Uit een Indisch familiealbum

vierde druk, E.M. Querido's Uitgeversmij n.v. Amsterdam 1960

Breton de Nijs – Vergeelde portretten, 9-10

[Jakarta 5 – Tanah Abang] 

Natuurlijk zou tante Sophie op het kerkhof Tanah Abang komen te liggen. Daar was immers het grote familiegraf van de De Pauly’s met de fraaie marmeren zuilen en een zinken dak. Zelfs de levenden hadden daarin van te voren reeds een vaste plaats gekregen. Ook tante Sophie had geweten waar ze zou komen liggen. Ze had bij haar leven haar eigen plaats al vastgesteld. Zij was trouwens de werkelijke verzorgster van het familiemausoleum; zij bezocht het geregeld en zij was het ook die het grootste deel van het onderhoud bekostigde. En het was niet weinig wat ze er aan besteedde. Dan weer moest een zinken plaat van het dak worden vernieuwd of bleek weer een kostbare vaas te zijn gebroken en het gaf elke keer weer aanleiding tot eindeloos commentaar, tot beschuldigingen en verwijten aan het adres van de begrafenisondernemer die ook met het onderhoud belast was. Maar hoe het ook zij, door deze aanhoudende zorgen, moet het graf bij haar leven reeds een vertrouwd gevoel hebben opgewekt en zoals alles bij haar, verwikkeld met kibbelarijen en met geldzaken.

Breton de Nijs – Vergeelde portretten, 14-15

[Jakarta 5 – Tanah Abang] 

Eindelijk de Museumlaan. Over de tramrails rechts af, toen langs de oprijlaan van ruisende tjemara’s en we waren er. Voor de ingang was weer de stille bedrijvigheid van de in donkere kleren geklede doodbidders. Ik zag hoe één zich gevoelig stootte, maar hij bleek te zeer gedresseerd om iets anders dan en sissend geluid te maken. Wij waren allen uit de auto’s gestapt en konden ons in afwachting van het komende verdiepen in de beschouwing van oude grafstenen die zich van alle kanten aan ons opdrongen. Geboren in 1709, overleden te Batavia in 1730. Eén en twintig jaar, dertig jaar, drie en twintig jaar, enkelen in de veertig, maar geen ouderen. Ze boden volop gelegenheid ons een beeld te vormen van achttiende-eeuwse ellende. Veel tijd om aan Indische akeligheid te denken, kregen we overigens niet, want nadat de kist, overdekt door een zwart kleed, op een baar was geplaatst, zette de stoet zich in beweging. Het was zover.
Eerst tante Christien en haar man en naast hen Oom Alex. Het viel me weer op, hoe ontzaglijk dik hij was, hoe moeilijk hij liep, hoe hij met zijn armen moest slingeren. Ik zag nog zijn kaal geknipt hoofd, zijn geplooide nek, toen schoven zich anderen vóór hem. Soms was er een hiaat, maar dit werd spoedig aangevuld door andere mensen, allen gedwongen tot langzaam, plechtstatig wandelen. Tezamen vormden ze een golvende massa, een deinend lichaam, een soort reptiel dat zich langs de paden van het kerkhof voortbewoog, zich plotseling met de kop naar links of rechts wendde en dan langzaam het vormeloze achterlijf weer bijtrok. Maar het reptiel viel spoedig weer uiteen tot mensen, losse mensen die ooms en tantes werden, familieleden en niet-familieleden, bekenden en vreemden. Ik zag ze, ze gingen letterlijk aan me voorbij, deze begrafenisgangers: wit en zwart, bruin en paars, licht en donker.
Van tijd tot tijd zag ik die onbekende man in het zwart weer, die nu voorop liep. Hij wendde zich om en gaf met een handbeweging de richting aan. Nu eens zag ik de dragers met de kist, dan weer niets dan ruggen en gebogen hoofden. Allen keken steelsgewijs onderuit om de aandoenlijke inscripties niet te missen. Het was opvallend zoveel jonge kinderen als hier lagen en hoe verwaarloosd sommige tomben waren. Een klimplant had een klein graf in zijn vangarmen gegrepen, de stenen ontzet en het pleisterwerk geschonden. Ergens anders lag onder een verweerde stolp een Christusbeeldje. Het was bewegingloos bezig te verpulveren tot witte poeder. Er was niemand meer die er naar omkeek.
Lang behoefden we niet te lopen. Het mausoleum van de De Pauly’s met zijn talrijke bogen en marmeren platen was in zicht!

