tweede druk, Leopold, 's Gravenhage 1971

Couperus – Oostwaarts, 111-112

[Jakarta 7 – Rendez-vous] 

Het was vermoedelijk ook niet ideaal, evenmin als het heden. Maar ik was een kind, geboren in Holland, maar met Indische tradities in geest en gemoed.
Ik was tien jaar toen ik Weltevreden zag voor het eerst. Knapejaren en schooltijd. Wij speelden geen ‘football’ maar ‘baar’, een oorlogsspelletje met een vlaggetje, dat de vlugst loopende moest zien te veroveren. Wij wisten van geen fiets en geen tennis, maar wij waren wel allen verliefd op de meisjes, die school-gingen in haar witte ‘baadjes’. Een los wit jurkje met een nauw om den hals sluitend kraagje. Wij waren soms vreeselijk verliefd. De zon stoofde ons jonge bloed, dat te borrelen begon …
Wat heeft dit met Batavia te maken, nu en toen? Niet veel. Vergun mij echter, vergun mij een klein beetje in de vroegere souvenirs rond te dazen.
De lieve meisjes woonden in de mooie huizen op Koningsplein en omringende notabele buurten. In bijna ieder huis woonden er twee. Nu zie ik al die huizen weêr en je lacht om die souvenirtjes.
Batavia, Weltevreden. Vroeger scheen het mij toe – als ik mijn knape-souvenirs mag vertrouwen – een voorname, lieve, witte, koloniale hoofdplaats en rezidentie. De huizen waren wel niet van architecturale schoonheid maar ze waren door onze grootouders en hun ouders gebouwd praktisch en luchtig, laag en wit, ruim en koel, op grote erven, met groote boomen, wier schaduwen een typisch contrast gaven met den zonneval buiten schaduw. Langs de breede lanen ging niet één enkele auto, maar gingen wel de mooie landauers van de ‘families’ der lieve jonge meisjes, en Lili, Toetie, Nonnie toerden er met pa en ma het Koningsplein om, op den statigen tred der Preanger-paarden. Terwijl de koetsier, een galonhoed op zijn hoofddoek, rustig den toertred der twee rossen hield in bedwang. En twee staljongens, in lange ‘badjoe’ – des Zondags was de liverei iets meer Europeesch – ieder met zijn vliegenkwast in de hand, op een trede stonden, achter op de landauer. En bij iederen wegebocht van hun trede afsprongen, om links en rechts, de kwast in de hand, de statige zwenking der impozante equipage te geleiden. De lieve meisjes wuifden elkander, passeerende, heel lang met het zakdoekje tegen, en je herinnerde je, dat je des avonds zoû gaan dansen, daar en daar, met Toeti en Lili en Non.

Couperus – Oostwaarts, 112-113

[Jakarta 5 – Soos] 
[Jakarta 6 – Leeuw] 

Des Zondags was er muziek op het Waterlooplein bij de Zuil van den Leeuw van Waterloo, een goedig hondje op een pilaar. Het Gouvernementsgebouw en de officiershuizen in het vierkant om het plein. En de mooie, statige equipages van de ‘families’ van Koningsplein, Kramat, Menteng, Tanabang, Molenvliet, Rijswijk en Goenoeng-Sari, rolden statiglijk aan en de koetsiers en de staljongens droegen hun fijnste hoeden en badjoes en hielden de Zondagsche vliegekwasten ter hand. Het was voor je het elegante moment van de week, ik meen overdag, want er was ook avondmuziek in de Harmonie (Soos) en Concordia (militaire idem) maar daar gingen je oudere zusters heen en Lili, Toetie en Nonnie zouden daar eerst over een poosje komen, als ze rozeknoppen waren van zestien zomers: nu waren zij nog maar schoolmeisjes …. dàn waren ze in eens ge-engageerd, terwijl jijzelve nog maar een jog was.
Wat moet ik nu met die malle souvenirs? U vertellen, dat ik de lieve meisjes niet meer zie? Maar dat ligt immers alleen aan mij. U verzekeren, dat er geen mondain muziekmoment op het Waterlooplein meer is? Maar er zijn immers volle bioscopen. U zeggen, dat geen statige equipage meer komt aanrollen? Maar auto’s dreunen razende in volle vaart door stof of, in regenmoesson, door modder! En ik zit immers zelf in een auto en kan niet klagen over wat mij zoo vlug ergens heen brengt! Er over zaniken, dat de mooie huizen van vroeger bijna alle hôtel-dépendance, ‘zaak’ of wat dies meer zijn, vervallen, kalkeloos, verfeloos, met leelijke opschriften ontsierd? Neen, ik wil hier heusch niet meer over zeuren, maar….

Couperus – Oostwaarts, 113-114

[Jakarta 7 – Zuidoosten] 
[Jakarta 7 – Secretarieweg] 

Maar…. daar herken ik, op den hoek van het Koningsplein en een ‘gang’ (zijstraat) het eigen ouderlijke huis van vroeger! Het lieve, mooie, witte huis van vroeger, en het staat daar verveloos, kalkeloos, vervallen en ik wil niet zien wat het geworden is nu (na niet twintig) maar bijna vijftig jaren! Ik heb alleen even mijn keel voelen geknepen worden. En toen heb ik weêr gelachen, omdat Batavia toch eigenlijk wel …. een moderne, welvarende stad is, met veel auto’s, vele opschriften, veel nieuwe benauwde, nauwe huizen zonder een ‘erf’, bijna zonder een tuin….

En natuurlijk met veel lieve, jonge Toetie’s en Nonnie’s die alle jeugdige footballers en gymnaziasten wel zullen weten te wonen en weten te vinden op de Zondagsche soirées-dansantes in het Hôtel des Indes.
Kom laat ons toegevend zijn. Het uitzicht der steden verandert in der jaren loop en het doet dit overal. Rome en Florence wijzigden op democratische wijze hunne antieke voornaamheid; Den Haag offerde aan nieuwen tijdgeest Lange Voorhout en Vijverberg; op het Koningsplein van Batavia, vroeger het stijlvolle, vierkante grasplein, de immense aloon-aloon, waar ter Zuidzijde, bij helder weêr, Salak en Gedeh blauwende zich afschetsen tegen de lucht, verrees een hôtel, een race-baan, een fuifpark en bedierven wat eenmaal statig en voornaam was van lijnen…. Laat ons toegevend zijn, evenals Salak en Gedeh, die nog, bij helder weêr, blauwen.
En dus niet te veel onderschrappen, dat ik Batavia….de vervallen hoofdplaats van Nederlandsch-Indië vind.
Misschien vergis ik mij ook wel en heeft Lord Northcliffe gelijk, die het tegendeel schijnt opgemerkt te hebben, ten minste gezegd. Maar hij had immers geen kindersouvenirs, die hem bedrogen.

