G.A. van Oorschot Uitgever, Amsterdam 1967

Nieuwenhuys – Tussen twee vaderlanden, 13-15

Omstreeks [achttien]tachtig was alles het liberalisme wat de klok luidde. En het scheen ook wel of in Indië de liberale theoretici in bijna alle opzichten gelijk kregen. Na de snel overwonnen suikercrisis en de daarop gevolgde sanering, begonnen handel en cultures weer te floreren en miljoenen verrezen uit de grond. Het was een opwekkende, stimulerende tijd, die zijn stempel op de samenleving heeft gedrukt. Maar dat het welbegrepen eigenbelang van de ondernemer – ‘die machtige drijfveer van alle menselijke handelingen’ – zou leiden tot een hogere welvaart van de bevolking, dat bleek een illusie.
Het was niet zo, dat men ’de belangen van de Inlander’ over het hoofd zag, daarvoor waren deze te lang als inzet gebruikt in de politieke strijd tegen het cultuurstelsel, maar men voelde zich machteloos en kon moeilijk tot de erkenning komen, dat de Javaanse bevolking er niet beter aan toe was dan onder het cultuurstelsel, ja zelfs verarmde. ‘Indië lijdt aan bloedarmoede’, schreef in 1884 de Semarangse journalist mr. Pieter Brooshooft in heilige verontwaardiging over hetgeen hij op zijn reizen door Java gezien en gehoord had, ‘de patiënt is jaar op jaar zoveel bloed afgetapt, dast deze dreigt te bezwijken aan vergevorderde anaemie.’Hij was het ook, die als hoofdredacteur van het dagblad De Locomotief, het initiatief nam tot een adres aan 12 vooraanstaande Nederlanders, waarin deze verzocht werden kennis te nemen van de ‘heilloze gevolgen’ van het bestuur in Nederlands-Indië. Dit adres, in de vorm van een ‘Open Brief’ die op 7 maart 1888 werd verzonden, bevatte 1225 handtekeningen van ingezetenen van Ned.-Indië. Het ging vergezeld van een door Brooshooft zelf samengestelde uitvoerige Memorie over den toestand in Indië, waar hij zijn beste krachten aan moet hebben gegeven en waar hij maanden en maanden aan moet hebben gewerkt. Veel gehoor heeft hij echter niet gehad en nog minder steun, noch van de regering, noch van vakgenoten. De hele beweging bloedde dood en het zou bijna twintig jaar duren vóór een nieuwe Minister van Koloniën een onderzoek deed instellen naar de ‘economische toestanden der Inlandse bevolking van Java en Madoera’. Dit onderzoek werd opgedragen aan de bekende Indische specialist ion de Kamer, mr. C.Th. van Deventer, een vriend en medestander van Brooshooft. Het rapport (dat in 1904 verscheen) liet aan duidelijkheid niets te wensen over en eindigde met een officieel klinkende en beleefd geformuleerde beschuldiging: ‘Het moet herhaald worden, dat de voornaamste oorzaak, waarom de economische toestand van de Inlandse bevolking van Java en Madoera in de laatste kwart eeuw eer achteruit dan vooruit is gegaan, hierin moet worden gezocht, dat van overheidswege onvoldoende voorzien werd in haar stoffelijke en geestelijke behoeften.’ Het verzoek van de minister aan Van Deventer was overigens slechts bedoeld als een bevestiging van feiten die hem in grote trekken reeds bekend waren en van zijn gezindheid om hierin verbetering te brengen. ‘De ethische koers in de koloniale politiek’(de titel van neen geschrift van Brooshooft) had zich reeds ingezet met de bekende troonrede van 1901, waarin de Koningin voor het eerst van ‘zedelijke roeping’ jegens de bevolking had gesproken. *]
De stem van Brooshooft e.a. die reeds omstreeks 1880 op ethische gronden de regeringspolitiek hadden veroordeeld en afgewezen, was een algemene roep geworden die door vele gezaghebbenden werd overgenomen en die ten slotte tot de regering doordrong. Dit leidde tot een voorlopig bescheiden verbetering van het Inlandse onderwijs (dat op westerse leest werd geschoeid) en een voorzichtige welvaartspolitiek (aanleg van irrigatiewerken, bevordering van kleine huisindustrieën en van kunstnijverheid, doch alles op bescheiden schaal). Een consequent gevolgde richtlijn voor het regeringsbeleid is het ‘nieuwe rechtsbewustzijn’, waar Brooshooft van s[prak, nooit geworden en nog minder heeft het in de Europese samenleving in Indië wortel kunnen schieten. Het is beperkt gebleven tot een betrekkelijk kleine, zij het invloedrijke groep, waarvan behalve die van de pionier Brooshooft en Van Deventer, de namen zijn verbonden van politici als Van Kol, Kielstra en Abendanon, van geleerden als Snouck Hurgronje en Van Vollenhoven en van schrijfsters als Augusta de Wit en Marie van Zeggelen. Ze vertegenwoordigen allen met natuurlijk nog talrijke ongenoemden een andere instelling tegenover Indië, tegenover land en volk. Dit is het ethicisme, dat vóór alles een sentiment was, een appèl aan het geweten van de koloniserende Nederlander. Het was hooggestemd van toon en droeg welbeschouwd een typisch Hollands karakter; het was waardig, deftig en vormelijk, rechtschapen, eerlijk en devoot; soms ook wat superieur en vaag, maar het werd gedragen door een nieuwe geest. De Indonesiër was in de gedachtenwereld van de Europeaan getreden en kon daar niet meer uit worden weggedacht. Er ontstond een ander type dan de oudgast van vroeger. Deze laatste trad terug, vervaagde en verdween in het verleden.
Een periode was afgesloten.
*] Dat was het begin van de ‘ethische politiek’, een periode van twintig jaar waarin de ontwikkeling van land en volk meer aandacht kreeg.
[Reybrouck – Revolusi, 84-85] 
[1939] Dit is een koloniaal land, waar een millioenenvolk wordt overheerscht door een ander klein volk, en het is begrijpelijk, dat hier de toestand toch anders is dan in Europa.
[Walraven – Brieven, 385-386] 
[1941] De ethische Europeaan is in de jongere categorieën vrijwel verdwenen; de socialistische Europeaan met zijn vroegeren proletarischen broederzin wordt volkomen gemist.
[Walraven – Op de grens, 226] 