Breton de Nijs – Vergeelde portretten, 23-24

[Jakarta 6 – Pasar Baroe Oost] 

Ik heb het natuurlijk nooit in zijn oude staat gekend, wel later meer dan eens gezien als wij – meestal tegen het vallen van de avond – door Batavia rondtoerden. Mijn moeder wees het ons elke keer als we er langs kwamen. Weer zie ik haar vooroverbuigen en wijzen: ‘kijk, dáár, dáár was de achtergalerij, en dáár stond het bankje waar Moes – zo duidde ze zichzelf altijd aan – zat te lezen en haar eerste verhalen neerschreef’. Precies zó, ik hóór het haar nog zeggen.
Het huis stond op Pasar-Baroe-Oost, één van de kleinere Europeanen-woningen, dicht aan de straat gelegen, en meer in de diepte gebouwd, met een smal erf. Ik kan het ook nu nog tussen alle gelijksoortige huizen aan dezelfde weg gemakkelijk terugvinden. Een boom, waarvan ik de naam niet meer weet, met glanzend geelachtig-groene bladeren, zou als oriëntatiepunt moeten dienen. Als men ervóór stond: twee lage, enigszins naar buiten gebogen muurtjes, die een monding tot het tuinpad schenen te vormen; dan de ingang, zoals zo vaak bij oudere Indische huizen, geflankeerd door een paar plompe zeskantige zuilen, gepleisterde steenmassa’s met een massief kegelvormige afsluiting er bovenop. Dan kwam de ondiepe voortuin. Er stonden behalve die boom met gele bladeren, nog twee djeroekstruiken in, waarvan er volgens mijn moeder minstens één ook vroeger gestaan moet hebben, maar de witgekalkte potten en petroleumblikken met allerlei bloemen en planten, waren er natuurlijk niet meer: geen geurende melatti voor de klerenkast of om in het waswater te doen en ook niet de sterk riekende daon mijana waar steenpuisten en wonden mee werden behandeld. Alles wat zo typisch een oud-indische tuin moet hebben bepaald, was toen al verdwenen, alleen het huis stond er nog als vroeger. Het was, zoals ik het gekend heb, duidelijk uitgewoond, het zal er toen ook binnen wel naar vocht hebben geroken, maar het was toch hetzelfde huis, dezelfde voorgalerij, dezelfde rij vertrekken met een omloop, in de breedte de achtergalerij en dan natuurlijk de traditionele bijgebouwen met hun vele berghokken en bediendenkamers. Wat moet er in de voorgalerij hebben gestaan? Natuurlijk een tafel met rood-marmeren blad en daaromheen de befaamde wipstoelen. En wat kan aan de muur anders gehangen hebben dan blauwe borden met vis- en bloemmotieven en houten of bamboezen étage-rekjes met porceleinen bloempotten erop, waaruit vlezige slingerplanten afhingen? Mijn moeder zou met haar geheugen het interieur tot in details hebben kunnen reproduceren.