Couperus – Oostwaarts, 114-117

[Jakarta 4 – Hotel des Indes] 

Zachtkens aan, liggend op mijn langen stoel in de eigen galerij mijner kamers in het Hôtel des Indes, kan ik toch niet ze heelemaal verjagen ….
Veertig jaren geleden…. logeerde ik ook in het Hôtel des Indes. Wel, Henri Borel heeft gelijk gehad met te beweren, dat een der twee oude waringins onrecht is aangedaan, toen men hem een deel zijner stammen en luchtwortels ontnam, omdat er een overdekte dansvloer gesticht moest worden. Maar heeft men, als de wijze waringin zelve, dit onrecht vergeven, vergeten, dan wil ik wel bekennen, dat dit oud-naamsche en oud-faamsche hôtel een prettigen, modernen indruk maakt. Vooral als men logeert op de eerste verdieping van den nieuwen linkschen vleugel. Een verdieping hoog, is men niet zoo veilig voor een aardbeving maar wel veiliger voor muskieten. Deze appartementen zijn zeer ruim en gerieflijk en in één er van kunt ge met u beiden logeeren of…. met drie, vier uwer spruiten. Ruimte in deze warme stad is een vereischte en de nieuwe bouworde der moderne huizen en huisjes te Gondangdia, de nieuwe wijk, hield daar geen rekening mede. Des te meer hulde aan dit hôtel, dat men hier ademen kan en zich bewegen in zijne kamers, tusschen zijn koffers, of droomend kan turen in de kruinen van tamarinde en ficus en waringin terwijl beneden u, daarginds in het verschiet, de dansmuziek fiedelt en vedelt.
Wat ook in dit hôtel is te roemen is….de rijsttafel, die er naast een Europeesch lunch naar keuze wordt gediend. En nu ben ik blij het een oogenblik te kunnen hebben over de Indische rijsttafel.
Er is in Indië een neiging het geheele leven te vereuropeanizeeren. Deze neiging is gekomen uit Singapore, over Medan – de frissche planterstad, die eigenlijk weinig ‘Indisch’ is – en heeft zich in de laatste jaren zeer uitgebreid over Sumatra en Java. Onder deze vereuropeanizeering behoort vooral de bijna algeheele afschaffing van de rijsttafel. Was de rijsttafel vroeger algemeen het ge-ijkte lunch, in de laatste tien, vijftien jaren – wie is er meê begonnen?! – is het mode geworden op de rijsttafel neêr te zien als onhygiëniesch en ‘Indiesch’! In de hôtels te Sumatra krijgt ge dus op lunchtijd een noenmaal, dat dikwijls bestaat uit erwtensoep, ‘hochepot’ (sic), boeuf-braisé, worst met boerenkool en kabinet-pudding. “Spreek me niet van rijsttafel!” werd mij verzekerd. “Die schaffen wij af! Het eenige middel om niet ‘Indiesch’ te worden!”
Ik vond dien schrik wel komisch. Om niet Indiesch te worden, niet te zwaar, niet te loom, niet te lui, schaft de Europeaan de gepimenteerde rijsttafel af en eischt…. een lunch, dat hij nergens in het vaderland krijgt, zoo zwaar en wintersch, dat het hem smaken zoû als hij een paar uur had schaatsen gereden. Hij eet met dit menu twee zware diners per dag. Het vleesch was nooit fameus in Indië. Men at een gebraad éénmaal per dag, aan het diner, maar aan de rijsttafel was het nu niet zoo heel malsche vleesch gecamoufleerd door een pittige toebereiding. En nu wilde ik dit alleen maar zeggen: dat ik deze afschaffing van de rijsttafel in de hôtels en in de meeste particuliere huizen een fout noem in de levenswijze en tégen het klimaat, die groote vijand van den Europeaan in Indië. De Europeaan heeft de rijsttafel, wil hij gezond blijven, beslist noodig, ik zoû zeggen broodnoodig, rijstnoodig. De sterk gekruide toespijzen zijn, met mate en etenskunst genuttigd, niet anders dan nuttig voor digestie en anderszins; trouwens, de inboorling had ze anders ook niet uitgevonden. En wie zegt, dat hij de rijsttafel uit den booze vindt, wed ik – om een lief ding – kan de rijsttafel niet eten. Want er zijn vele Hollanders, al jaren lang in Indië, die de rijsttafel…. niet eten kunnen. Zij zijn het, die stapelen rijst, groente- en vleeschgerechten, sambals ordeloos op hun bord en maken er een olla-prodida van. Het smaakt tòch nog…. evenals nassi-goreng lekker is – de gebakken rijst. Maar het is op uw bord, zoo alles door elkander gehutst, een indigeste, smak-verwarrende en onesthetische rommel, waarvan zelfs het aanzicht afstuit. Wie zoo rijst eet zal op den duur niet gezond blijven en zich de rijsttafel tegen eten…. Terwijl hij risqueert, dat, als hij een knappe kokkie heeft, deze bij zich zelve denkt: “Wat heb ik zooveel moeite te doen met mijn boemboe (kruiden) te mengen en te bereiden als mijn toean die fijne smaken in zoo groot verschil toch maar op zijn bord door elkander mengt?”
Rijsttafel te eten en te genieten is een kunst. Men neme niet te veel rijst in eens (bijvullen is ge-oorloofd). Men kieze uit de veelheid der gerechten – hoe aardig gaat in Hôtel des Indes de drom der Inlandsche bedienden, die een achter den ander, op een rij met die vele gerechten rond! Men houde zijn rijst zelve zoo lang mogelijk wit en maagdelijk. In een kop neme men zij sajoer of groente-saus. Op een bij-bord schikke men het palet uit de gekozene gerechten. De verschillende, soms zeer gepimenteerde sambals neme men in kleine hoeveelheid – pas op voor de sambal-oelek, louter Spaansche peper! – en houde ze op den rand van uw bord vooral goed uit elkaâr. Bij elke hap rijst – ge eet uw rijst met lepel en vork – kiest ge iets van kip, vleesch of visch, begeleid door één der sambals. Iedere hap rijst is een nieuwe combinatie. Ge wisselt ze af, die combinaties. Ge wisselt ze af, uw hapjes rijst, waardoor, als ge goed eet, elk hapje anders smaakt. Wat een rijkdom, die u nooit verveelt! En ge eet vooral met maat, vooral niet te veel en vooral niet als een Barbaar, die bij voorbeeld, in een restaurant, Sôle à la Meunière, tournedos en pêche-Melba op zijn bord dooreen zoû smijten en meenen goed te doen, door zoo zijn maal te nuttigen.
Dat de rijsttafel slechts op een bord en wel een soepbord wordt genuttigd – al heeft men een sajoerkommetje en bij-bord naast zich – is misschien af te keuren: men bedenke dat de Inlander, die met zijn vinger eet, gemakkelijker de juiste combinaties weet te kiezen, dan wij binnen den bekrompen cirkel van ons diep bord. Maar een maal dit Westersche ‘bord’ (in steê van het Oostersche pisang-blad) aangenomen, vulle men niet ordeloos, stapele men het niet vol, eere men vooral smaak, maat en keuze bij dezen maaltijd, die, ik herhaal het, matig genuttigd, eerder een zweepslag is voor het Europeesche bloed dan erwtensoep en worst met boerenkool hier kunnen zijn. Vreemde tegenstelling: en toch eet de Europeaan hier zwaren winterkost gaarne: kan het zijn uit heimwee naar zijn vaderland?

