Leopold, Den Haag 1974

Ferguson – Nu wonen daar andere mensen, 19

[Jakarta 5 – Boekhandel] 

Vanachter mijn mica herkende ik íets van het Koningsplein, we reden zelfs door de voormalige Rijswijkstraat nu Jalan Modjopait, héél even ving ik een glimp op van de winkel-naast-Rathkamp, de boekhandel van mijn ouders waarin nu een Chinese curio-shop gevestigd is, en in gedachten zei ik tegen mijn ouders, ‘weet je dat de winkel er van buiten net zo uitziet als vroeger? Er is nu een antiquiteitenzaak in gevestigd,’ en toen pas besefte ik dat mijn ouders er niet meer zijn.

Ferguson – Nu wonen daar andere mensen, 19a

[Jakarta 5 – Dordrechtlaan] 

Mijn bestuurder draaide langs het voormalige Hotel des Galeries het voormalige Noordwijk op, daar was vroeger een heel grappig zijstraatje waarin mijn ouders en ik, toen ik terug was uit Makassar, tot het begin van de Japanse bezetting hebben gewoond. In september 1942 moest het hele straatje ontruimd worden want in de huizen werd een Japans bordeel gevestigd, het was inderdaad, doodlopend en met fraaie stille tuintjes, een ideale plek – lijkt me. Er waren nu bulldozers aan het ratelen, er lag overal puin, ik kon zelfs de ietwat verscholen ingang niet meer ontdekken.

Ferguson – Nu wonen daar andere mensen, 19-20

[Jakarta 5 – Escompto-gebouw] 

Ik ontwaar het bankgebouw waar ik moest zijn en stak één vinger opzij buiten de kap [van de bemo] omhoog, dat hielp meteen. Na de puin- stof- en zon-chaos buiten is het in de bank, nu echt de ABN, airconditioned, donker luxueus. Een meneer aan het loket begint meteen dierbaar Hollands te spreken hoewel hij nog nooit in Holland blijkt te zijn geweest. Bij de Bank Negara Indonesia gisteren bood men mij voor één gulden travellercheque 145 rupiah, voor één gulden contant 48 rupiah. Vanochtend bij de ABN wisselde men bij een koers van ruim 159 rupiah voor een gulden.

Ferguson – Nu wonen daar andere mensen, 20

[Jakarta 4 – Carrefour] 

Na de bank liep ik een stukje terug tot ik weer bij het punt was waar de bulldozers bezig waren, vlak bij het voormalig Hotel des Galeries. Het gebouw, in mijn jeugd enorm modern, lag tegenover het wereldberoemde Hotel Des Indes. Dat is vorig jaar ineens maar gesloopt, tot verdriet van vele inwoners van Jakarta. Want al was het dan een monument van het koloniale uitgaansleven, als instelling had het toch iets bijzonders, en het heeft ook lang na de souvereiniteitsoverdracht heel wat interessante mensen geherbergd uit alle delen van de wereld, en met die mensen heel wat brandpunten van economische, historische, militaire, politieke – en erotische – verwikkelingen.
Er is nog niets voor in de plaats gekomen, er staat een dooie schutting en er ligt rommel.

Ferguson – Nu wonen daar andere mensen, 20a

[Jakarta 5 – Nitour] 
[Jakarta 5 – Sociëteit de Harmonie] 

Op de andere hoek ligt de sociëteit De Harmonie, ook dit witte – nu vuilwitte en verwaarloosde – gebouw een bolwerk van koloniale grandeur, dat ook in de jaren 1930-1940 bij de Europeanen al nostalgie opriep naar tempo dulu toen het leven nog zoveel kalmer en poëtischer was. Ik ben er nooit geweest, hoewel we er schuin tegenover woonden. Mijn ouders, die een tweedehandsboekhandel dreven, hoorden tot de middenstand en die werd niet toegelaten als zijnde een te banale maatschappelijke laag in deze, ondanks een uiterlijke openheid, hoogst hiërarchische vooroorlogse samenleving. Tegenover de Harmonie, aan de ingang van de voormalige Rijswijkstraat, ontwaar ik nog steeds het bord van Nitour, destijds een bekend reisbureau voor toeristische reizen.

Ferguson – Nu wonen daar andere mensen, 20-21

[Jakarta 5 – Boekhandel] 

Ik wil oversteken om op mijn gemak het pand te bekijken waarin een boekhandel gevestigd is geweest; in het begin van de Japanse bezetting konden mijn ouders de zaak met hangen en wurgen voortzetten. Daar speelden zich soms vreemde taferelen af. De klandizie was met bijna honderd procent teruggelopen, dus mijn vader verveelde zich en hielp mijn moeder wel eens met het op kluwens oprollen van strengen breiwol. Mijn vader was buitengewoon bang, maar dat was meer een neurotische levensangst dan specifieke angst voor Japanners. Er kwamen wel eens Japanse officieren in de winkel, maar ze moesten niet het hart hebben te proberen iets mee te nemen zonder betaling. De meesten gedroegen zich in dat opzicht trouwens onberispelijk. Maar blijkbaar verveelden ook die bezetters zich, zodat ik op een ochtend de winkel binnenkwam en daar mijn vader vond zitten, die met een boos gezicht strengen wol tot kluwens oprolde – maar degene die de strengen omhooghield was niet mijn moeder, maar een keurige Japanse officier.
Nadat mijn ouders beiden geïnterneerd waren, ieder in een apart kamp, heeft een vertrouwde inlandse bediende nog een tijdje geprobeerd de zaak in stand te houden, maar na de oorlog was er doodgewoon helemaal niets van over.

Ferguson – Nu wonen daar andere mensen, 24

[Jakarta 7 – Laan Holle] 

In de voorgalerij die ik, ondanks de dichte ramen en deuren, toch weer helemaal zie als de oorspronkelijke galerij en niet als een voorkamer, liggen iedere dag nieuwe kranten, in het Engels voornamelijk, een in de Bahasa Indonesia die ik tot mijn oprechte schaamte niet kan lezen. In de Jakarta Times van 5 Juli 1973 staat een advertentie: Foto van een Europeaan in hemdsmouwen onder een gasolinelamp, tekst: Betawi bar! Cheer up! In a cheerful old Betawi (de Indonesische benaming voor Batavia) atmosphere in our Betawi-bar we serve all varieties of drinks for you and your friends. Na een opsomming van allerlei geneugten volgt: Every Friday evening, starting 7-00 PM, the Oldfashioned RIJSTTAFEL of specifically Indonesian dishes is served in an elegant atmosphere. Metropolitan Sabang Hotel, jalan Haji Agus Salim 11, Jakarta. Dus koloniaal heimwee heeft kennelijk ook al commerciële waarde! Enerzijds zou je denken, ‘ze' willen ons werkelijk terug, anderzijds zou dit juist een aanduiding kunnen zijn hoezeer de koloniale tijd echt verleden is geworden, een historisch curiosum.

Ferguson – Nu wonen daar andere mensen, 26-27

[Jakarta 7 – Museum] 

We zullen een bezoek brengen aan het uit onze tijd stammend Museum aan Koningsplein West, nu Merdeka Barat. Als we het voorerf-met-de-olifant oprijden blijkt dat dit mooie witte gebouw, gelegen naast de langgerekte, gelige Rechtshogeschool, er nog net zo uitziet als vroeger, maar dat er iets ondefinieerbaar veranderd is. Waar het hem precies in zit kan ik moeilijk zeggen maar het is een sensatie die ik deze dagen al meer heb opgedaan. Misschien ‘de deftige rust’ van weleer die verdwenen is? Het is allemaal drukker, levendiger, vrolijker, rommeliger. Alsof er méér en wildere plantengroei is, en méér en luider geroezemoes van mensen – en zeker, in dit Museum met zijn vele kunstschatten, hoor ik nu méér kinderstemmen – en ik zie binnen door de plechtige zalen tientallen kindertjes rennen, in wit bloesje en blauw of bruin rokje en broekje en bijpassende schooldas, en ze springen rond en schreeuwen en dollen net als Hollandse kindertjes, maar zeker niet net als wat mijn vroeger idee was van Javaanse kindertjes: zoet, en stil, en verlegen, en een beetje saai. Zo vond ik ze tenminste op school, waar zij dan ook verre in de minderheid waren vergeleken bij de Hollandse leerling.
Deze hoogst lawaaïge troep blijkt te bestaan uit kinderen van verschillende scholen die zich hier hebben verzameld om gezangen te repeteren voor de aanstaande onafhankelijkheidsfeesten van 17 augustus. Op dit ogenblik hebben ze net pauze. Er is wel leerplicht, vertelt Titi, maar er moet toch schoolgeld worden betaald, het zogenaamde uang banku, geld voor de schoolbank. Titi verzamelt ons groepje telkens opnieuw, met oneindig geduld, bij de gamelan- en anklungorkesten, bij de oude beelden, bij de kunstschatten uit alle delen van Indonesië, en vertelt uitvoerig allerlei bijzonderheden. Zij maakt niet in het minst de indruk een opgezegd lesje af te draaien, zij doorspekt haar relaas met kleine Seitensprünge en geeft intelligent en uitvoerig antwoord op onze vragen. Zij trekt zich niets aan van het soms oorverdovend lawaai dat de rondspringende kindertjes maken maar spreekt rustig en vriendelijk door, zonder enige stemverheffing hetgeen het verstaan af en toe tot een inspannende bezigheid maakt.

