Em. Querido's Uitgeverij b.v., Amsterdam 1975

Gomes – Sudah, laat maar, 39-41

[Semarang – Westmaas] 

Maar kort daarop kwamen ze met de mededeling dat we, evenals de anderen vóór ons, op transport zouden worden gesteld. We gingen naar het echte kamp. We reisden per trein, gewoon tussen de andere passagiers in al mochten we niet met hen praten, de verschillen tussen de twee werelden smolten weg; nergens was aan te zien dat we gevangenen waren. Maar in Semarang was het doel bereikt. Zelfs onze bewakers schrokken van de ontvangst. Ze trokken zich terug. We waren overgeleverd aan de bewakers van het andere kamp. Ze schreeuwden en sloegen ons met de kolf van hun geweer de hoge legertruck in.
Dat was het begin. De huis-tuin-en-keukendiscipline maakte plaats voor een andere. Er was een echt appel, waarbij het hard toeging wanneer ze vonden dat we niet goed genoeg in de rij stonden. Er was nog minder te eten. En er moest gewerkt worden, de hele dag in de hete zon.
Het kamp was in een oud klooster ingericht. De luiken voor de ramen in de slaapzalen zaten dichtgespijkerd. Dat was een paar maanden geleden als straf gebeurd. Sommigen konden het niet verdragen. Op de afdeling waar wij waren ondergebracht zei een jonge vrouw op een morgen dat ze de hantjau was, de nieuwe hantjau, het nieuwe blokhoofd. Alles zou anders worden, de ramen zouden opengaan. Ze was gek geworden. Er werd om gelachen. Na een poosje zou ze worden weggehaald.
Maar er was ook die moeder die gek werd, omdat haar zoontje van haar werd weggenomen. Hij was tien jaar geworden. Dan werden de jongens uit het vrouwenkamp naar een mannenkamp overgebracht. De moeder zag hem vertrekken, ze wist niet waar hij heen ging. De anderen troostten. De mannen waren toch niet gek. Hij zou vast wel worden opgevangen. Misschien kwam hij wel bij zijn eigen vader. Maar de moeder wilde niet luisteren. Het kind was gebrekkig, het had een horrelvoet. Het kon niet zonder haar, zei ze. Ze sloeg om zich heen, zodat ze naar de ziekenboeg werd gedragen en vastgebonden. Het kamp hoorde haar schreeuwen; het roepen om haar zoontje; ze riep en zong zijn naam. De vrouw had een mooie stem. De klanken waaierden in hoge trillers van de ziekenboeg over de barakken, waar iedereen lag te luisteren en wakker bleef, de hele, lange nacht. Zij moest dádelijk naar het gekkenhuis. Twee mannen in witte jassen kwamen haar halen. Het was stil toen de bel ging voor het appèl.
Kort daarna gingen de luiken weer open, maar toch kwamen er steeds meer gekken. De ruimte was te klein, de kloostermuur te hoog. Het kamp werd opgedoekt.

Gomes – Sudah, laat maar, 41-42

[Semarang 3 – Kamp] 

We gingen naar een ander kamp, dat ook in Semarang lag. In beide kampen waren mensen gestorven. Ze konden worden samengevoegd, al moesten in het begin nog mensen buiten slapen, onder afdakjes van kisten en pisangblaren tegen de moessonregens. Die moesten wachten tot er meer doden kwamen en zij de lege plaatsen konden innemen.
Het kamp lag in een wijk aan de rand van de stad, achter gedèg en prikkeldraad. We zaten gewoon in huizen en al waren die overvol, zodat we over elkaar heen moesten stappen om in en uit te gaan, ze lagen aan een straat waar aan weerskanten bomen waren. De honger bleef, en de angst om geslagen te worden.
Mijn moeder werd steeds magerder. Ze was ziek. Ze at zelfs het weinige eten dat we kregen niet meer op. Zij ging er uitzien als een skelet, alle botten puilden uit. Ze kon niet meer zo goed lopen en viel als ze 's nachts naar het toilet ging; je hoorde de botten op de stenen overloop. Ik kon het niet verdragen. Ik snauwde: 'Ga dan langs de muur, voetje voor voetje. Er zijn toch deuren waar je je aan vast kunt houden.'
Er kwam een dag waarop ze helemaal niet meer kon lopen. De huisgenoten legden haar op een mat in de kamer en gingen eromheen zitten. Toen het donker werd staken ze een kaars op. Er was vergunning gevraagd om op te blijven, omdat er een stervende was. We wachtten met z'n allen, in die ene kamer, stiller dan de dood. We keken toe hoe de ademhaling zwakker werd. Er was geen doodsstrijd. Ze hield gewoon op met ademen.
‘Toe nou,' porde ik, 'toe nou.' Ik luisterde met mijn hoofd vlak bij haar. Haar borst ging nog even op en neer – ze zuchtte – dat was alles. Ze was dood.
Er werd een brancard gehaald, midden in de nacht. En toen het licht werd brachten we haar weg. Ik voorop achter de baar. Dan de huisgenoten en nog wat vrienden. We liepen door het kamp. Niemand keek op. Iedere dag werden er doden weggebracht. De stoet ging tot aan de poort. Daarna ging de dode alleen verder naar de wereld achter het hek. Er waren mensen buiten die de baar overnamen, maar niemand wist wie die mensen waren en waar de dode heen gebracht werd. Ik zag de bamboe doodkist uit de poort gaan. Even bleven we met z'n allen dralen. Toen gingen we terug naar huis, maar niet meer zo netjes; gewoon slenterend.

