aan de redactie van het Bataviaasch Handelsblad

3e druk, N.V. Leiter-Nypels, Maastricht 1944

Gonggrijp – Brieven van Opheffer, 4

[Jakarta 5 – B.B.] 

Bij de wisseling der eeuw was Indië, was Java een geheel nieuwe bestaansperiode ingegaan. Maatschappelijk, economisch, geestelijk en staatkundig werd alles in snel tempo anders; na 1905 buigen alle lijnen óp. Inmiddels had het Binnenlandsch Bestuur op Java, het “B.B.”, al sinds een twintigtal jaren een eigen nieuwe periode doorleefd. Het was sinds het eind der jaren tachtig doortrokken van een geest van activiteit in socialen zin, van streven naar welvaartsbevordering; men heeft eens schertsend gesproken van een periode van “verlicht despotisme”, maar dan natuurlijk binnen de eigen proporties, nuchter en Nederlandsch, met veel overleg, eenvoudig en humaan. Het B.B. steunde daarbij niet op bepaalde bevelen van een Regeering die, beheerscht door de moeizaam verworven beginselen van ‘laisser faire”, zich het liefst afzijdig hield; het plaatselijk bestuur beschikte niet over gelden en steunde niet op in bepalingen vastgelegde bevoegdheden; wel over een zekere reële machtspositie en gelukkig vaak geestdrift.
[Gonggrijp – Brieven van Opheffer, X Inleiding door J.W.Meyer Ranneft]
8 Maart 1911.
Ja man ge weet nu al dat ik ethish ben aangelegd Daar kom je zoo van zelf toe, als je je de beschermer, de vader voelt van den verdrukten Javaan, den stakkerd, van wien de hebzuchtige Hollanders 500 millioen gestolen hebben. Op een goeien dag kreeg ook ik de rilling, die heel Nederland door de leden voer na ’t lezen van den Max Havelaar. Ik lees nu, dat de menschen van ’60 heelemáál niet gerild hebben. Wat ’n proleten! Enfin, ik deed het dan wèl. Dat was juist in den tijd, toen ik voor m’n beroepskeus stond.

Gonggrijp – Brieven van Opheffer, 19-20

[Jakarta 5 – Eigen Hulp] 

26 Maart 1911.
Met m’n hoofd vol van de “opwekkingen”, door de Postspaarbank met milde hand uitgedeeld, loop ik rond. Ook ik ben namelijk voor opwekkingen ten goede. Ik zie, dat Baba (betiteling van Indo-Chineezen) Kim Hong weer een anderhalven voet breedte van den weg gestolen heeft. Een Chinees heeft nu eenmaal het land aan breede wegen en vindt, dat de grond, nutteloos aan wegen besteed, beter bij zijn erf past. Minzaam, zooals een braaf ambtenaar betaamt, zeg ik:
– Vriend, zou uwee zoo vriendelijk willen zijn, een beetje achteruit te gaan met uw schutting?
Nu, een goed woord valt altijd in goede aarde en Baba zegt “saja” (ja) en neemt zich stellig voor om ’t vooréérst niet te doen.
Een oud heertje koopt een heelen voorraad mertjons – voor wel 10 pop!
– Zeg Ké, moet je nou voor 10 pop mertjons koopen?
– Ja, doro (mijnheer) zegt hij (zonder sembah, want hij heeft allebei z’n handen vol), ik heb zooveel kleinkinderen.
– Ja maar, goeie man, denk aan je ouden dag, aan de toekomst ...
Noen (met uw verlof)] inggih!
– Kijk, hier heb je een biljet van de Postspaarbank, van de Kangdjeng goupernemèn (het edele gouvernement), 2⅓ pCt. rente krijg je zonder er iets voor uit te voeren, en ’t is bijna als geestelijk goed: het zal niet door de mot verteerd worden en er komen geen dieven aan.
Inggih.
– Juist, ge geeft me gelijk, vadertje. Kijk beleg nou die 10 pop bij de Postspaarbank; dan krijg je elk jaar 23 centen rente. Waar woon je ?
– In Sido-moekti.
– Nou, kijk ‘ns aan, dat is maar 18 paal ver. Je hebt dan niets anders te doen dan elk jaar naar ’t postkantoor te wandelen en je 23 centen rente te innen, en daarvoor koop je dan mertjons en die kosten je dan niets; dáár zorgt de Kandjeng goupernemèn voor. Tegen 36 paal wandelen zien jullie toch niet op, want je verslijt geen schoenen.
De man keek me zóó vriendelijk aan en gaf me in alle opzichten zoo volkomen gelijk, dat ’t me goed deed en ik hem een dubbeltje cadeau wilde geven. Maar ik had geen geld bij me, – wat soms maar goed is, want het toegeven aan alle goede opwellingen zou ruïneus zijn. Eigenlijk moest elk ambtenaar B.B. millionnair zijn; dan eerst kon hij zijn ambt naar behooren vervullen en vrede hebben met zich zelf, want nu, boordevol van liefde voor den bruinen broeder, heeft ie telkens wroeging, dat hij ’t bij woorden moet laten.

