bleef.

Jansen – In deze halve gevangenis, 203

[Jakarta 1 – Kanaalweg] 
[Jakarta 1 – vissen]

18-4-43
Met Erika naar 'Zeezicht', maar we worden teruggestuurd door een politiepost die in een warong zit opgesteld aan 't 'jaagpad' langs ’t kanaal met de boodschap dat Europeanen niet meer de zee mogen zien. Ik vraag belangstellend; ‘sebab semoea spion sadla? (‘Omdat allen slechts spionnen zijn?’) Het antwoord is: ‘saja toean, begitoe' (‘Ja mijnheer, zo is het.’). We vinden een bank in de tuin van ’t Aquarium en hebben toch nog uitzicht op 't water en op de prauwen die met scheefhangende zeilen en bont beschilderd houtwerk binnenkomen. Op 't pasartje vlak in de buurt hebben alle, tot de kleinste artikelen toe, een prijsetiketje gekregen. Het prachtige tawarren van vroeger is afgeloopen, omdat de Japanners de prijzen niet kennen en niet bedrogen willen worden. Dus moeten honderdduizenden etiketjes worden geplakt. Een veranderingetje dat niet verder dan Batavia reikt, maar 't heeft toch een zeker effect. De bevolking vindt 't weer een nieuw staaltje van Japansche onbegrijpelijkheid.

Jansen – In deze halve gevangenis, 211-212

[Jakarta 6 – Politie] 

25-4-43
Meestal kan ik hem [Tambu] in zijn argumenten niet controleeren omdat ik Malakka niet ken. Hij noemde vandaag het onderwijsstelsel veel beter, omdat onderwijs vrij is met uitzondering van de leermiddelen. Dat is geen verschil met ons, waar een dessakind vrije leermiddelen had, maar 15 ct. per maand betaalde. Overigens is de levensstandaard in Malakka hooger en is 't land niet zoo overbevolkt als Java, twee dingen die Tambu (voormalig medewerker Singapore Broadcasting Commission) weer op 't debet van de Hollanders schrijft. Hij beschouwt me als een te ruimdenkend Hollander om door zijn voortdurende critiek geïrriteerd te worden, maar ondanks dat begint zijn volgehouden schelden op alles wat Hollandsch is me te vervelen, ook omdat hij practisch niets van ons weet. Hij zat 3 weken in een Hollandsche politiepost achter Pasar Baroe gevangen en werd daar niet als Indonesiër behandeld. Hij kreeg apart eten en kreeg op zijn verjaardag van de wachtcommandant een flesch bier. Hij mocht soms vrij rondloopen en kon zien dat er nooit geslagen werd, zooals tegenwoordig zelfs op straat te zien is in het optreden van Inlandsche politieagenten die de nieuwe opvoeding genoten hebben. Hij geeft dus toe dat wij humaner waren. Maar we waren ook hard en cynisch, omdat we niet van plan waren hier in eeuwen weg te gaan. Wij zijn niet breed denkend, idealistisch, ver in de toekomst ziend. We begrijpen de eischen van deze tijd niet, de noodzaak om nu een zekere goodwill te scheppen en de sympathie van het Indonesische volk te winnen. Typisch voorbeeld hiervan is een recente radiospeech van Van Mook, die niets belooft en verklaarde van de samenwerking met Japan van Hatta en Dewantoro niet veel te gelooven.
lk heb hem geantwoord dat ik persoonlijk een wat meer perspectief gevende houding van de Londensche regeering zou wenschen, maar dat ik de voorzichtige ‘realistische’ houding van Van Mook begrijpen kan.

Jansen – In deze halve gevangenis, 213-214

[Jakarta 5 – Harmonieplein] 
[Jakarta 6 – Globe] 

29-4-43
Tenchō-setsu (verjaardag van keizer Hirohito). De dag begon met een militaire demonstratie op ’t Harmonieplein aan de Rijswijkstraat. Opgewekt dravende en zwetende Japansche soldaatjes, die losse patronen schoten en rookbommetjes gooiden. Op kantoor taartjes. De Japansche wijze van appreciatie die zich iedere maal herhaalt. Ieder wordt verondersteld blij te zijn, wanneer hij taartjes krijgt. 's Middags met Koyama naar Globe waar een film over de val van Singapore wordt vertoond in al zijn dramatische werkelijkheid. De enorme vitaliteit waarmee de Japanners iedere terreinhindernis overwinnen, zware kanonnen door modderkuilen trekken, noodbruggen slaan en door moerassen waden is goed weergegeven. Aan ’t eind [de Engelse generaal] Percival met 60.000 gevangenen opgesteld langs een weg waarlangs heel langzaam de Rolls Royce van Yamashita rijdt. Deze film zou in Struyswijk vertoond moeten worden aan de optimisten die ons deze oorlog nog altijd gemakkelijk zien winnen.
Op de terugweg zien we een jeugddemonstratie op Gambir. Vandaag is de nieuwe jeugdorganisatie opgericht onder Japansche leiding. De Poetera staat er volkomen buiten. Zooals de Java Shimbun uitlegt, is de taak van de Poetera, om de breede massa van het volk aan de oorlog te laten meewerken. De organisatie van de jeugd is een regeeringszaak. Daar mag Soekarno afblijven. Van Japansch standpunt juist gezien, voor Indonesiërs 'n pijnlijke beslissing. De jeugd op Gambir draagt groote banieren mee waarop staat dat Engeland en Amerika 'onze' vijand is. Van bijna 1000 examinandi voor ambtelijke betrekkingen zijn 179 toegelaten. En uit honderden liefhebbers gaan de eerste 23 jongens in Japan studeeren.