Couperus – Oostwaarts, 122

[Jakarta 1 – Kasteel Batavia]

Nu het dezen avond niet regent voor enkele uren, zullen we doen, wat iedereen doet, die een week te Batavia is. Wij zullen de oude stad gaan zien, ons herinneren Jan Pietersz. Coen, het kasteel Batavia, de energie onzer koop-lieden-voorvaderen, geheel het ‘Westersch effort’ onzer stoere zeevaarders en mannen van de Compagnie. Zoo een vrome gedachte, ook maar één enkel uur gericht naar het Verleden, en naar de grootheid en kracht onzer vroegere eeuwen, troost je waarachtig in verfeloos, vervallen Batavia voor den kakkerlak, dien je nooit uitschudden zal uit je jaquet of uit de bonte pelerine van je vrouw.

Couperus – Oostwaarts, 122-123

[Jakarta 2 – Kanon] 

Langs de kali, de voorname Chineesche huizen langs – dan treft je Sirene-park, minderwaardige bioscoop of zoo iets, o God, o God, wat is onze eeuw in zijn populair vermaak in stomheid en verstomdheid radeloos verloren! – tuffen wij de Chineesche kamp door. De avond doezelt het leelijke, het vervallene weg en geeft een pittoreske illuzie. De gaarkeukentjes, met de olielichtjes, de interieurtjes, nauwelijks opgelicht. De bruggetjes over de grachten oud-Amsterdamsch nog even opdoemend in bleeken schijn van vochtige maan – maan is voor mij in Indië àltijd iets als een tooverspiegel – en de huizen, waar de voorvaderen handel dreven en in de eerste eeuw van hun streven zelfs woonden. Hulde aan Coen, vrome gedachten, zestiende eeuw, zeventiende, het ‘kasteel’ de ophaalbrug, het Stadhuis, de Poort met de vreemde vazen en de barre Poortwachters…. ik kan het alles in dit vage tooverlicht nièt goed onderscheiden, en het is veel meer zoo: de Herinnering uit het Verleden. De Vischmarkt door en hier het Kanon, het heilige, het beroemde, waar steriele vrouwen offeren om nakomelingschap den man te baren.
Ik zie het niet. Het is te donker. Het moet daar ergens liggen in het gras. Vroeger lag het dààr niet…. “Het heeft zich uit zichzelve verplaatst”, zegt de chauffeur heel ernstig. Wij lachen niet: lach nóóit, o Europeaan, als een Oosterling u zoo iets zegt: wéét ge dan of een heilig Kanon zich nièt uit zichzelve verplaatsen kan van hier naar daar? Nu zie ik het even schemeren, het kanon, dat oer-symbool is voor de steriele Javaansche vrouw; de bleeke toovermaan glijdt er langs….

Couperus – Oostwaarts, 126

[Jakarta 7 – Gouvernement] 

Wij hebben gedineerd ten paleize op het Koningsplein bij Zijne Excellentie Gouverneur-Generaal Fock, met den Rezident van Batavia, den Algemeenen Secretaris, den Burgemeester, een klein, bijna intiem diner. Het ‘hof’ van onzen Landvoogd is natuurlijk heel eenvoudig; de gasten scharen zich in twee rijen, dames en heeren, als Zijne Excellentie verschijnt; aan tafel zijn de stemmen even gedempt; maar daarna, in de witte voorgalerij, gaan de gasten tòch zitten, ook al is de gastheer, staande, nog bezig ieder zijner gasten aan te spreken. Hoewel men weet en zegt, het vooral uitspreekt, dat dit zitten-gaan een zonde is tegen de étiquette.

Couperus – Oostwaarts, 126a

[Jakarta 7 – Museum] 

Ik heb dien volgenden morgen het Muzeum bezocht, waarvóór een olifant staat, geschenk van een koning van Siam: olifant, die in zijn jeugd verguld was en nu grauw. Zo is veel wat in uw jeugd goud of zelfs maar verguld was, grauw geworden in latere jaren…

Couperus – Oostwaarts, 126-127

[Borobudur 1 – 120] 
[Jakarta 7 – Museum]
 
[Jakarta 7 – Slang] 
[Jakarta 7 – Ganeça] 
[Jakarta 7 – Gamelan] 

Indien ge in dit Muzeum rondgeleid door den conservator Dr. Schricke, zooals uw correspondent de eer had te zijn, alle deze beschreven steenen zoudt kunnen lezen, alle deze zuil-inscripties zoudt kunnen ontcijferen, zoû veel van Javaansche en Maleische historie zich voor u ontsluieren; gij zult wel willen gelooven, dat geheel deze lapidaire letterkunde geheim voor mij is. Hetgeen mij ontevreden maakt, omdat ik mijzelven dom vind, terwijl het toch wellicht te vergeven is, als niet iedereen dadelijk, alles wat in steen werd gegrift, de eeuwen door, kan lezen. Intusschen troosten mij de mooie, grootsche Hindoe-beelden en wijden zij mij dezen morgen reeds in de schoonheid, die ik vooral op de Boroeboedoer hoop te mogen bewonderen. Toch is de Boeddhistische schoonheid voor mij steeds eene betrekkelijke, terwijl de Grieksche altijd voor mij een volstrekte schoonheid geeft. Een beeld van Praxiteles of Lysippos geeft in zijn goddelijken eenvoud mij den vorm van het absolute, van de schoonheid, die in alle eeuwen en atmosferen de zelfde blijft. Deze Boeddhistische beeldhouwkunst is een relatieve schoonheid, alleen te waardeeren als men rondom deze vormen en lijnen eerst een atmosfeer oproept. De Ganeça – god der Wijsheid – uit ‘andesiet’, vierarmig, wijdbeens gehurkt, met den olifantskop, de snuit in een der handen, treft zeker dadelijk door een wonderlijk volmaakt modelé, zoo mollig, dat men zich afvraagt, hoe ooit dit harde steen zich voegde naar eens beeldhouwers vromen, volhardenden beitel. Maar is eene dergelijke vermaterializeering der Wijsheid daarna niet slechts te waardeeren als men om haar oproept de atmosfeer van den Ganges of welk Voor-Indische natuurmonument ook, en dan zulke identieke atmosfeer, zulk identiek moment, overplaatst naar oud Java, waar dit beeld werd gevonden? Is zulk een beschouwing naar tijd en plaats noodig, als wij een Hermes, een Sater, een Afrodite zien?
Zeer belangwekkend vond ik de voorstelling van het Karnen van de Oceaan; een slang om den berg geslingerd, dien Vischnoe’s schildpad draagt, dient goden en demonen als karntouw, waarmede zij de Wereldzee karnen, opdat boven drijve de Amurta, de drank, die hun de onsterfelijkheid geeft.
De prachtige gamelan van den Sultan van Bandjermassin, de monumentale gamelan, zoú zou zij nooit meer worden bespeeld….?

