Bert Bakker / Daamen nv, Den Haag 1967

Van Heekeren – Batavia seint: Berlijn, 33-34

[Semarang 2 – Politie] 

In Semarang op Java woonde de pianobouwer W. Schweikert *]. Hij had begin 1940 zijn vrouw verloren en woonde alleen met zijn 9-jarige dochter, toen hij op 10 mei, 's middags om 3 uur, van twee indonesische politie-agenten het bevel kreeg om direkt mee te gaan naar het politiebureau. Daar hij het fatale nieuws reeds gehoord had, begreep hij wat dit bevel inhield. Het grote probleem was natuurlijk wat er met het kleine meisje moest gebeuren. Veiligheidshalve nam hij haar maar mee naar het politiebureau, waar als oplossing werd gevonden dat zij bij een zwitserse familie zou worden ondergebracht. (Hij zou haar pas zeven jaar later terugzien ) De gevangenen werden daarna per vrachtauto, naar het stadion gebracht en later naar de kazerne in Djatingale, Semarang. De volgende dag werden zij naar het 45 km verwijderde Ambarawa gebracht en eind mei naar het kamp te Ngawi, waar toen reeds meer dan duizend geïnterneerden verbleven in de oude citadel. In augustus 1940 behoorde hij tot het eerste transport van vijfhonderd man, dat van hier naar het centrale kamp op Sumatra werd overgebracht.
Een van de duitse konsulaire ambtenaren zou later verontwaardigd aan Berlijn rapporteren, dat de 'niet-arische' – het woord is van hem en niet van mij! – dr. W. in Soerabaja net in de badkamer was, toen men hem kwam arresteren. Het werd de bijziende, oude man niet toegestaan zijn bril uit de kamer ernaast te halen, terwijl hij slechts zijn badjas mocht aandoen. Inderdaad een kwalijke zaak, indien het verhaal waar is. Maar nog kwalijker is de verontwaardiging van deze vertegenwoordiger van het derde rijk. Is dit domheid of schijnheiligheid vraagt men zich af? Terwijl de joden in Europa worden opgejaagd en ten slotte naakt in de gaskamer belanden, pronkt deze man met een deugdzame verontwaardiging, die hem bepaald niet staat.
*] Peloran 19 – Piano-techn.-atelier, W.J. Schweikert; Peloran is nu Jl Gajah Mada, vanaf Jl Depok naar het zuiden.

Van Heekeren – Batavia seint: Berlijn, 36-37

[Bogor – SS-station] 

Toen de volgende morgen om twaalf uur brood werd aangevoerd, kregen de geïnterneerden, voordat het brood verdeeld kon worden, bevel voor vertrek en werden weer onder zware bewaking naar het station gebracht. Nadat ze eerst in derde-klas-wagons waren ingeladen, ontvingen ze plotseling bevel dat ze moesten overstappen in een vierde-klas-wagon. De trein reed om Batavia heen naar Tandjong Priok, de haven, waar zij 'ontvangen' werden door een officier van het kamp op het eiland Onrust, zoals later bleek, die tegen hen brulde: ‘Wie straks aan boord probeert een plank te verschuiven wordt onmiddellijk en onherroepelijk neergelegd!'
Weer werd de bagage onderzocht en de koffers moesten op de kade blijven staan, waarna de groep in het achterruim moest afdalen. Het ruim was groot, maar omdat enkele honderden mensen hierin ondergebracht werden en alle openingen hermetisch werden afgesloten, werd het daar natuurlijk zeer benauwd. Alleen het bovenluik stond open, met op iedere hoek een soldaat, die met geladen karabijn de gevaarlijke gevangenen in het oog moest houden.
De overtocht duurde slechts een uur, maar door de verschrikkelijke hitte, hadden de mensen – vooral de groep uit Buitenzorg, die sinds het vertrek niets meer te drinken had gekregen – een onhoudbare, dorst. Pas nadat enkele mensen het bewustzijn verloren, werd een kan met twee à drie liter water en één beker binnengebracht. Voor de paar honderd mensen was dit natuurlijk onvoldoende en ook nadat de, kan nog een paar keer werd gevuld bleef dat zo.