Gomes – Sudah, laat maar, 49-51

[Semarang 3 – Kamp] 

Ook nadat het vliegtuig was overgekomen, bleven de vrouwen in het Jappenkamp. Ze bleven in de overbezette, kleine huisjes en liepen wat verloren rond, nu ze niet meer hoefden te werken. Hun enige zorg was aan zoveel mogelijk voedsel te komen. Buiten het kamp was een gebrek aan textiel ontstaan, terwijl de vrouwen niet meer om kleren gaven. Ze ruilden alles voor eten. Ze klommen op het prikkeldraad en hingen dubbelgevouwen over het gedèg. De bamboerand sneed in hun buik. Er waren twee omheiningen met een pad ertussen. De Indonesiërs stonden aan de andere kant. De vrouwen moesten oppassen dat het goed hen niet uit de handen werd gerukt zonder dat ze er iets voor terugkregen. Sommigen gristen het nog nat van de waslijn. Ze hadden zelf ook niet meer zoveel. De kleren waren door het werk in de zon versleten. Een oude vrouw kon alleen nog maar het onderbroekje dat ze aan had uittrekken, toen haar een geplukte kip werd voorgehouden. Ze balanceerde op het prikkeldraad, ze viel eraf en verwondde zich, maar klom weer naar boven om het alsnog voor de kip te ruilen. Overal werden vuurtjes gestookt om het voedsel klaar te maken. Ik had ook eerst meegedaan en meegegeten, maar ik at al gauw te veel. De pijn in mijn darmen was steeds erger geworden. Hij trok door mijn lichaam over mijn rug naar mijn borsten. Ik kon eigenlijk niet meer eten. En een heleboel anderen ook niet. Ze werden ziek, ze gingen liggen en stonden niet meer op.
Van officiële zijde werd nog niets geregeld. Enkele vrouwen verlieten het kamp op eigen gelegenheid. Ze waren het wachten moe. Ze kregen tien gulden en een zak rijst en vertrokken. Ik kende in Semarang ook mensen waar ik misschien wel terecht zou kunnen. Het waren Blanda-Indo's, meneer en mevrouw Melkers, die waarschijnlijk uit het kamp gebleven waren. Ik besloot er op goed geluk heen te gaan. Ik stopte de matras en alles wat ik nog meer bezat in een stalen koffer, die aan iemand had toebehoord die was gestorven. De trunk was te zwaar om te dragen. Ik bond er een touw om en sleepte hem achter mij aan. Opeens voelde ik weer de pijn in mijn darmen. Het was of mijn buik barstte. Ik ging het kamp verlaten. De poort stond open. Buiten dromden Chinezen die al die dagen al eten over de schutting hadden gegooid, zo maar in het wilde weg, zeker wetend dat het door iemand zou worden opgeraapt. Ze kwamen naar me toegelopen, maar ze mochten het kamp niet binnen. Ik moest eerst het hek door, langs de schildwachten met de bajonetten. Toen schoten ze op mij af. Ze verdrongen zich om mij heen.
'Kom mee, mijn moeder zal voor je zorgen.'
'Kom bij mij, bij ons zal jouw kamer op de rozentuin uitkijken.'
'Bij ons is op de binnenplaats een marmeren bassin waarin vissen water spuiten.'
Het was allemaal alleen maar vriendelijk bedoeld. Even weifelde ik. Stel dat meneer en mevrouw Melkers er niet meer woonden, dat ze net als wij in een zaak verwikkeld waren geraakt. Maar ik schudde mijn hoofd. ‘Ik ga naar vrienden.'
Ik liep naar een van de bètjaks die in de koelte van een paar bomen stonden te wachten. Een van de Chinezen droeg mijn koffer. Ik kreeg ook nog een doos met tapiocagebakjes op mijn schoot.
Toen reed ik weg. Ik zwaaide en bleef achterom kijken. Ik was vrij. Ik zag het kamp van buiten het hek, de straat waar we op hadden uitgekeken wanneer de poort openstond. Aan weerskanten waren de huizen met de grote tuinen en de groen uitgeslagen terrasmuurtjes. De mensen hadden er al die tijd gewoond. Ze verscholen zich nog als vroeger, achter chevelures en palmboompjes in witte potten. Het was op het heetst van de middag. Ze zaten op de rotanstoelen en dronken iets koels voor ze naar de badkamer gingen. De bloemen in de perken op het gazon zouden straks begoten worden. Ze stonden slap en stoffig, evenals de struiken en de kembang-sepatoeheggen. Het was aan het eind van de droge moesson. Alles wachtte op regen. De vruchten hingen rijp aan de bomen en verspreidden hun geur. Ik keek om me heen. Dit was het. Zo was het geweest. De hitte trilde boven de weg. Hier en daar smolt het asfalt onder de wielen.