Ferguson – Nu wonen daar andere mensen, 27

[Jakarta 7 – Leeszaal] 
[Jakarta 7 – Binnenhof] 
[Jakarta 7 – Gamelan] 

Ik meen me te herinneren dat bepaalde dingen zoals de muziekinstrumenten nog op precies dezelfde plek staan, in dezelfde zaal als vijfendertig jaar geleden. En dat is zeker het geval met de bibliotheek die we op onze wandeling over de galerijen die de fraaie langwerpige achtertuin omzomen, kunnen binnenkijken. Ik weet nog waar ik zat, in 1942, in die bibliotheek: we mochten overdag het kamp nog uit, Mirjam groeide en bewoog in mijn buik, ik las Freud en wilde eerst niet geloven dat die geluiden uit de Rechtshogeschool, dat gillen, dat schelden door een Hollandse vrouwenstem, dat knallen van stokslagen – dat dat martelen was, uitgeoefend door de Japanse militaire politie, de beruchte Kempei-Tai. De Japanse toerist, strohoedje, brilletje, foto-toestel, wandelt nu kalmpjes naast mij.

Ferguson – Nu wonen daar andere mensen, 28a

[Jakarta 4 – Rijweg] 

We rijden verder, over Molenvliet naar de benedenstad die nu China Town heet. Het water in Molenvliet is even bruin als vroeger, en er wordt nog steeds in gewassen, gebaad, gezwommen, tandengepoetst en gepoept. Maar de rijweg is een stuk breder geworden. Dat is eenvoudig gegaan. Burgemeester Ali Sadikin heeft tegen de eigenaars van de langs de weg gelegen huizen, allemaal zakenpanden of hotels, gezegd: jullie willen toch zeker niet dat jullie klanten er iedere dag een uur over moeten doen om bij jullie te komen? De weg is te smal! Het verkeer loopt hopeloos vast! Dus, in jullie eigen belang: een stuk van de voorkant van je huis moet eraf. Het gebouw moet twee meter naar achter. Je sloopt de voorste twee meter van je huis over de hele breedte, en als je ruimte tekort komt bouw je dat er maar bovenop. Het is in je eigen belang!’ En dus moesten ze het zelf betalen. En op deze voor de gemeente goedkope doch doeltreffende wijze is de rijweg langs Molenvliet een stuk verbreed.

Ferguson – Nu wonen daar andere mensen, 28b

[Jakarta 1 – Pasar Ikan]

We komen in Pasar Ikan, de oude vissershaven. Met onze toeristenbus hobbelen we over kronkelige zandweggetjes tussen de winkeltjes door, de chauffeur heeft permissie gekregen om deze wijk in te rijden, daarvoor moest hij iets betalen aan een geüniformeerde wachter. Hier en daar liggen metershoge vuilnishopen op het pad. Die worden afgegraasd door magere geiten, en die geiten eten wij over een week weer op als sateh kambing. In de honderden kleine winkeltjes zijn tienduizenden voorwerpen te koop – potten en pannen, gereedschappen, kleren, manden van rotan en bamboe, gouden sieraden. In het stille water liggen verveloze en wrak uitziende oude vissersboten.

Ferguson – Nu wonen daar andere mensen, 35-36

[Jakarta 7 – Willemskerk] 

Als je om vier uur in de ochtend opstaat doe je heel wat af op een dag, zo ben ik ook nog met Anneke en haar oom mee-geweest naar een in de Bahasa Indonesia gehouden dienst in de protestantse kerk, er wordt er ook een in het Engels en in het Nederlands gehouden. Anneke zag er schitterend uit in een helgeel jurkje met een helgele strik in het haar en witte schoenen, met hoge helgele hakken. Ze is een jaar getrouwd geweest en toen weduwe geworden. Ze werkt erg hard. Als we buiten kantooruren iets nodig hebben mogen we haar altijd roepen, 'any time'.
In deze kerk heb ik in 1938 dominee Kater horen preken. Nu zitten er fraaie vrouwen, meestal in sarong en kabaja, en tijdens de preek die ik niet versta kijk ik mijn ogen uit en vraag me af hoe het mogelijk is dat al die vrouwen, ook de oudere, zulk prachtig dik haar hebben met laag in de nek een weelderige kondeh, knoet, waarin dikwijls flonkerende spelden in de zon kleurige lichtstralen uitzenden. Verder is er het gewone gedoe van lang zingen, de psalmen ook vertaald in de B.I., en het aan komen wiegelen van de zwarte kerkezakjes. Oom zwaait opzichtig met briefjes van honderd en bij de uitgang houdt hij ook, duidelijk zichtbaar, enkele dure papiertjes gereed om die in een laatste bus te stoppen. Hij vervoert ons naar huis in een grote stationcar; het kapitaal dat die auto vertegenwoordigt is voldoende om een gezin van zes personen zeker tien jaar te eten te geven.

Ferguson – Nu wonen daar andere mensen, 48

[Jakarta 7 – CAS] 

Er is een groep toeristen in het land, leden van de reünievereniging van de Cas, de Carpentier Alting Stichting die in de jaren dertig bekend stond als de ‘elite-school’, bestaande uit kweekschool, hbs en gymnasium. Eén van de vriendinnen van Hella die ik heb bezocht belt me om te zeggen dat er vanavond een samenkomst is ten huize van een dokter A., waar de groep reizigers zal worden ontvangen. Hoewel ik alleen het laatste jaar op die school ben geweest, er weinig of geen vrienden had en ook nu niemand ervan kende behalve Hella Haasse en Aya Zikken, besluit ik toch te gaan.
In de voortuin van het doktershuis is alles gereed voor ontvangst, stoelen, tafels, schemerlampen, ook binnen kun je je verpozen. Ik zie wat gezichten waarvan ik denk hee, en dat denken die gezichten ook, zo raak ik met deze of gene aan de praat. Er heerst een soort joligheid waar ik ook in mijn hbs-tijd al niet aan heb kunnen meedoen. Er worden enkele speechjes gehouden, soms sterk ontroerd. Weerzien, en gouden jaren, enzovoorts. Er is hier in Jakarta ook een ontvangende reünisten-vereniging.
Ik raak in gesprek met een oude Indonesische dame die net vijftig jaar geleden haar eindexamen deed. Zo jong kan ze niet meer zijn, maar aan haar energie is nog lang geen eind gekomen. Gelukkig maar, want ze blijkt deze energie reeds vele jaren in dienst e stellen van een bijzonder doel. Zij heeft namelijk een school opgericht voor geestelijk gehandicapte kinderen en is daartoe ook een bijzondere wijze gekomen. Tijdens een van de politionele acties is haar zoon in Jogja door Nederlandse soldaten gedood. Toen ze dreigde ten onder te gaan aan haar verdriet gaf haar dochter haar de raad, bezigheid te zoeken in maatschappelijk werk; zo kwam ze tot de oprichting van deze school in Jakarta waarvan ze nu, op haar achtenzestigste, nog steeds de leiding heeft. Zij doet dit werk geheel con amore, evenals de hierbij betrokken artsen, neurologen, psychiaters, maatschappelijk werkers en psychologen, en andere hulpkrachten. Daar staat tegenover dat de school voor deze mensen ook functioneert als een workshop, een soort practicum.