Gonggrijp – Brieven van Opheffer, 60

[Jakarta 6 – Ambachtsschool] 

7 Juni 1911
Opheffer liet óók pasarloodsen bouwen, eerst door den Waterstaat, maar die waren te duur: 1200 pop voor een loods, dat hakt er in. Toen werd Kromo aannemer en hij werkte een tijdlang flink en verdiende flink. Opheffer had schik in z’n leven; nu zou hij toch eindelijk eens een welgestelden Kromo fokken. Mis, hoor! Een paar dagen geleden kwam Kromo vertellen, dat hij er uitscheê: hij was moe.
– Brave Kromo, zei ik, rust jij maar eens uit; je hebt flink gewerkt; hoe lang denk je uit te rusten?
– Nu, zei Kromo, misschien dat ik over een maand of 7 niet meer moe ben.
Het is heel noodig, dat we ambachtsscholen oprichten, maar wees nu niet stom verbaasd, als niettegenstaande ambachtsscholen en niettegenstaande volksonderwijs in alle ambachten en in nijverheid de brave Kromo verdrongen wordt door den singkèk.
Aan rijk worden heeft Kromo een broertje dood.

Gonggrijp – Brieven van Opheffer, 233-234

[Semarang – Javasche Houthandel] 

Ik kreeg laatst tranen in m'n oogen, toen ik het armzalig dividendje las dat de Java-Bosch uitkeert. Goeie God, moet je dáárom zoo hard werken in den oost, om maar 15 pct. uitgekeerd te krijgen?
Uit armoe wordt maar alles afgeschreven: alle auto's, rijtuigen en paarden staan te boek voor f 30; is 't niet om te huilen? En uit armoe wordt maar een reserve gefokt. Enfin, de aandeelen staan op 284 pct., maar kom er eens aan als je kunt? En is 't geen schande, dat je maar 15 pct. uitgekeerd krijgt op aandeelen, die 284 staan?
Ik hoop nu maar, dat de brave Lovink hen helpen zal, in 's lands belang en in 't belang van een gezonden houthandel. Alle houtvesters zullen wel kwaad zijn, omdat hun werken niet tot hun recht komt, maar dat zijn maar ambtenaren; dus die hebben hun gezicht te houden.
Wat weten die boschmenschen nu van hoogere politiek, zeg nu zelf.
Daar heb je zoo' brutalen aap, Van den Bussche, houtvester; die vertelt in 'Tectona', afl. maart 1912, dat hij den onderhandschen afstand van hout niet goed vindt.
Verbeeld je, die vent schrijft: "Na de uiteenzetting van de groote nadeelen, die aan den onderhandschen afstand inhaerent zijn".
Wat heeft die vent uiteen te zetten?
Er werd hem niets gevraagd. Ik hoorde met bizonder veel genoegen, dat hij van zijn baas, Lovink, een geducht katje heeft gekregen, en de groote man heeft nu eens verzocht, nu niet meer zoo te schrijven in 'Tectona' of zoo. Al dat geschrijf is uit den booze. Het zou Lovink zijn plezier, om dien armen houthandel eens goed te doen, maar bederven.
Tot nu toe hebben pas twee houthandelaren hout onderhands gekregen!
1e. Een Singer-naaimachine-kongsi, de Sioe Liem Kongsi, die per ongeluk een paar jaar geleden ook in hout is gaan handelen. De stakkers verdienden zoo weinig aan de naaimachines, dat ze ook wat hout kochten en verkochten. Maar dat koopen was niets leuk; daar waren anderen, die tegen hen opboden; flauw. Enfin, gelukkig had Lovink een groot hart en die vond zoo'n manier van handel ongezond en daarom zei hij;
– Brave Chineezen, in 's lands belang en in dat van jullie gezondheid krijgen jullie elk jaar 5000 kubieke meter onderhands, maar tegen limite prijzen, hoor.
Baik, Kandjeng Toewan, als de limite maar niet te hoog is.
– Neen, maak je maar niet ongerust.
Enfin, ik heb 't eens vergeleken met de prijzen op de vendutie. Het scheelde maar f 10 per M³, dus de moeite niet waard. Wat is nu 5000 x f 10 extra winst voor een kongsi: die moeten ze nog wel met hun drieën deelen en 't is maar voor 5 jaren beloofd, dus maar f 250.000 roegie voor 't gouvernement. In 't belang van een gezonden houthandel moet het gouvernement het er voor over hebben.