Couperus – Oostwaarts, 134-135

[Bandung 2 – Departementsgebouw] 

Ik wensch Bandoeng gaarne toe, dat zij Weltevreden op zij streve. Dat de nieuwe hoofdplaats van Java, Bandoeng zij. Dat andere Departementen, het strategisch hier, naar het mij schijnt zeer juist overgebrachte Departement van Oorlog, volgen. De oude kustplaats, plaats van Bewind onzer Voorvaderen, heeft uitgediend. Zij moge tusschen Tandjong Priok en Bandoeng dan blijven de stad van eerste aankomst. Maar het klimaat, onze groote vijand alhier, beult er den werkenden Westerling af, vreet aan zijn zenuwen, sloopt de krachten van zijn lichaam en ziel. In de van de bergen meê gewaaide koelte zal zeker Bandoeng’s klimaat gunstiger mede werken met wie zich hier vestigt en een arbeidscentrum sticht. Want laat ons blijven werken als mieren: zoo is onzen aard, onze onbewuste natuur; laat ons ons kleine werk blijven doen, voor ons en voor anderen, de mieren gelijk, te midden der titanische machten en der stille krachten, die ons omringen. En splijt de aarde, verschuiven de reuzenbèrgen, spuwen zij hun vuurwoede uit, welnu dan geschiede wat Allâh wil; wij mieren, hebben dan niet anders gedaan, dan wij moesten doen en konden doen....
Of zullen de reuzenbergen nooit spuwen meer? Zijn alle deze bergsche koningen en prinsen werkelijk niet anders dan uitgelaaide vulkanen? Dan voor eeuwig nu onder de aarde zwijgende, doode, stille krachten??

Couperus – Oostwaarts, 141

[Bandung – Hotel Preanger]

Zoo heb ik Bandoeng gezien, beloftevol voor de toekomst. Vóór ik de stad ook hier in deze reisschetsen verlaat, wil ik het Hotel Preanger, waar ik logeerde, en de auto-verhuurderij 'Ardjoeno'(directeur de heer Bothma) bedanken voor hunne goede zorgen tijdens mijne rust – in het hôtel – en mijn bewegen – in de 'mobiel'.

Couperus – Oostwaarts, 182

[Pasuruan – Bupati] 

Ververschingen in afwachting, en het trof mij, dat deze niet meer zoo gratievol werden aangeboden, als ik meer dan twintig jaar geleden gezien had, bij voorbeeld in de Kaboepaten te Passoeroean, bij den Regent aldaar, toen gehurkt zich voortbewegend, de dienaren, met immense bladen vol glazen en karaffen, aankwamen, zonder één glas omver te gooien en steeds in een hurkende houding. Misschien is aan deze allermoeilijkste acrobatie van bediening een einde gemaakt, om democratische redenen; hoe dan ook, ik vond, dat de bediening stijl miste, al werd de Soenân ook bediend door een soort ordonnans, geloof ik. De conversatie was nu juist niet gemakkelijk; in tegenstelling met vele Regenten, die ik op Java ontmoette, praatten deze Javaansche prinsen weinig of heelemaal geen Hollandsch, en mijn Maleisch, ik zeide het reeds, is niet berekend op Solosche Kraton-conversatie. (Ik breng in herinnering, dat Javaansch door bijna geen Nederlander wordt gesproken).

Couperus – Oostwaarts, 191-192

[Yogya 1 – Alun-alun] 
[Yogya 1 – Siti inggil] 
[Yogya 1 – Bangsal Witono] 

Middeneeuwsche bentengs, versterkingen en kasteelmuren, zouden aan het emplacement van den Kraton te Djokdja hier en daar het aspect van een kasteel geven, indien het alles niet zoo laag ware, verdiepingloos, torenloos, met stijllooze, wegvluchtende daken. Van bouworde is dit wederom, als in Solo, onbelangrijk, bouworde-loos; indruk maakt dit wijde complex van gebouwen in het geheel niet. Al de Vorstenlandsche schoonheid en belangwekkendheid verbergen zich achter deze muren. De stad zelve, in dit morgenlicht, is in de oude wijken zeer vervallen, maar men bouwt geheele nieuwe wijken met de kleine moderne huizen, die nu mode zijn, voor de toenemende bevolking.
Toen wij die morgen den Kraton bezochten, trof mij vooral de Siti Tingil, letterlijk, de ‘hooge aarde’, die op mij hier meer indruk maakte dan deze zelfde plaats te Solo. Het is vóór het paleis, de verheven, overdekte pendopo, – zeer eenvoudig het dak rijzende op maar ijzeren of houten pilaren. Daar, op een gewijde plaats, troont de Sultan bij feestgelegenheid, naast zich den Rezident, die hem ge-armd dan heeft geleid naar zijn zetel, zetel geheel gelijk aan die van den Rezident zelve. Deze gewijde plaats is echter anders ingesloten in een soort kooi, om te verhinderen, dat wie ook er over trede.
Het binnendak van gesneden djatihout was mooi. Een ook omkooide, verhevenheid rechts, dient bij feest voor den zetel van den Kroonprins; links is de plaats waar de dignitarissen met rijkssieradiën neêrhurken.
In dezen morgen, het zonlicht gedempt, maakt dit Kraton-emplacement een bijna geheimvollen indruk. De ordonnans-officier van den Rezident geleidt mij. Hij wijst ons de gewijde maar rond gesnoeide waringin-boomen in gepleisterde balustraden omvat en die vóór de Siti Tingil rijzen; als er een tak breekt van dezen heiligen boom, sterft een familielid van den Sultan. Uit de Siti Tingil, van af de troonverhevenheid, ziet men, als uit een Perzische apadâna of troonzaal, over het wijde plein ruim rond en bij feesten zal de geheele, dan dicht opeen gepakte menigte, den Sultan daar met den Rezident zien zetelen. Zoo is het te Solo ook. Er gaan wel eens aardige anekdoten rond over de vroegere Sultans en Soenâns en vroegere Rezidenten. De pajongs moesten voor Vorst en Rezident van gelijken omvang zijn, maar soms deed de Soenân, in het geheim, zijn pajong wijder maken, dan voorgeschreven was. De Rezident, wien deze plagerij overkwam, zeide dan niets, maar bestelde oogenblikkelijk een nieuwe pajong van de zelfde wijdte als die van den Soenân. De zetels van Vorst en Rezident moesten op één zelfde lijn staan. Maar de Vorst deed dan wel eens of hij bijziende was, en trok, knipoogende, zijn zetel bij de armleuningen naar voren, zóó dat zijn stoel stond buiten de aangewezen lijn, en hij dus den Rezident àchter zich zetelen deed, al was het ook maar enkele centimeters. Maar de Rezident liet zich dit niet welgevallen, en trok, met de zelfde beweging, ook zijn stoel naar voren, zoodat hij wederom op gelijke lijn troonde als zijn ‘zoon’; hij was immers de officieele ‘vader’ van den Vorst! Of deze liet als bij toeval zijn zakdoek vallen, hopende, dat de Rezident dien zoû oprapen, iets, dat hem zeer vernederen zoû in de oogen der omringende Javaansche hovelingen. Maar de Rezident wenkte in dit geval een volgeling en gebood hem ’s Vorsten zakdoek op te rapen. Alle deze kleine plagerijen zijn echter nu slechts de anecdoten van meer dan dertig jaren geleden; de Vorsten zijn werkelijk dezer dagen van grootere loyaliteit en voelen den werkelijken steun, dien zij aan de Rezidenten hebben.