Ferguson – Nu wonen daar andere mensen, 57-58

[Jakarta 3 – Pasar Glodok] 

In Chinatown, waar ik de taxi-bestuurder nog eens heen dirigeer, wordt geloof ik de hele wereld verkocht. Overstelpt door de honderden winkels en winkeltjes met een deel van hun koopwaar kleurig geëtaleerd in de, volle zon, met uithangborden die elkaar in alle formaten, kleuren en op alle mogelijke hoogten en laagten haast verdringen, beperk ik mij tot een supermarket.
Het grote gebouw is verdeeld in vele kleine winkeltjes, van elkaar gescheiden door nauwe paadjes. Het is alles Japans was de klok slaat, fototoestellen, horloges, radio's, bandrecordes, brillen, verrekijkers. Op een van de bovenverdiepingen worden er ook batikprodukten te koop aangeboden maar het trekt me hier niet. Ik blijf een tijdje staan op een van de galerijen die helemaal rondom lopen, ik kijk omlaag en zie weer een vuilnishoop op de straat, temidden van glimmende geparkeerde auto's waartussen de Mercedessen niet zeldzaam zijn. Deze vuilnishoop is meters hoog, meters breed. Erop klauteren geen geiten, maar mensen, voddenrapers, die met behulp van een stokje naar bruikbare waar zoeken. Stukken karton halen ze eruit, en een oude plank. Deze wordt heel nauwkeurig van alle kanten bekeken en betast vóór een van de onwaarschijnlijk magere mannen, gekleed in wat grauwe flarden, hem in zijn jute zak stopt. In de winkels erom heen en in de kantoren import, export, scheepvaartmaatschappijen, banken, gaat ongetwijfeld dagelijks om voor miljoenen.

Ferguson – Nu wonen daar andere mensen, 67-68

[Jakarta 7 – Pasar Gambir] 

Er komt een auto het erf opdraaien. Er stapt een piepklein dametje uit dat met elegante pasjes recht op mij afstevent. Ze stelt zich voor, natuurlijk kennen we elkaar al van briefwisseling. Ze heet Lea en is in de zeventig. Ze vraagt of ze me mag uitnodigen voor een bezoek aan de Jakarta-fair, een soort jaarbeurs die gedurende enkele maanden van het jaar geopend is. Nu, dat mag ze. Wij rijden in de auto die van een vriend van haar is, naar de ingang van de Jakarta Fair – net zo'n schuine weg als waarover ik vroeger, precies op dezelfde hoek van Koningsplein Zuid en Koningsplein Oost, vlak voor de spoorwegovergang, naar het wat dieper in gelegen clubhuis fietste van BVC. Alleen was die weg toen omzoomd door grote bomen, nu is het kaal en functioneel. Naast dribbelende Lea, wier leven stokvol fascinerende herinneringen moet zijn, loop ik nu met voorzichtig ingehouden pas over grote donkere pleinen, van de ene kermisattractie naar de andere. Er is in de diverse gebouwtjes veel TL-Licht, en nog veel meer luidspreker-lawaai. ('Hier komt geen Europeaan...' klaagt Lea, 'met al dat kabaal!') We stappen in een treintje en laten ons rondtoeren over het enorme complex. Grote en kleine paviljoens, slenterende mensen, het beeld is bijzonder noch opwindend. Van de diverse exposities waarop alle delen van de Archipel vertegenwoordigd zijn, kiest Lea, heel verstandig, enkele uit. We gaan o.a. naar die van Irian Barat, ook wel Irian Yaya genaamd hetgeen zoiets betekent als het overwinnende, het glorieuze Irian; niet onbegrijpelijk, aangezien het gaat om het zolang betwiste en tenslotte door Nederland prijsgegeven Nieuw Guinea.

Ferguson – Nu wonen daar andere mensen, 69

[Jakarta 7 – Laan Holle] 

Lea neemt me mee naar een restaurant in de Jalan Hadi Agus Salim die een waar centrum is van winkels, hotels, allerlei eetgelegenheden. Lea verklaart dat dit haar lievelingsrestaurant is want het is er luchtgekoeld en o heerlijkheid, je kunt er Europees eten! In de cirkelvormige ruimte zitten weinige andere gasten, een groot gezelschap niet-Europeanen doet zich tegoed aan biefstuk en gebakken aardappelen, Lea informeert eerst of de vis wel van vandaag is en bestelt dan een uitgekiend menu. Hier durf ik te eten vertrouwt ze me toe, ik heb gauw last van mijn ingewanden, de meeste restaurants zijn me niet hygiënisch genoeg. In haar wat chaotische conversatie laat ze, soms onbewust, soms met enige nadruk, allerlei namen vallen die mijn hevige belangstelling opwekken. Tot de eerste categorie hoort die van Sukarno. 'Heb je die gekènd!' vraag ik gretig. 'Natuurlijk. Mijn vader was een vooraanstaand nationalist, lid van de Volksraad.' Ze gaat er niet verder op in. Zelf vindt ze een andere figuur veel belangwekkender: Prins Bernhard, ze haalt kleurenfoto's uit haar tas waar ze allebei opstaan, tijdens het koninklijk bezoek aan Indonesië. Ook Van Mook, in zijn tijd werkte ze op het Departement van Economische zaken waarvan hij hoofd was, in Batavia wordt slechts terloops vermeld. Kènde je die dan? Ja, natuurlijk. Punt.

Ferguson – Nu wonen daar andere mensen, 70-71

[Jakarta 7 – Pasar Gambir] 
[Jakarta 7 – BVC] 

Lea is tegen mij erg aardig en erg spraakzaam, toch houdt ze zich volkomen aan de oppervlakte. Maar ik heb haar immers ook niet verteld dat ik op de Jakarta Fair maar halve aandacht had voor het heden. Want toen we die schuine weg inreden, toen wist ik het weer ... de kleuren van de sportclub BVC waren zwart-geel, ik speelde mee voor korfbal en soms voor hockey, ik weet nog hoe de tricot-achtige stof van die geelzwartgestreepte truitjes rook, en hoe scherp ze je zestienjarige ‘figuur’ deden uitkomen. Ik weet nog hoe het gras rook, op de stille middagen vanaf een uur of vier, hoe ik altijd veel meer interesse had in jongens en mannen en andere meisjes, mijn met afgunstige bewondering bestudeerde rivalen, dan voor de sport. In dat clubhuis met de houten vloeren, daar begon het ... ik weet het, míjn Indische herinneringen hebben niets uitstaande met de vertedering voor fraaie verhalen vertellende kindermeiden zoals bij Maria Dermoût en Rob Nieuwenhuis, ik heb ternauwernood iets doorleefd van drama’s zoals in Aya Zikkens ‘Atlasvlinder’ de jeugdherinneringen van Hella Haasse uit datzelfde Batavia als waar ik woonde spelen zich af in een andere geestelijke ruimte dan de mijne, de prachtige straatschuimersverhalen van Tjalie Robinson herken ik alleen vanuit mijn ooghoeken, de natuurwereld van Beb Vuyk heb ik al helemaal nooit zó doorleefd, er ternauwernood van geweten – al die schrijvers toveren mij een Indië voor ogen dat ik wel herkén maar dat ik mij nooit bewust ben geweest als mijn wereld – mijn wereld, ik merk het bij iedere opkomende herinnering, werd altijd bepaald door de liefde; mislukte, belachelijkgemaakte, verworpen, verkeerd terechtkomende liefde. Míjn Indië – dat was een Indië, nog niet eens van de zintuigen zoals Hella Haasse het uitdrukt, maar een Indië van het naar liefde, seksualiteit en erotiek hunkerende lichaam. Wat herinner ik me vooral van de Pasar Gambir, de jaarmarkt uit die tijd, die toen werd gehouden op een ander gedeelte van het Koningsplein? Allereerst en vóór alles: de smeulende zwarte ogen van een Indonesiër die onverhoeds de mijne troffen en vasthielden – een verboden, absoluut verboden contact, een belofte zonder enig ander vooruitzicht dan angst, werkelijk of je aan de rand stond van een afgrond.