Breton de Nijs – Vergeelde portretten, 27-28

[Jakarta 6 – Pasar Baroe Oost] 

Zoals zijn vader het hem gedaan had, zo leerde hij zijn zoons ook op zeer jeugdige leeftijd zwemmen, schieten en jagen.
Vlak voor het huis stroomde een bruinachtige kali, waarin pisangstammen, stukken hout, soms ook wel een kadaver dreven. Als het stil was in de trillende hete namiddag, commandeerde hij zijn zoons op. Met ontbloot bovenlijf en met niet meer dan een slaapbroek aan, zwom hij tot midden in de stroom en riep de jongens dan toe zijn voorbeeld te volgen. Hier bleek weer het grote verschil. Charles die van dit avontuur genoot en blindelings in het water buitelde en Tjen die zich niet vermannen kon en die in tweestrijd aan de kant bleef staan, wetend dat er toch geen ontkomen aan was, dat zijn vader hem halen zou en hem eenvoudig midden in de drabbige kali zou gooien. Van de angsten die hij onderging zal ‘Oom’ zich nauwelijks rekenschap hebben gegeven, wel smaakte hij elke keer het genoegen van de redding, waarmee hij zijn macht bevestigde. Hij maakte in de tuin een grote schijf, gaf hun een geweer in handen met scherpe patronen, die in de achtermuur verschillende gaatjes sloegen. Met slechts enkele aanwijzingen moesten ze zich zelf zien te redden.
Eéns in de zoveel weken, werden de voorbereidingen getroffen voor de jacht; vaak was het de varkensjacht, maar ‘Oom’ schoot ook wel eens op herten. Dagen tevoren maakte hij dan zijn dubbelloops schoon. De jongens stonden er bij, hij liet ze meehelpen en hij trachtte, terwijl hij het geweer uitelkaar haalde, hen zo goed mogelijk van de behandeling op de hoogte te brengen. Later als ze groot waren ...! Het sprak ook verder vanzelf dat ze beiden meegingen.

Breton de Nijs – Vergeelde portretten, 31-32

[Jakarta 6 – Schoolweg] 

Op een dag kwam er een rotan wieg in huis, die door ‘Tante’ en mijn moeder opgemaakt werd met klamboetulle en roze linten en die vermoedelijk wel bestemd zal zijn geweest voor een van ‘Tante’s’ vriendinnen. De beide vrouwen moeten zich gespitst hebben op de indruk die de plotselinge aanwezigheid van de wieg op beide jongens zou maken. Het was onbetaalbaar geweest! Charles was woedend geworden, was tegen zulk een verraad uitgevaren en had zich mokkend teruggetrokken. Hij zag kans enige dagen niet meer dan enkele woorden te spreken. Tjen stonden de tranen in de ogen, hij voelde zich verongelijkt en verdrietig, maar nam voorlopig geen tegenmaatregelen. Wel zag mijn moeder hem in een onbewaakt ogenblik pruttelend tegen de wieg schoppen en ’s avonds voegde hij aan zijn simpel afgeraffeld gebedje van
– Here God hou de wacht / Over mij, de ganse nacht. / Dank je God voor alles / Amen
nog wat toe: de bede tot de Allerhoogste vooral geen zusje te zenden. Druipend van tranen rolde hij zijn bed in en ging direct met het gezicht tegen de muur liggen.
Tot zover mijn moeder; het vervolg is het verhaal van oom Tjen over de “ooievaarsjacht”. Het toeval wilde dat in die tijd aan de overkant van de kali, in de asembomen aan de Schoolweg, veel blekoks huisden, die de straat bevuilden en de voorbijgangers de andere kant van de weg deden kiezen. Een van deze “ooievaars” moest de brenger van het onwelkome zusje zijn. Vóór het zover komen kon, moest deze gevonden en gedood worden (het beest moest natuurlijk op een of andere manier van de andere te onderscheiden zijn!). Op een middag slopen de jongens in hun hansop het huis uit, gewapend met de nieuwe windbuks van Charles. Als veiligheidsmaatregel had ‘Oom’ de hagels onder zijn berusting genomen, maar als je in de loop katjang-idjoe-pitten liet vallen, ging het net zo goed, meende Charles. De expeditie eindigde in een groot fiasco! De blekoks lieten zich noch door de knallen noch door de katjang-idjoe-pitten verschrikken. Zij bleven eenvoudig zitten om hun onzindelijke bezigheden voort te zetten en toonden een ware doodsverachting, vermoedelijk omdat de pitten met een grote boog weer op de grond terechtkwamen zonder de vogels zelfs maar benaderd te hebben. Bij wijze van compensatie schoot Charles toen op de badende en wassende vrouwen aan de kalikant, die bij ‘Oom’ en ‘Tante’ hun beklag deden. Hun vader kennende hadden de jongens nog een poging gedaan zich onder het bed te verstoppen. Ze werden er echter onderuit gehaald en kregen er vanzelfsprekend ongenadig van langs.

