Em. Querido's Uitgeverij N.V., Amsterdam 1975

Haasse – Krassen op een rots, 7-8

[Jakarta 7 – Taman Ria] 
[Jakarta 7 – Monas] 

De geur van de stad in de warme avond: klapperolie, fruit, zoete krètèk-tabak, trassi, rook van houtskoolkomforen. Van het vliegveld Kemajoran rijden we naar het centrum, langs de Djalan Patrice Lumumba [de huidige Jl Angkasa] en Gunung Sahari. Links en rechts opeenhopingen van verlichte warongs, kraampjes en stalletjes; witgekalkte muren, schuttingen, erven met onduidelijk geboomte; huizen en nog eens huizen: oudindische lage woningen, moderne gebouwen met verdiepingen, halve ruïnes, labyrinten van hutten en optrekjes; en, het meest opvallend, het ongelooflijk grote aantal mensen, in groepen samenklonterend, door elkaar wemelend, naar alle kanten uitzwermend, te voet, in betjaks, driewielige fietstaxi's, in bussen en busjes, op vrachtwagens, en in personenauto's van elk type en jaar. Meegevoerd door die stroom bereiken wij Medan Merdeka – het vroegere Koningsplein – misschien het grootste stadsplein van de wereld, met een oppervlakte van een vierkante kilometer, ‘een uur gaans in omtrek', zoals reisgidsen uit tempo dulu plachten te vermelden.
Midden op het veld rijst, blinkend in schijnwerperlicht, een torenhoge witte zuil, bekroond door een – naar men zegt met echt bladgoud bedekte – gebeeldhouwde vlam: het symbool van de vrijheid van Indonesië, dat in het stadswapen de plaats heeft ingenomen van het met lauweren omkranste zwaard van Batavia. Aan de voet van dit monument strekt zich voor de duur van enkele jaren, langs een van de brede wegen die nu de vlakte diagonaalsgewijze doorkruisen, een nederzetting uit van paviljoens en tentoonstellingsruimten in alle bouwstijlen van Oost en West: de Taman Ria of 'Fair', waar men kennis kan nemen van de voornaamste industrieprodukten die de wereld te bieden heeft; en daar weer omheen, tot aan de overkant van de rijbanen, is een brede ring van eettentjes en kramen, een gewemel van gekleurde lichten en rossig-walmende olielampen.

Haasse – Krassen op een rots, 8-9

[Jakarta 7 – Fontein] 

Waar zuid- en westzijde van het plein een hoek vormen, sproeien zeventien fonteinen in een rond bassin rood en wit beschenen water: de nationale kleuren; de middelste straal haalt een hoogte van acht meter. Zij verzinnebeelden de zeventiende dag van de achtste maand, 17 augustus, de dag van de onafhankelijkheid. Op de rand van het bassin zitten honderden mensen te kijken naar het gewoel, naar de verlichte ballons met een franje van reclamestroken, die boven de jaarmarkt in de lucht hangen, naar het verkeer, dat in een glinsterende stroom aangezet komt langs de ook al met bonte lichten overspannen Djalan Thamrin, de grootste nieuwe verkeersweg in het stadscentrum. Luidsprekers verduizendvoudigen het stemvolume van Sinatra en de Beatles. Af en toe wordt de muziek onderbroken voor gesproken mededelingen die tot in de verste hoeken van de immense vlakte te verstaan zijn.

Haasse – Krassen op een rots, 12-13

[Jakarta 6 – Toko de Zon] 

In het dagboek, dat ik als dertien-, veertienjarige bijhield, vind ik louter verslagen en beschrijvingen van het leven op school, gesprekken en avonturen met vrienden en vriendinnen, van uitstapjes en vakantietochten, kortom van alledaags gebeuren, waarin ‘exotische' elementen volstrekt ontbreken, om de eenvoudige reden, dat ik die vanzelfsprekend, en dus niet het vermelden waard vond.
‘6 September 1932. Ziezo, net van den Pasar Baru terug. Ik heb het land aan boodschappen doen, ik snap niet wat mijn moeder daar nu voor leuks aan vindt. Wim moest een broek hebben, en dus gingen we eerst naar Toko de Zon, waar we zoo ongeveer drie kwartier zijn geweest. Daarna naar den Japanner, Toko Yamato, waarvoor weet ik niet meer. Ik heb een heele doos waaiers staan uithalen om te kijken wat er op geschilderd was. Vervolgens naar een blikwinkel, waar pannen werden ingeslagen.

Haasse – Krassen op een rots, 13

[Jakarta 7 – CAS] 

14 October. Het regende vanmorgen zoo hard, dat ik niet op de fiets naar school mocht. Een taxi was nergens te vinden, maar om tien voor zeven reed er een leege demmo langs. We moesten voor drie treinen wachten [bij spoorwegovergang], ik kwam een kwartier te laat. ‘t Eerste uur hadden we R., dus dat was al mis. Ze was weer in een humeur gelijk een donderwolk, en had een sjaal om haar hals geslingerd vanwege 't regenachtige weer. Het was zoo donker dat het licht aan moest. Alle klassen zaten met licht, maar R. draaide het uit en zei: "Zoolang jullie niet schrijven of lezen kan het best donker zijn." We waren woest. Maar weldra begonnen we in het duister onze morgendutjes voort te zetten. Een paar jongens snorkten zelfs luid, hetgeen ze een flinke portie strafwerk bezorgde. De rector kwam in onze klas kijken, hij dacht zeker dat er wat aan de hand was, omdat er geen licht brandde. "Maar juffrouw, waarvoor hebben we lampen?" zei hij tegen R. De klas gnoof. Hij knipte het licht op, maar R. zei zuurzoet: "Zuinigheid met vlijt bouwt huizen als kasteelen," en draaide het weer uit. We moesten allemaal om half één voor R. blijven. Dat was wel lollig, want ze dicteerde ons een verhaal "De Wreedheid der Watergeuzen", en dit duurde drie kwartier. Tenslotte mochten allen naar huis gaan, behalve ik. R. hield een preek over mijn gedrag in den laatsten tijd, n.l. dat ik lachte als zij mij verbood. Dit is echter een leugen en ik zei 't haar ook, maar ze hield vol, en ik ziedde gewoon toen ik naar huis ging.

Haasse – Krassen op een rots, 17

[Jakarta 1 – Pasar Ikan] 

‘Naar de vloedbossen, voorbij de Pasar Ikan, op een zondag of in de vakantie; tussen de bleke stammetjes door zagen wij de zee schitteren, er hing een sterke moerasgeur en de wind voerde van de vismarkt achter ons een stank van trassi en ikan kering aan. Het was er broeierig en vol met muggen, dichter bij zee bewogen kleine krabben in de modder tussen de boomwortels.'

Haasse – Krassen op een rots, 17-18

[Jakarta 7 – Pasar Gambir] 

Ten aanzien van de Pasar Gambir – een jaarlijks terugkerend evenement, te vergelijken met de Taman Ria of 'Fair' op het huidige Merdekaplein – wist ik in 1932 niets anders op te merken dan: 'Er was dit jaar niet veel aan, maar de gebouwen zelf waren erg mooi. In Minangkabauschen stijl, van bilik en hout, en helemaal met electrische lampjes afgezet. De stands waren net als verleden jaar, alleen op het vermakelijkheidsterrein was een rutschbaan en een zogenaamd echte zeemeermin.' In 1953 zou ik mij, als de dag van gisteren, tot in details de sfeer van die avonden herinneren; en dan niet alleen de ‘walm van hete bakolie, van lumpia en krupuk en limonadestroop, goedkope bedak en brillantine, fruit en melati’, het rossige schijnsel dat uit de kramen en warongs stroomde, en 'het uit duizenden geluiden samengestelde lawaai van het feestterrein, praten en lachen en schreeuwen, geschetter van een hoempaorkest, ratelen en gieren van de vermakelijkheidstoestellen, krontjongmuziek', maar ook: ‘Achter de hekken rondom rad en molens stonden drommen inlandse kinderen ernstig en aandachtig toe te kijken, de kleine meisjes met gepoederde gezichtjes, een bloempje in de haarwrong, de jongens in hun beste hemd en broek, met de kupiah op het hoofd. De lampen werden weerspiegeld in hun grote ogen, zij lieten zich gewillig opzijduwen door diegenen, die kaartjes kwamen kopen.'

Haasse – Krassen op een rots, 20-21

[Jakarta 5 – Mesjid Istiqlal] 

Overal in de stad – vooral in de overbevolkte buurten bij de invalswegen – wordt druk gewerkt aan het herstellen of vernieuwen van woningen; in wolken stof en kalk zwermen hamerende, metselende of stenenbikkende mannen, vrouwen met manden vol gruis op het hoofd, over uit planken, touwen en bamboestaken geknutselde stellages, terwijl langs de gedeeltelijk opgebroken of door schuttingen en andere obstakels vernauwde weg het verkeer, in hoofdzaak transport, richting Bogor of Krawang, voorbij davert. In het centrum staan hier en daar verlaten, al met roest overdekte, skeletten van gebouwen-in-wording (onder andere een hotel en een moskee, gepland als de grootste en mooiste in Zuidoost-Azië), die wegens geldgebrek niet op korte termijn voltooid kunnen worden.