Ferguson – Nu wonen daar andere mensen, 82-83

[Yogyakarta 2 – Beringharjo] 

Ik slenter de kampong uit en kom weer in zo’n verdroomde straat waar ik een betja neem naar de grote winkelbuurt Tugu, na de spoorweg overgaand in Malioboro. Het is makkelijk te vinden. Zoetjes hobbel ik voort, als de betjabestuurder bij een kruispunt rechts moet afslaan gaat hij alvast een tijdje aan de rechterkant van de weg rijden (het verkeer is links), dan is het afslaan gemakkelijker. Ach, wat geeft dat hier! De fietsers en de andere betja’s zien zo’n manoeuvre wel aankomen, en de autobestuurders zijn in deze stad al helemaal op alles bedacht. Ergens midden op Malioboro stap ik uit. Baggerend door en over modder- en zandhopen, kom ik toch in allerlei winkels terecht waarvan de voorkant, oudergewoonte, geheel en al open is en ’s nachts met planken, houten deuren, luiken wordt afgesloten. Op een grote overdekte markt, weer met nauwe gangetjes tussen de verschillende uitstallingen, koop ik verzaligd gewone huishoud-dingetjes: blikken schepjes, aluminium rijstlepels, een schuimspaan van ijzerdraad, een piepkleine wadjan. Aan iedere verkoper moet ik, tussen het tawarren door maar voor Hollandse guldens zijn de prijzen werkelijk belachelijk laag, weer mijn levensgeschiedenis vertellen. In een aparte winkel, heel klein en donker, tot aan de nok toe volgepropt met tassen en riemen en portefeuilles kocht ik een grote tas van echt runderleer met daarin nog een bloemmotief gewerkt. Het bedrag was ik er na enig afdingen voor betaalde kwam neer op vijf gulden Hollands geld. Ik ben hier al zo gewend dat ik niet meer koop zonder wat af te dingen.

Ferguson – Nu wonen daar andere mensen, 87-88

[Mendut – Boeroeboedoer] 

Vanochtend zijn we met de auto van To naar de Borobudur gegaan. De fraaie landweg liep langs sawahs waar de padi nog stond te rijpen, terwijl op hetzelfde moment op andere velden de rijst werd geoogst door vrouwen met grote zonnehoeden, palmbomen en blauwige bergen in de verte, het was de wonderschone werkelijkheid die, natuurgetrouw afgebeeld op schilderijen, die schilderijen meestal stempelt tot kitsch-produkten. Langs de kanten van de autoweg lagen grote tikars, matten van gevlochten bamboe, waarop reeds gedorste padikorrels werden gedroogd. Soms moest je er met de auto overheen!
Eerst stapten we uit bij de Tjandi Mendut, terzijde van de weg. Geur van gras, een kleine tempel, van binnen heel hoog, gebouwd van vernuftig op elkaar gestapelde stenen omdat men toen nog geen bogen kon maken. We liepen de stenen trap op, binnen bevond zich een boeddhabeeld waarvoor kleurige hopen bloemblaadjes lagen als offerande van de vooral Chinese boeddhisten (hoewel het boeddhisme zich ook onder de Indonesiërs sterk aan het verbreiden is). Naast het grote boeddhabeeld waren aan weerskanten kleine beelden van boddhisatva's, heiligen die de laatste stap naar het Nirvâna niet zetten omdat ze de mensheid willen blijven helpen – alle drie de beelden rustend op dubbele lotusbloemen.
De tempels zijn opgetrokken uit ruwe grijze steen, naast de Tjandi Mendut stond wat verderop een kleinere tempel waarvan men aanneemt dat die vroeger als keuken heeft gediend! Een meter of twintig daarvandaan werd van alles verkocht, in kleine stalletjes of gewoon in de open lucht op het gras. Ik kocht een primitieve bromtol, een dwarslatje en nog een houtje en een touwtje en als alles goed gaat krijg je een fraai zoemgeluid, en een van platte beschilderde houtjes en ook een touwtje en een gebogen bamboetje gemaakte poppekastmannetje: knijp je in het bamboetje dan duikelt het poppetje bliksemsnel omlaag en omhoog.

Ferguson – Nu wonen daar andere mensen, 88-89

[Borobudur 0 – Enkele] 
[Borobudur 5 – Markt] 

We reden verder, over een weg tussen de velden die rechtstreeks voerde naar de wereldberoemde Borobudur, nu al gedeeltelijk onttakeld vanwege de hoogstnoodzakelijke restauratie. Er was een grote parkeerruimte waar iedere auto, ondanks drukte en rumoer en schijnbare chaos, soepeltjes zijn plekje vond. Ik geloof dat iedere Indonesiër, man of vrouw, van drie tot honderd, zich automatisch geroepen voelt door middel van aanmoedigende kreten en gebiedende handgebaren het aankomen en vertrekken van auto's te regelen wanneer dat toevallig in zijn buurt plaatsheeft.
Op het allerlaagste niveau van deze verheven tempel voltrekt zich de commercie: rijen open stalletjes naast elkaar waar weer duizenden voorwerpen worden verkocht, van bamboe, leer, hoorn, zilver, goud. Hoewel de gevraagde bedragen beschamend laag zijn wordt er door de buitenlandse toeristen hartstochtelijk afgedongen. Daarna hoor je ze elkaar vertellen: hoe vind je dit mandje (een erg sierlijk korfje van tweekleurig gevlochten riet), hij vroeg (komt neer op één gulden), maar ik heb het gekregen voor (zestig cent), of: hij vroeg een halve dollar, en ik heb het gekregen voor tien dollarcents!
Er zijn ook kleine waronkjes, open caféetjes met houten banken voor houten schagen, vanwege de hygiëne drinken de toeristen hun cola of oranje crush uit flesjes, met een rietje.
Enkele treden omhoog, een stenen trap op, dan kom je op een grasveld met een enorme, schaduwgevende waringin; hier zijn, in gezellig geroezemoes, honderden mensen aan het rusten vóór of na de klim. Je kunt gaan zitten als je dat wilt, op een muurtje, of op overal verspreid liggende brokken steen. Voltallige Indonesische gezinnen hebben zich neergelaten voor een déjeuner sur l’herbe, niet naakt zoals onze decadente westerlingen dat hebben geschilderd, maar erg keurig zondags aangekleed; uit rantangs, etensdragers bestaande uit in buigzaam ijzer gehangen emaillen bakjes, soms zes of zeven boven elkaar, komen de heerlijkste, thuis toebereide gerechten te voorschijn, uit de cafeetjes wordt ook spijs en drank gehaald, flesjes met glazen vol grote brokken ijs en zoete limonade, geurige djeroeks. Flinke kippen scharrelen gezellig tussen de eters door, grootmoeders, babietjes, ooms, tantes, zusjes, broers, neven en nichten, misschien ook een buurkind dat mee mocht in de auto, wie bepaalt precies waaruit zo'n voltallig Indonesisch gezin bestaat?

Ferguson – Nu wonen daar andere mensen, 89-90

[Borobudur 0 – Voorkant] 

Midden in de voorkant van de Borobudur loopt een steile trap tussen de bonkige muren recht omhoog, de hoge treden zijn flink afgebrokkeld, een leuning is er niet, ik neem vertwijfeld de ene stap na de andere, duizelig van de vele mensen die met mij mee naar boven klimmen, duizelig van de vele mensen die tussen de anderen door bezig zijn aan de afdaling. Op het eerste plateau kun je naar links en rechts van de trap af om een deel van het heldenepos te zien zoals dat, onbegrijpelijk ragfijn, is uitgekerfd in de ruwe steen. Ook heb je van hieraf een wijd uitzicht over groene velden, over huisjes, bomen, bossen, bergen, in groene, blauwe, bruine en gele tinten, en in vormen die zich helemaal meebuigen met de natuurlijke krachten.
Na dit plateau, deze ‘ommegang', gaat de tocht verder de trap op tot een volgende ommegang, de tocht hoort althans verder te gaan maar ik word zeer duizelig als ik naar boven kijk, en ik weet het al: het hoogste niveau van oosterse wijsheid en bevrijding zal ik, althans met mijn sterfelijk lichaam vol hoogtevrees, niet bereiken. Ik wend mij om en keer, met voorzichtige stappen, terug naar de lagere stoffelijke regionen waar ik een eigen steen vind om een uur lang heerlijk rustig op te zitten en rond te kijken.