Couperus – Oostwaarts, 193

[Yogya 1 – 4de hof] 

We liepen door. Geen pracht – de antieke praal zouden wij eerst later zien – maar een wel geheimzinnige huiver. Het is alles zoo vreemd, gestold, huiveringwekkend; men vraagt zich af, wat dit worden moet in spoedige toekomst. Een prins – hij schijnt een oudere broer des Sultans te zijn, maar geboortig uit een bijvrouw – zit gehurkt midden in den tuin, op den grond, rookgerij vóór zich, volgelingen achter zich. Hij neemt geen notitie van de toeristen, die daar gaan, met hun speciale permissie, want het is geen Vrijdag, de dag van toelating tot den Kraton. Hij zit daar roerloos en droomt. Hij beweegt niet. Hij staart. Als wij over een uur terug komen, ter zelfder plaatse, zit hij er nog, in de zelfde houding. Nu ik weet wie hij is, meen ik hem te moeten groeten. Hij ziet niet op of doet of hij mij niet ziet. Hij blijft roerloos in Oostersche afgetrokkenheid en verzonkenheid, in minachting misschien voor wie daar passeeren.

Couperus – Oostwaarts, 194-196

[Yogya 1 – Danszaal] 
[Yogya 1 – Gedong Koening] 
[Yogya 1 – Bangsal Kencono] 
[Yogya 1 – Poesaka] 

Zoo, tusschen hoogere en lagere hovelingen – zij zitten, zij hurken, zij loopen hier en daar, en de vrouwen nieuwsgierig, de mannen bewaren de meest minachtende onverschilligheid, met hun naakte bovenlijven, hun vlecht of haarstaartje uit hun kegelvormige mutsjes, hun kam zeer wijd gedrapeerd, met een punt – naderen wij de ontvang-zaal. Stel u nooit wanden voor; open zijn altijd deze hofruimten. Gesneden djati-hout met bladgoud overdekt, is het binnendak. Steeds de stilte, die heerscht door deze wijdten, met hier en daar het zwijgend gedobbel tusschen de hurkende trawanten....
Dit is de eigenlijke Kraton; daar is de Gedong Koening – het Gele Huis – waar de Sultan woont met dichtbij de kantoren; in het binnenhof zitten in kooien vechthanen en een neushoren-vogel te treuren. En hier is de danszaal, waar de srimpi’s, dochters van hofregenten, wel zouden dansen een dezer avonden, zoo het niet strenge rouw ware om het overlijden van den ouden Sultan: Hamangkoe VII: Hij die het Heelal in den schoot draagt. De initialen H. B. VII, zien wij overal rondom, vooral op een groot spiegelglazen schutsel, een doorzichtig schutsel, ik vraag mij af waarvoor.... Deze prachten zijn wel eens onlogiesch en niet altijd goed van smaak.
Wat wederom treft in dit heiligste van den Kraton, is het symbolieke Bruiloftsbed, verguld met elaborate snijwerk. Ook worden in vergulde kasten en schrijnen hier heilige Poesaka’s bewaard, die wij dien avond bij hooge gratie zullen mogen bewonderen op voorspraak van den Rezident. Een steeds brandende lamp vóór het Bed en tusschen de heilige dingen. De oude vrouwen verzorgen dit gewijde gedeelte van den Kraton; geen man helpt haar in dit werk; om zes uur ’s morgens openen zij de poorten, om zes uur ’s avonds sluiten zij ze; bij feesten zijn het deze vrouwen, die de gewijde wapenen bieden aan wie het recht hebben ze te dragen.
De troonzaal hier recht tegenover; in het binnendak prachtige gouden caissons, gesneden hout met bladgoud overdekt: de talrijke smalle binten zijn als zoovele zonnestralen.
Als een vrouw in het voorbij-gaan de heiligheid van het Bed en de Wapenen en de onzichtbare Poesaka’s langs gaat, schetst zij zelfs van uit de verte, het gebaar van de ‘semba’, zooals de Roomsch-Katholieken het kruisteeken maken als zij voorbij een kerk gaan.
We zijn weêr buiten; bij de poort staat een schildwacht met een ouderwetschen tromplader. Wat oude wapenen en oude kanonnen! Wat een vetuste overblijfselen van langzaam wegteerende macht! En ook, vermoedelijk, wat een wespennest vol intrigue, van hoogere en lagere vrouwen vooral. De regeerende Sultan, hij is langen tijd in Holland geweest – zagen wij hem niet telkens bij Mengelberg? – om het gevaar dezer intrigues te ontloopen. Ratoe’s en bijvrouwen zonen van de eersten en zonen van de anderen; wat al ijverzuchten, misgunning, haat en misdaad, en de geheime giften gemengd in diepst geheim; geheimen die nooit ontsluierd worden....

Couperus – Oostwaarts, 196-197

[Yogya 1 – HB IX.] 