Haasse – Krassen op een rots, 22a

[Jakarta 7 – CAS] 

‘Jullie Nederlanders kregen altijd het beste onderwijs en konden dus naar verhouding veel betere resultaten bereiken.' Herhaaldelijk kreeg ik dit te horen; ook, tijdens een ontmoeting in Djakarta, uit de mond van een Indonesische klasgenote van vroeger. Nu ik deze regels neerschrijf, word ik mij er pas goed van bewust, dat het destijds (hoe vreemd dat ook moge klinken) nooit in mijn gedachten is opgekomen dat zij en de andere – schaarse, dat wél – Indonesische medescholieren op het Bataviaas Lyceum zouden leven in een aan de mijne tegengestelde, laat staan vijandige, sfeer. Ik beschouwde (en ik moet de indruk gehad hebben, dat zij het ook zo zagen) de 'ongelijkheid' als iets vanzelfsprekends, niet in discriminerende zin, maar als uiting van het recht óp en dus als manifestatie ván eigen aard, eigen belangen en behoeften in die maatschappij met zijn vele uiteenlopende bevolkingsgroepen. Nú kan ik mij heel goed voorstellen, hoe zij in werkelijkheid de situatie ondergaan hebben, en welke zware eisen er aan die jonge mensen werden gesteld: niet ten achter te blijven bij de Nederlandse ‘elite', zich aan te passen, maar tegelijkertijd eigen waarden hoog te houden. Zij hadden daarbij een dubbele strijd te voeren, tegen hun achterban met conservatieve, of beter gezegd archaïsche, aristocratische of orthodox-islamitische opvattingen, en tegen een Nederlandse overheid, die formalistisch of al te voorzichtig dit anderssoortige karakter van de inheemse zeden en opvattingen als een voor altijd geldend gegeven ontzien en zelfs nog bevorderd heeft.

Haasse – Krassen op een rots, 39-40

[Jakarta 4 – Toko Buku] 

Djakarta heeft een paar boekhandels, waarvan Gunung Agung op het ogenblik de grootste en best gesorteerde is (er zijn mensen, die deze zaak met zijn filialen in andere steden als 'opportunistisch' bestempelen in vergelijking tot de nu wat minder florerende socialistische uitgeverij-boekwinkel Pembangunan), en verder talloze stalletjes met lectuur aan de kant van de openbare weg, tussen de warongs en winkeltjes: meestal niet meer dan rijen gewoon op de grond of op een mat gerangschikte drukwerken van de meest uiteenlopende aard. Zowel in de winkels als op straat zijn er altijd veel meer lezers dan kopers. Ongehinderd kan iedereen zich, net als in een bibliotheek, in de boeken en tijdschriften verdiepen. Ook de krantenventers spreiden op waste plaatsen hun bladen uit, ten gerieve van wie zich, op weg naar zijn werk, of in een vrij ogenblik, even op de hoogte wil stellen van het nieuws. Er is nu meer persvrijheid dan ten tijde van het Sukarno-regime, zeggen zij die het weten kunnen. Ik vond de grote algemene belangstelling voor het gedrukte woord een van de meest treffende verschijnselen. Het soort van mensen, dat vroeger sirih-kauwend of strootje-rokend lethargisch aan de kant van de weg gehurkt zat, ziet men nu lezen. Jongens en jonge mannen staan urenlang bij de kasten in Gunung Agung of op de boekenafdeling van het warenhuis Sarinah technische vaklitteratuur te bestuderen. Ik zag een voddenraapster – een van de duizenden paupers, die in de stad aan de kost moeten komen – te midden van nog niet gesorteerde oude kranten aandachtig halfluid spellen wat haar vinger aanwees.

Haasse – Krassen op een rots, 40-41

[Borobudur 0 – Mijmeren] 
[Jakarta 7 – Museum]
 
[Jakarta 7 – Zalen] 
[Jakarta 7 – Kaart] 

Het museum op Medan Merdeka Barat heet in de volksmond ‘Gedung Gadjah', het Huis met de Olifant, vanwege het beeld op het voorerf, dat in de vorige eeuw geschonken werd door een hoge gast van de stad, een koning van Siam – in ruil overigens voor een scheepslading onschatbare sculpturen van de Borobudur. Wie onder de Dorische zuilenrij het gebouw binnenloopt, en ziet wat daar vóór de oorlog met grote zorg en kennis van zaken is bijeengebracht door het Nederlands-Indisch Oudheidkundig Genootschap, wordt zich bewust van iets dat men in de drukte van Djakarta haast zou vergeten: en wel van de uitgestrektheid en culturele verscheidenheid en vooral ook van de lange voorgeschiedenis van het rijk waar deze stad de hoofdstad van is.
Er hangt een ouderwets-saaie sfeer in de zalen met hun schoolse vitrines. Glimpen verguldsel en bloedrood en indigo, en de gestileerde patronen van batik- en ikatweefsels, en het dofgeworden metaal van de gamelanstellen kunnen daar geen fleur aan verlenen. Toch ontkomt niemand aan de indruk hier geconfronteerd te worden met nog iets anders, méér, dan kunstwerken en folkloristische voortbrengselen uit alle delen van de archipel.
Men voelt zich op een knooppunt, realiseert zich welke erfenis het Nederlandse gezag – onder andere – aan het regeringscentrum in Djakarta heeft nagelaten: het nog onopgeloste, om vele complexe redenen nooit ten volle doorvorste vraagstuk van de verhouding tussen Java – en al wat die naam, dat begrip, inhouden – en de andere gebieden van het immense eilandenrijk. Met behulp van maquettes, kaarten en tabellen worden hier alle volkeren en rassen vanaf de uiterste noordpunt van Sumatra tot aan de grenzen van West-Irian in hun afzonderlijke kenmerken getoond, en daardoor broederlijk verenigd binnen een kader dat - op de kaart van Europa geprojecteerd - zou reiken van Schotland tot diep in Tasjkent. Het is wel goed te bedenken, dat deze eenheid alleen bestaan heeft als blauwdruk voor het imperium-in-wording in de nadagen van het Nederlandse koloniale gezag, en als wensdroom in de gedachten van de post-koloniale Indonesische leiders.

Haasse – Krassen op een rots, 41-42

[Jakarta 7 – Reliëfkaart] 

Net als vroeger, op de schoolexcursies en zondagse gezinsbezoeken aan het museum, kan ik haast niet scheiden van de kamerlange reliëfkaart van Java in alle schakeringen van groen en geel tussen het blauw van de oceanen en het bruin van de bergtoppen boven de boomgrens. Weken later zal dit basreliëf werkelijkheid-op-natuurlijke-grootte voor mij worden, wanneer wij terugvliegen van Bali naar Djakarta en gedurende enkele uren, bij helder weer, Java in volle lengte onder ons zien voorbijschuiven: de Oosthoek, met in wolken gehulde steilgeribde toppen, de noordelijke kustlijn met talloze riviermondingen, en tussen de zee en de keten van bergen, die als het ware het middenrif van het eiland vormt (de vulkaan Semeru ‘werkt' en braakt dikke pikzwarte kolken rook uit) het sawahland, veelkleurig mozaïek van akkers en velden en desa's, die door het dichte geboomte en de bruine en rossige daken, van bovenaf gezien haast één zijn met het omringende landschap. '[ ... ] indien wij ons in de lucht konden verheffen, om boven die honderden desa's, die op Java gevonden worden, te zweven, dan zouden wij werkelijk zien, dat allen in hare plattegronden ons de min of meer regelmatige en juiste teekeningen vertoonen van reusachtige geschubde dieren,' schreef omstreeks 1890 een reiziger, die het eiland verkende. Hij had gelijk: al die door lichtergekleurde paden en omheiningen in grote en kleine vakken verdeelde agglomeraties maken, van bovenaf gezien, de indruk van levende wezens.

Haasse – Krassen op een rots, 42

[Jakarta 7 – Homo Erectus] 

Java behoort tot de oudste bewoonde gebieden op aarde. Men heeft op Midden-Java sporen gevonden van mensachtigen uit het Pleistoceen, en skeletonderdelen van de pithecanthropus erectus, de zogenaamde 'Javamens'. Toen door reeksen van geweldige vulkanische uitbarstingen en door overstromingen omstreeks het einde van de ijstijd dit gedeelte van het Zuidoost-Aziatische vasteland in een archipel was veranderd, bleven diep in de binnenlanden van de grote eilanden resten van de oerbevolking voortbestaan, een klein, donkerhuidig ras, naar wordt aangenomen verwant aan de Dravida's van Voor-Indië en de negrito's. In de kustgebieden vestigden zich aan het einde van het stenen tijdperk volksstammen van elders, die in honderden jaren durende gevaarlijke reizen in smalle schepen van overzee gezeild moeten zijn. De vormen van opgegraven aardewerk wijzen op Chinese elementen; op vele plaatsen in Indonesië zijn ook menhirs en dolmens aangetroffen, zoals die in het neolithicum van Noord-Europa tot op de Zuidzee-eilanden werden opgericht. Nog steeds worden dergelijke stenen door de bevolking van Java (en elders) als heilig beschouwd en met offers geëerd.