Breton de Nijs – Vergeelde portretten, 34-35

[Semarang – Makelaarskantoor] 

Kort nadat Tjen op de H.B.S. kwam, verliet mijn moeder 'Oom en Tante' om in Semarang (waar ze een zuster en zwager had wonen) een administratieve betrekking te aanvaarden op een makelaarskantoor. Het was toen in Indië nog altijd iets bijzonders voor een meisje te gaan werken. Oom en tante, vooral Oom, verzetten er zich eerst tegen en verklaarden dat niets haar behoefde te beletten bij hen te blijven. Ze was een steun in het huishouden, ze was een oudere zuster voor de jongens en als ze het over de financiële boeg wilde gooien, wel ze bracht haar kost en inwoning toch ruimschoots op, meer dan dat zelfs, want niets kon opwegen tegen de hulp die ze tante verleende, men zou haar missen enz. Maar mijn moeder die misschien alleen maar uit wilde vliegen, die behoefte had aan een ander milieu en een zelfstandiger bestaan, vertrok en ging een nieuw leven tegemoet.
In Semarang leerde ze mijn vader kennen. Hij was niet jong meer, bijna een veertiger en een echte totok met blond haar en blauwe ogen. Het verwekte in de familie enige verwondering en misschien zelfs ontstemming, maar in ieder geval een gevoel van onbehaaglijkheid, zonder dat men dit zal hebben laten blijken. Maar mijn vader – onbevangen als hij in deze dingen was – negeerde elk wantrouwen en besefte zelfs niet achteraf, dat hij een netelig probleem had opgelost. Zijn opgewektheid, zijn eenvoud en hulpvaardigheid deden de rest.
'Oma' hoor ik nog kort voor haar dood zeggen, op fluisterende toon en met een gezicht van iemand die een ander een diep geheim toevertrouwt: 'Wéét je – jouw váder – is een – édel mens'.

Breton de Nijs – Vergeelde portretten, 54-55

[Jakarta 5 – Fotografisch Atelier] 

Als het er om gaat Tante Sophie in mijn herinnering op te roepen, dan gaat het gemakkelijk genoeg: ik heb maar even de ogen te sluiten en ze verschijnt me in een herinneringsbeeld. Als dit vervaagt komt er een ander naar voren en als dit weer verdwijnt, komt wel weer een ander op. Ze vormen tezamen een hele reeks, telkens andere situaties, telkens andere voorstellingen, maar de beelden schuiven in elkaar en verhinderen eigenlijk een gelijkend portret. Ik weet het, het is onbevredigend met herinneringsbeelden te werken.
Maar er is een foto, kort vóór haar huwelijk gemaakt bij Charles & Van Es in de Rijswijkstraat. Zij staat daarop tegen een achtergrond die alles te raden geeft. Park, wildernis of berglandschap? In een smetteloos witte rok en bloes, met weinig fantasie en garnering opgemaakt, in de linkerhand een waaier, de rechter steunend op een rank tafeltje. Eerder klein dan groot, met iets afgemetens. De foto is trois-quarts genomen. De blik is naar ons toegericht en ze kijkt ernstig. Het donkere haar, toen in het midden gescheiden, moet lang en dik zijn geweest en dit komt overeen met mijn herinnering aan Tante Sophie met loshangend haar, zoals ik die in het vorige hoofdstuk heb beschreven. De zwarte haarwrong is duidelijk te zien. Geen meisje meer, maar toch nog een jonge vrouw, ook niet onknap en zeker niet met de vermoeide trekken en het gekwelde van de laatste tijd.
Al verschijnt Tante Sophie mij in beelden die als vanzelf in mijn herinnering opkomen, ik ben toch verplicht op te treden, tenminste als ik me nog houden wil aan de fictie van een gelijkend portret. Ik moet een verband zien te leggen tussen beeld en werkelijkheid, ik moet een verloop en een arrangement aanbrengen en ik moet ook een achtergrond scheppen. Ik kan tante Sophie niet los maken van haar huis en haar tuin en zeker niet van haar familie en dit geldt des te meer bij zulk een sterk gewortelde familie en bij zulk een uitzonderlijk ontwikkeld familiegevoel als het hare. Maar behalve dat, zal ik ook verder terug moeten gaan, niet alleen naar mijn punt van uitgang – naar de tijd van de Mercedes dus, het tijdstip dat zij door en met oom Tjen in ons leven kwam – maar nog verder terug. Ik moet me ook afvragen: wat weet ik van haar vorige leven, van vóór dat wij haar leerden kennen en wat weet ik van haar familie? Want zelfs de dode familie is achtergrond, vooral bij zo iemand als Tante Sophie.