Gomes – Sudah, laat maar, 57

[Jakarta 6 – Ursulinen] 

En ik ging over het Koningsplein, medan Merdèka. Hier was naast het postkantoor nog het klooster waar ik in de kost was geweest. Mijn moeder had me gebracht. Het was een lange tocht van het eiland waar we woonden. Het was al schemerig toen we aankwamen, mijn moeder was direct weer weggegaan en ik was alleen achtergebleven, bij zuster portier met de rammelende sleutelbos.

Gomes – Sudah, laat maar, 57a

[Jakarta 6 – Hoenkwee] 

Jakarta was veranderd. Tevergeefs probeerde ik de stad van voeger te herkennen. Vrijheidsbeelden en pompeuze gebouwen – prestigeobjecten die de nationale trots hadden moeten aanwakkeren – hadden er een vreemde stad van gemaakt. Een wereldstad zonder karakter, van willekeurig ieder ander land.
Alleen de straten, de wegen, dat was de grond waarover ik vroeger gegaan was.
In een bètjak zocht ik de plekjes op die mij bekend moesten zijn. Pasar Baroe, de winkelstraat waar ik in het Hoenkwee-huis tjendol gedronken had, klappermelk met Javaanse suiker en rode en groene glibbertjes. Ik was er vaak met mijn neefje geweest. Maar hij had altijd ijs genomen, hij lustte geen tjendol, hij vond het te Indisch. Als kind van de zuster van mijn vader was hij een echte tòtok. Hij kon zijn vingers niet laten knakken.

Gomes – Sudah, laat maar, 57-58

[Jakarta 5 – Het kerkhof] 

Ik ging ook naar het kerkhof waar mijn grootmoeder begraven lag. Bij de bloemverkopers die voor het ijzeren hek stonden kocht ik een bos oranje gerbera's en ik ging de poort in. Ik liep eerst zo maar wat rond en las de Hollandse namen die stamden uit een tijd dat het nog gewoon was, dat Hollanders in Indonesië leefden en stierven. Achterin lag het graf van mijn grootmoeder. Het was van blauw, geaderd marmer met een dak erboven, bijna een praalgraf, maar in de tijd dat ze gestorven was was het een gewoon graf geweest. Het kerkhof stond vol met dergelijke graven. Ik las het opschrift. Het opschrift dat mijn moeder en mijn ooms en tantes hadden opgegeven om erin te laten beitelen. Op de tombe stond een porseleinen vaas. De beheerder, die met me meegelopen was en op een afstandje stond te wachten, schoot toe. Hij nam de vaas van mij over om hem met water te vullen. Er speelden kleine jongetjes op het kerkhof, ze holden over de graven. Ze stoorden me niet. Evenmin als ze de eekhoorntjes stoorden die elkaar in de kambodjabomen achternazaten. De beheerder kwam terug en ik rangschikte de gerbera's in dezelfde vaas als waarin mijn moeder vroeger bloemen had gedaan. Er was een barst in gekomen, maar hij lekte niet. Opeens voelde ik tranen in mijn ogen. Ik veegde ze af, ik wilde niet sentimenteel doen. Ik had mijn grootmoeder niet gekend. Maar misschien huilde ik, omdat de beheerder zo bescheiden op de achtergrond was gebleven en alleen dichterbij gekomen was om te helpen met de vaas.