Haasse – Krassen op een rots, 43-44

[Jakarta 2 – Steen] 
[Jakarta 7 – Ciaruteun] 

In de vroege vijfde eeuw heerste er in West-Java een koning Purnawarman, heer van het rijk Taruma. Dit staat gebeiteld op grote zwerfkeien, die in de omgeving van Bogor werden ontdekt: in twee daarvan zijn de voetafdrukken van de vorst, en zelfs die van zijn staatsie-olifant uitgehouwen. Ofschoon volgens de inscripties onoverwinnelijk en godgelijk (een evenbeeld van Wishnu) zag Purnawarman zijn heerschappij vergaan. De macht verplaatste zich naar Midden-Java, waar de dynastie der Çailendra's, ‘bergkoningen' zetelde, die ook in het Zuidsumatraanse rijk Çriwidjaja de scepter zwaaide.
Aandoenlijk zijn de bekraste rotsblokken van Purnawarman, vergeleken bij de graftempels op het Dièngplateau, of het gigantische bouwwerk Borobudur. En toch bleek ook die grandeur niet duurzaam. Omstreeks het jaar 900 gewagen inscripties en kronieken alleen nog maar van vorstendommen in Oost-Java. Een van de grootste heersers, zeker de meest beroemde, was Erlangga, koning van half-Javaanse, half-Balinese afkomst, staatsman, veldheer, bovendien asceet en wijze, die in jarenlange ballingschap in de bergwouden zich de zelfbeheersing en wilskracht eigen maakte, nodig voor de beslissende strijd met zijn vijanden. De figuur van Erlangga is voor de Javanen buiten en boven de geschiedenis getreden; hij is de belichaming geworden van een mythe, die sinds onheuglijke tijden onder het volk leeft, die van de Rechtvaardige Koning, de bevrijder der onderdrukten, de brenger van eenheid. In de streken waar hij geheerst had, ontstond in de dertiende eeuw het rijk van Majapahit, tot in onze dagen beschouwd als het toppunt van Javaanse glorie: een imperium, welks macht gereikt zou hebben tot ver buiten de grenzen van het eigenlijke vorstendom aan de rivier Brantas, in de buurt van het huidige Surabaja. Er zijn er, die de langgehuldigde opvatting van een Groot-Majapahit bestrijden; dit laatste der antieke Javaanse koninkrijken zou, ondanks krijgstochten en handelsexpedities, evenmin werkelijk gezag bezeten hebben in andere delen van de archipel, als later het koninkrijk der Nederlanden dat had vanuit zijn pied-à-terre Batavia.

Haasse – Krassen op een rots, 45-46

[Jakarta 1 – Sunda] 

Wanneer er aan de monding van de Tjiliwung voor het eerst van een nederzetting sprake was, is niet bekend. Neolithisch gereedschap en aardewerk van de oudste Maleiers zijn opgegraven in een gebied, dat in het huidige Djakarta reikt van de haven Tandjung Priok tot voorbij de nieuwe tuinstad Kebajoran.
Op een Portugese landkaart uit het begin van de zestiende eeuw heet het kustdorp Sunda Kelapa, Kokosnoten-Sunda. Een legendarische figuur, die volgens sommigen de naam Faletehan droeg en behoorde tot de ‘nederigste volksklasse', dat wil dus zeggen tot de niet-gehinduïseerde vissers en boeren, maar die naar de mening van anderen de eerste sultan van Bantam, of een legeraanvoerder van het vorstendom Demak is geweest, en bovendien een strijdbare verbreider van de Islam, Fathahillah geheten, zou op 22 juni 1527 Sunda Kelapa herdoopt hebben tot Djajakarta. Tegenwoordig wordt hij geëerd als de stichter van de Indonesische hoofdstad.

Haasse – Krassen op een rots, 46

[Jakarta 1 – Kasteel Batavia]

Portugese zeevaarders en handelaars verbasterden Djajakarta tot Yacatra. Tientallen jaren later liet een van hun zegevierende concurrenten uit de Nederlanden, Pieter Both (de eerste gouverneur-generaal in dienst van de Verenigde Oostindische Compagnie) op een stuk grond bij de riviermonding, dat hij van de plaatselijke vorst verworven had, een als vesting versterkt kantoor neerzetten waar een 'posthouder' de zaken waarnam. Verbouwd, van sterke muren en wachttorens voorzien, werd dit fort tot het Kasteel Batavia, van waaruit in 1621 Jan Pieterszoon Coen het nabijgelegen Yacatra verwoestte, bij wijze van waarschuwing aan het adres van andere kapers op de kust, de Engelsen, en de in zijn ogen onhandelbare inheemse prins, een vazal van Bantam.
Dat Coen er in geslaagd is in betrekkelijk korte tijd de bevolking van de kuststreek zijn gezag op te leggen, is misschien niet alleen het gevolg geweest van wapengeweld en koopmansslimheid, maar vooral ook van de houding der Yacatranen zelf. Zij stonden onder voortdurende druk: aan de ene kant werden zij bedreigd door de vorst van Bantam, die hun gebied bij het zijne wilde inlijven, aan de andere kant door de verder verwijderde maar veel machtiger sultan Agung, heerser over het Midden- en Oostjavaanse islamrijk Mataram.

Haasse – Krassen op een rots, 47-48

[Jakarta 2 – Coen] 

De chroniqueurs en hofdichters van Mataram wisten de nederlaag aan de monding van de Tjiliwung op den duur voor hun eigen landgenoten aanvaardbaar te maken: de legeraanvoerder van de sultan zou een verrader geweest zijn, bijtijds door de Hollanders ontmaskerd; het Hollandse Batavia was eigenlijk een vazalstaat van Mataram; Coen, die in de volksmond ‘Djankung Kuning', lange gele, heette vanwege zijn opvallende gelaatskleur (met wat goede wil te duiden als kulit langsep, de matgouden teint van koningen en edelen uit de Hindu-Javaanse voorstellingswereld), zou de afstammeling zijn van een prinses van het West-Javaanse rijk Pajajaran, en dus inheemse rechten op de grond bezitten, waardoor het de vorsten van Mataram mogelijk werd hem au sérieux te nemen.

Haasse – Krassen op een rots, 48-49

[Jakarta 3 – Gereja Sion] 

In de loop van drie eeuwen heeft de stad zich schoksgewijze vanaf de monding van de Tjiliwung in zuidelijke richting uitgebreid. Omstreeks 1678 bestond Batavia al uit een ‘oude' stad en een ‘zuider-voorstad'. De aanleg was typisch oudhollands: grachten, ophaalbruggen, huizen met trapgevels, onderdeuren en raamluiken; kerken, zoals bij voorbeeld de Portugese of Buitenkerk, die precies zo in Leiden of Gouda hadden kunnen staan. 'In Utrecht, of in elke andere willekeurige Hollandse stad kun je zulke kerkbanken en kaarsenkronen zien, en ook zulke gele klinkertjes,' schrijft Willem Walraven vol heimwee in een brief van 1939. (Als de dag van gisteren herinner ik mij uit diezelfde tijd zondagse uitstapjes naar oud-Batavia – de Portugese kerk, inderdaad, donker hout en de glans van koper in een streng gewit interieur – of naar de resten van het Compagnieshospitaal op het eiland Edam in de baai van Batavia.)

Haasse – Krassen op een rots, 49-50

[Jakarta 2 – Stof] 

De landgoederen of 'thuynen' langs de Tjiliwung (nostalgisch in Molenvliet herdoopt) onderscheidden zich in de zeventiende en achttiende eeuw nauwelijks van de buitenplaatsen aan de Vecht. In het Kotamuseum, vlak bij het in 1710 gebouwde stadhuis-met-torentjes uit de hoogtijdagen van de VOC, hangt een schilderij: in een ordelijk tropisch landschap wandelen dames en heren met hun kinderen, pajong dragende slaven en vrolijke hondjes. In werkelijkheid was het leven in de stad, die toen al ‘de Koningin van het Oosten' heette, niet zo idyllisch. De Hollandse burgers deden nog geen enkele poging zich wat leefgewoonten, kleding en voedsel betreft aan te passen bij het hete vochtige klimaat. Ver van Hoorn of Vlissingen bezweken zij aan malaria en andere tropische ziekten. Volgens prof. Bernard Vlekke had een Nederlander die zich in die dagen te Batavia vestigde, aanzienlijk minder overlevingskansen dan een soldaat in een moderne oorlog. Zij zijn tot stof vergaan onder de zerken, die nu als bezienswaardigheden in het museum in de muur gemetseld zijn: Hier legt begraven... Hier onder leght het Lyk... Hier leyt, ontslaapen in den Heere...
Hun status van Excellenties en Eerbare Joffrouwen, vertegenwoordigers van een der machtigste handelsconcerns ter wereld, is teruggebracht tot een laconiek zinnetje op een verfrommeld blad uit een schoolschrift, dat ik in Djakarta tussen straatvuil vond (iemand had er zijn schoenen of zijn fietsband mee afgeveegd) ‘VOC salah perkumpulan Belanda … de een of andere Nederlandse Vereniging …’

Haasse – Krassen op een rots, 50

[Jakarta 4 – Schilderkunst] 

Het is overigens opvallend, hoe bitter weinig de glorietijd van onze schilderkunst heeft opgeleverd aan beelden van het ‘Indische' leven. Er zijn wat tekeningen en gravures, hoofdzakelijk topografisch; een 'gezigt' op een rede, met dezelfde krullerige golfjes en haast klompachtige, druk getuigde en bevlagde scheepjes, die men ook ziet op soortgelijke prenten van Amsterdam of Hoorn.

Haasse – Krassen op een rots, 51

[Bogor – Buitenzorg]

Batavia is vaak de poort van Java genoemd. Maar dan toch een poort, waar de Hollanders in Compagniesdienst pas ruim anderhalve eeuw na hun vestiging aan de Tjiliwungmonding daadwerkelijk doorheen zijn gegaan. Gouverneur-generaal Van Imhoff, voor het Holland van zijn tijd (het midden van de achttiende eeuw) een tamelijk verlichte geest, heeft niet slechts verder weg van Batavia dan een van zijn voorgangers of andere landgenoten het gedurfd zou hebben, in de bovenlanden aan de grens van Priangan het goed Buitenzorg (zijn 'Sans-Souci') laten aanleggen, maar hij is ook de eerste Nederlandse gezagsdrager in de Oost geweest met wat men opbouwende belangstelling voor land en volk zou kunnen noemen.