Nieuwenhuys – Tussen twee vaderlanden, 20-21

[Semarang – Karangbidara] 
[Surabaya – Krembangan] 

Ze [de Indo’s] stonden buiten de eigenlijke Europese samenleving (en ook buiten de Indonesische). Het was deze groep die in de romans geridiculiseerd werd om zijn manieren en kromgepraat en die ook altijd als onbetrouwbaar werd voorgesteld. Zelfs iemand als Huet van wie men toch meer psychologisch inzicht had mogen verwachten, constateerde alleen dat de Indo’s 'verbazend met zichzelf waren ingenomen', zonder door de oppervlakte heen te kijken. Hij keek slechts naar de verschijnselen, maar verzuimde naar de maatschappelijke oorzaken te vragen. Hij sprak zelfs van 'ploertendom'. Zo sterk was het vooroordeel tegen de Indo. Het is zeker dat omstreeks 1880 een groot deel van de Indo-groep verpauperiseerd was en aan de zelfkant van de samenleving leefde, in de kampong – al bleef hij voor de Indonesische kampongbewoner altijd de 'Europeaan' – of aan de rand van de kampong of in de toenmalige specifieke Indo-buurten als Kemajoran (in Batavia), Krambangan (in Soerabaja) of Karangbidara (in Semarang). Onder deze 'paria's' van de Europese samenleving, zoals een Indische toneelschrijver ze noemde, was de criminaliteit vanzelfsprekend hoog. Waarschijnlijk heeft Huet deze groep op het oog gehad toen hij sprak van ploertendom, maar nooit hebben Europeanen als hij zich verantwoordelijk gevoeld voor het bestaan van dit ‘alverdervend sinjo-element' en voor de ellende waarin ze het lieten voortleven. In een particuliere correspondentie in de Java-Bode van 1885 werd met klem aandacht gevraagd voor het pauperprobleem dat al zoveel jaren slepende was gebleven (en nog jaren zou blijven slepen), ditmaal in verband met een ander typisch verschijnsel uit die tijd. Het pauperisme werd een zaak van 'Europees prestige' genoemd en hiermee roerde de correspondent aan een zéér teer punt. De Indo-Europeaan, zo schrijft hij, wordt uit alle betrekkingen gestoten 'door onkundige Europese protége's'. Deze behoorden tot de talrijke ‘presentkaasjes' die in de jaren zeventig en tachtig en ook later op de 'bonnefooi' naar Indië werden gestuurd met een aanbevelingsbriefje waarop 'H.H.H.' stond geschreven, hetgeen 'help hem haastig' betekende.

Nieuwenhuys – Tussen twee vaderlanden, 45

[Semarang 2 – Gouverneurswoning] 

Ging er een resident dood, dan viel hem protocollair een bijna vorstelijke begrafenis ten deel met de vele honneurs aan zijn ambt verschuldigd en het was onvermijdelijk of in de volgorde der rijtuigen moest zich weer de ambtelijke hiërarchie doen gelden. Op 7 augustus 1881 werd de resident van Semarang Van der Hell begraven, dezelfde die zich als assistent-resident van Blitar zo aan zijn macht had bedronken dat hij zijn Europese ondergeschikten en particulieren wel eens in het Laag-Javaans toesprak, uitsluitend om ze te beledigen. De Locomotief van de vorige dag geeft ons de samenstelling van de begrafenisstoet: 1. Tamboers en hoornblazers van het 5de bataljon Infie.; 2. Kapel der Semarangse Schutterij; 3. Kapel van het 5de bataljon; 4. Gewapend detachement der Semarangse Schutterij; 5. Idem van het bataljon Infie.; 6. Lijkkoets, waarbij als slippendragers fungeren: de luit. kolonel, de commandant der Semarangse Schutterij, de dirigerend officier van gezondheid 1e klas, de oudste assistent-resident, de oudste regent der residentie; 7. Onderofficieren-dragers; 8. Het rijtuig der familieleden van Ds. Ovink; 9. Het rijtuig van de Gen. Majoor en van de President van de Raad van Justitie; 10. idem van de Luit. Kolonel, plaatselijk commandant; 11. idem van de Inspecteur van Financiën. Hierop volgden de lagere ambtenaren en de ‘partiklir sadja'.

Nieuwenhuys – Tussen twee vaderlanden, 54

[Jakarta 5 – Rijswijkstraat] 

Het is bekend dat juist in het laatste kwart van de vorige eeuw in geheel Indië, maar vooral op Batavia, een opgewekt muziekleven heerste. Het gonsde er van muziek en zang. Vanaf het begin van de negentiende eeuw reisden er door Indië allerlei Franse en Italiaanse opera-gezelschappen, die wel een stroom van enthousiasme ontketenden, maar die het financieel zelden konden bolwerken. Een deel van de artiesten bleef echter in Indië hangen en vestigde zich als zang- en muziekleraar. Een ander deel zag meer toekomst in prozaïscher beroepen en werd kleermaker, kapper, schoenmaker of marmerwerker. In deze tijd zijn in Batavia de z.g. Franse en Italiaanse buurten ontstaan. Toch kwamen er ook later nog geregeld musici, zangers en buitenlandse opera- en operettegezelschappen tourneren.