Gomes – Sudah, laat maar, 65-67

[Semarang 2 – Sociëteit] 

Ik gaf de honderd gulden aan mevrouw Melkers. Ik had nog niet aan geld gedacht. Mijn vrienden hadden nergens om gevraagd, terwijl ze zelf toch ook niet veel meer hadden. Ik ging niet meer terug naar de apotheek. Er was een Rode Kruis-kantoor geopend waar je vijf gulden kreeg voor een dag werken. Een officier stond aan het hoofd, geholpen door een jonge officiersweduwe die door iedereen Thea werd genoemd. We zaten aan kleine tafeltjes en moesten kaarten maken van namen die op lange lijsten stonden, de vermisten bij de vermisten en de doden bij de doden, bakken vol. De officier kwam bij me staan; hij vroeg of ik ook gevangen had gezeten. Ik noemde de naam van het kamp. 'Het dodenkamp,' zei hij. Hij legde zijn hand op mijn schouder, maar wist niets meer te zeggen.
Een paar dagen later hoorde ik dat hij samen met Thea was vermoord nadat ze 's avonds in een Chinees restaurant gegeten hadden. Hun lijken waren in stukken gehakt op straat gevonden. De dag daarna bleef het Rode Kruis dicht. We stonden voor de gesloten deur in de ochtendzon, toen het verhaal de ronde deed.
Ik was beduusd, net als de anderen. Maar ik wilde niet geloven dat er Indonesiërs waren die Hollanders vermoordden, alleen omdat zij Indonesiërs waren en de Hollanders Hollanders. Dat van Thea en de officier was een incident geweest. De officier had wat gedaan, wat gezegd dat de woede van de Indonesiërs had opgewekt. Hij had stoer gedaan, rondgelopen in zijn mooie uniform.
Maar er kwamen meer incidenten. Het vriendelijke Indonesië was niet meer zo vriendelijk. Twee partijen tekenden zich af. Een die er hoorde en een andere die weg moest. Ik zou bij de laatste worden ingedeeld, bij die van mijn vader, de tòtok. Hoewel ik dat zelf niet wilde. Ik had hem uitgelachen als hij niet zo heet kon eten als ik. En wanneer hij verschrikt opsprong als 's avonds een tor, nadat die tegen de lamp was gevlogen, op zijn boek viel. Steeds had ik geweten: jij hoort hier niet, ik wel. Wat voor verhalen hij ook over Holland vertelde, zijn land bleef een vreemd land, met dikke koeien in de wei en draaiende molens, maar ver weg, heel ver, niet voor mij. De mensen die er vandaan kwamen konden heimwee hebben en met weemoed praten over de winter en sneeuw en schaatsenrijden, bloeiende appelbomen en herfstblaren; ik verlangde er niet naar. Ik hoorde in Indonesië, bij mijn Indonesische grootmoeder en mijn moeder en al die mensen die van gemengd bloed waren.

Gomes – Sudah, laat maar, 67

[Semarang – Station Tawang] 

Op een dag zei ik tegen meneer en mevrouw Melkers dat ik naar Surabaja wilde, naar mijn vroegere huisgenoten die nog geld en de juwelen van mijn moeder hadden.
Het station vertoonde het vertrouwde beeld. Voorthaastende vrouwen met manden kakelende kippen op het hoofd, en mannen doorbuigend onder zware vrachten aan een zwiepende bamboe over hun schouder. Maar in de overvolle trein was ik de enige blanke. Ik bleef achter op het open balkonnetje aan het eind van een wagon. Roetdeeltjes van de locomotief schoten voorbij. Een Indonesiër kwam me halen. Ze zouden binnen plaats voor me maken. Hij gebaarde een paar vrouwen op te schuiven. We zaten met z'n vieren op een plaats voor twee. Ik zat tegen de billen van mijn buurvrouw, de sarong plakte ook tegen mijn dijen. Ik zat doodstil. Ik hoorde de mannen praten.
'We zullen ze de keel doorsnijden.'
'De tijd is gekomen.'
Ze maakten het gebaar bij hun eigen keel en klakten met hun tong.