Haasse – Krassen op een rots, 51-52

[Bandung – Milestone]

Daendels (in 1808 door koning Louis aangesteld), de 'Napoleon van Batavia', een discipel van de Franse Revolutie, eerst patriot en volksredenaar later een dictatoriaal officier à la Bonaparte, gaf de vorsten van Java opdracht de kinderen van hun land te onderwijzen in de adat en de eigen kunstvormen, opdat die cultuur niet verloren zou gaan. Hij stelde de pasopgerichte Nederlandse scholen open voor leerlingen van alle rassen en geloofsovertuigingen in prijzenswaardig idealisme, maar zonder rekening te houden met de problemen van verwarring en gezichtsverlies, die de ongezochte gelijkheid, en vooral de taal, schiepen bij de inheemse aristocraten die voor dergelijk onderricht in aanmerking zouden komen. Ook voerde Daendels een nieuw reglement in op het ceremonieel aan de vorstenhoven en wel een, waarin een einde werd gemaakt aan de verheven positie, als van een koning of keizer, van de Javaanse heersers ten opzichte van de gezanten uit Batavia. Hij wilde de vorsten de status van hogere ambtenaren geven, een ongelooflijk affront. Ter wille van de verdediging ontsloot hij het nog niet of nauwelijks door Nederlanders betreden binnenland, door een begin te maken met de aanleg van de Grote Postweg van Bantam naar Pasuruan, een onder omstandigheden van onverbiddelijke tucht in 'heren dienst' uitgevoerd project, dat deze autoritaire, door hervormingsijver bezeten man voor altijd de roep van een beul heeft bezorgd.

Haasse – Krassen op een rots, 59-60

[Jakarta 6 – Monument] 
[Jakarta 6 – Groote Huis] 
[Jakarta 7 – Koningsplein] 

Pas na 1800 ontstonden de 'uitgelegde buitenwijken' van Batavia: Rijswijk, Noordwijk, Koningsplein (de zogenaamde long van de stad, op een schilderij uit de eerste helft van de vorige eeuw nog te zien in zijn oorspronkelijke staat, een reusachtige alun-alun midden in het dichtbegroeide land, met vrij uitzicht op de bergen Salak en Gedeh). Daar verrezen de eerste huizen in de ‘Indische' stijl, met open galerijen als eigenlijke woonruimten rondom de slaapvertrekken. In 1809 liet Daendels de regeringskantoren uit de ongezonde benedenstad overbrengen naar een nieuw gebouw in de wijk Weltevreden (zo genoemd naar een Landgoed, dat een gouverneur-generaal uit de achttiende eeuw daar bezeten had). Het 'Grote Huis', aanvankelijk ook bedoeld als paleis, is door Daendels nooit als zodanig gebruikt. Vóór de oorlog was dit gebouw het Departement van Financiën van het Nederlands-Indische gouvernement (mijn vader werkte jarenlang in een kamer op de eerste verdieping naast de linker poort), nu is het dito – Departemèn Keuangan – van de Republik Indonesia. Het standbeeld van Jan Pieterszoon Coen (de vinger gebiedend gestrekt naar het gras aan zijn voeten) is verdwenen, de rij koningspalmen aanzienlijk gedund; op het plein – eens Waterlooplein, nu Lapangan Banteng, met het centrale autobusstation van de stad – staat in plaats van de mormelachtige Nederlandse Leeuw met Aardbol (ter herinnering aan Napoleons val) een niet minder monsterlijk monument, voorstellende de Mens van West-Irian, die zijn koloniale ketenen verbreekt.

Haasse – Krassen op een rots, 67-68

[Jakarta 1 – Vischveiling] 

Ons verblijf in Djakarta: nu eens klimmen wij op Merdeka Barat of op Lapangan Banteng in een van de talloze stadsbussen – vaak verveloze rammelkasten – stampvol passagiers, om in adembenemend tempo langs het kanaal en door de heksenketel Glodok (in mijn jeugd de Chinezenwijk bij uitstek) naar de benedenstad vervoerd te worden, terwijl de onvermoeibare jongens die als conducteurs fungeren, aan één arm naar buiten hangend de bestemming en de stopplaatsen afroepen en een machinegeweersalvo van commentaar afvuren op andere weggebruikers, en kranten- en stripverhalenverkopers zich bij iedere halte behendig in en uit de bus wringen voor een bliksemsnelle handel; dan weer zijn we in een met tijgers, mythologische figuren of fantastische landschappen beschilderde betjak op weg door de Mentengbuurt, voortgetrapt door een van die magere, taaie, zelfs in het spitsuur onder de brandendhete zon onverstoorbaar en bekwaam manoeuvrerende, laconieke slagvaardige rijders (wie weet wel een van de vele onderwijzers of andere jonge – en niet eens meer zo jonge – intellectuelen, die, naar men zegt, een paar dagen per week met een fietstaxi werken om hun inkomen van, in Nederlands geld omgerekend, dertig of veertig gulden per maand, aan te vullen). Vaak gaan wij te voet – omdat men zo het meeste ziet en hoort – door het stof langs de wegkant, uitwijkend voor het verkeer en de op alle bermen genestelde kooplui (behalve in etenswaren en tabak ook in kledingstukken, oud roest, zonnebrillen, plastic speelgoed, zelfs olieverfschilderijen). We lopen over de pasars, nieuwe, in gebouwen met galerijen ondergebracht, zoals die op Tjikini en Senèn en in Kebajoran Baru, of een oude, beroemde, als de vismarkt in de benedenstad met zijn scherpe zilte geur, waar de warme zeewind en de in vele kramen uitgestalde koraalgewassen, schelpen en gedroogde wieren de herinnering wakker roepen aan het zacht sissende schuim op de witte strandjes van de eilanden in de baai van Djakarta.

Haasse – Krassen op een rots, 84-85

[Jakarta 4 – Wassen] 

Uit: De Lidah Buaja (Krokodilletong)
Toen Etsu via de achtergalerij het huis binnenging, stond daar Noguchi te wachten. Hij maakte een hoofdbeweging om haar te beduiden dat zij mee moest komen. In de kapsalon zat Yamada. Zijn haar hing verward over zijn voorhoofd; hij had zijn boord losgemaakt. Hij scheen niet tot spreken in staat. Etsu keek hem even aan. Zijn blik had een rode glans, door het met bloed belopen oogwit. Noguchi vroeg haar waar zij geweest was. Zij antwoordde beleefd dat zij iets gebracht had bij Van der Vlecke.
Yamada sprong op, maar zei niets. Wát zij gebracht had, wilde Noguchi weten. Nu glimlachte Etsu. Haar blik bleef rusten op de middelste kaptafel. Daar lag de inhoud van in haast leeggehaalde laden en vakken – een rijk assortiment scharen en tangetjes, flesjes, potten brillantine – ordeloos opgehoopt. In gedachten echter zag zij het trage bruine water van het kanaal Molenvliet, waarin de snippers en proppen papier en de in stukken geknipte stroken filmnegatief zo even waren verdwenen – langzaam, langzaam, maar vlug genoeg om haar in staat te stellen daarna volgens belofte stipt om zes uur een feestjurk voor een jarig kind af te geven bij de familie Van der Vlecke. Noguchi keek over haar hoofd heen naar Yamada. Hij gebood haar hen alleen te laten.
‘Zij is terug, zeg Non,' zei mevrouw Matulaka, terwijl zij de krulspelden uit haar nu droge haren rolde. In de groeiende duisternis nam Etsu Yamada de kledingstukken van de waslijn. Zij liep ermee naar de bijgebouwen en bleef daar nog een tijdlang bezig.
‘Kassian, die kleine,' begon Non du Cloux, maar zij slikte haar betoog over het al te snelle zwichten voor mannelijke arrogantie in, toen de lichten in keuken en strijkhok uitgingen en mevrouw Yamada als een grijze schim voorbijgleed naar het woonhuis.

Haasse – Krassen op een rots, 87

[Jakarta 7 – Pasar Gambir] 

Djakarta, vertrouwde, vreemde, complexe smeltkroes-van-een-stad. Al in de zeventiende eeuw bestond de bevolking uit een conglomeraat van rassen: Maleiers, Balinezen, Buginezen, Makassaren, Chinezen, ‘Pampangers' van Luzon, Indiërs, Japanners. De 'orang Betawi' was een typische stadsmens, vrijmoediger, zelfbewuster, maar ook rustelozer den de desabewoners. Omstreeks 1800, na de ontsluiting van de Preanger, kwamen de eerste Sundanezen in de stad. Pas door de naoorlogse en vooral door de post-revolutionaire massale immigratie van werkzoekenden uit de dorpen in het binnenland, hebben zich op grote schaal echte Javanen in Djakarta gevestigd. Het Nederlandse en Indische element, gedurende drie eeuwen volstrekt bepalend, is binnen drie decenniën volkomen weggeëbd, als was het er nooit geweest. Op Medan Merdeka, het Koningsplein, waar in 1942 – om ter geruststelling van de bevolking zijn paraatheid te tonen – de volstrekt ontoereikende koloniale troepenmacht defileerde, worden in 1969 (kabouterachtig vervreemdingseffect!) in het bescheiden Nederlandse paviljoen op de Djakarta Fair aan de bezoekers kleine houten klompjes uitgereikt, zolang de voorraad strekt.