Van Heekeren – Batavia seint: Berlijn, 67

[Bandung – Nationaal Socialistische Beweging]

Zoals ik reeds eerder schreef, was de reaktie op de berichten uit Europa onder het nederlandse publiek in Indië zeer fel, vooral toen de – dikwijls onzinnige – berichten uit Engeland over het verraad in Nederland, over parachutisten verkleed als postboden, nederlandse soldaten, pastoors en nonnen, over vergiftigde lekkernijen door duitse soldaten uitgedeeld, over ontploffende vulpenhouders en wat dies meer zij op ruime schaal werden verspreid en geloofd.
Voor een deel stamden deze berichten uit duitse bron: het behoorde tot het nazi-systeem om wilde, angstaanjagende geruchten te verspreiden, om zo het moreel van de bevolking te ondermijnen. In dit geval keerde zich het effekt hiervan tegen de geïnterneerden die men zonder onderscheid als potentieel uiterst gevaarlijke en listige lieden beschouwde. Vooral na het afschuwelijke bombardement van Rotterdam en de kapitulatie van Nederland koncentreerden de machteloze woede en haat zich op de gevangen vijanden en op alles wat duitser en N.S.B.er was, waarbij het slechte geweten van sommige koloniale nederlanders die tot dan toe wel sympathie voor het systeem van 'macht boven recht' hadden gevoeld, een grote rol speelde. Het waren niet zo zeer de nederlanders die al sinds zijn opkomst het nationaal-socialisme hadden bestreden, die zich het luidruchtigst anti-duits toonden als wel degenen die voordien hadden gevonden 'dat er toch wel wat te zeggen was voor het Hitler-bewind'.
In de bloeitijd van de N.S.B., 1934-'37, in Indië, toen deze daar ongeveer 2000 leden had, werd per jaar f 20 – 30.000 naar het bestuur in Nederland overgemaakt. Daarna verminderde het aantal leden, omdat men terugschrok voor het optreden der duitse nationaal-socialisten zodat in april 1940 de partij in Indië nog ongeveer 1100 leden telde en 700 donateurs. Op een totaal aantal nederlanders van 300.000 is dit een gering percentage.

Van Heekeren – Batavia seint: Berlijn, 67-68

[Jakarta 4 – Java-bode] 

Vooral na het afschuwelijke bombardement van Rotterdam en de kapitulatie van Nederland koncentreerden de machteloze woede en haat zich op de gevangen vijanden en op alles wat duitser en N.S.B.er was, waarbij het slechte geweten van sommige koloniale nederlanders die tot dan toe wel sympathie voor het systeem van 'macht boven recht' hadden gevoeld, een grote rol speelde. Het waren niet zo zeer de nederlanders die al sinds zijn opkomst het nationaal-socialisme hadden bestreden, die zich het luidruchtigst anti-duits toonden als wel degenen die voordien hadden gevonden 'dat er toch wel wat te zeggen was voor het Hitler-bewind'. De nederlands-indische pers, die toch al niet op een hoog peil stond, putte zich uit in schreeuwende artikelen, ook al omdat het publiek dit van de kranten verlangde. Typerend is het in dit verband te vermelden, dat de Java-bode zich in een artikel verontschuldigde dat men redaktioneel de naam 'duitsers' wel eens moest gebruiken omdat men niet alleen maar over hunnen, barbaren, beesten en beestmensen kon spreken.
Er werden niet alleen onverstandige officiële maatregelen genomen zoals het schrappen van de duitse taal als leervak op de scholen – en hoe belangrijk is het juist om de taal van de vijand te kennen! – maar sommige lieden gingen zo ver dat ze hun duitse boeken gingen verbranden, waarbij zelfs de joodse auteurs niet werden ontzien!