Gomes – Sudah, laat maar, 67-68

[Subaya 2 – Stasiun Pasar Turi] 

Het werd steeds warmer. Op het heetst van de dag kwamen we in Surabaja aan. Voor het station onder de bomen stonden de dogkarren met de kleine paardjes. Maar te weinig, niet genoeg voor alle reizigers; je moest hollen om er een te krijgen. Ik was al ingestapt, toen na mij een deftige Indonesiër in traditionele kleren in hetzelfde karretje plaats nam. Hij staarde langs me heen. Zonder iets te zeggen. Dat was niet nodig. De voerman keerde zich om en gebood mij het karretje te verlaten. Maar ik bleef zitten. Ik was toch eerder? Misschien konden we samen... Er gebeurde niets. We zaten met z'n drieën, terwijl het plein steeds leger werd. De andere dogkarren waren vertrokken. We stonden daar maar in de schaduw van grote bomen die roze bloemetjes over ons uitstrooiden. Plotseling stond de Indonesiër op. Hij verliet het voertuig en verwijderde zich over het plein in de bloemetjesregen. Pas toen hij uit het gezicht verdwenen was, vroeg de voerman waar ik heen wilde.
We gingen door de hete straten. Mijn vrienden zouden opkijken. We zouden aan tafel gaan. En ik zou moeten zeggen dat mijn moeder dood was. Maar toen we bij het huis kwamen, zag ik dat ze er niet meer woonden. De gordijnen waren weg. In de lege kamers oefenden Indonesische soldaten met houten geweren. De voerman keerde zich spottend naar mij om.

Gomes – Sudah, laat maar, 76-78

[Surabaya 4 – Dinojo] 

Om mijn thuiskomst te vieren maakte tante Toetie een blik ham open, om de nasi-goreng extra lekker te maken. Maar na de maaltijd bij de Amerikaanse kon ik eigenlijk niet meer eten. Tegenover mij zat een jongen aan tafel, Joppe. Hij was naar tante Toetie gegaan, nadat hij alleen uit het kamp was gekomen. Ik voelde dat hij steeds naar me keek. 'We hebben nog spaghetti,' zei hij, 'dat is licht verteerbaar.' Hij kleurde.
Ik had al een paar happen van de nasi-goreng genomen en at nu ook van de spaghetti. Al die moeite, dacht ik.
Na het eten liepen we samen naar de rivier achter het huis. Joppe zei niets en ik ook niet. Hij was niet gewend om met meisjes om te gaan en ik niet met jongens. We stonden naast elkaar en keken naar de glans van de opkomende maan op het bruine rivierwater. Ik voelde de pijn in mijn darmen; weer van het vele eten. Ik struikelde toen ik begon te lopen. Joppe pakte me bij de arm. Het was weer voor het eerst dat iemand er zich om bekommerde dat ik niet zou vallen. Ik zei het hem. 'De Japanners wilden liever dat je ergens afdonderde.'
Dinojo was een gevaarlijke buurt geworden. Wanneer het donker werd trokken groepen extremisten de straat op. Ze sloegen met stokken tegen lantarenpalen om elkaar te laten weten in welke straat ze waren. Waar blanken woonden werd halt gehouden; ze verzamelden zich voor het huis. De blanken verstopten zich in alle mogelijke schuilplaatsen, maar ze werden altijd gevonden en dan konden ze alleen nog maar hopen dat het niet te lang zou duren...
We gingen vroeg naar bed en luisterden in het donker naar het rumoer. Op een avond hoorden we hen komen. Het geschreeuw kwam dichterbij. We vluchtten door de achterdeur naar buiten. Het was volle maan geworden. Verschrikt stonden we in een betoverde tuin. Joppe en de djongos barricadeerden het huis. Ook de djongos verdedigde ons. Hij haalde het tuingereedschap uit de garage om als wapens te gebruiken.
We gingen door het rozenpoortje en kropen verder naar de struiken die bij het kippenhok stonden. Just ademde met beide handen in haar hijgende mond om het geluid dat ze maakte te smoren. Tante Toetie kon niet lang op haar hurken blijven zitten, ze zakte op de grond, de benen schuin voor zich uit. Maar Sylva lukte het nog wel, ondanks haar buik, door met haar beide handen op de grond te steunen. Een kip fladderde plotseling op. We kwamen geschrokken overeind, even maar. Maar aan de overzijde van de hel-beschenen rivier hadden ze ons gezien. Ook daar dromden extremisten. Ze brachten hun handen als toeters aan de mond. 'Broeders van Dinojo, de blanke vrouwen zitten achter het kippenhok.'
We vluchtten verder, voorovergebogen, naar de heg die ons van het buurhuis scheidde. Ergens was een gat. We stonden achter elkaar om te ontkomen, tante Toetie als eerste, ik was de laatste. Ik duwde net als de anderen tegen degene die voor me stond. Maar tante Toetie was te dik, ze kon niet door het gat. De Indonesiërs waren al in de tuin. Ik hoorde het rumoer vlak achter me. Het was afgelopen, ik gaf me over, ik voelde geen angst meer. Ik dacht er niet aan dat ik een gewelddadige dood ging sterven. Ik wist alleen dat het afgelopen was.