Haasse – Krassen op een rots, 97-98

[Jakarta 2 – Clowns] 

Sukarno heeft altijd graag de nadruk gelegd op het Javaanse in zijn wezen. Alleen in een echt Javaanse conceptie immers, kon hij zowel de Ratu Adil (de door het volk eeuwenlang verwachte bevrijder-vorst) als 'Bung' Karno, de vriend van de kleine man, zijn. Zonder twijfel heeft hij een grootse creatieve gooi gedaan naar het scheppen van een image van het nieuwe Indonesië: maar dan in de eerste plaats gericht op handhaving van zelfrespect, en op vertoon-naar-buiten, in de antieke Hindu-Javaanse trant, zo royaal en prachtig mogelijk, een twintigste-eeuws equivalent van de gouden staatsiepajong, de met juwelen bezette kris, het zowel in vreugde als in rampen altijd uitdagende, zelfbewuste masker. Zo heeft hij ook in zijn soms uren durende redevoeringen zijn gehoor weten te boeien en te veroveren door grappen en sarcasmen, op de manier van de Javaanse mythologische clowns, de Panakawans, de echte vrienden en prototypes van het volk, die steeds de lachers op hun hand hebben. 'Mythologisch' was in vele opzichten Sukarno's liefdeleven, dat van de held met ongeëvenaarde potentie die in een keur van schone vrouwen de aarde, het land, bezit en vruchtbaar maakt. Uit het dromerige kind met zijn zwakke gezondheid (zoon van een Javaan uit de lagere aristocratie en een aan Balinese vorsten vermaagschapte moeder), dat nachtenlang naar wajangvoorstellingen keek; uit de onder het Nederlandse bewind gefrustreerde jonge intellectueel, de martelaar voor de nationale vrijheid, is de ‘Bapak’, de Vader van de Revolutie, gegroeid: de briljante rol, waarin al zijn aspiraties aan bod kwamen, die hem in de gelegenheid stelde beurtelings of tegelijkertijd artiest, koning, hogepriester, halfgod, symbool te zijn. Niet toevallig, dunkt me, heeft hij op Bali zijn positie van voorbeschikte heerser onderstreept, door een landhuis te laten bouwen vlak bij de vallei van Tampaksiring, waar de bloedverwanten van koning Erlangga, middeleeuws vorst over Oost-Java en Bali, begraven liggen.
Ieder, die Sukarno intiem gekend heeft, roemt zijn persoonlijke charme, zijn meeslepende geestdrift, zijn wezenlijke zachtmoedigheid en oprecht idealisme. ‘Haat was hem vreemd’, zei een vroegere studievriend van hem. ‘Ook Hollanders haatte hij niet, integendeel, als volk hield hij van hen. Hij had als kleingehouden Aziaat en Javaan een diepe grief tegen het westerse koloniale systeem, dat een vrije ontwikkeling der Aziatische volken toen niet toeliet. […] Zelfs degenen die het op zijn leven gemunt hadden, haatte hij niet’. Gevaarlijk was Sukarno alleen voor wie hem wantrouwden of minachtten. Gevaar voor hem zelf school in de verblinding – misschien nog meer hybris naar klassiek model dan ijdelheid – die hem maakte tot een wajang in de handen van habiele politieke poppenspelers achter de schermen.

Haasse – Krassen op een rots, 106

[Subaya 2 – Sarekat Islam] 

De Sarekat Islam, de Islamitische Nationale Beweging (omstreeks 1912 in Solo opgericht, met de bedoeling de belangen van de Javaanse batikhandelaren te beschermen tegen de toenemende concurrentie van kooplieden uit China en India), groeide onder leiding van Umar Said Tjokroaminoto aanvankelijk uit tot een beweging ter bevordering van de sociale belangen van de kleine man. Toen in het begin van deze eeuw het Nederlands-Indische gouvernement afweek van de zo lang gevolgde gedragslijn van niet-inmenging in lokale aangelegenheden, en overging tot de 'ethische' politiek, dat wil zeggen: het bestuur uitbreidde tot de desa's (die ten gevolge van de snelle bevolkingstoename en de groei van de ondernemingen dreigden te verkommeren), zochten de dorpsbewoners, die niets wisten te beginners met de volstrekt van hun gemeenschapsopvattingen afwijkende nieuwe administratieve en technische maatregelen, leiding en steun bij de Sarekat Islam. Tjokroaminoto – de eerste schoonvader van Sukarno – werd destijds door het volk beschouwd als een Ratu-Adil, een redder in de nood. Voor de zoveelste maal in de geschiedenis van Java gaf het verlangen de doorslag om hoe dan ook het eigene te behouden en een verwarrende, complexe, inspanning vereisende omschakeling te ontgaan.

Haasse – Krassen op een rots, 114

[Bandung 2 – Verbraak] 

Bandung lijkt, uiterlijk althans, weinig of niet veranderd. De gebouwen en woonhuizen van vroeger staan er nog. De lanen en parken, de scholen, het voormalige ‘Gouvernements Bedrijven', of Gedung Saté – zo genoemd vanwege het ornament op het dak, dat doet denken aan een pin waaraan stukjes vlees geprikt zijn –, de achter meer dan manshoge heggen van bougainvillea en sokastruiken verscholen Technische Hogeschool (waar van 1921 tot 1927 Sukarno studeerde), ja zelfs het standbeeld van aalmoezenier Verbraak uit de Atjeh-oorlog, en de Dagoweg met zijn villa's, alles ademt nog diezelfde zonnige rust, al worden de bermen en de grasveldjes der plantsoenen in de droge tijd minder nauwgezet besproeid en van onkruid gezuiverd, en al zijn de 'moderne' huizen van omstreeks 1930 op hun fundamenten van aaneengemetselde rivierkeien bij nader toezien nogal verveloos en vervallen, en wat interieur betreft kaal voor wie zich de gekleurde schemerlampen en knusse stoffering van het laat-koloniale Hollandse binnenhuis herinnert. Er is in deze wijken maar weinig verkeer, een enkele betjakrijder doorkruist loom de stille straten, waar nauwelijks andere mensen te zien zijn dan zo nu en dan groepjes studenten of scholieren. Krioelende stadsdrukte – Bandung heeft volgens de laatste opgave bijna twee miljoen inwoners – vindt men rondom het station en in de uitgestrekte volks- en pasarbuurten achter de alun-alun. In de verte, altijd zichtbaar aan het einde van een straat, of tussen huizen en bomen door: de blauwe omtrekken van de bergen die de hoogvlakte omringen.

Haasse – Krassen op een rots, 116-117

[Bandung – Homann]

Op een dag worden er in de halvemaanvormige feestzaal van hotel Homann, dat nu Savoy voor zijn naam heeft staan, rood-witte bloemstukken binnengedragen: de nationale kleuren, de kleuren van het middeleeuwse rijk Majapahit. Om zeven uur in de avond stemmen jongemannen in modieuze kledij op het podium hun elektrische gitaren. Op de trap in de hall recipiëren twee mooie meisjes, één sarong en kabaja, één in satijnen mini-jurk. 'Happy birthday to you!' hoor ik een gast zeggen; er volgen handkussen in Franse stijl. Om acht uur barst de muziek los. Zijn dit feestvierende employés van het Instituut voor Telecommunicatie, dat dezer dagen zijn oprichting herdenkt, of studenten van een der hogescholen, of gaat het om een langverbeid optreden van de 'Pro's' met hun leider Bing Slamet? Moeten wij in de fraaie jonge vrouwen misschien de Ratu Batik, de sarongkoningin van het jaar en Miss Djawa Barat 1969 zien, die – blijkens spandoeken in de hoofdstraat – in de stad verwacht worden, of zijn zij Tetty en Nenny, mannequins van de pasgeopende Bella Mia Boutique? Tot diep in de nacht schalt de ene tophit na de andere door de donkere Djalan Asia Africa. Op de trottoirs hurken luisterend grote groepen betjakbestuurders en sigarettenventers. Aan de overkant van de straat (veertig jaar geleden het gebouw van de soos, waar ik als kind Cor Ruys heb zien optreden in Potasch en Perlemoer) zit een jongen hardnekkig dwars tegen de muziek in schrille tonen te blazen op een bamboefluit, levende dubbelganger van een der figuren van de uit grijze rivierklei gemodelleerde beeldengroep voor het hotel: een fluitspeler uit de desa, die een waterscheppende Sundanese schone hulde brengt.
Het orkest heeft behalve beat ook krontjong, soul, chansons, pop, musical, rock 'n roll en schlagers van dertig jaar geleden op het programma, alles met tomeloze energie en overgave en met grote flair voor de bijzondere kenmerken van ieder genre gespeeld en gezongen. Er wordt ook gedanst, in de beproefde ball-roomstijl; een enkel paar swingt. Orthodox-islamitische kringen beschouwen de westerse dansen als onzedelijk; over het algemeen trouwens vinden Indonesiërs onze vormen van vermaak zowel enigszins belachelijk als onesthetisch. Degenen, die het gevaar van radicaal verbieden beseffen, zoeken naar een compromis, een Indonesische variant van 'volksdansen', tot nu toe blijkbaar zonder veel succes. Integendeel, het conflict spitst zich toe. In 1966 kon een hoogleraar in volle ernst verklaren, dat studenten van de Gadjah Madah universiteit in Jogja, die het zouden wagen een dansavondje in westerse stijl te organiseren, de kans liepen door strenger opgevoede medestudenten met stenen bekogeld te worden.