Ferguson – Nu wonen daar andere mensen, 98-101

[Yogya 1 – Vanochtend] 
[Yogya 1 – Ambtenaren] 
[Yogya 1 – Expositieruimten] 
[Yogya 1 – Raden Saleh] 
[Yogya 1 – Blimbing] 
[Yogya 1 – Gamelan] 

Vanochtend trok ik er weer met Mies op uit; voor het hek ving de tocht aan met het al zo vertrouwde onderhandelen met de betja-bestuurder, daarna in een zoet, zoet vaartje via de ook al vertrouwde, brede, rommelige, gezellige wegen naar de kraton, het verblijf van de sultan van Jogja wiens vorstelijke rechten en voorrechten door het Nederlandse bewind altijd zorgvuldig in stand zijn gehouden. De kraton ligt aan het eind van de winkelstraat Malioboro, je hobbelt er in je betja kaarsrecht op af, de sultan most immers kunnen zien wie er aankomt! Maar vlak voor het kratonterrein wordt rechts afgeslagen, met een bocht komen we aan de officiële ingang, waar het in de schaduw onder de grote zware bomen weer een gemoedelijke drukte is. Overal, overal zijn mensen, in alle toonaarden: oud, jong, werkend, luierend, pratend, etend, drinkend, verkopend, zittend, staand, liggend, slapend, slenterend, zingend. En overal zijn de mensen met elkaar, het uit onze contactarmoede geboren woord communiceren kennen ze niet eens, maar ze doen het wel: van de vroege morgen tot – de volgende vroege morgen.
Door een poort in de witte muur die het hele complex omgeeft betraden we het ruime kratonterrein met verspreide, witte lage gebouwen. Maar eerst moesten we naar een soort kantoor, het was een donker optreksel, aan de voorkant helemaal open, met planken treden, een planken vloer, hier en daar een donkerbruine schrijftafel waarachter magere donkerbruine mannen met sierlijke hoofddoeken, ook in bruin batikmotief, verder droegen ze nauwsluitende jasjes met een boordje en fraaie sarongs om de ongetwijfeld spillebenen. Ze waren allemaal nogal oud, en mager, en met brilletje of lorgnet, en met bruine of helemaal geen tanden.
Weer werden we met grote vriendelijkheid, je zou zelfs zeggen hartelijkheid, ontvangen. We kochten een entréekaartje en kregen een gids toegewezen – een vlot Nederlands sprekende en bovendien welbespraakte gepensioneerde hoofdonderwijzer, naar later bleek. Gezellig keuvelend leidde hij ons rond over de tussen de slaperige gebouwen meestal verlaten liggende binnenplaatsen, langs pendopo's (naar alle kanten open doch overdekte ruimten) met op palen een groengestreept dak en daarover weer een tweede dak dat rust op andere palen, langs een heilige plaats waar de sultan rechtsprak, langs een vlak daarnaast gebouwde niet-heilige plaats waar gedanst, gedronken en gekust mocht worden als er feesten waren voor westerse gasten, barbaren tenslotte.
Onderhand kregen we wat koloniale geschiedenis te verwerken, althans de laatste resten daarvan. Tijdens de politionele acties, de laatste openlijk gewelddadige pogingen van Nederland om 'Indië te houden', kwam de Sultan van Jogja klem te zitten tussen de fel anti-Nederlandse guerilla-troepen en zijn eigen pogingen met de Nederlanders tot een redelijke verstandhouding te komen. De guerilla's waren van plan de sultan te doden. 'En toen meprou, één telefoontje uit Jakarta: dhoe dat niet! Eén telefoontje uit Jakarta heeft het leven van onze sultan gered! Dhoe dat niet!' De hoofdonderwijzer heft bij de herinnering nog eens manend de vinger op. Hij bezweert dat Nederland en Indonesië nu goede vrienden zijn, we streven gezamenlijk naar vrede en godsdienstig geluk, 'we zijn een vreedzaam volk mevrouw, we geloven in God en daarom kan bij ons ook nooit het communisme komen, nóóit!’
Koningin Juliana is uiteraard ook in de Kraton geweest, ze riep tegen de sultan die ze nog kent vanuit Leiden: 'Henkie, je moet mij eens een beetje verwennen!' en dus werd ze verwend! Hoe? vroeg ik mij snel af zonder de vraag uit te spreken. Maar ik weet nu hoe je een koningin verwent: de volgende dag werd er voor haar, hoewel dat niet in de bedoeling had gelegen, een parade gehouden door de sultannelijke troepen.
De hoofdonderwijzer vertelt door, we slenteren voor de stille binnenplaatsen met grote waringins, hier en daar een kooi op een stok waarin een fantastisch gekleurde vogel, soms een haan. Grinnikend commentaar van de gids: 'die haan is al veertig jaar en nog nooit getrouwd!' De vogels zijn eigendom van familieleden van de sultan die in allerlei generaties en graden de kraton bevolken. Hijzelf is afwezig, kortgeleden vice-president van Indonesië geworden.
Zonder de slaperige stilte te verstoren steekt nu en dan zo'n magere, meest ook gebrilde heer een plein over, of we zien zo iemand ergens zitten; niets vermag hun dromerige gelaatsuitdrukking te verstoren. Het zijn allemaal familieleden bevestigt de gids, en allemaal ambtenaren van de kraton.
In een van de gebouwen die we binnengaan zitten, terzijde van de hoofdingang, vier mannen met gekruiste benen in een kringetje. Dat zijn de wachters, ze worden door onze gids erg beleefd gegroet, het bovenlichaam ver voorovergebogen. In een langwerpig huis achter op het kilometersgrote erf zijn de geschenken uitgestald waarmee westerse vorstenhuizen in de loop der eeuwen de sultans hebben bedacht: een gruwelijke verzameling van monstruositeiten, krullerig porselein, theekopjes met portretten erop. Daarboven hangen grote schilderijen van de bekende Raden Saleh te vergaan. Naast dit gebouw kunnen we ansichtkaarten kopen.
Op de terugweg maken we even kennis met een jongere broer van de Sultan, hij loopt op sloffen en in een blauwgeruit hemmetje en lijkt in deze omgeving van een profane moderniteit, maar je wordt er wel even wakker van. Ook zien we een grote, mooie pendopo waar het gamelan-orkest iedere woensdag- en zaterdagochtend repeteert. Ik neem me vast voor daarheen te gaan.
De gids maakt ons opmerkzaam op de blimbing, een vijfhoekige vrucht die hier in overvloed aan de bomen groeit en allerlei vijf-delingen symboliseert. 'Als een jongen zo'n bloesem geeft aan een meisje hoeft hij geen ba of boe te zeggen, het meisje moet wel ontzaglijk stom zijn als ze het niet snapt,' licht de gids voor in een levendig Nederlands dat niet helemaal past bij zijn statige klederdracht en gerimpeld koppie. 'De vijf kanten van de blimbing, dat zijn ook de vijf hoofdzonden van de mens: hebzucht, dronkenschap, narcoticum, de rest ben ik vergeten, maar móórden, dat is daarvan alleen maar een stáárt ja mevrouw, dat komt voort uit al het andere! Moorden...' hij schudt zijn hoofd. 'Maar als de sultan ons roept om te vechten gaan wij!'
Bij het hartelijk afscheid deelt hij ons mee graag zijn Nederlandse literatuur te willen bijhouden, en of wij hem exemplaren willen toezenden van De Lach, en van Het Leven.

Ferguson – Nu wonen daar andere mensen, 107

[Yogyakarta 2 – Hoofdpost] 

Iedere brief of briefkaart die je wilt verzenden moet uiteraard afgestempeld worden, en stel je er werkelijk prijs op dat de brief, en vooral de postzegel, verder komt dan het postkantoor waar je hem op de bus doet dan is het zaak persoonlijk toe te zien op het stempelen. Een verrassing is dat je hier wel postzegels kunt kopen maar dat daarop niet voldoende gom schijnt te zijn. Dus staat er op een grote houten tafel een bak met groen kleverig snot, je duwt je postzegel daar even in en ziet maar je vingers snotvrij omhoog te krijgen, hetgeen natuurlijk niet lukt. Ook op de postzegel zit teveel snot (het is natuurlijk geen snot), dus je veegt de postzegel af tegen een uiteraard alweer kleverig snot-piespaaltje waartegen al tientallen jaren lang duizenden postzegels zijn afgeveegd, en eindelijk kwak je hem dan op je brief. Het was bijna sluitingstijd (tegen twaalven) toen ik met zeker vijftien briefkaarten kwam aanzetten; mijn plakmanipulaties werden aandachtig bekeken en van commentaar voorzien door twee meisjes van een jaar of tien, ik schakelde hen maar in voor het plakken. De meisjes vinden kritisch dat mijn keuze van briefkaarten niet zo bijzonder is. Ik verdedig me: in Negeri Belanda, in Holland hebben wij dat allemaal niet (tempels, andongs, Balinese danseressen). Uit zichzelf brachten ze de brieven naar de ambtenaar, naar wie ik met mijn rug stond toegekeerd. Dus aan de heiligste wet: zie toe dat hij ook werkelijk afstempelt – voldeed ik niet.