Nieuwenhuys – Tussen twee vaderlanden, 54-55

[Jakarta 5 – Gang Van Kinsbergen] 

Nog belangrijker en tekenend voor de intensiviteit van het muziekleven, was dat de amateurs voor een groot deel zelf in hun behoeften voorzagen. Elke stad die zich enigszins respecteerde, had een muziekvereniging. In Soerabaja was het de vereniging Caecilia, in Semarang Con Amore en in Batavia de reeds eerder genoemde vereniging Toonkunst Aurora en de Opera-Club. De laatste stond onder leiding van de zeventigjarige fotograaf, decorontwerper, decoratieschilder, zanger en regisseur Isidore van Kinsbergen, naar wie in Batavia later een straat genoemd is. Het was niet mis wat men toen met amateurs aandurfde, maar misschien daarom, ontkomen we niet aan de indruk, dat het zingen en musiceren al te veel als een gezelschapsspel werd beoefend en dat men in de verenigingen allerlei ambities uitleefde die met de kunst weinig te maken hadden. Dit moet voor de enkele ongetwijfeld begaafde mensen een ergernis zijn geweest. Toen er in Indië een werkelijk competent muziekcriticus kwam, constateerde deze, 'dat veel kaf onder het weinige koren' school. Hij verstoorde wreedaardig de muziekidylle en werd daarom bedreigd met een pak slaag. Een ander wilde hem zelfs, de lucht in laten vliegen, maar Otto Knaap was een strijdvaardig mannetje, tegen wie men op de duur niet opgewassen bleek. 'O, men is in Indië nog zo heerlijk groen,' verzuchte hij.

Nieuwenhuys – Tussen twee vaderlanden, 77-78

[Jakarta 5 – Haka Restaurant] 

Dat deed de deur dicht. De persen van Het Indisch Vaderland werden verzegeld en tegen Daum werd een proces aanhangig gemaakt. Dit betekende de dood van Het Indisch Vaderland en voor Daum het verlies van zijn broodwinning. Maar hij was er de man niet naar om bij de pakken neer te zitten. Hij ging naar Batavia, onderhandelde met de drukkerij Kolff en reeds aan het eind van hetzelfde jaar (1885) verscheen het eerste nummer van een nieuw dagblad dat het Bataviaasch Nieuwsblad heette. Door zijn ongewoon klein formaat kreeg het spoedig de bijnaam van 'het lorretje', maar na een half jaar had dit lorretje al evenveel abonnees als het grootste Indische dagblad. Daum gaf dan ook al zijn energie en werkkracht aan zijn geesteskind; een ieder wist het: 'het lorretje', dat was de krant van Paatje Daum, zoals hij naar zijn beide voorletters werd genoemd.
Er is meermalen een opmerking gemaakt over de ontzaglijke werkkracht die van de negentiende eeuw is uitgegaan; er is gewezen op de werken van Nietzsche, Balzac, Zola en anderen. Ook van Daum getuigde iemand die enige tijd bij hem logeerde, dat zijn werkkracht ‘verbazingwekkend' was en dat hij hem vaak, 's morgens heel vroeg, in slaapbroek en kabaja zag, met drukproeven in de hand of stukken lezend, die voor zijn blad bestemd waren. Maar we hebben deze en andere getuigenissen niet nodig om te weten welke bergen werk hij verzette. Als we de oude jaargangen van Het Indisch Vaderland doorbladeren of van het Bataviaasch Nieuwsblad, en we weten dat hij voor een belangrijk deel zelf zijn krant vulde met hoofdartikelen, mailoverzichten, binnen- en buitenlands nieuws, financiële berichten, vrijdagpraatjes, feuilletons en ook een groot deel van het andere redaktiewerk zelf deed, met als hulp een jongmens nauwelijks van de schoolbanken, dan begrijpen we, dat de waardering voor arbeid meer was dan simpel plichtsbesef, maar in zijn levensbeschouwing wortelde, dat arbeid voor hem een zedelijke wet vervulde. Met instemming haalde hij Zola’s woorden aan: 'Iemand die werkt is altijd goed.' Zoiets trof Daum, het raakte hèm, die jaren tevoren had geschreven 'dat het schoon was gewoon dood te gaan zonder meer, als men het doen kan met de overtuiging, dat men een nuttig en werkzaam leven achter de rug heeft.'