Haasse – Krassen op een rots, 118-119, 120

[Jakarta 2 – Strijd] 
[Yogya 1 – Expositie] 

Bloei van de klassieke dans(toneel)kunst impliceert een levende traditie. Dat laatste zou misschien een verscherping van bepaalde godsdienstige en politieke binnenlandse tegenstellingen ten gevolge kunnen hebben. En dergelijke conflicten belemmeren de vooruitgang. De antieke Hindu-Javaanse cultuur lijkt min of meer ‘ondergronds' geworden. Dat betekent niet hetzelfde als dood en begraven, integendeel. Er is, als altijd in bewogen tijden, sprake van een intense emotionele belangstelling voor de wajang purwa. Deze oudste vorm van het schimmenspel geeft gestalte aan wezenlijke concepties van Javaans innerlijk leven, en fungeert voor de meer bewuste toeschouwer als een soort van geestelijke prikkel.
Al in de elfde eeuw kende men dergelijke vertoningen met platte poppen, uit buffelhuid (kulit) gesneden, die heen en weer bewogen worden tussen een lamp en een wit scherm, terwijl de dalang, de poppenspeler, bij gamelanmuziek de begeleidende tekst spreekt en zingt. Die tekst bestaat nog steeds in hoofdzaak uit verhalen, ontleend aan de Hinduheldendichten Mahabbarata en Ramayana.
Over de oorsprong van de wajang is maar weinig bekend. Vermoedelijk moesten in het verre verleden de poppen voorouderschimmen voorstellen – vandaar hun vreemde, grillige vormen – en had het eigenlijke spel de functie van een oproepen der gestorvenen om hen te raadplegen in moeilijke omstandigheden. In de Hindutijd schijnen die oeroude overleveringen betreffende het volk en de machten en krachten in de natuur, samengesmolten te zijn met de Voorindische heldenverhalen die aan de vorstenhoven in zwang kwamen. De verschillende vormen van wajang (golek, kulit, kelitik enz., al naar het materiaal en de gedaante van de poppen), zijn op Java en Bali altijd de volkskunst bij uitstek geweest. De meeste uitvoeringen vonden en vinden dan ook plaats in de desa's en stadskampongs voor een strikt eigen publiek, bij bepaalde feestelijke gelegenheden, een huwelijk, de geboorte van een kind, een besnijdenis. Tegenwoordig schijnen met name de intellectuelen de dubbele bodem en diepere zin van het schimmenspel herontdekt te hebben. Het bijwonen van de vertoningen krijgt weer, als in oude tijden, de betekenis van wijsgerige bezinning, maar dan nu vaak met extra nadruk op de nationale gedachte. De taal en de lakons (mythologische verhalen), en de aard van de symboliek, maken de wajang tot een zaak voor ingewijden: een middel voor het overdragen en gemeenschappelijke beleven van inzichten betreffende land en volk, die van andere orde zijn dan politieke propaganda. Wel hebben politici de in de wajang geboden mogelijkheden tot het verklaarbaar en aanvaardbaar maken van ingewikkelde situaties steeds terdege beseft en aangegrepen. In de onafhankelijkheidsstrijd hebben wajangvoorstellingen van de beslissende confrontatie tussen de mythische helden, de Pendawa's en de Korawa's, een niet te onderschatten rol gespeeld. Na 1945 zijn er weer nieuwe variaties op de oude thema's ontstaan, bij voorbeeld de wajang Diponegoro, over de opstand tegen het Nederlandse gezag honderdvijftig jaar geleden, en de wajang Pantjasila, bedoeld als opvoeding van een ongeletterd massapubliek tot de vijf grondbeginselen van de Indonesische staat: geloof in God, nationaal bewustzijn, humaniteit, democratie en sociale gerechtigheid.[…]
Wat in de wajang verbeeld wordt, is in de eerste plaats de indeling van al het bestaande in een kosmische orde, die het denken en doen van de stervelingen beheerst, en waaraan men zich alleen op straffe van vernietiging kan onttrekken. De scheiding der geesten speelt zich af in dit vlak. Het gaat er om, of iemand al wat er gebeurt, strijd en zege en dood en geluk en ramp, zelfs het meest paradoxale, kan zien als een schimmenspel 'in het licht der goden', als het ware opgenomen in een groot geheel, waardoor er, hoe dan ook, evenwicht is (en juist dat maakt de toestand voor de van nature nu eenmaal onvolkomen mens toch draaglijk); of dat men een radicaal, dus eenzijdig, standpunt inneemt, overtuigd is van eigen gelijk, zich onverdraagzaam betoont en daardoor zelf in de gemeenschap onverdraaglijk wordt.

Haasse – Krassen op een rots, 123-124

[Bandung – tien beginselen]

Priangan, het vaderland van de Sundanezen, die ongeveer vijfentwintig procent van de bevolking van Java vormen, gold in het begin van deze eeuw als een centrum van revolutionaire bewegingen. Bandung, met zijn belangrijke huisindustrie (veel textielfabrieken, looierijen, ververijen) was omstreeks 1925 de enige grote stad op Java waar geen algemeen vergaderverbod voor de communisten bestond, en waar de organisatie van de onder auspiciën van Nederlandse kameraden tot stand gekomen partij, de oudste in Zuid-oost Azië, na de ups and downs die op haar oprichting in 1920 gevolgd waren, nog intact was. In Bandung woonde en werkte lange tijd E. F. E. Douwes Dekker, Multatuli's achterneef, die zoveel heeft bijgedragen tot de ontwikkeling van het vakonderwijs, en tot de bewustwording van Indonesische intellectuelen. In Bandung richtten in 1927 progressieve studenten de Partai Nasional Indonesia op, met Sukarno als eerste voorzitter. Bandung was de eerste stad op Java, die zich in 1945 na de nederlaag van Japan onafhankelijk verklaarde. In Bandung ontstond echter ook in 1946 de Partai Rakjat Pasundan, die zich vóór de stichting van een Sundanese staat in federaal verband verklaarde, onder Nederlands oppertoezicht. Dit semi-autonome Pasundan heeft vanaf april 1948 korte tijd bestaan; in de ogen van velen een machteloos marionettenrijkje, een collaborerende, aan banden gelegde 'provincie' van de voor hun ondernemingen beduchte Nederlanders, die met de souvereiniteitsoverdracht ophield te bestaan. Bandung was van 1949 tot 1962 het centrum van de separatistische activiteiten van de Dar-ul-Islam, die Java tot een moslemstaat wilde maken. In Bandung had in 1955 de Afro-Aziatische Conferentie plaats; het was de bakermat van een van Sukarno's concepties, de Dasa Sila, Tien Beginselen ter Bevordering van Wereldvrede en Samenwerking. Bandung heeft nog steeds de naam de meest 'Europese' stad van Indonesia te zijn: de prijzen, die ex-president Sukarno jaarlijks placht uit te reiken voor de best-onderhouden, zindelijkste stad van het land, gingen als regel naar Bandung.

Haasse – Krassen op een rots, 124b

[Bandung – Braga]

Toch hangt er in de rustige door-de-weekse dagen een sfeer, die verwant lijkt aan de vooroorlogse Nederlands-Indische. Dat komt misschien door enkele opschriften in de winkelstraat Djalan Braga, die nog uit het verleden stammen, bij voorbeeld de tegeltableaux 'Dranken en Provisiën' en 'Leeren Artikelen' op de pui van een gebouw, dat al sinds lang een heel andere bestemming gekregen heeft, en het in koperen lettertjes uitgevoerde 'Brieven' op sommige deuren.
In de boekhandels van deze universiteitsstad zijn naar verhouding meer Nederlandse boeken te koop dan elders, al dateren zij van minstens tien jaar geleden en maken zij een zeer tweedehandse indruk.

Haasse – Krassen op een rots, 124c

[Bandung – Homann]

De oudere leden van het personeel van hotel Homann spreken Nederlands, in de hall staat onder een vitrine een klein model van het mailschip 'Baloeran' van de Rotterdamse Lloyd (toevallig de boot waarop ik in 1938 naar Nederland reisde). Het Nederlandse onderschrift bij de plaat op de Indonesische kalender anno 1969, die in onze kamer hangt, luidt: 'Lach iedere dag, want lachen is gezond.'

Haasse – Krassen op een rots, 124-125

[Bandung – Veteran]

Weken later zouden wij elders op Java bij toeval terecht komen op een feestavond van een bond van veteranen uit de vrijheidsstrijd. Zij vierden hun eenentwintigste verjaardag. Na koorzang door de echtgenotes en klassieke Javaanse dansen door de dochtertjes van de oudstrijders, klommen enkele veteranen zelf op het podium om een sketch te spelen. De commandant trad op als Amsterdamse Jansen-met-de-pet (met geïmproviseerde Nederlandse tekst) en lanceerde onder andere: 'Wat is het verschil tussen Amsterdam en Adam (A'dam)? Het KNIL.' Later zong hij samen met een paar collega's 'Daar bij die molen', dat door het Indonesische publiek zichtbaar geamuseerd werd meegeneuried (een en ander tot verbazing van een handvol Amerikaanse toeristen, die zich luidkeels afvroegen welke taal hier gangbaar was behalve 'Javanese').

Haasse – Krassen op een rots, 138-139

[Bandung – Station]

Op een ochtend staan wij nog voor zonsopgang op een perron van het station Bandung, te midden van de reizigers, dragers, kooplui met fruit en sigaretten en snoep, die zich voor de ingangen van de Limex-exprestrein verdringen. Wij reizen Klas Utama, dat betekent een zitplaats, een witte antimakassar over de rugleuning, een fan aan het plafond van de coupé. Het is stampvol. Koffers, manden en tassen worden in het bagagerek gestapeld. Iedereen installeert zich voor de tien uren durende tocht naar Jogja: de grijze dame uit India, in vele meters smetteloze mousseline gewikkeld; haar zoon; twee Japanse meisjes-op-vakantie, die dadelijk kranten in haar eigen taal openvouwen en zich verdiepen in verticale reeksen spinnepootachtige tekentjes; een jong echtpaar, bedolven onder slapende kinderen; een mijnheer, die zijn zojuist gekochte ontbijt nuttigt, nasi-goreng in een tuitzak van pisangblad; en een grote dikke Amerikaan in een paars hemd, met een drankneus, die zich ontpopt als een soort van evangelist, terstond hardop begint te bidden en te getuigen, en een keurig beleefde, dus weerloze, jongen naast hem onderwerpt aan een soort van hersenspoeling waar voorlopig geen einde aan zal komen: 'God heeft mij uitgekozen om naast jou te zitten, vandaag ... om je een nieuw leven te geven ... om je te redden van de hel... Weet je wel wat de hel is? Waar woon je... hoe heet je?... Zijn jullie moslems?... Wat doet je vader?... Is hij in het leger?... Is hij generaal? ... Kolonel?... Ben je gelukkig?... Nee, je bent niet gelukkig. Ik zie heel goed, mijn jongen, dat jij niet gelukkig bent...'
De trein zet zich in beweging. Er is nog geen licht in de hemel, maar een doffe gloed wordt zichtbaar in het oosten, als de weerschijn van een brand voorbij de horizon.