Daarnna staan wij op. Ginds zijn de Poesaka’s uitgestald; de antieke heilige dingen: gouden vazen, sirihdoozen, gouden kalkoenen en draken, Garoeda’s – de vogels van Vischnoû – schilden, speren met vergiftigde punten, krissen, lansen. Elk van deze voorwerpen heeft een naam en ik wil u niet zoo vele namen noemen: alle deze Regalia te zamen heeten de Depàtjàrà of Kèpraton; de plaats waar de Sultan ons ontving, zijne officieele ontvangzaal vóór de gewijde verhevenheid van het Bed, heet Poerbàjèskà, en een kris heette Kjahi Dewàperwàtà. Dit zijn poëtische benamingen en zoo zijn zij allen, maar de sonore klank zij u voldoende want ik weet niet wat zij beteekenen: de ‘translateur’ van den Rezident vertolkte ze mij, helaas, niet. (Waarom heet dezen heer maar niet op zijn Hollandsch ‘tolk’ of ‘vertaler’?). Juist terwijl ik dit schrijf, ontvang ik bericht van enkele sonore namen van juweelen mèt de vertalingen! Kwam ooit iets beters te pas? Dus weet ik u nog gauw te vertellen van een ring met kolossalen brillant, die Temoengoe-Sidji heet: Hij met het Eéne oog, terwijl kleinere brillanten ringen de ‘melati-knoppen’ worden genoemd. Vele dezer prachtige Poesaka-ringen hebben namen als: “de glinsterende zee’ en ‘de tot glimlach wekkende’, en als zij klein zijn, zijn zij nòg, voor onze bescheiden begrippen groot.

Couperus – Oostwaarts, 197-198

[Borobudur 0 – Boeddha] 

En zoo hebben wij Djokdja alweêr gezien en verlaten wij de stad, met den steeds herhaalden weemoed, ge zoudt kunnen zeggen, den weemoed der reizigers, die hangen blijft aan elk vertrek van een plaats, die belangwekkend is en die men verlaat, terwijl men er toch niet zoû willen toeven. En verlaten wij de Vorstenlanden, dat wat over is van het groote vroegere Rijk van Mataram. Misschien is er niet veel, maar toch is er wel ièts van deze vroegere souvereine grootheid over. Er is dichtbij de Boeroeboedoer, er zijn de tempels van de Mendoet, van Prambanan, van de Tjandi-Sewoe, en dan is er al deze antieke beschaving. En wat het vreemde is, is dit: stelt men den bouw van den Boeroeboedoer omstreeks 900 na Chr., dan vergete men niet, dat de Hindoesche beschaving zich slechts een kwart eeuw later verplaatst heeft naar het Oosten van Java, al zoû het vermetel zijn, den bouw van den Boeroeboedoer niet langer te laten duren dan deze vluchtige vijfentwintig jaren. Toch, als de chronologie der oirkonden klopt – dat der beschreven steenen en koperen platen, die de eenige analen dezer tijden zijn – dan is in dezen tijd een groote, politieke beweging Oostwaarts begonnen; dan is het Rijk van Kediri in deze tijd tot macht gekomen. Wat is er, op de genoemde grandioze tempels na, weinig over van die historische tijden, van deze Mataramsche majesteit, die wankelde, van deze Kedirische majesteit, die oprees.

Couperus – Oostwaarts, 200-202 

[Borobudur 0 – Heuvel] 
[Borobudur 0 – Spuier] 
[Borobudur 1 – 63] 
[Borobudur 5 – Terrassen] 

Wat is de Boeroeboedoer, de van verre bijna zwart profileerende, architecturale massa, die zich daar, als men nadert, uitteekent op den heuvel, uitstekend middenpunt in de kokosvaleien! Het is geen tempel, dien men binnen kan gaan, hoewel zeer zeker steeds eeredienst werd gewijd aan velen dier Boeddha-beelden, hier onder stûpa's – klokvormige, doorzichtig gebouwde koepels – geplaatst. Zelfs aan velen der bas-reliëfs, die Boeddha's leven er in steenen houwwerk uitbeelden. Zoo als ook nog dezer dagen gebeurt, omdat het Hindoe-isme onverdelgbaar bleef, trots het schijnbaar overwinnende Islâmisme. Neen, de Boeroeboedoer, het Heiligdom der Duizenden Boeddha's, zoû eerder dan een tempel, geweest kunnen zijn de heilige schrijn, waarin een Boeddha-reliquie – een deel van het heilige lichaam van Boeddha zelven – zoû kunnen zijn bewaard.
Veronderstelling, die zich aan u opdringt, als ge hier rond dwaalt langs deze steeds hooger optorenende galerijen. Wij weten niet, en de bekoring van het onbekende is hier dus groot. Dit immense bouwwerk is een geheim: zijt ge genaderd, dan is, in de verduidelijking van het morgen-, naar middaglicht toe, deze bouwmassa van bijna zwart, grauw geworden. Tot het lichter en lichter vergrijst, tot hier en daar enkele gedeelten bijna gaan blanken in felleren zonneschijn. Tot, soms, in maneschijn, het indrukwekkende heiligdom wit wordt, ivoorwit, krijtwit, in zijne wijde omcirkeling van palmgaarden, die tot den horizon toe gaan en onder de bijna witte nachtlucht, die nauwlijks blauwt.
Boven vier, steeds hooger met vele hoeken omgaande, onoverdekte galerijen, wier nauwlijks manshooge wanden de gebeeldhouwde fries vertoonen, die Boeddha's leven weergeeft, rijzen de drie ronde terrassen, waarop de verschillende koepels. En het hoogste terras verheft de klokvormige stûpa, waarin vermoedelijk de heilige reliquie werd bewaard, hoog in de lucht, in den zonneschijn, in den wind, in de maneklaarte. Niets is verhevener dan zulk een gedachte: een deel van het vergankelijke lichaam van den Menschgod in vleeschloos gebeente, haarlok met tooverkracht, wellicht wel, in gewijde schrijn besloten, rafel van een door hem gedragenen mantel, te verheffen tot vereering, op den top van een machtig bouwwerk, dat zich uitteekent, zichtbaar tot verre blauwende kimmen en groenende einders.
Leeuwmonsters zijn dorpelwachters en door stijlen van smalle poorten gaan nauwe trapjes omhoog. Spuiers en gootmuilen zijn gehouwen in den vorm van gedrochtelijke dieren. Bloemfestoenen omlijsten de bas-reliëfs; spiralen vullen in dichten arabesk de ruimte tusschen de steenen schilderijen, die bijna hoogreliëf worden. Bloemen in vazen zijn gebeeldhouwd als rustpunten tusschen de verschillende legendarische tafereelen des beeldhouwwerks.