Jansen – In deze halve gevangenis, 216

[Jakarta 5 – Rathkamp] 

5-5-43
Rathkamp – de eenige apotheek in de stad waar de meeste medicijnen (zij 't alleen tegen recept, zelfs voor 'n stukje verbandgaas) nog te krijgen waren – is gesloten. Een slag voor de gemeenschap. Ook de nog beschikbare medicijnen worden gereserveerd voor de Japanners. Misschien is de sluiting verhaast of veroorzaakt door de stille hulp die Rathkamp aan veel Europeanen gaf, bijvoorbeeld de ruime verstrekking van vitaminetabletten voor Struyswijk en ADEK, waarvoor alleen 'n doktersverklaring noodig was dat een lid van 't gezin daar geïnterneerd was. Ook verschillende Chineesche restaurants o.a. Jit en Thay Thong zijn gesloten. Actie van Wang Tsjing-wei-Chineezen tegen Tsjang-Chineezen? Of belasting-perkara's?

Jansen – In deze halve gevangenis, 227-228

[Jakarta 6 – Luilekkerland] 

14-5-43
Een brief aan Maria in Bandoeng geschreven. Ze zit nog steeds niet in ’t kamp. De dames hier hebben een aanzegging gekregen dat ze niet meer in Toko Oen en Luilekkerland mogen komen. Een van de kenau's in 't kamp op Kramat heeft een medebewoonster in een verdiepingshuis van de trap naar beneden gesmeten, zoodat ze haar beenen brak. Na de val van Tunis gaven sommigen elkaar bloemen. De stad spreekt nooit anders dan over 'kampvrouwen' en als 't dames zijn over haar sexegenoten als 'kamp-wijven'.

Jansen – In deze halve gevangenis, 264

[Jakarta 7 – Willemskerk] 

31-1-44
De tweede Volksraadzitting van 5 dagen is geopend. Het examen-onderwerp is weer: opvoering van de medewerking van 't volk aan de oorlogvoering. Soekarno draagt aan de rechterkant op maaghoogte een reusachtige decoratie en wordt eerbiedig aangestaard. Alle 43 leden vertrekken ditmaal naar de tempel (tot dodentempel gewijde Willemskerk) op het Koningsplein. Het blijft met de medewerking van het volk een eigenaardig geval omdat de Indonesiër voor medewerking aan alles te vinden is, als hij gedwongen wordt of er voordeel in ziet. Volgens Said is 't onze fout geweest dat de G.G. niet net als de Japanners op 't Koningsplein verscheen om medewerking te vragen. Dan hadden zij ook voor ons hun bloed willen geven.
Dagelijks kan men 's morgens 5 of 6 vrachtauto's door de straten zien rijden vol met jongens die meegenomen worden naar 'n bestemming die natuurlijk een militair geheim is. De ouders en niemand weet iets. (8-2-44: 600 jongens zijn overzee vertrokken naar 'Singapore'. Voor de spoorwegaanleg, zegt de baboe. Mogelijk is dit de spoorlijn van Lai (op de kust van Burma) naar Thailand waaraan ook duizenden Europeesche krijgsgevangenen werken.) Het kan op Java maar 't kan ook Nieuw-Guinea zijn, waar de eerste Menadoneezen naar de Geallieerden overliepen. Men kan 't slavernij noemen waaraan de Japanners de Indonesiërs onderwerpen en men kan 't ook 'n ideale samenwerking noemen. Het is maar hoe men 't bekijkt. De gemiddelde Japanner zou even raar opkijken als de gemiddelde Hollander wanneer hem gezegd werd, dat er aan de spontane medewerking van de bevolking aan zijn speciale systeem van overheersching toch wel iets ontbreekt. Maar alweer: waar is de graad van dwang (en van immoreele overreding) grooter, aan onze of aan Japansche kant? De zelfverheerlijking van de Nederlanders is niets vergeleken bij de naïeve missionarisgeest van de Japanner. Gisteren bevatte de Java Shinibun uitvoerige aanwijzingen wat gedaan moet worden als Indonesiërs onder voorwendsel van verhuizing, ziekte, sterfgevallen etc. niet op een militaire keuring verschijnen. De gedetailleerdheid van de voorschriften zegt meer dan alle tamtam. Er is overal angst en wegkruipen.