Ferguson – Nu wonen daar andere mensen, 121-122

[Yogya 1 – de Gamelan] 

Nu beginnen de gamelanspelers aan hun repetitie. Ze zitten in het binnenste van de pendopo, aan één uiteinde van de grote ruimte, allen met roerloze gezichten onder hun hoofddoeken en velen ook weer met een brilletje op. Een van de solo-zangeressen vooraan, met een lief stemmetje, raakt telkens de draad kwijt, dan kijkt ze vragend naar haar buurman; de oude heer zingt haar dan met flakkerende bariton haar partij glashelder voor. Het orkest geeft wonderbaarlijk mooie geluiden af, middels slag- en blaasinstrumenten, ik kan daar dag en nacht naar luisteren. De toeristen komen dichterbij, ze mogen op de binnengalerijen zitten mits ze hun schoenen uittrekken.
Uit een zijdeur naar de muziekruimte komt plotseling hoog door de lucht een versleten roodpluchen canapé aanzweven, dit meubelstuk uit Europa van vóór de Eerste Wereldoorlog blijkt door een stuk of drie vier magere mannetjes met alleen een doek om de lendenen naar buiten te worden gedragen, door de poort naar een ander erf. Een kwartier later komt de canapé terug, kennelijk gelucht en schoongeborsteld. Hierop ondergaan een aantal roodpluchen stoelen, nu door een mannetje trots boven het hoofd gedragen, hetzelfde lot. Ondanks de vervoerende gamelanmuziek blijft het huishouden gewoon doorgaan, want er komt weer iemand anders (zouden dit ook allemaal familieleden van de sultan zijn, nog verdere, nog lagere?) aandragen met schrale varens die kennelijk water hebben gehad en teruggeplaatst worden in zeskantige Chinese vazen, zeker een halve meter hoog, die op gezette afstanden op de galerij staan.

Ferguson – Nu wonen daar andere mensen, 152

[Jakarta 4 – Des Indes] 

ILW Jakarta 4 Molenvliet Hotel des Indes winkelgalerij 1Suwati kende notabene de boekhandel van mijn ouders in Batavia, en kwam regelmatig in de bibliotheek daarachter. Zij is enkele jaren ouder dan ik, misschien hebben we elkaar vroeger regelmatig gezien. In de Jappentijd was zij verkoopster van zilverwerk en dergelijke bij een winkel in de galerij van Hotel des Indes; daar woonden de officieren van de Japanse militaire politie, en zij genoot een zekere irrationele bescherming omdat de militairen zelf erg bang waren voor hun ordebewaarders. De officieren liepen rond met tassenvol door de Japanse regering zelf aangemaakte nieuwe rupiahs, kochten bij de vleet gouden voorwerpen maar lieten die naderhand verzilveren omdat in Japan zelf al het goud werd ingepikt voor de oorlogsinspanning.

De winkelgalerij van Des Indes. [50 Jaar Hotel des Indes, 30] →

Ferguson – Nu wonen daar andere mensen, 153-155

[Bandung – Cibunut]

In Bandung zal ik maar enkele dagen blijven. Hier wil ik eigenlijk niet veel andere dingen zien dan wat jeugdherinneringen. Suwati zal met mij meegaan. Eerst naar het Tjibunutplantsoen, op Tjibunut-binnen stond het huis dat mijn ouders daar hadden gekocht, voor zevenduizend gulden weet ik nog, eigenlijk niet eens zo goedkoop in 1930. Maar het was een 'Europees' huis, erg modern.
We gaan op stap, het transport blijkt niet eenvoudig! We staan aan de kant van de voormalige Papadayanlaan, nu Jalan Gatot Subroto, en proberen een bemo aan te houden. Die volgen een vaste route en berekenen een vaste prijs, maar ze zijn allemaal vol. Dus nemen we weer een betja. We zitten nauw op elkaar gedrukt. ' De betja's zijn hier nauwer dan in Jogja en Jakarta omdat het hier koeler is,' licht Suwati toe.
Ja, ik herken het ... de Boengsoeweg, die heet nu Jalan Bungsu, de Van Deventerweg, Jalan van Deventer, de Hollandse naam is blijkbaar geen bezwaar ... en het huis, Tjibunut-dalam no 7, aan dat stille kronkelweggetje, staat er nog steeds. Het is geen zier veranderd. Rechttoe rechtaan gebouwd, in het midden twee deuren naast elkaar, aan weerszijden glas-in-loodramen. Witgekalkte muren, de onderste rand bekleed met rivierstenen. De tuin is hoofdzakelijk grasveld, van de straat gescheiden door een ook nu keurig glad geschoren heg. Het is allemaal brandschoon en goed onderhouden. Op het grasveld staat een meneer in piama. Suwati gaat naar hem toe, vraagt of het goed is dat ik een foto maak, legt uit waarom ik dat wil. Ik vind het huis nu vrij saai om dezelfde reden waarom we het in 1930 bijzonder vonden: omdat het 'zo Europees' is.
De meneer vindt het best dat ik foto's maak en vraagt aan Suwati of ik het misschien nog van binnen wil zien, Ach nee, ik zeg tegen haar, 'nu wonen daar andere mensen.'
Het huis waar ik tien jaar was en bad dat pappa en mamma niet in de hel zouden komen, want ze geloofden niet aan God, en dat bidden deed ik héél stiekem, vlak voor en na het eten, zij mochten het niet zien.
Vriendinnetjes: Beppie, een mooi wild Indisch kind, een kleine voorgalerij waarop Tjintjang Babi op de piano werd geramd (nu pas dringt het tot mij door dat dat betekent: hak het varken klein), een keffend hondje dat mij beet en op mijn been een blauwe plek achterliet, Beppies moeder met opgetrokken neus omdat ik altijd zo vuil en woest was, zowel innerlijk als uiterlijk.
Ik keek naar de langs de zijkant schuin uitgebouwde achterkamer die mijn kamer was. Daar begon voor het eerst het dromen over het 'inrichten' – het op de millimeter haarfijn neerzetten van een vaas met bloemen, het op de millimeter met een bepaalde hoek schuin neerleggen van een kleedje – en daar begon ook de vreselijke, toen alleen nog verbeelde, seksualiteit, met de vreselijke schuldgevoelens. Alles in mij vloekte met elkaar. Ik zag er vreselijk smerig uit, altijd kapotte en vuile kleren en niet genoeg mandiën, maar ik praatte aan één stuk door over jurken met slippen (die waren toen hoge mode), in die en die tint, met die en die schoenen erbij, en ik maakte tekeningen ervan en vulde de gedroomde kleuren in.
Het huis kwam me niet kleiner voor dan vroeger, de tuin wel.

Ferguson – Nu wonen daar andere mensen, 155-156

[Bandung – Natuna] 
[Bandung 2 – Javastraat] 

We wandelden terug want, net als vroeger, het kronkelweggetje liep dood op een rommelig veld dat afhelde naar de Boengsoeweg waar Beppie woonde. Voor je op dat veld kwam moest je een flinke sprong maken, over de sloot heen. Een lekker gevoel, als je zo veerkrachtig in het gras terechtkwam en meteen doorholde, omlaag.
Het Tjibunut-plantsoen is nog steeds hetzelfde plantsoen. Ik fietste daar op mijn eerste fiets, ik slipte, de weg met zand en grint schoot schuin bliksemsnel op me af, grint in mijn knieën. Ik zag het huis waar Thea woonde, toen op haar twaalfde – ze was ouder dan ik – een hooghartig dik meisje met ragfijne wenkbrauwen boven wat huilerige fletsblauwe ogen, ze zag er imponerend ziekelijk uit maar later trouwde ze met een Roemeense violist uit Hotel des Indes in Batavia, en dat moet hebben blijkgegeven van een lichamelijk uitermate gezonde mentaliteit. Want hij was ein guter Hahn, zoals hij het zelf uitdrukte. Ze woonde toen in hetzelfde straatje als wij, het straatje in Batavia dat later Japans bordeel werd. Vreemd Linda (die met de blote borsten uit de Palmenlaan) verfde het afdruiprek waarop borden en glazen te drogen werden gezet helderblauw, want zijzelf sliep met een broer van de violist, dat was de cellist uit het strijkje, omdat ze zo'n medelijden had met die ontwortelde vreemdelingen, Linda. Maar dat kwam allemaal veel later, in 1938 en 1939, hier waar ik nu liep was het pas 1930.Ja zie je wel, Jalan Natuna, de Natunaweg, de huizen staan er nog krek zo, van die vreemde half-Hollandsburgerlijke half-Indische huizen, zo belachelijk dicht op elkaar gebouwd dat je nooit wist of het je eigen bedienden waren of die van de buren die krijsend aan het muziekmaken waren, en wáár was die kraan toch zo aan het lekken? Vanaf de Natunaweg, jaja, zo kwam je op de grote weg met de spoorovergang, en kreeg je eerst dwars erop de Javastraat, Jalan Jawa, waar Julia woonde, in een huis van de ss (nee, dat betekent Staatsspoorwegen), haar vader was daar employé. Julia wijdde mij het eerst in in de geheimen van wat er in ons leven het allermeest op aankwam: wat jongens en meisjes met elkaar doen; voor mij was zij het oerbeeld en het toppunt van Indische verleidingskunst, met haar schuine groene ogen onder ponie, haar brede mond en hoge jukbeenderen, haar spitse borstjes onder een mosgroene jurk. Niet voor mij alleen: met haar twintigjarige neef, zij was elf, maakte ze iets mee, iets, zó záálig zei ze, zó záálig ... Die huizen in de Javastraat staan er nog net zo, maar de sfeer is anders. Het lome, dromerige, sensuele, geheimzinnige uit mijn herinnering wordt overschreeuwd door akeliger lawaai dan het lawaai van vroeger, vroeger waren dat immers schelle Indische stemmen van de moeder en de beo die tegen elkaar insnerpten, nu waren het weer auto's, en brommende bemo's, een onharmonische, stoffige drukte.