Gonggrijp – Brieven van Opheffer, 297-298

[Surabaya – Ringmuur] 

[1913] U moet dan weten, dat de landraadvoorzitter volgens de ordonnantie eenmaal in de drie maanden de gevangenis moet inspecteren, en nu had hij het bijna vergeten. Enfin, gelukkig dat hij op 30 December er nog aan dacht. Het proces-verbaal moet in drievoud ingediend worden: een afschrift aan den directeur van justitie, een aan den procureur-generaal en een aan het hoofd van gewestelijk bestuur.
Er zijn 55 vragen, maar vele vragen zijn weer gesplitst in ondervragen. De eerste in 3, de tweede in 2, de derde in 5, enzoovoort.
Vraag I sub drie luidt:
“Is de ringmuur om de gevangenis voldoende hoog?”
Van 1903 af tot nu toe, dus volle tien jaren lang, wordt die vraag vier malen in het jaar met “ja” beantwoord en toch zou het antwoord “neen” moeten luiden, want geregeld klimt Kromo er over heen, als het verlangen naar vrijheid of naar moeder de vrouw te groot wordt.
Een ringmuur, waar elke Kromo met het grootste genoegen over heen klimt, is niet voldoende hoog, zou ik zeggen. Maar ik maak daar geen ruzie over; de enkele assistent-residenten, die het wèl gedaan hebben en beweerden, dat de ringmuren te laag waren tegenover Kromo’s behendigheid, zijn er bekaaid afgekomen, en hun is aan ’t verstand gebracht, dat, als men met gemak over een muur heen kan klimmen, dit geen bewijs is, dat hij niet hoog genoeg is. Nu zou een mensch zeggen: schaf de vraag dan maar af! Neen, hoor. Op Java wordt nu elk jaar, aannemende dat er 70 gevangenissen zijn 70x4 malen gejokt. Als men een soldaat met een geweer of een oppasser met een sabel naast den muur zet, dàn zijn ze voldoende hoog.

Gonggrijp – Brieven van Opheffer, 300-302

[Jakarta 5 – Justitie] 