Nieuwenhuys – Tussen twee vaderlanden, 91-92

[Jakarta 4 – Busstation] 

Daum volgde in zijn krant de nieuwe literatuur zeer nauwkeurig en het is merkwaardig te zien zoals langzamerhand zijn waardering voor De Nieuwe Gids groter wordt, maar als in het aprilnummer van 1886 een schets van Netscher wordt opgenomen, 'Miss Nelly', een impressie van een café chantant (na Huysmans en De Goncourt, na Toulouse Lautrec en Forain niets bijzonders) valt hij tegen Netscher uit, de 'hans worst in de realistische school'. Hij legt zijn lezerspubliek de excessen voor: 'glippende glomperingen van gas op satijn', ‘een speld in heur haar schoot bijwijlen flipflapjes van licht uit' en vooral het slot schijnt hem het ergste toe, als de danseres verdwijnt ‘wipbillend, heupwiegend en vlijhalzend' met glibberende lichtglippen over de rondingen van het satijn'. En als zovelen uit die tijd meende hij dit procédé ook te kunnen toepassen. Natuurlijk moesten hierbij de badende vrouwen op de openbare badplaats die Molenvliet heette, het ontgelden en natuurlijk ook de ongelukkige Bataviase stoomtram, bijgenaamd de 'tjèbol' (dwerg), die zo verrukkelijk op de rails kon schommelen: ‘Ik sta op Molenvliet bij Gang Chaulan te wachten op de tram. De zon werpt brede, gloeiglanzende flipflappen van licht over de recht vuilgrijze weg, en de witte huizen baden zich in de trilling der ducaten-gouden straalbundels. Langzaam stuwt het geel-grauwe water voort, klikklotsend tegen de kuitrondingen der vrouwen, die plisplassend in het slijmerige nat, met veel sierlijkheid voorover buigen, vol schaduwvegen en gele weerschijn van licht, de duim drukkend tegen het ene neusgat... fffts. Over de kromming der spoorstaven langs de Harmonie nadert schuifelend en wriemelend het stoomsissend tramgevaarte, in het vlietse lijnperspectief een donkere vlek werpend op de helle muur van Oger; de machinist ningnagelt de metalen bel; de conducteur blaast schel en tuteretu zijn fluitje en als het rommel-de-bommelend gedraai der uitlopende wielen rikketakkend wegsterft... Ja, geachte lezer, ik kan 't waarachtig niet helpen, dan staat de tram stil, en stap ik in.'

Nieuwenhuys – Tussen twee vaderlanden, 112-113

[Jakarta 7 – Bibliotheek] 