Breton de Nijs – Vergeelde portretten, 62-63

[Jakarta 6 – Societeit] 

Dat zij zo spoedig na haar huwelijk, na de dood van de oude De Pauly, de ‘njonja besar’ van Tjidané zou worden, was toen nog niet te voorzien. Ze was er eigenlijk nog niet op voorbereid. Ze was een ander leven gewend geweest, een leven van muziekavonden thuis en bals in Concordia (de militaire sociëteit aan het voormalige Waterlooplein), van ereplaatsen bij parades en van toeren in een eigen bendy. Ze had zang- en pianoles, ze was werkend lid van Toonkunst Aurora en speelde mee in de Opéra Club. In La Navarraise had ze triomfen gevierd als de hartstochtelijke Anita. Kortom ze werd overal gezien in de toenmalige Bataviase hoge wereld van uniformen, ambtenaren en rijke kooplieden. En van deze wereld die zo schoon leek, zo rijk aan vertier met veel licht en muziek, kwam ze in een andere, waar iedere dag leek op de vorige. Het was dan ook een grote overgang naar het stille landgoed. Een rust en een stilte die een verveling voor haar werden, een verveling die spoedig begon te drukken.

Breton de Nijs – Vergeelde portretten, 69-70

[Jakarta 5 – Klooster] 

Tante Sophie vertelde vaak – en niet zonder zelfbehagen – van haar schooltijd op het Klooster, want ze was een goed leerling. Vooral het hoofdrekenen schijnt naar haar eigen zeggen iets zeer bijzonders te zijn geweest: ‘Altijd negen-tjes en tien-tjes’. Ze had een onderwijzeres, een zuster (een ‘non’ zei Tante Sophie altijd) die Soeur Brigitte heette en die ‘erg veel van mij hield’. ‘Jij mijn kleintje’, zei ze altijd als niemand het meer wist, ‘zeg jij het dan maar’ en Tante Sophie wist het altijd. Het afscheid van de school dat tegelijk een afscheid van Soeur Brigitte betekende, moet hartverscheurend zijn geweest. Tante Sophie was natuurlik voor haar admissie-examen geslaagd (alweer met negen-tjes en tien-tjes) en was afscheid komen nemen. Soeur Brigitte had haar meegenomen naar en soort kapel en daar had deze ‘zó gehuild’. Bij die gelegenheid had Soeur Brigitte gezegd: ‘Ik wou dat jij mijn kind was’. Als Tante Sophie dit vertelde, schudde ze het hoofd en fluisterde iets over het moederinstinct en het tekort van kinderloze vrouwen. Dat het ook in deze non werkzaam bleek, gaf aan dit instinct een romantische kleur. Toen de tranen gedroogd waren, was Soeur Brigitte in het gebed voorgegaan en ze hadden samen de handen gevouwen. Deze gebedsbehoefte is spoedig in Tante Sophie verloren gegaan, maar als een relict uit deze tijd kan de jaarlijkse gang op 25 december beschouwd worden naar de vroegmis in de Kathedraal op het Waterloo-plein. Daar hield ze tot haar dood toe aan vast.