Van Heekeren – Batavia seint: Berlijn, 85-86

[Jakarta 5 – Zwitserland] 

De zwitserse konsul-generaal in Batavia behartigde de belangen der geïnterneerde duitsers en zaken die buiten de beleidssfeer lagen, konden door hem met de indische regering worden behandeld, doch verder niet. Het was natuurlijk steeds moeilijk vast te stellen waar hier de grenzen lagen en, gezien de ondankbare taak, die de bemiddelaar altijd en overal heeft, zouden beide partijen zich bij gelegenheid beklagen over de rol die deze speelde.
Mr. E. O. baron van Boetzelaer, die kontaktman was tussen de konsul-generaal en de goeverneur-generaal, verklaarde mij echter, dat de zwitser een hoogstaand en humaan man was, die veel deed voor de geïnterneerden, doch die aan de andere kant zeer redelijk en kritisch stond tegenover de eisen der duitsers. Men kan zich voorstellen hoe bijzonder moeilijk de positie van de demokratische zwitser in die tijd moet zijn geweest. Reeds in augustus 1940 gaf hij een gunstig rapport over de toestand waarin de geïnterneerden verkeerden, wat wel aan de familieleden in Duitsland werd medegedeeld, doch dat uit de pers werd gehouden.
Uit de ter zake gewisselde korrespondentie blijkt dat de g.g. en de nederlandse regering in Londen al direkt van inzicht verschilden op een belangrijk punt: de duitsers legden een direkt verband tussen de internering van de nederlanders en de duitsers, bij welke gedachtengang zich de nederlandse regering aansloot, evenals de hogere ambtenaren in Nederland die met deze kwestie te maken hadden en die via Lissabon geregeld kontakt hadden met Londen.
De g.g. zag dit, m.i. terecht, anders: de duitsers in Indië waren uit veiligheidsoverwegingen geïnterneerd, de nederlanders in het vaderland als représaille. Er kon z.i. geen sprake zijn van reciprociteit, omdat Nederland geheel onder de macht van de bezetter stond, die op elk moment opnieuw tot gevangennemingen kon overgaan, zonder dat de nederlandse regering in Londen daar enige sanktie tegenover kon stellen. Gemaakte afspraken konden nimmer worden afgedwongen.

Van Heekeren – Batavia seint: Berlijn, 165-166

[Jakarta 6 – Marine] 

De nederlandse vloot was ingebracht in het [geallieerde] opperkommando, maar de gevorderde koopvaardijvloot bleef geheel ter beschikking van de nederlandse Commandant Zeemacht. De instrukties voor deze schepen – dus ook voor de Van Imhoff – gingen uit van de afdeling Handelsbescherming van het departement der marine te Batavia, welke afdeling de bevoegdheid had haar telegrammen met CZM (Comm. Zeemacht) te ondertekenen. Maar de beslissing over de afvoer van de geïnterneerden zelf lag natuurlijk op het hoogste niveau en daar moest het besluit in principe worden genomen. Men mag aannemen dat dit geschiedde door de goeverneur-generaal in overleg met de prokureur-generaal, de legerkommandant en de CZM, welke laatste in de kommissie 'Zeeverkeer' in overleg trad met de K.P.M., die voor de uitrusting verantwoordelijk bleef, en het departement van ekonomische zaken. De uitvoering der zaak lag dan in handen van de eerdergenoemde afdeling Handelsbescherming. Ofschoon deze regeling zeer ingewikkeld lijkt, heeft zij in de praktijk zeer vlot gewerkt, temeer daar de hoogste autoriteiten, die ik hierboven noemde, allen per telefoon met elkaar in verbinding stonden. De telegrammen uitgaande van de eerdergenoemde autoriteiten, bestemd om het onderhavige transport te regelen, werden vrijwel zeker via de marineverbindingsdienst met meervoudig adres gezonden naar de havenkommandant te Padang en waarschijnlijk ook naar de havenmeester te Sibolga, van wie de kapitein, die tot dat moment – althans volgens zijn eigen verklaring – alleen maar wist dat hij 'dekpassagiers' moest opnemen, nu te horen kreeg dat hij duitse geïnterneerden naar Brits-Indië moest vervoeren. Het zal niemand verbazen, dat de order niet enthousiast werd ontvangen. De mogelijkheid bestond natuurlijk dat de japanners een transport ‘bevriende' gevangenen zouden sparen, maar zeker was dat niet – zij erkenden immers ook het Rode Kruis niet – en bovendien was er geen tijd meer om via een neutraal land de japanse regering ter zake in te lichten. Er bestond overigens géén internationale regeling ter bescherming van burgergevangenen in oorlogstijd – deze zou pas in 1954 tot stand komen. Onder de nederlandse en duitse burgers meende men echter, dat dat wel het geval was.