Gomes – Sudah, laat maar, 87-88

[Subaya 2 – Loge] 

Het was al een hele tijd rustig. Ik meldde me bij het Rode Kruis om te helpen de transporten uit de kampen op te vangen.
Op een dag stond ik tegenover een kleine, schriele man. Zijn kleren slobberden om zijn lichaam. Hij had de pijpen van zijn broek tot juist onder de knie afgeknipt, zonder dat hij de moeite had genomen de stof weer om te slaan. Hij had de lengte van mijn vader. Ook het gezicht, dacht ik. Alleen vermagerd. Hol. Zoals alle mensen hadden die uit de kampen kwamen. Ik liep naast hem naar een van de tafeltjes waar hij formulieren zou kunnen invullen. 'Ik ben je dochter,' zei ik plotseling, 'Sonja’.
Hij nam me van onder tot boven op, hij had me drie jaar niet gezien, het was alsof hij uit een andere wereld ontwaakte. 'Je lijkt op je moeder.'
'Ze is dood.'
Hij sjorde aan het touw dat zijn te wijd geworden broek ophield. 'Zo.' Hij was schor; dat kwam van de slechte, zelf gemaakte sigaretten die hij in het kamp gerookt had. 'Zo, dat is jammer, ze was nog een jonge vrouw.'
Hij ging met me mee naar mijn kamer in de dwarsstraat. Ik had twee bedden, omdat nog iemand bij mij zou worden ingedeeld, maar dat was niet gebeurd. Voor het eerst weer zou hij in een bed slapen. Het was twee uur, tijd voor de middagslaap. Lang keek hij of er geen muskieten onder de klamboe waren en zwaaide met de sapu-lidi. De kamer was donker, de luiken voor de ramen waren dicht. Hij drukte zijn hoofd in het kussen en sloot zijn ogen.
Ik nam de kleren die hij op een stoel had gelegd over mijn armen en ging ermee de straat op. Indonesiërs drongen om mij heen. 'Zijn ze te koop?'
Een man met drie grote manga's in een mandje nam de kleren van mij over. 'Zitten er luizen in? Hoeveel moet je ervoor hebben?'
‘Ruilen voor die manga's?'
Met het mandje en nieuwe kleren, die ik in de Chinese winkel om de hoek had gekocht, ging ik weer naar huis. Dadelijk wist ik dat er iets mis was. Ik zag de trucks in de straat. Indonesische militairen liepen de huizen in en uit. Alle mannen die intussen uit de kampen waren teruggekeerd moesten mee.
Mijn vader trok zwijgend de nieuwe kleren aan. Ik gaf hem de manga's in de hand, maar een soldaat sloeg ze op de grond.
De mannen werden in de truck gedreven en gedwongen om op de knieën te liggen, met het hoofd naar beneden. De soldaten met het geweer in de aanslag torenden boven hen uit. We keken de trucks na. Ik zag mijn vader tussen de anderen. Het was het laatste dat ik van hem zag.

Gomes – Sudah, laat maar, 89-90

[Subaya 2 – Soos] 
[Surabaya 3 – Scheepmakers Park] 

Intussen waren de Engelsen geland. Ze hadden de haven bezet en enkele punten in de stad, waaronder het ziekenhuis waarin de zieken uit de kampen lagen. Het werd hoe langer hoe gevaarlijker om als Hollander op straat te komen. Ik ging nog wel naar het Rode Kruis, maar in een busje: het personeel werd gehaald en gebracht.
Op een ochtend werden we aangehouden toen we langs de sociëteit kwamen. Alle inzittenden werden eruit gehaald en een voor een naar een donker vertrek gebracht. De luiken voor de ramen en deuren waren gesloten en er was geen licht. Het was moeilijk te onderscheiden hoeveel Indonesiërs er zaten. Wel was te zien dat aan het eind van de kamer een bureau stond, waarachter een man zat met een groene klep op zijn voorhoofd. Hij liet me tegenover hem plaats nemen en richtte een felle lamp precies op mijn ogen. 'Ben je Hollandse?'
‘Nee, Hottentot.'
‘Hottentot?'
‘Een koud land ver hier vandaan.'
‘Weet je wie Van Mook is?'
‘Nee, die ken ik niet.'
‘Iemand die Indonesiërs vermoordt.'
‘Dan moet je hem oppakken.'
Hij draaide de lamp van mij weg. Hij was tevreden. Ik had het spelletje goed gespeeld. Hij begon te schrijven, een vrijgeleide, ik kon gaan.
Ik kwam in de grote, marmeren zaal waar vroeger gedanst was. Tegen de muur stonden degenen die vóór mij in de kamer waren geweest, mijn medereizigers uit het busje en ook wel anderen. Ze stonden voor hun beulen, die met kapmessen en bamboesperen toesloegen. Ze smeekten om er een eind aan te maken.
Ik liep langs hen heen. Het was niet voor het eerst dat ik mensen zag mishandelen. Ieder voor zich en God voor ons allen. Ik zie niets, dacht ik, en ik hoor niets, ik weet niets, ik ben er niet en die mensen daar ook niet. Ik ging niet vlugger lopen, ik ging gewoon de stoep af, de tuin door over het grindpad langs de koningspalmen.
Op straat wachtte het busje. We waren met ons drieën overgebleven. De chauffeur reed ons naar het Rode Kruis.