Breton de Nijs – Vergeelde portretten, 71

[Jakarta 6 – Concordia] 

Soms ineens, zie ik beide zusters Tante Sophie en Tante Chistien, naast elkaar lopen als jonge meisjes, twee Indische meisjes, al was tante Christien volkomen blank en Tante Sophie maar licht getint. Ik zie ze dan op de rug, met korte pasjes lopen – zoals ik ze in werkelijkheid nooit gezien kan hebben – de marmeren treden afgaan – alsof ik hen zelf in de voorgalerij uitgeleide deed – de rokken optillen en in de mylord stappen. Ze gingen dan de woensdagavond-concerten van de Stafmuziek (de militaire kapel) bijwonen. En die muziek was vanuit de verte al te horen, want het orkest speelde in de tuin van de Concor, in een kapel en liefst allerlei Jubelmarsen of anders de schetterende en pompeuze muziek van Hérold en Offenbach.

Breton de Nijs – Vergeelde portretten, 83

[Bogor – Pledang] 

Een groot verwilderd park leek de stad wel, een mengeling van aanleg en natuur: brede, rechte wegen en kleine bochtige laantjes. De idee van tuin ging nooit verloren, de huizen leken altijd onder het groen verscholen. Ze stonden oud en vochtig onder de hoge kenariebomen. De muren waren groen uitgeslagen en een deel van de straatlantaarns stamde uit de vorige eeuw. ’s Avonds was het altijd donker. Soms ineens, vielen enige koude druppels omlaag, zelfs uren nadat de regen opgehouden had.

Breton de Nijs – Vergeelde portretten, 106

[Jakarta 2 – Kanon] 

Volgens onbevestigde berichten in de familie (maar hier wist zelfs mijn moeder niets van) maakte ze [Tante Sophie] ook een tocht naar het heilige kanon in de benedenstad. Als dat zo is geweest, zal ze als de duizenden onvruchtbare vrouwen vóór haar op het kanon zijn gaan zitten en zal ze bloemen en geld geofferd hebben.

Breton de Nijs – Vergeelde portretten, 121-122

[Bogor – logies der bedienden’] 
[Jakarta 6 – Kantor Pos] 

Daarop volgde een ietwat alarmerend verhaal van brutale vruchtenverkopers en een afdoende kritiek op de ethische regering. Neen, die Inlanders kregen hoe langer hoe meer praats. Was haar laatst niet op het postkantoor het volgende overkomen: een Inlander had tegen haar gezegd (in het Hollands n.b.!): ‘Mevrouw u moet op uw beurt gaan!’. Stel je vóór! Ze had hem direct op z’n nummer gezet; in het Maleis natuurlijk. Echt brutaal werden ze.
‘Heus, Lien’, schreef Tante Sophie, ‘ze kennen hun plaats niet meer’. En de regering trad daar niet tegen op, integendeel, die deed allerlei dingen, die de Inlanders natuurlijk als zwakheid zouden uitleggen en vooral de G.G. ging hierin voor. Hij was zo pro-Inlands, dat hij het paleis-personeel een vrije middag in de week had gegeven. En zíj was ook al zo half-zacht. Stel je voor, toen de chauffeur ziek was, was mevrouw de gouverneur hem komen opzoeken met een ruiker bloemen. En weet je, wat hij gezegd moet hebben: ‘Njonja perliep sama saja’ (‘Mevrouw is verliefd op mij’). Waaruit bleek hoe weinig deze ethische totoks van de Inlander begrepen!
Na zulke politieke getuigenissen, waarin ik de opvattingen van Dubekart [de zwager van Tante Sophie] rook, ging Tante Sophie – in dezelfde brief – over op de vogels of de bedienden. De kakatoea met de roze kuif was dood en – stel je voor! – Alimah (‘Je weet wel, die jonge meid, Lien die jij nog gekend hebt’) was al weer bij haar gekomen om ‘permissie’. Ze was wéér zwanger! Dat was nu al de vierde keer en de drie vorige keren was het misgegaan. De kinderen waren eenvoudig niet levensvatbaar. Ze waren bij de bevalling gestorven of kort daarop. Alle drie. ‘Kassian toch eigenlijk die mensen, vind je niet, Lien?’ Het was inderdaad een zielig geval en Tante Sophie was ditmaal maar opgetreden. Ze had eenvoudig gezegd: ‘Ik wil dat niet meer hebben, hoor je!’