9 April 1913 – Ik heb laatste gebruld van ’t lachen om een brief “namens den directeur van justitie” geschreven door “het hoofd van het gevangeniswezen”.
Men kan komiek zijn door... naieveteit.
Het is een mooi gedrukte brief, aan den linker-bovenhoek “Departement van Justitie”, “No. 16700”. Eventjes kijken of er ergens “geheim” of “vertrouwelijk” staat.
Neen. Ik kan er dus met een gerust hart mijn medeburgers ook van laten genieten en ’t geeft zoo’n prachtigen kijk op den drang naar decentralisatie.
“Batavia den 23en October 1912
Overeenkomstig het bepaalde bij art. 33 van het Gevangenis-reglement (Staatsblad 1871 No. 78) mogen alle tot gevangenisstraf, dwangarbeid buiten den ketting of tot ten arbeidstelling veroordeelden zich, hetzij uit eigen fondsen, hetzij door de hulp hunner betrekkingen, verbetering in voeding en versnaperingen verschaffen.
Deze vrijgevige bepaling is echter, zooals van zelf spreekt, aan zekere grenzen gebonden en het kan niet worden toegelaten, dat aan deze veroordeelden de uitgezochtste lekkernijen en versnaperingen in elke gewenschte hoeveelheid worden toegezonden of voor hen uit eigen fondsen worden aangeschaft.”
Het was laatst geen hatelijkheid van mij, toen ik in een van mijn vorige brieven de vraag stelde; zou de chef van het gevangeniswezen ooit een gevangenis gezien heen?
Hij heeft blijkbaar nimmer het zenden van de “uitgezochtste lekkernijen” en “versnaperingen” bijgewoond.
Dit geschiedt gewoonlijk ’s Zondagsmorgens tusschen 8 en 12 uur. Familieleden komen de gevangenen dan opzoeken en, och, zoo’n klein percentage heeft die opvroolijking.
Een dikwijls flinke portie rijst vormt de hoofdschotel, en dan verder wat gebak en een paar strootjes. Kromo deelt zijn portie broederlijk met zijn medegevangenen en het is verwonderlijk hoe snel alles verdwenen is. [...]
Er zou geen zegen op Kromo’s maal en op zijn hem toegezonden versnaperingen rusten, als hij ze niet deelde.
De overgroote meerderheid van de achter de tralies zittende Kromo’s zijn arme drommels, wier familie zelf arm is of te ver weg woont, en zoo komt het, dat een mandje met gekookte rijst en wat gerèh (kleine zeevisch, gezout en gedroogd) en een sisir pisang (kam bananen) héél gauw verdwenen zijn.
Maar we zullen het hoofd van het gevangeniswezen weer aan ’t woord laten.
“Aangezien het niet doenlijk is deze voor alle plaatsen geldende en tot in bizonderheden afdalende voorschriften te geven (ZHEd.G. schijnt er toch lang en zwaar over gedacht te hebben), heb ik de eer UHEd.G. beleefd te verzoeken er streng op te willen doen toezien, dat van de bij art. 33 van het Gevangenisreglement verleende vrijheid geen misbruik wordt gemaakt.
In geen geval zal het mogen voorkomen, dat gevangenen voorraden aanleggen van versnaperingen of rookartikelen, veelal met het doel hunne lotgenoten gunstig voor zich te stemmen of ongewenschten invloed op hen uit te oefenen.
Ten slotte acht ik het zeer gewenscht dat UHEd.G. voor de gevangenissen in uw gewest p r e c i e s a a n g e e f t (de spatieering is van mij), welke artikelen en tot welke hoeveelheden de in voren bedoeld artikel 33 genoemde categorieën van gevangenen van inlandschen landaard hoogstens in hun bezit mogen hebben.”
En nu willen de menschen nog beweren, dat Kromo zoo arm is. Er moet voor gewaakt worden, dat hem de uitgezochtste lekkernijen en versnaperingen niet bij massa’s toegezonden worden.
Later over honderd jaren, wordt deze brief van den chef van het gevangeniswezen bij honderden exemplaren gedrukt, door een geschiedvorscher gevonden, en hij kan dan een boek schrijven of een lezing houden over de welvaart van Java in ’t begin van de 20ste eeuw. Die was zóó groot, Mijneheeren, dat de directeur van justitie maatregelen moest doen nemen, om paal en perk te stellen aan den toevloed van de uitgezochtste lekkernijen en versnaperingen, die de gevangenissen binnenvloeiden.
Het kwam voor, Mijneheeren, dat zij voorraden aanlegden van die versnaperingen en zelfs van rook-artikelen.
Mijneheeren!, welk een schril contrast met de toestanden in Europa en in het verre Indië. Hier waren te dien tijde de gevangenissen oorden van verschrikking en van geween en van knersinge der tanden. In Indië was onder het wijs en zegenrijk bestuur der Holladers de welvaart zóó groot, dat paal en perk moest gesteld worden aan de overdaad en luxe, die blijkbaar tot in de gevangenissen wist door te dringen.