Haasse – Krassen op een rots, 166

[Subaya 2 – Simpanghotel] 

De vergane glorie van ‘Indische' hotels heb ik overigens nergens zo ervaren als tijdens een later verblijf in Surabaja. Het Simpanghotel, dat ik mij kan herinneren als het middelpunt van het uitgaansleven in de jaren twintig, riant gelegen op het belangrijkste kruispunt van het toen nog door hoog geboomte beschaduwde stadscentrum, maakt nu een droefgeestige, ietwat vervallen indruk.
In de grote, kale open hal staan als eilanden enkele zitjes; de logeerkamers, achter hun voorgalerijtjes waar opgelapte krees de zinderende middaghitte niet buiten kunnen houden, zijn haast kerkhoge kubussen met witgekalkte wanden en een krakende, piepende elektrische fan aan het plafond. Groezelige lakens en handdoeken, een badkamer die 'naar de put' ruikt. In de eetzaal was het verstrijken van de tijd nog tastbaarder. De donkere betimmeringen, de marmeren vloeren, het buffet met zijn koperen reling, zijn nog dezelfde als in de dagen van de soosfeesten van weleer, toen verklede kinderen hier in een wolk van talk in kringen en rijen rondhosten – maar het geheel ademt nu de sfeer van de hal van een in onbruik geraakt station uit de dagen van de Oostenrijks-Habsburgse monarchie ergens in Zuidoost-Europa. In de kale stilte zoemden vliegen, twee, drie eenzame eters zaten zwijgend aan de met bevlekt linnen gedekte tafeltjes. In de hitte, aan de rand van de nu met rasterwerk afgesloten galerij, verdrongen zich straatventers en nieuwsgierige kinderen.

Haasse – Krassen op een rots, 166

[Yogyakarta 2 – Hotel] 

Jogja: de brede lanen in het centrum boomlozer dan vroeger, maar oneindig veel drukker. Ook hier een leger van betjaks, en nog wat andongs, negentiende-eeuwse rijtuigjes, en verder duizenden fietsers op ouderwetse hoge rijwielen, waaronder nog vele van Nederlandse makelij. Het Garudahotel vlak bij het station is een museumstuk van koloniale stijl uit de jaren twintig: hoge zalen, hoge kamers, vol massieve sombere meubelstukken van gepolitoerd hout, en nog voorzien van klamboe-bedden als vierkante dozen van gaas, donkere Singapore-klapdeurtjes naar de voorgalerijen en balkons.

Haasse – Krassen op een rots, 167

[Yogya 1 – Alun-alun] 

Op een ochtend als ik in Toko Oen, 'de' Chinese lunchroom van Jogja, aantekeningen zit te maken – buiten trilt de lucht als gesmolten glas boven het asfalt – schetteren vanuit een naburig huis de klanken van een Carmen-potpourri door de hoofdstraat Malioboro: het stadsorkest repeteert. Ik moet denken aan De koperen tuin van Vestdijk, aan de negentiende-eeuwse provinciale sfeer, die hier, in Jogja bij vlagen nog oppermachtig heerst, ondanks het feit dat wij in de 'hoofdstad van de revolutie' zijn. De alun-alun voor het paleis van de sultan, dat wijde droge veld met zijn twee omheinde waringinbomen, is als een gravure uit een reisboek van honderd jaar geleden.

Haasse – Krassen op een rots, 168-169

[Yogya 1 – Mooiste] 
[Yogya 1 – Prabayeksa] 
[Yogya 1 – Ambtenaren] 

De prinsen Purbaja en Murdiningrat, broers van sultan Hamengku Buwana IX, bewijzen ons de eer ons persoonlijk rond te leiden door de zeven afdelingen van de Kraton, zeven ommuurde pleinen met vorstelijke woonverblijven (de Dalem), bijgebouwen, ambtsgebouwen, pendoppo's (overdekte, rondom open ruimten) voor plechtigheden. De mooiste van deze pendoppo's is in 1928 door Berlage nagebouwd als Nederlandse bijdrage tot de wereldtentoonstelling in Parijs: een spiegelende marmeren vloer, rijen in donkerrood en goud geschilderde houten pilaren, die een breed gehuifd schaduwspreidend dak dragen; daarbinnen een vaag blinken van lichtkronen, geblazen uit kleurloos Venetiaans glas. Misschien werpen wij hier wel een blik in de ceremoniële ruimte, waar omstreeks 1790, aan de vooravond van de Franse Revolutie, de pasgeboren prins Diponegoro, achterkleinzoon van de eerste sultan van Jogjakarta, aan de vorst getoond werd, die zijn handen op het hoofdje legde en sprak: ‘Weet, dat het de wil is van de Almachtige, dat dit kind bestemd is om in later tijd de Hollanders te verderven.'
Op de achtergrond, in de diepte van een galerij, brandt het vlammetje van de vorstelijke aanwezigheid, meer dan twee eeuwen geleden ontstoken (toen het rijk van Mataram werd gesplitst in Jogjakarta en Surakarta), en dag en nacht bewaakt door een speciale dienares; daar bewaart men ook de heilige speren, die bij plechtigheden in het gevolg van de sultan worden meegedragen. Bij de ingang naar de privé-vertrekken hurken twee onbeweeglijke vrouwen, leden van de traditionele lijfwacht. Aan de overkant van de in schel zonlicht blakerende binnenplaats, onder een afdak, zit een rij hoogwaardigheidsbekleders van de Kraton in hofdracht: kaïn en donker hooggesloten jak en kunstig geplooide hoofddoek, de sierkris achter in de gordel gestoken. De prinsen tonen ons de gamelans, die allemaal eigennamen dragen, als mensen (het oudste stel instrumenten dateert uit de twaalfde eeuw, het rijk van Majapahit); fraaie handschriften in het Oudjavaans, de poorten met hun bekroning van ineengestrengelde groene en azuurblauwe Naga-slangen, symbool van het jaartal 1775, de voltooiing van de Kraton. Ten slotte krijgen wij de collectie wajang-kulit poppen van het hof te zien. Iedere sultan heeft zijn eigen verzameling gehad, in aparte kisten opgeborgen. Prins Murdiningrat wijst ons de lievelingsfiguur van zijn vader aan, een Krishna, zwart van aangezicht, uiterst fijn à jour bewerkt en met kleine diamanten bezet. Er is in deze pendoppo juist een dalangschool op bezoek; ongeveer honderd cursisten van alle leeftijden zitten gehurkt op de grond (hun schoeisel hebben zij uit eerbied buiten op de drempel achtergelaten), de prachtige poppen gaan van hand tot hand, terwijl de leermeester uitleg geeft.

Haasse – Krassen op een rots, 169-170

[Yogya 1 – Danapratapa] 
[Yogya 1 – Portrettengalerij] 
[Yogya 1 – Raden Saleh] 

In een kleine zijgalerij zijn geschilderde portretten van vroegere vorsten uitgestald, onder andere een groot doek van Raden Saleh, voorstellende sultan Hamengku Buwana VII. Hij wordt geflankeerd door twee vrijwel identieke vrouwenbeeltenissen, in gelijke dracht van donkere sarong en diepblauw lang jak: de eerste gemalin, die hem slechts een dochter schonk, en de tweede, 'een meisje uit de desa', die de moeder van zijn zonen werd. Prins Murdiningrat begint een kinderliedje te citeren, dat in zijn jeugd (en de mijne) op alle Nederlandse scholen gezongen werd: 'Zij was geen boerin / Maar wel een vorstin / Het staat in een boekje te lezen...' In mijn geheugen klapt iets open en ik kan aanvullen: 'Zij dorste het graan / Liet het spinnewiel gaan/ En reed zij op Graauw d'ezelinne/ Dan lachte de tortel haar na, ha ha ha / Dan lachte de tortel haar na.'
Merkwaardig ogenblik, waarin de complexe werkelijkheid heel even helder waarneembaar wordt. Een beeld flitst door mijn gedachten: de lagere school in Bandung, dezelfde die ik een week tevoren heb teruggezien, de klas waar altijd koele schemer heerste, met de zwarte banken en de klapdeurtjes naar de galerij; het gezoem van kinderstemmen, de weerschijn van de warmte en het licht buiten op de weg en op de speelplaats. Een rustige wereld, maar van een andere, naïevere, minder gecultiveerde rust dan de stilte in het oude vorstenverblijf met zijn schijnbaar verlaten reeksen van galerijen, in de schaduw van sawohbomen, de traditionele beplanting van een kratonerf, omdat die boomsoort langzaam groeit, dat wil zeggen de tijd heeft, alle tijd, alle rust. De prinsen glimlachen hoffelijk; zij zijn geboren en getogen in deze stad-binnen-in-een-stad, in de Dalem en de Kapoetrèn, het vrouwenverblijf, met hun ingewikkelde strenge etiquette, maar ook gedeeltelijk gevormd in Nederlandse sfeer (als kleine jongens werden zij tijdelijk in huis gedaan bij Nederlandse gezinnen, om de taal te leren, bij wijze van voorbereiding voor school en voor latere studie in Delft of Leiden). Toch hebben zij eens hier – zoals te zien is op foto's in de portrettengalerij – naar Javaanse hoftrant bruiloft gevierd, en hun in glinsterende tooi gehulde bruiden in haar rood en gouden draagstoelen te paard begeleid naar de plaats van de officiële huwelijksvoltrekking, niet anders dan jonge mannen uit hun geslacht dat honderd of tweehonderd jaar geleden plachten te doen. De Nederlanders zijn gekomen en weer gegaan, maar de gamelanstellen en de wajangfiguren, en deze vorstenzonen met hun erfenis van haast godgelijk prestige in de ogen van het eenvoudige desavolk zijn gebleven. Het ouderwetse kinderliedje, dat hier nog als een echo rondwaart, schijnt iets op te roepen, dat in deze omgeving meer geldigheid bezit dan westerse macht en know-how.