Couperus – Oostwaarts, 202-203

[Borobudur 0 – Voorkant] 
[Borobudur 1 – 11] 
[Borobudur 1 – 19] 
[Borobudur 1 – 25] 
[Borobudur 1 – 28] 
[Borobudur 1 – 31] 
[Borobudur 1 – 37] 
[Borobudur 1 – 40] 

Als men niet te haastig en met Oostersch geduld en vrome toewijding gaat door de Oosterpoort langs den galerij-wand, wordt de incarnatie en het leven van den Boeddha voor u zichtbaar en kan het begrensde kunstwerk zich bezielen in uwe verbeelding en tot de wijdere, ideële ruimte-afmetingen zich breiden. Hier, in deze stemmings-volle, van bries ruischende atmosfeer, even verheven boven de aarde, kan de toeschouwing zich verdiepen, zich vergeestelijken, zich abstraheeren van het gebeitelde steen. Het kunstwerk wordt waarheid. De Bodhisattwa – dat is wie weldra de Boeddha zal worden – is zich in den hemel van zijn middelaarstaak bewust en zegt goden en engelen, dat hij vleesch worden zal en ter aarde dalen. De heilige hemelwezens dalen vóór hem en leeren den volke de Veda's. De goden beraadslagen in welke gedaante de Bodhisattva zich verstoffelijken zal. De goddelijkheid zal in vele gestalten van nederigheid zich herscheppen, en voor het laatst aanbidden hem in den hemel de goddelijke wezens. Hier zijn zijne toekomstige ouderen, een koning en een koningin. Zij, de koningin Maya, droomt, dat zij een witten olifant baren zal, en, ontwaakt, begeeft zij in vroomheid zich naar het açoka-woud. Brahmanen verklaren haar droom; zij zal baren den Koning der Wereld. Haar gemaal trekt eerbiedig zich terug in een kluizenarij.
Wonderen gebeuren. Leeuwen zetten zich aan de poorten In de plaats der dorpelwachters, een stoet olifanten komt den koning hulde bewijzen; hemelsche wezens dalen uit wolk en lucht.
De koning en de koningin aanbidden elkaâr. Dan baart zij het kind. Stralende zetelt het op een hoog-stengelige lotosbloem. Zeven passen doet het naar elk der elementen en windstreken. De goden gieten hem het water uit tot een bad.
Asita, een Bhramaan, voorspelt den koning, dat zijn zoon de Boeddha zal zijn. Inderdaad doen de goden hem hulde op aarde en geven hem de vorsten paleizen en schatten.
Maar die glans is overschitterd door den glans van het kinderlichaam. Als knaap tot zijn leeraar gaande, bezwijmt deze in eerbied, zoodra hij hem naderen ziet. Des Bodhisattwa's kennis rijpt in hem wonderdadig. Zit hij onder den Bodhi-boom te peinzen, zoo wendt deze zijne beschuttende schaduw niet van hem af....

Couperus – Oostwaarts, 203-204

[Borobudur 1 – 120] 
[Borobudur 3 – 58] 
[Borobudur 3 – Krom] 
[Borobudur 3 – Mollig] 
[Borobudur 4 – 300] 

De zinvolle legende ontrolt zich verder en verder. Heb aan de hand van Dr. C. N. Krom enkele details in het lange steenen tafereel getoond, het zoû te ver voeren alle deze bas-reliëfs aller deze hoogere en lagere galerijen te verklaren. Dit beeldhouwwerk is mollig van modelé en getuigt van groote rijpheid. Het is dunkt mij, niet archaiesch naïf. Het is wel eens zeer wereldsch: het geeft geen primitieve schoonheid weer; de extaze's en aanbiddingen zijn te veel bewerkelijke apotheoze's. Ik kan mij verbeelden, dat er beeldhouwers zijn geweest, voorgangers, die alle deze dingen in grooteren eenvoud en vroomheid reeds hadden gebeeld. Deze kunst nadert de wereldsche volmaaktheid. Zijn wij dan even moe van dit mollige en vleeschlijke en zien wij op, dan zien wij in den blauwen hemel, in de groene palmgaarden en voelen dat deze kunst reeds overrijpheid naderde. De verschillende Boeddha-incarnaties zweemen soms naar een theatrale decadentie. De geheele conceptie van den Boeroeboedoer is de versteening eener, tot den hemel hymne-zingende, verrukking; de details dezer friezen rukken terug tot de aarde. Misschien is de materie – het poreuze steen – hiervan de schuld. Het kon zich niet altijd genoeg vergeestelijken of de beeldhouwer was te veel kunstenaar en te weinig Bhramaan.
Dit is misschien een vreemd vermoeden. Hoe moeilijk, hoe overmoedig is het eigenlijk te oordeelen over wat eeuwen geleden gewrocht werd, door kunst en kunstenaars, die aan onze moderne ziel vervreemd zijn. Maar wie is de spontaneïteit zijner indrukken meester?
Terwijl ik critizeer, voel ik mijn ontgoocheling onrechtmatig. En zie dan naar boven en rondom in lucht, licht en landschap. En dan is het dadelijk of iets naders van deze vroegere wijdingsdienst en kunst tot mij drijft en mij verzoent, terwijl ik daar sta op die rots, eenzaam uitstekend in den Oceaan der Tijden, die al dit leven van diepe gedachte over hemelsche dingen verzwolg....

Couperus – Oostwaarts, 204

[Borobudur 3 – 4] 
[Borobudur 3 – 9] 
[Borobudur 3 – XXII] 
[Borobudur 3 – XXIV] 
[Borobudur 3 – XXVI] 
[Borobudur 3 – XXX] 
[Borobudur 3 – XXXIV] 

De verschillende atâvâra's, de reïncarnaties, blijven, na deze critiek, in deze beeldenreeks dan toch zeer belangwekkend. De Bodhisattwa is voorgesteld als de zoon van een Bhramaan en biedt zijn lichaam een hongerige tijgerin, die hare welpen niet zoogen kan; als de zoon van een vorst, geeft hij zijn oogen een blinden bedelaar, die de god Çakra blijkt te zijn en hem beloont. Steeds is zijn buitengewone liefdadigheid het overheerschende motief. Hij wordt als de god Çakra zelve geboren. Hij wordt geboren als de Koning der Zwanen. Hij wordt geboren als een groote aap, en redt een verdwaalde in het woud van diepen afgrond. Den geredde, die ondankbaar den Bodhisattwa vermoorden wil, vergeeft hij daarna. Hij wordt geboren als een hert met een melodieuze stem en predikt ten hove de waarheden. Hij is een olifant, hij is een stier, hij is een prins, een asceet, hij is een houthakker en verlost een leeuw van een been, dat hem dwars door zijn muil steekt.