Jansen – In deze halve gevangenis, 265

[Jakarta 1 – Kolff] 
[Jakarta 5 – Kolff] 

4-2-44
Milde spot met de kennis van zaken waarmee Kolff geliquideerd wordt door Japansche 'experts' uit de boekhandel die van Westersche boeken misschien de titels en misschien ook dàt niet kunnen lezen. Tienduizenden boeken worden blijkbaar 'geliquideerd' volgens het systeem dat alles wat in 't Hollandsch gedrukt is wel vernietigd kan worden ('t zijn toch maar kookboeken). Helaas weten de experts geen onderscheid te maken tusschen Hollandsch, Duitsch of Latijn, wat uit cultureel oogpunt een groot verschil maakt! De simplicitas van cultuurbarbaren.

Jansen – In deze halve gevangenis, 286

[Jakarta 5 – Harmonieplein] 

1-5-44
Knipsel uit de Java Shimbun getiteld ‘Het Harmonieplein wordt Yarnatobashi (Japanbrug)’ over de vervanging van ‘vijandige' namen van straten, pleinen en bruggen van Djakarta door Japanse of Maleise namen.

Jansen – In deze halve gevangenis, 296-297

[Jakarta 6 – Baroe] 

16-6-44
Het zien van menschen die aan de kant van de weg 's nachts gestorven zijn, is niets bijzonders meer. Er zijn er iedere morgen een stuk of vijf, zes, die bepaalde deelen van de stad schijnen uit te kiezen, zooals Senen en Glodok. Het zijn meestal menschen van buiten, Javanen. Wat moeten ze hier? Werk, oude kennissen of familie? Op de pasars is minder en minder te krijgen. Eerst is de markt bedorven door Japansche militairen, vooral de marine-menschen, die betalen wat ze wilden en toen door de dalende waarde van 't geld. De nachtpasar op Senen bestaat niet meer. De menschen komen niet uren ver meer loopen om hun groente hier te verkoopen. Waarschijnlijk durven ze niet en loont 't niet meer. Als je 'n kip wil koopen moet je 'n lapje stof betalen. Geld is ongewild. Kippen worden trouwens schaars. Alles wordt schaars. In Djocja zijn kippen geregistreerd en moet je van de loerah permissie hebben als je er een slachten wil. Dit waarschijnlijk om 't ‘noodelooze feestgedoe' van de bevolking tegen te gaan. Op Pasar Baroe zijn tientallen arme mensen te zien die bij wijze van sarong om hun middel dikke stijve stukken tikar hebben gebonden. De jonge menschen zijn uit de kampong gehaald. Er is geen jonge man zonder werk meer te vinden. Ze zijn weggebracht naar werkkampen over heel Java en daarbuiten. De ouderen trekken steun en hooren verder vrijwel niets meer. Op de 8e kwam Talip moe en ontevreden thuis van 'n lange marsch naar 't kerkhof op Menteng Poeloe. Zelfs volgens hem gaat 't met de semangat nu de andere kant uit.

Jansen – In deze halve gevangenis, 325

[Jakarta 7 – Deca] 

28-8-44
Groote vergadering Deca van alle Japanners in Batavia met uiteenzetting van de oorlogssituatie door Kobuhu en berisping van degenen die zeggen 'er is tòch niets aan te doen' (shikata ga nai), want we hebben geen vliegtuigen enz. Daarna volgde een kolonel die zei dat in geestelijk opzicht Japan (als 't land van de goden) zeker is van de overwinning maar dat deze geestelijke 'waarheid' 'verwerkelijkt' moet worden. Geestelijk is de vijand al verslagen. Maar nu komt 't op de materleele verwerkelijking aan. De kolonel geloofde weliswaar in de goddelijke wind maar die kan niet optreden als de juiste spirit niet blijft bestaan. M.a.w. het is mogelijk dat Japan niet door de goden wordt bijgestaan omdat de Japanners niet deugen. De theorie van de komende nederlaag. De dolksteek. De wraakneming van de goden.

Jansen – In deze halve gevangenis, 375-376

[Jakarta 7 – Laan Holle] 

9-2-45
De verschillende bedrijven op Java konden in 1944 maar 70 a 80 % van hun plannen uitvoeren. Sinds November 1944 loopt de productie zelfs terug. Oorzaaken: 't arbeidsvraagstuk en de brandstoffennood, die 't transport in 't binnenland stopzette. In doorsnee komt maar 75 % van de arbeiders op; de rest deserteert [uit] de kampen of komt niet op de verzamelplaatsen. (Zoo 'n verzamelplaats waar honderden koelies slapen is bijvoorbeeld Thay Thong in Gang Holle vanwaar ze ’s morgens en 's avonds met vrachtauto's worden gehaald en gebracht.)

Jansen – In deze halve gevangenis, 377

[Jakarta 7 – Kenpeitai] 

14-2-45
Dr. Arif blijkt op straat te zijn aangehouden in 't bezit van groote hoeveelheden medicijnen. Hij werd meegenomen naar de Kempeitai en zou daar gedwongen zijn een hoeveelheid op te eten. Later werd zijn lijk bij de familie bezorgd (No. 2 na Kayadoe). Gearresteerd zijn enige tijd geleden nog twee andere artsen namelijk dr. Mochtar en dr. Marsoeki, beiden Sumatranen zooals ook dr. Arif. In West-Borneo (Sultan is afgezet) zouden een honderdtal Sumatranen, die in verzet waren gekomen, geëxecuteerd zijn.