Haasse – Krassen op een rots, 170-172

[Yogya 1 – Expositieruimten] 

Later hoorde ik, dat de prinsen wel vaker hun Nederlandse gasten verrassen met bovengenoemd citaat uit een zangbundel voor het lager onderwijs van tempo dulu. Is het daarom een uit het hoofd geleerd lesje, een automatisme? Ik geloof van niet; het lijkt mij voor hen een middel om tactvol iets mee te delen, dat zij van wezenlijk belang achten. Zij hebben zich in dienst gesteld van hun Javaanse wereld, ten behoeve van de toekomst, op een manier die zij stijlvol vinden. Zowel prins Murdiningrat, die verantwoordelijk is voor het financiële beheer over de vorstelijke huishouding, als prins Purbaja, die aan het hoofd staat van de bibliotheek en de kunstverzameling, leggen bij het openstellen van de Kraton voor publiek de nadruk op overdracht van een sfeer. Het maakt voor hen geen wezenlijk verschil, of de bezoekers westerse toeristen, desabewoners uit de vorstenlanden, of studenten en scholieren zijn. Men kan hun aanpak archaïsch en onzakelijk noemen (er wordt gezegd, dat zij grote innerlijke weerstand te overwinnen hebben waar het 't heffen van entreeprijzen voor bezichtiging van de Kraton betreft), men kan ook glimlachen over veel dat ouderwets of armetierig aandoet in het paleis, zoals bij voorbeeld de staatsiemeubels met hun pluche en verguldsel, de glas-in-lood sierruitjes aan het dak van de eetzaal, en de afschuwelijke kitschige geschenken (Victoriaanse inktstellen en pendules, siervazen en soepterrines) die in het verleden staatshoofden en andere officiële westerse bezoekers de vorsten van Jogja durfden aan te bieden.
Het schijnt, dat het ‘koninkrijk', en al wat men in het begrip Kraton zou kunnen samenvatten, een aflopende zaak is. De huidige sultan heeft nog geen opvolger, en zal er – zegt men – ook nooit een aanwijzen. Na zijn dood wordt het paleis staatseigendom. Maar juist in de kalme afwijzing om de mogelijkheden tot oosterse glamour in de Kraton te exploiteren, is een element dat sympathie wekt, eerbied afdwingt. De activiteit van de prinsen kan zinvol zijn als correctie op de over het algemeen 'Kulturfeindliche' instelling van de orthodoxe moslems. In dat opzicht heeft het vorstenhuis van Jogja een traditie hoog te, houden.
De sultan laat jaarlijks offers brengen naar de vulkanen Merapi en Lawu, de heilige bergen van Midden-Java, en naar de zuidkust, voor Ratu Lara Kidul, de godin van de Indische Oceaan. Het volk gelooft dat door deze offers de altijd in het verborgene werkzame destructieve natuurkrachten, die de vruchtbaarheid en de vrede bedreigen, bezworen worden.
Hamengku Buwana IX mag in alle opzichten de belichaming heten van de kracht, het aanpassingsvermogen, van de oude zeden en van het Javaanse nationale bewustzijn. Hij, hoofd van een dynastie, voor het landvolk steeds 'de heerser' was ten tijde van Sukarno's bewind de opperste magistraat in een overwegend communistische provincie, maar ook lid van het nationale parlement; in de regering-Suharto is hij Minister van Staat voor Economische, Financiële en Industrieële Zaken. Zijn dochter trouwde onlangs in Javaanse hofstijl; bruid en bruidegom droegen de schitterende kledij van de middeleeuwse vorsten, kains met het parang-rusakmotief in geel en bruin, die oeroude krijgsornamentiek van de gebroken kapmessen; gouden diademen en armspangen en gordels met robijnen en diamanten bezet. Het bovenlijf van de jonge man was naakt, zoals dat hoort voor een held; de bruid was geschminkt als een mythische hemelnimf: de gelakte wenkbrauwen en haaraanzet diepzwart afstekend tegen het matblanke gezichtsovaal. De vergulde draagstoelen zijn zonder twijfel weer van stal gehaald, de gamelans en speren en vaandels in de stoet meegedragen, en op het spiegelende marmer van de pendoppo zal het feestmaal opgedist zijn. De bruid studeert, hoorde ik, en de bruidegom is officier van de landmacht. De broers van de sultan, die ons in Jogja ontvingen, zijn de bestuursleden van de Stichting Nederlandse Openbare Leeszaal en Bibliotheek. In moderne westerse kleding, schertsend en joviaal, hebben zij met ons aangezeten aan een rijsttafel in Toko Oen. Maar toen wij met hen door de zeven hoven van de Kraton liepen, naderden ambtenaren die hen iets wilden vragen, in hurkhouding, brachten eerbiedig de sembah – om zich daarna, weer diep buigend, achterwaarts kruipend terug te trekken uit de vorstelijke tegenwoordigheid.

Haasse – Krassen op een rots, 180

[Jakarta 2 – Goenoengan] 

[…] een reusachtige gunungan, een gestileerde (vijge)boom als symbool van de heilige hinduberg Mahameru, waar volgens de legende de boom des levens groeit:
‘De vorm van de boom,
Zijn eind, zijn begin,
De aard van zijn wezen,
Kennen wij niet.' (Bhagavad-Gita)
De gunungan verbeeldt het zegen en bescherming afsmekende offerritueel dat in het verre verleden aan elke wajang-voorstelling voorafging. Tijdens de vertoning gebruikt, dient de in ‘sawoet'-trant met fijne krulletjes en kronkeltjes à jour-bewerkte bladvormige figuur om grote gebeurtenissen, een verheven stemming of een indrukwekkende omgeving aan te duiden.

Haasse – Krassen op een rots, 180-181

[Jakarta 2 – Clowns] 

De groep clowns, die in een spel van dit type nooit ontbreekt, de Panakawans: de korte dikke Semar, de lange magere Petruk en Gareng- met-de-horrelvoet, een driemanschap van gedrochtelijke, door en door ‘aardse' wezens, die naast de nobele gestalten van Arjuna en de andere helden de rol vervullen van dienende begeleiders, prototypes van het gewone volk, de Javaanse voorouders, is hier met nog een figuur uitgebreid, Bagong (in het Sundanees betekent dat ‘zwijntje'), een kinderlijke pias, een kruising tussen Stan Laurel en Jan Klaassen, die zich een waanzinnig masker geschminkt heeft, een rood-en-wit doodskopje vol verbaasde gein. Waar de andere drie zich houden aan de voorgeschreven rollen van de dikke man en zijn zoons, gaat hij zich te buiten aan improvisaties en terzijdes tot de gierende zaal; volgens onze begeleiders worden er heel wat actuele toespelingen gemaakt en gewaagde moppen getapt. Het is stampvol in het theater; er wordt gegeten en gedronken, levendig gepraat tijdens de voorstelling, kleine kinderen klimmen over de stoelen, mensen lopen in en uit.

Haasse – Krassen op een rots, 188-189

[Borobudur 0 – Tempel] 
[Borobudur 5 – Terrassen] 

Hoe langt duurt een meditatie? Er zijn geen kluizenaars meer. Welke mens, die nu leeft, kan zich geheel naar binnen toe keren, de wereld uitbannen, blind zijn voor de werkelijkheid?
De Borobudur is de vrijwel volmaakte uitdrukking van de eenheid van godheid, mens en natuur. Die berg-van-een-monument is misschien geïnspireerd door de Dièngformatie, die oudste bedevaartplaats van het land, zetel van goden en voorouders, plek waar bronnen ontspringen, geheimzinnig grensgebied tussen de wereld der levenden en die van de doden *] In de Borobudur zouden de heiligdommen van de neolithische oerbevolking (in bergen uitgehakte opeenvolgingen van terrassen, met steenhopen en enkele rechtopstaande spitsen) samengesmolten zijn met buddhistische en hinduïstische motieven, zoals bij voorbeeld de kosmische berg Mahameru met zijn vijf of negen toppen.
De trapsgewijze zich voltrekkende opbouw, vanaf de brede basis (waarin, verborgen, afbeeldingen van het alledaagse aardse mensenbestaan) naar de eenzame, gesloten koepel op de top, via de ommegangen met hun reliëfs van Buddha's leven en werken vol drama en dynamiek, naar de hogere platforms, waar tweeënzeventig bodhisattva's [Dhyani-Buddha’s] naar alle windrichtingen gekeerd mediteren, zelf maar gedeeltelijk zichtbaar in hun klokvormige opengewerkte stupa's, is een geestelijke oefening van de eerste orde.
*] Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I, 268