Als het zeilschip de ‘Prinses Sophia' eenmaal vertrokken is, gaat de reis vrij voorspoedig: 2 september loopt het schip Batavia binnen. Met dezelfde boot vertrekt Van der Tuuk een week later naar Soerabaja waar zijn ouders wonen. In die week heeft hij op verzoek van het Bijbelgenootschap een bezoek gebracht aan de bibliotheek van het Bataviaas Genootschap. Het verslag van zijn bevindingen is alleraardigst en tevens kenmerkend voor de geest en het intellectuele gehalte van de Europeanen in een stad als zelfs Batavia. Wat Van der Tuuk constateert, bevestigt wat later Jan ten Brink, P. A. Daum en anderen zouden schrijven: een samenleving met weinig geestelijke behoeften en een intellectuele belangstelling, die zich tot zeer weinigen beperkte en gemakkelijk de indruk van snobisme kon wekken. Van der Tuuk rapporteert wat overgebleven was van de hooggeroemde boekerij, die de reputatie had van de grootste bibliotheek te zijn van Z.O.-Azië: ‘een menigte ledige kasten die denkelijk vol geweest waren.' En verder: 'op mijn vraag of die handschriften en boeken bij de een of ander ter leen waren, werd mij geantwoord, dat niemand zich zoveel zweets berokkende boeken te laten halen om ze te lezen, maar dat men zulke werken, als ze van prentjes voorzien waren, gaarne bij zich aan huis hield totdat men de tijd kon vinden, om de prentjes eruit te scheuren en er de lieve kindertjes mee te laten spelen. Het is bijna ongelooflijk hoezeer zich onverschilligheid en (is onleesbaar) hier hebben verenigd, om deze rijke boekerij (zie de Verslagen van het Bataviaas Genootschap) arm te maken. Een menigte geschriften zijn op geheimzinnige wijze verdwenen en hebben hierin hetzelfde lot gedeeld als hun confraters van Bali, Java, Malaka en Sumatra (er zijn nog drie Batakse, waaronder eigenlijk een hs. en twee bamboekokers). Het schijnt dat een zeker persoon hier autocraat heeft gespeeld en bij het verlaten van zijn slachtoffers, zoveel berouw heeft gekregen, dat hij met innig medelijden hen met zich meenam naar het land waar de constitutie van kakkerlak en witte mier niet tegen het klimaat bestand is. Het Bataviaas Genootschap is alleen nog maar rijk aan voorwerpen die wegens zwaarte niet licht mee te pakken zijn.'

Nieuwenhuys – Tussen twee vaderlanden, 114

[Jakarta 9 – Rumah Sakit] 

Zij maken de volgende reconstructie mogelijk: na enige weken in zijn logement door een particuliere arts te zijn behandeld voor een hardnekkige huidziekte (waar vroeger ook zijn moeder aan geleden had), liet Van der Tuuk zich op aandringen van enige kennissen en vrienden in het Militair Hospitaal opnemen. De directeur-geneesheer Dr. Wassink zou speciale zorg aan hem besteden. Hij kreeg ook verschillende faciliteiten zoals een eigen kamer en gelegenheid te blijven schrijven en studeren, vooral ook omdat zijn toestand toen nog niet zó was, dat hij aanhoudend het bed behoefde te houden. Volgens getuigenis van genoemde E. Netscher werkte Van der Tuuk de hele dag en zelfs tot diep in de nacht. Zo schreef hij in het Militair Hospitaal een studie over het 'Centralisatie-Maleis', die nooit gepubliceerd is en waarvan wij ook niet zeker weten of ze wel ooit voltooid is. Evenmin weten we wat Van der Tuuk precies met het 'Centralisatie-Maleis' bedoeld heeft.
Hij heeft er aan Netscher stukken uit voorgelezen en deze laatste, die zelf een grote taalkundige belangstelling heeft, beschouwde wat de toen 26-jarlge Van der Tuuk in de korte tijd van ongeveer drie maanden geschreven had, als een ‘hoeksteen' voor de kennis van de Indonesische talen.

Nieuwenhuys – Tussen twee vaderlanden, 152-153

[Surabaya 3 – Ziekeninrichting] 