Gomes – Sudah, laat maar, 93-94

[Borobudur 0 – Enkele] 
[Borobudur 1 – 120] 
[Borobudur 3 – 25] 
[Borobudur 4 – 16] 
[Borobudur 5 – Terrassen] 

Op het voorerf van de Borobudur stond de waringin, waar je even tegenaan kon leunen om het complex in zijn geheel te overzien. Een piramide die op een grote koepel leek, met kleine koepeltjes op de galerijen. De tempel lag op een heuvel, omringd door bergen en vulkanen, rijstvelden, bamboe en palmbomen. Ik stond midden in het Indonesische land. Langzaam beklom ik de uitgesleten, steile trappers van het bouwwerk. Het benedenstuk lag onder aarde bedolven. Het was het domein van de gewone stervelingen, dat ik al gauw onder me liet. Ik kwam in de wereld van de bodhisattva's, de half-boeddha's, die het lijden zowat overwonnen hadden. Ze hadden afstand gedaan van hun bezittingen, maar waren nog niet helemaal los van de aarde. Ze waren nog op weg. Ze moesten nog een trapje hoger. De boeddha's zaten op de bovenste galerij. Ze zaten in de boeddha-zit, onder hun stoepa's, uitkijkend over hemel en aarde. Het leven kon moeilijk zijn, zei de Javaanse gids, maar wie hier was aangekomen, had geen last meer van... Hij lachte... ja, ha, ha, ha... Hij maakte de zin niet af, hij lachte liever dan de ellende en het verdriet bij de naam te noemen. Op de reliëfs in de galerijmuren was nog duidelijk te zien hoe láng de weg was geweest en hoe moeilijk, vóór de Boeddha's daar zo konden zitten, steeds met diezelfde uitdrukking, in de zon en in de regen, overdag met al die toeristen om hen heen en 's nachts heel alleen bij het licht van de sterren. Verleiding, armoe, honger, ziekte en dood. Alles hadden ze overwonnen. Het grote wonder had zich in hen voltrokken, maar tegelijkertijd waren ook kleine wonderen gebeurd. Want daar was ook het haasje dat niets meer had om aan de goden te offeren. Hij had zich zelf gegeven en gedacht dat hij nu alles kwijt was. Maar de goden hadden hem beloond en van de aarde naar de maan gedragen, waar hij voor altijd het 'haasje in de maan' was geworden.
Er was veel dat ik voor het eerst zag en voor het eerst hoorde. Ik was nooit naar de Borobudur geweest.

Gomes – Sudah, laat maar, 95-96

[Yogya 1 – Gamelan] 
[Yogya 1 – Privévertrekken] 

Later bij een rondgang door de kraton, het verblijf van de sultans, leerde ik de namen van de instrumenten kennen. De gambang, gendèr, bonang, kempul, gong, kendang, seruling, ketuk-kenong *]. Alleen al door ze te noemen, hoorde je de muziek. De gamelanstellen stonden in de grote spiegelzaal, waar ze de feesten van de sultans opgeluisterd hadden. Nu ze nog maar weinig gebruikt werden, waren ze haast net zo'n museumstuk als een galerij verder de draagstoelen waarin de vorsten naar hun bruiden gedragen waren, of als de kaptafels en de sirihstellen en de geschenken die de sultans gekregen hadden, protserige tierlantijnen.
De gids was een neef van de sultan. In zijn stijve, hoog gesloten, witte jas, geplooide sarong en de kunstige hoofddoek leek hij zelf uit een lang vervlogen tijd, een prins van een van de schilderijen aan de muur, mager en schimmig, in een uitgedroogd, wijd vel en met een stem die niet meer was te verstaan. Hij voerde ons over de oude, stille binnenplaats. De praatvogels krijsten in hun grote kooien, maar niets of niemand kon de rust hier nog verstoren.
Bij de poort naar het vrouwenverblijf was de bedug, waarop bij naderend gevaar alarm werd geslagen. Een eindje verder stond een kanon uit de tijd van de Oost-Indische Compagnie. De dunne, geaderde handen van de gids bewogen zich over het oude ijzer. 'Hiermee is tegen de Nederlanders gevochten,' zei hij.
Maar het kanon in de kraton had de Hollanders toen niet kunnen verdrijven. Dat gebeurde pas veel later, in onze tijd.
*] zie Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I, 915-916.