Breton de Nijs – Vergeelde portretten, 163-164

[Jakarta 5 – Sapi-Ie] 

Aan hun stoffelijke welzijn liet ze nooit iets ontbreken en op haar eigen wijze gaf ze ook uiting aan aar genegenheid. ‘Kom meisjes, kleden jelui je maar aan, dan gaan we naar Pasar Baroe, dan mogen jelui stof voor een jurk uitzoeken en jij’, zei ze tegen Deetje ‘moet ook een paar nieuwe schoenen hebben; we zullen straks bij Sapi-Ie kijken’. Maar ze kreeg er nooit iets voor terug. Nooit, nóóit waren die kinderen eens lief voor haar of deden ze iets uit zichzelf; het was alsof ze haar ontweken. Over genegenheid, over wederliefde, daar sprak ze maar niet over, die had ze nog nooit van de zijde van de kinderen ondervonden. Nachtenlang brak ze zich hierover het hoofd, maar een verklaring vond ze niet dan in hun ‘Inlandse afkomst’. Wij zullen ze nooit leren begrijpen, verklaarde ze dan in het algemeen sprekend en ze zullen zich nooit aan ons hechten. Er lag een bittere ervaring achter deze uitspraak en het ergste was: het werd er niet beter op. De eerst zo zwijgzame en onderworpen kinderen werden zelfs opstandig en brutaal en wat Tante Sophie vooral kwelde, dat was de koelheid waarmee ze haar bejegenden. Dit kon haar soms overmatig opwinden.
De botsingen tussen haar en de meisjes werden veelvuldiger, al was het bijna altijd Tante Sophie die sprak en de meisjes die zwegen. Maar een flikkering in hun ogen, een licht schouderophalen, waren de middelen waarmee ze hun haat, hun gegriefdheid en verachting konden uiten, veelzeggender en doeltreffender dan tegenspraak. Tante Sophie kon er geen vat op krijgen.

Breton de Nijs – Vergeelde portretten, 168-169

[Jakarta 5 – Gerzon] 

Het begon er al mee als John op Salemba kwam en Kitty in haar glanzend zwarte-zijden pyama in de achtergalerij verscheen en de aanwezigen groette met het langzame gebaar, een Indisch meisje eigen. Dan hing er direct een atmosfeer in het vertrek, die mijn moeder ‘zwoel’ noemde (wat het niet was). Ik heb deze entrees enige malen mede aanschouwd, maar het was eigenlijk zo lachwekkend vooral door de ernst waarmee het schouwspel werd beoordeeld en de belangstelling waarmee het door de familie werd bijgewoond. Kitty speelde daarbij haar rol zonder veel raffinement of verfijning en eigenlijk alleen maar onweerstaanbaar voor John. Misschien meende ze daarbij zelf wel zo koel-hartstochtelijk en liefdedorstend te zijn als Mae West, maar ze was in werkelijkheid alleen maar behaagziek. In elk geval te jong, te mal en te indolent om de liefde te kunnen ervaren als en werkelijk dwingende macht, om over elke vorm van ‘vergeestelijking’ maar te zwijgen.
Op een keer had Kitty een nieuw gevlamd badpak gekregen, een nouveauté van het Modehuis Gerzon. Natuurlijk moest John het bewonderen vóór ze het samen in het zwembad zouden inwijden. Het bestond uit een bustehouder en een broekje door slechts een smalle strook aan elkaar verbonden. Zoals het daar van Kitty’s in John’s handen overging en weer terug, leek het een schamel pakje dat de prijs zeker niet waard scheen, maar Kitty toonde de elasticiteit ervan aan door het tegen haar lichaam uit te rekken en dan weer terug laten springen. De familieschaar keek weer verbluft maar Kitty en John schenen er geen erg in te hebben; zo vervuld waren ze van hun eigen bezigheid. Toen eindelijk, na een gerekt spelletje van vraag en aanbod, kwam de climax: ’Trek het nou ’s aan!’ en de opwinding van de kant van Kitty was geheel overeenkomstig de verwachting.