Ferguson – Nu wonen daar andere mensen, 156-157

[Bandung 2 –1e School A] 

De Javastraat over – daar, aan de Sumatrastraat, ligt mijn Bandungse Lagere School, de 1 A-school. Op mijn negende jaar zat ik in de vierde, de vijfde en de zesde klas, op mijn tiende had ik volgens de onderwijzeres naar de hbs gekund, ik schreef opstellen die door de ene meester in de pauze werden voorgelezen aan de andere, daar kwam ik mijn leven lang niet overheen, ik dacht dat ik een genie was, en ik schreef vieze briefjes die ontdekt werden, daar kwam ik mijn leven lang niet overheen, ik dacht dat ik een zondares was die de straf van de hel verdiende. Ik werd, voor het eerst van een oneindig aantal keren, waanzinnig verliefd op iemand met erg zwarte ogen, Johnny Atkins, hij kon ternauwernood lezen geloof ik, zat op zijn twaalfde of dertiende nog in de vijfde klas Lagere School.
Ook de school is nog precies zo als in 1929. Een langgerekt laag gebouw, de klassen koel gehouden door de open galerijen die rondom lopen. Mijn herinnering ruikt een moerbeiboom, ’s middags plukten we stiekem de paarse langwerpige vruchten, meestal nog voor ze rijp waren, dan smaakten ze wrang en groen. En we deden het bikkelspel, zwarte bikkeltjes stuitten op de tegels. Ik leerde het spel nooit goed.
Op school waren veel meisjes voor wie ik bang was, Evi, een Ambonese met een boos gezicht; Dini, lang en erg ‘sterk’ met kasti, als ze aan slag was vloog de bal heel venijnig ver weg, ik werd altijd als laatste gekozen in het team want ik was ‘zwak’. Jeanne, sterk op een andere manier, ze zei nooit veel en ook zij had een stuurs gezicht dat altijd van je wegkeek, op een keer viel ze en brak haar pols, ze rees woedend op en gaf geen kik. Eigenlijk was ik bang voor alle kinderen, want ik kon geen sambal eten en mijn kleren waren gek. De school ligt daar nog even machtig en wit, onveranderd, goddank ben ik wel een beetje veranderd, een beetje.

Ferguson – Nu wonen daar andere mensen, 159-160

[Bandung – Post- en Telegraafkantoor]

We lopen naar de vroegere Grote Postweg en komen door een overdekt pad dat aangenaam zou zijn, ware het niet dat juist in dit nauwe stuk bedelaars zitten zonder armen, benen, ogen, immer naast zich een centenbakje. Sommigen kunnen wel lopen en treden ons gastvrij tegemoet, in het gangetje zijn ze moeilijk te ontwijken.
Op de Grote Postweg is het postkantoor, ik herinner me alle gebouwen, witgeel en pompeus, ik herken ze op de manier waarop ik hier zoveel herken – een nauwelijks bewust waargenomen maar toch ingeprent decor van vorm en kleur. Ook vroeger zullen de onderste randen van deze officiële stenen gebouwen bontgekleurd zijn geweest door menselijk aangroeisel – sigarettenverkopers, satehverkopers, loterijbriefjesverkopers, krantenverkopers, ansichtkaartenverkopers. We lopen langs de overvolle winkels, over de overvolle trottoirs. Ik zie nu bedelaars in alle soorten, onder andere een broodmagere oude vrouw met naast zich een doos waarin een tweeling, babies van enkele weken oud. De poppegezichtjes hebben de ogen dicht. Levend? Dood? Jeroen Bosch had hier niets bij hoeven te verzinnen.

Ferguson – Nu wonen daar andere mensen, 160

[Bandung – Boekenbeurs]

De Javase Bank [?] – een rivier die onder de weg doorloopt, en Concordia, de sociëteit op de Grote Postweg hoek Braga. Ik was negen jaar toen we voor het eerst in Indië kwamen. Ons eerste huis was hier, schuin tegenover Concordia, oom Leo had daar zijn tweedehands boekenzaak gevestigd, de Boekenbeurs. Naast het huis loopt, net als toen, een modderig pad omlaag, door een zijdeurtje kwam je het woongedeelte binnen. Nu is er een drukkerij gevestigd. Wil ik daar nog in? Vraagt Suwati, op het pad wijzend. Nee. Net wordt een eentonig refrein: nu wonen daar andere mensen. Maar er is meer dat me weerhoudt. Hier in Bandung hangt iets zenuwachtigs in de lucht, iets gespannens, het is of de mensen hier bozer, ongeduldiger zijn dan in het gemoedelijke Jogja. Ik wil wel zoveel mogelijk terugzien, maar even, van de buitenkant. Ik weet het zo nog wel. Hoe vreemd het was, hoe vreemd het rook. Het rare eten. Water uit een beige filterapparaat, een vreemde smaak.

Ferguson – Nu wonen daar andere mensen, 160-161

[Bandung – Majestic]

Concordia: verre, onbereikbare feesten, glans. De bioscoop die erbij hoorde: om half elf 's zondagsochtends kindervoorstelling, cowboyfilms of Janet Gaynor, de pianist die de immers nog zwijgende films begeleidde een steeds vlugger ging spelen als het spannend werd – en dan stond je buiten, verblind in de stikkende zon.

Ferguson – Nu wonen daar andere mensen, 161

[Bandung – Keller]

De Bragaweg, vroeger 'de' Europese winkelstraat, ligt er nog net zo. Het is er kalmer, de toko's zijn koel, donker en veel minder drukbeklant, kennelijk zijn ze veel duurder.
Kellers magazijn voor herenkleding is er nog steeds, zelfde naam. Zoon Eddy was een vrolijke krullerige roomse jongen, en omdat hij rooms was had hij zoveel vuile praatjes zeiden zijn klasgenoten. Veel winkels zijn ongetwijfeld verwisseld van eigenaar en van branche, maar de buitenkant is ongeveer hetzelfde. Van een brede zijweg rechts, omlaag hellend, valt me na veertig jaar spontaan de naam in: Naripan.

Ferguson – Nu wonen daar andere mensen, 161-162

[Bandung – Bogerijen]

En Maison Bogarijen ziet er nog precies zo uit: een terras ingesloten door de naburige winkels, zitjes, parasols, daarachter de dure zaak met geïmporteerde delicatessen (ook toen). Suwati giechelt: 'Hier ben ik nog nooit geweest, hier komen alleen maar héél rijke Indonesiërs en Europeanen!'
We gaan gezellig zitten, onder een parasol. Het is niet vol, achter ons zitten inderdaad 'Europeanen', Engels-sprekend; is het nu 'net als vroeger'? Heb ik, als kind van erg zuinige en puriteinse ouders, ooit wel bij Bogarijen gezeten of was het alleen maar decor, lokalisering van dromen en verlangens?
Het terras wordt, net als toen, van het trottoir gescheiden door een lage heg, er zijn twee of drie openingen waardoor je binnen kunt komen. Boven de heg zie ik een hoofd opduiken en weer verdwijnen. Het hoofd tracht duidelijk onze aandacht te trekken, ik kijk het niet eenmaal aan. Dan toont de mens die er aan vastzit zich helemaal in de dichtstbijzijnde opening van de heg: een hoofd, een romp, anders niets. Het beweegt zich voort door middel van een onbegrijpelijk gehuppel. Omdat ik nog steeds weiger te kijken zie ik niet precies hoe dat in zijn werk gaat. Ik word boos. Onchristelijk, onmenselijk boos. Waarom mag ik me hier geen moment overgeven aan dromen van hoe het vroeger was, of genieten van hoe het nu nog is – waarom moet mijn hele Bandungse spoor terug gestoffeerd worden met verminkten, kreupelen, blinden, met zweren overdekten, arm- been-, oor- of neusloze schepsels? Waarom bergen ze dat menselijk afval niet op? Ja, ik weet het wel – omdat ze door het prostitueren van hun ellende immers miljoenen verdienen. Maar ik laat me niet chanteren! – We blijven nog een poosje zitten, het ijs smaakt me niet zo; als we opstaan en weggaan denk ik: zoiets kan ons toch niet inhalen. Maar 'zoiets' heeft zijn helpers, en we worden wel degelijk achtervolgd, door een gezond en compleet jongetje dat schuin achter ons meeloopt en Suwati aan haar arm trekt. Na een minuut geeft ze het op en laat wat geld vallen in zijn vakkundig gekromde handje. Zij reageert, zoals de meeste Indonesiërs, met een mengeling van medelijden en angst die maakt dat ze haar tol betaalt.