Gomes – Sudah, laat maar, 96-97

[Surabaya 4 – Koeteistraat] 

Legertrucks kwamen de Hollanders overal in de stad ophalen. Ze kwamen ook in de dwarsstraat. Sommige vrouwen wilden niet mee. Ze wilden niet weer opgesloten worden. Ze gingen ergens anders heen. Ik wilde ook niet. Ik bleef alleen achter. De Chinezen zouden me eten brengen. Maar de trucks waren nog niet uit het zicht verdwenen of halfnaakte Indonesiërs kwamen met grote kapmessen en bamboespiesen de huizen binnenstormen. Ze sloegen alles kort en klein. Ze zagen me niet staan, verscholen tussen de struiken in de tuin. Ik sloop naar de bijgebouwen waar mijn fiets stond. Ik vluchtte ongemerkt.
Het was vreemd stil op straat. Ik fietste heel alleen in een verlaten stad. Plotseling werd er geschreeuwd. Ik moest afstappen. Ik moest mee naar de kampong. Nu pas zag ik dat achter alle struiken langs de weg gewapende Indonesiërs zaten. Ze wachtten op de trucks met de Hollanders. Ik moest me koest houden en in een hoekje gaan zitten achter een kist om me tegen kogels te beschermen als straks het gevecht zou losbarsten. Het was vriendelijk van hen om mij die kist te geven, maar ik voelde het gevaar. Er was weinig verschil tussen mij en de mensen op de wagens. Wie garandeerde dat in de hitte van de strijd hun woede zich ook niet tegen mij zou keren? Ik wilde het liever niet afwachten. ‘Ik ben maar een meisje,' begon ik, ‘jullie zullen last van me krijgen.' Ze snauwden dat ik stil moest zijn. Maar even later mocht ik van een van de mannen, die klaarblijkelijk de commandant was, vertrekken. Hij riep naar de man achter de dichtst bijzijnde struik dat hij me ongemoeid moest laten. Die gaf het weer door naar de volgende en zo de hele weg langs. Ik fietste als een razende zonder op of om te kijken, met maar een doel: de wijk te bereiken voor er geschoten werd. Om van daaruit uiteindelijk het land te verlaten.

Gomes – Sudah, laat maar, 99

[Surabaya 4 – Koeteistraat] 

We bleven een paar dagen in de wijk. Vliegtuigen cirkelden voortdurend rond, ze wierpen voedselpakketten af, die aan kleine parachutes neerkwamen. Ik was ingedeeld bij mensen van het Leger des Heils. Ze maakten de kisten open en dekten de tafel of er niets aan de hand was. Terwijl buiten de wijk steeds werd geschoten, gingen wij zitten; ze vouwden hun handen en dankten voor de maaltijd.
Op een avond werd ons meegedeeld dat we de volgende ochtend zouden worden geëvacueerd. We mochten net zoveel meenemen als in een kussensloop ging. Ik was zonder bagage in de wijk gekomen. Maar in een klerenkast vond ik een lange, zijden avondjurk. Die nam ik mee. En verder nog wat dingen die ik hier en daar vond: een zilveren suikerschepje, een vulpen, een spiegel en het Nieuwe Testament waar het jaartal van de bezetter in stond.
We wachtten op de trucks in het wazige licht van de zojuist opgekomen zon. De mussen tsjilpten als gekken. Een afscheidslied. Maar geen ècht lied. Zo maar wat. Misschien was het afscheid ook niet ècht een afscheid. Niet voor altijd. Ik luisterde tot de zon de ochtendnevel had opgelost en de mussen opvlogen op zoek naar voedsel. We kregen koffie om de tijd te doden. Er was iets mis met de organisatie. Men zei dat er gewacht werd op een vergunning van de Indonesische autoriteiten. Plotseling werd de groep ontbonden. Vliegtuigen verschenen weer boven de wijk en wierpen voedselpakketten af. We zaten op de uitgeworpen kisten. Niemand nam de moeite ze nog te openen.