Breton de Nijs – Vergeelde portretten, 183-184

[Jakarta 5 – Tanah Abang] 

Feitelijk zou ik moeten beginnen met een soort dodenlijst: Tante Sophie † 1940, Oom Alex † 1941, mijn vader † 1942, mijn moeder † 1944, Tante Christien † 1946. Ook Titi is vorig jaar overleden, alleen Dubekart is nog in leven.
Natuurlijk zijn Oom Alex en Tante Christien bijgezet in het familiegraf op Tanah Abang, het onherbergzaamste kerkhof dat ik ken: de uitgestrekte woestenij van zuilen, koepels, pyramiden, bloemranken, engelenfiguren en massief pleisterwerk. Aan de rand geteerd en boven witgelakt, maar daarna weer bevlekt, overwoekerd en aangevreten, geschroeid, beslagen en gebarsten. De uiteindelijke triomf van de natuur op de mens, op elke menselijke poging om het tijdelijke kunstmatig te verlengen in steen en marmer. Ik ben één keer met Tante Sophie – op een hete namiddag – op gravenbezoek geweest. Ze liep als een kwetterende vogel door het kerkhof, links en rechts met haar parasol naar graven wijzend, voortdurend pratend, roepend en mopperend. Ze volgde op haar inspectietocht kennelijk een vaste route met vaste pleisterplaatsen, want Tante Sophie verzorgde niet alleen het grote familiegraf, maar ook andere graven van aanverwante familie. ‘Kijk, dáár, zie je wel, daar liggen Tante Jozien en Oom Léon... God, wat is dat dak weer vies... Kebòn! (het was de tuinman die ze riep) Waarom heb je het dak niet schoongemaakt? Die vervelende vogels, waarom moeten ze toch altijd op de daken doen’ en verder ratelend vervolgde ze haar weg tot ze bij het familiegraf kwam. Uit de verte had het wel iets van een vriendelijk tuinhuisje; het leek op een pergola met klimop, dat zich met heel fijne zuignapjes op het zinken dak had vastgehecht. Van dichtbij bleek het echter te zwaar en te massief. Hier kwam ze tot bezinning; ze zweeg althans een poos. Toen wees ze met haar beringde linkerhand (in de rechter had ze haar tas en parasol) naar de kelderruimte en sprak de profetische woorden: ‘Hier kom ik ook te liggen’. En die middag, toen Tante Sophie begraven werd, heeft Oom Alex toen dezelfde gedachte gehad? En Tante Christien ook? Welnu, dan is ook hun verwachting in vervulling gegaan. Ze liggen nu tezamen met Tante Sophie en met enige andere familieleden (familie bij familie!) in dezelfde vochtige kelderruimte, met boven hen de zwarte betonnen platen en daar weer boven het eigenaardige bouwsel van marmer, steen en zink. Mijn ouders zijn elders begraven, zonder marmer en zonder zink, dichter bij de natuur. Als ik aan hun graven denk, hoor ik altijd het ruisen van de wind door een bamboebos – en het stemt me tevreden, al kom ik er nooit meer.
Maar van hen allen zal Titi op het mooiste kerkhof liggen, in de dessa waar ze gestorven is, omdat er niets mooiers bestaat dan een Mohammedaans kerkhof beplant met kembodja-bomen.