Ferguson – Nu wonen daar andere mensen, 199

[Jakarta 1 – Pasar Ikan]

We slenteren lange tijd langs de winkeltjes van deze oude wijk. Er is van alles te koop, potten, pannen, een eigenaardig soort boodschappentassen van gevlochten bamboe waarvan ik mij een aanschaf. Er zijn ook ettelijke kleermakers, ze zitten achter hun trapnaaimachines, op straat voor zijn bedrijf staat een man te strijken, wollen mutsje op het hoofd tegen de zon. Aan een stang hangen de pasgenaaide, versgestreken jurken van gloednieuw katoen. In de haven liggen oeroude vissersboten te stinken in het stinkende water, overal zijn mensen bezig – met het opknappen van hun boten, met het verstellen van netten. Overal zijn mensen bezig – in de winkeltjes, op de hobbelige zandpaden ertussen. Een gemeenschapsleven zoals wij niet meer kennen, wat bij ons kunstmatig moet worden opgevijzeld door het bouwen van akelig dure culturele centra. Het leven is hier zo vanzelfsprekend, en met al zijn vuil en stank en armoede, zijn schurftige honden, zijn metershoge afvalhopen op de hoeken, is het toch een voor ons verloren paradijs.

Ferguson – Nu wonen daar andere mensen, 223-224

[Bandung – Braga]

De krant ligt nog opgevouwen op het tafeltje buiten, maar aan de koppen zie ik wel dat er iets bijzonders moet zijn. In de stille ochtendlucht vertaalt tante hoofdschuddend: In Bandung zijn grote branden uitgebroken, rellen tegen de Chinezen, wel duizend auto's vernield, winkels op de Jalan Asia-Afrika en de dure Braga in brand gestoken en geplunderd, de volkswoede is plotseling opgelaaid (hoe weinig verbaast dat mij, na de atmosfeer die ik er heb ondergaan). Er is een botsing geweest tussen een Mercedes met Chinezen en een ossekar, een grobak. De Chinezen zijn razend geworden om een deuk in hun auto en hebben de grobakbestuurder afgetuigd. Toen zijn op hun beurt de Chinezen weer afgetuigd door de omstanders, en de rellen hebben zich uitgebreid over hele winkelstraten.
De Chinezen, heeft oom mij al geleerd, wekken nu eenmaal steeds weer de woede van de Indonesiërs op door hun ijver en hun door niets tegen te houden geldzucht. Of ze nu de Indonesische nationaliteit en een Indonesische naam aannemen, hun karakter verander je daarmee niet. De overheid doet pogingen een Indonesische middenstand op te bouwen. Daartoe worden aan Indonesiërs vergunningen uitgegeven voor het in exploitatie brengen van een bedrijf, of van een winkel. De Indonesiërs zijn wel van goede wil, maar ze hebben weinig ervaring op dit gebied en gaan al gauw kapot aan de concurrentie en andere problemen. Dan komt er zo'n concurrerende Chinees, biedt hen een in hun ogen groot bedrag, koopt de vergunning, en zet, en met wat voor succes, de zaak voort. Weg Indonesische middenstander. Zo blijven de Chinezen zich steeds opnieuw handhaven in de monopolie-posities in handel en bedrijf die ze vroeger ook bekleedden. Ze bezitten huizen en zijn niet teergevoelig als het gaat om het innen van de huur. Goktenten, bordelen, grote handelsfirma's, kleine winkeltjes, overal persen ze goud uit. Geen wonder dat een kleinigheid voldoende is, en de onderdrukte jaloezie en woede van het nog steeds uitgebuite volk zoekt zich een uitweg. De Chinezen, maar dat hoorde ik niet van gezagsgetrouwe oom, hebben ook aardig wat militairen omgekocht voor hun persoonlijke bewaking. Zeer vele militairen baden in door Chinees geld betaalde weelde; dat past nu weer niet bepaald bij het imago van 'de eenvoudige trouwhartige soldaat' waarvan president Suharto het prototype zou zijn.

Ferguson – Nu wonen daar andere mensen, 225

[Jakarta 6 – Toko de Zon] 

We gaan naar Pasar Baru, en werkelijk, dat is bijna ‘net als vroeger’, een enorm gezellige winkelstraat. Maar ik weet nu wel wat mijn lust of onlust bepaalt: hier worden geen auto’s toegelaten, dus je kunt op je dooie gemak gaan wandelen een kijken en de straat oversteken en er is niet dat afgrijselijke verkeerslawaai. Mijn vergelijkingsmateriaal tussen vroeger en nu blijkt steeds eenvoudiger, en hoe ego-centrisch!
Wat vroeger Toko de Zon heette heet nu anders, het is nog steeds een groot en propvol warrenhuis, met counters waaraan es-kosok en andere Indonesische lekkernijen geconsumeerd kunnen worden.

Ferguson – Nu wonen daar andere mensen, 231

[Jakarta 6 – Njonja Meneer] 

Op Pasar Baru brengt Jopie op haar beurt mij naar een winkel waar je vermageringskruiden kunt krijgen, tjap Portret Njonja Meneer. Het is de galiang singset die in Bandung ook al voor me is gekocht, maar hier zijn het pillen in plaats van poeders. De vrouwen gebruiken dit kruid ook voor innerlijke hygiëne in het algemeen, voor de baarmoeder enzovoort. Indonesische vrouwen blijven, ondanks een groot aantal kinderen, vaak tot op middelbare leeftijd slank en soepel, met strakke gladde huid.

Ferguson – Nu wonen daar andere mensen, 238-239

[Jakarta 7 – Gouverneurswoning] 

Op de CAS-reünie in het begin van mijn verblijf hier heb ik kennisgemaakt met een dame die, als dochter van een regent, in het voormalige Batavia ook een westerse opvoeding heeft genoten. Hoewel ze zelf, evenmin als Suryati en Mimi, ooit in Holland is geweest, is ze toch sterk doordrongen van Nederlandse begrippen en ‘waarden'. Volgens de toen gemaakte afspraak bel ik haar nu op en nodig haar uit in het huis van tante een kopje koffie te komen drinken.
Zij komt om elf uur in de ochtend, maar ik merk opnieuw dat ik hier nog steeds niet ben voorbereid op de oosterse gastvrijheid. Zij drinkt wel een kopje koffie, maar dat is niet meer dan het begin van ons samenzijn, blijkt. Eerst gaan we naar het kantoor van haar man die gemeentesecretaris is, om hem af te halen. Het is vrijdag, dus eigenlijk een mohammedaanse zondag.
Zijn hoogst moderne, weer schitterend ingerichte vergaderkamer is gelegen in een nieuwbouwkantoor dat bijgebouwd is op het erf van een groot oud-Indisch huis op Koningsplein Zuid, ik houd me gemakshalve maar even aan de vroegere namen, waar in onze tijd de gouverneur van West Java resideerde. De gemeente-secretaris is een uiterst levendige man die Nederlands spreekt zoals Tjalie Robinson het schrijft, Bataviaas en kwajongensachtig, vol vrolijke uithalen en snelle grappen. Hij laat ons ook het oud-Indische huis zien, nu ontvangstruimte. In de hoeken en naast de deuren staan metershoge, metersdikke afgeknotte boomstammen die in Balische trant zijn uitgesneden, vrolijke en dreigende koppen en maskers. Ook staan er grote abstracte sculpturen.