Couperus – Oostwaarts, 204-205

[Borobudur 0 – Buddhafiguren] 
[Borobudur 0 – Westen] 
[Borobudur 0 – Noorden] 
[Borobudur 0 – Oosten] 
[Borobudur 5 – 5de balustrade] 
[Borobudur 5 – Zesde] 
[Borobudur 5 – Terrassen] 

Maar in de doorzichtig gestapelde koepels, die hunne klokken op de terrassen verheffen, zit – of zat – de Boeddha als Mijmer-Boeddha. Hij is daar de historische Çâkyamuni of een der vijf Dhyani-Boeddha's, die onderscheiden worden naar de “Mudrâ's”: de houdingen van beide handen. Als Beheerscher van het Zenith beurt zich de linkerhand vóór de borst met duim en wijsvinger, het argument zijner prediking duidende. Als Beheerscher van het Oosten ligt de linkerhand in den schoot open en hangt de rechter met den rug af van de knie: in dit gebaar raakte de Boeddha de aarde aan om haar tot getuige te nemen van zijne goddelijkheid. Als Beheerscher des Zuidens ligt de linkerhand in den schoot, opwaarts open, de rechter over de knie, palm naar boven eveneens. Dit is de Mudrâ der Weldadigheid. In zijne beheersching van het Westen, liggen des Boeddha's beide handen over elkaar met den rug omlaag in den schoot, de duimtoppen elkander lichtelijk rakend. Dit is de Dhyâna-Mudrâ; die der mijmering aangenomen onder de schaduw van den roerloos breidenden Bodhi-boom. Het Noorden beheerschende, ligt den Boeddha de linkerhand in den schoot, open naar boven; de rechter heft zich voor de borst, in duidenis van vreesloosheid. (Zie “Korte Gids” voor de Archeologische Verzameling van het Bataviaasch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen).
Steeds is het ronde hoofd in edelste rust gehouden, de schedel gebootst in den vorm van een bol en de ûrvâ, de astrale verhevenheid als juweel of parel rond op het voorhoofd. De oorlellen rekken lang uit; het haar, dicht krullende, is kort. De monnikspij valt in edelen plooival open over de borst en langs de knieën zoomkrinkelende over de voeten.
Wat van deze beelden over is, in deze stûpa's of open nissen, blijkt, meer dan de elaborate verfijning der bas-reliëfs, in staat, onze vrome aandacht hoog te stemmen. Het is of zij eenvoudiger, grootscher en van goddelijker bezieling zijn, nu de kunstenaar niet meer van noode had de te bewegelijke legende op den voet te volgen, maar geheel zich wijden kon aan de plastische uitbeelding der verhevene, rustvolle, het heelal omvattende ideeën. Het is tenminste een wonder van schoonheid den Mijmerenden [Dhyani-]Boeddha te zien zitten, met gekruiste beenen, wijkende open de knieën en de handen in de Mûdra der mijmering, in dien hoog verheven hoek, boven den frieswand de vijf stûpa's als een diadeem de fijn gekartelde nis bekronende. Recht loopt men toe op het, zich daar plots openbarende, beeld en onze gang er heen, al is het maar met de pas van een toerist, is als eene aanbidding.

Couperus – Oostwaarts, 205-206

[Mendut – Boeroeboedoer] 

Met deze Rots der Eeuwen, die de Boeroeboedoer is, zijn de heiligdommen van den Mendoet, Prambanan en Tjandi-Sewoe de prachtvolle riffen, waarop Hindoeïsme en Boeddhisme zich nog staande hielden, trots den stormvloed der tijden. Misschien is de Mendoet-tempel wel in zijn beknoptheid het allerschoonste wat van dezen godsdienst en uiterste beschaving bleef. De drie beelden der Trimoerti – de Drie-eenheid van Bhrama, Vishnoe en Aiwa (Of wellicht Boeddha zelve tusschen Avalokiteçara en Manguri) – die hier afzonderlijk rijzen in vrij kleine ruimte, waar steeds nog het bloemen- en geuroffer gebracht wordt – als sprak Mohammed nooit van den eenigen god! – rijzen hier onder de typische Hindoesche, pyramide-achtige, zich opbouwende verdakking in ontstellende grootschheid voor uw verrasten blik. Voor zoover een menschelijk beeldhouwer ooit wist te geven uitdrukking van goddelijkheid aan de torenende steenmassa, die zijn beitel vroom bewerkte, is dit in volmaaktheid geschied bij deze kolossen, die bijna blank als marmer daar in die geheimvolle, enge, schemerhoogte van het pyramidale heiligdom tronen. Çiwa, de Matadewa, de “Groote God”; Vishnou, de berijder van het fabeldier Garuda, den zonnearend; Bhrama tusschen hen beiden, de Schepper van het Heelal. Nauwelijks is het mogelijk u af te rukken van de overweldigende schoonheid dezer plots geopenbaarde hemelsche schoone titanen.

Couperus – Oostwaarts, 207

[Surabaya – Roode Brug]

Soerabaia, de grote stad van den Oosthoek, is echter niet te vermijden als uitgangspunt veler excursies van groote belangrijkheid. Het is bijna jammer, dat Soerabaia zoo onvermijdbaar is, want het blijkt, trots zijn uitgebreidheid en business-centrum, een voor den toerist onbelangrijke en vuile stad. De verwaarloozing der publieke gebouwen en parken – ten minste van wat men hier ‘parken’ noemt – der wegen, de verwaarloozing van alles wat het aspect van een stad bepaalt, het gemis van alle gratie en lijn, van alle zindelijkheid vooral, doet den toerist zich, verwonderd, hier afvragen, of het werkelijk wel de, om zijn properheid beroemde, Hollander is, die Soerabaia beheert en bewoont. Vervallen Weltevreden is nog sierlijk, elegant en proper, vergeleken bij deze groote, smerige, drukke stad, wier grootheid alle grootschheid, wier smerigheid alle schilderachtigheid, wier drukte alle gezelligheid mist. Hier dringt en duwt en tuft door de trafic naar de Roode Brug àl de drang om toch vooral gauw geld te maken en wèg te kunnen gaan en over dezen drang heen, bimbamt de sombere klok: Malaise!! den bleeken zakenman ellendiglijk en onverbiddelijk om de ooren.

Couperus – Oostwaarts, 207a

[Subaya 2 – Resident] 

Laat mij niet veel woorden meer verspillen aan Soerabia en er alleen dankbaar mij herinneren de gastvrijheid, bij den heer en mevrouw Cohen, ter Rezidentie-huize, in wier paleisachtige ruimte het aangenaam was de ontstemmende atmosfeer van daar buiten te mogen vergeten.