Van der Tuuk is bitter gestemd jegens het Gouvernement en terecht ditmaal. Na de laatste briefkaart van Brandes van oktober 1890, horen we niets meer van hem, behalve een kort en nietszeggend briefkaartje aan D’Ablaing in ’94. Voor zijn laatste jaren moeten we ons met geruchten en anecdotes behelpen, waaronder enkele afkomstig van de reeds eerder genoemde oud-gewestelijk secretaris van Singaradja, de heer C.I. Udo de Haes. Ze zijn niet eens onwaarschijnlijk als we de stemming in aanmerking nemen, waarin Van der Tuuk tegenover de Directeur van Onderwijs verkeerde.
De Directeur (officieel van 'Onderwijs, Eredienst en Landbouw') vroeg Van der Tuuk eens precies mede te delen hoever hij met zijn woordenboek gevorderd was. Van der Tuuk krabbelde met kopieerpotlood het antwoord onderaan de missive zelf. Hij schreef een zeer scabreus Balisch woord op en voorzag dit van uitvoerige toelichtingen en verklaringen. Deze brief zond hij naar Batavia terug, geadresseerd aan de ‘Directeur van Volksmisleiding, Hiernamaalse zaken en Veepest'.
Men deelde hem mede, dat men van zulke 'aardigheden' niet gediend was, waarop Van der Tuuk antwoordde dat hij er volstrekt geen aardigheid mee bedoeld had. Hij kon immers niet spreken van 'Eredienst', omdat men nu eenmaal niet voor de Eer dient, maar voor de Heer. Maar 'Heredienst' kon hij toch ook niet zeggen, omdat het woord in .... Indië zo'n ongunstige betekenis had.
Op 17 augustus 1894 stierf Van der Tuuk in het Militair Hospitaal te Soerabaja aan de gevolgen van dysenterie en de slechte verzorging in Bali. De dokter die hem thuis op het laatst behandelde, vertelde dat hij een glas wilde afspoelen, om de toen al zeer verzwakte Van der Tuuk nog wat te drinken te geven, maar deze verzette zich ertegen en snauwde hem toe: ‘dat glas is nog nooit gewassen!'. Hij moest naar het schip gedragen worden. Al de ‘wissewasjes', die naar zijn eigen zeggen, de kern van zijn leven uitmaakten, moest hij in Bali achterlaten.

Nieuwenhuys – Tussen twee vaderlanden, 164-165

[Bogor – Buitenzorg]

Het belang van deze gesprekken tussen Duymaer van Twist en Douwes Dekker ten paleize, na de diners, moeten we niet onderschatten; ze zijn ongetwijfeld van beslissende invloed geweest op de latere overwegingen en handelingen van Dekker.
In intieme kring, onder vier ogen, kon Dekker als een gelijke met Van Twist spreken; in ieder geval als diens gast en niet als diens ondergeschikte.
Men ziet zelfs de beide heren, afgezonderd van de anderen met elkaar praten in het verlichte Buitenzorgse paleis met de glanzend-marmeren vloeren en daarbuiten de koele avond. Ze zullen onder het roken van een sigaar, als mannen onder elkaar over dienstzaken gesproken hebben en Douwes Dekker zal ongetwijfeld zijn uiterste best hebben gedaan om zich ‘bien vu' te maken. (de uitdrukking is van Dekker zelf). Ze zullen geconstateerd hebben hoe merkwaardig hun opvattingen overeenstemden. Er zullen natuurlijk beleidsprincipes ter sprake gekomen zijn en wat Duymaer van Twist eens in een brief over de Javaanse bevolking schreef, heeft hij in andere bewoordingen misschien ook tegenover Douwes Dekker uitgesproken: 'Het zijn mensen evenals wij; mensen met gelijke aanleg en bestemming als wij.' Dit moet bij Dekker onmiddellijk hebben aangeslagen. Misschien ook heeft Van Twist, sprekend tot Dekker, zijn mening kenbaar gemaakt, ‘dat het hoofddoel van het Nederlandse bestuur de ontwikkeling en beschaving van de bevolking was en niet in de eerste plaats het trekken van het meeste voordeel voor het moederland.' En het kan niet anders, of in die kleine samenleving, is ook gesproken over een cause célèbre van enige jaren tevoren: de zuivering in het Kendalse (Midden-Java) op last van Van Twist die de verbanning van de regent tot gevolg heeft gehad en de vervolging (en veroordeling) van de controleur. Ook kan Duymaer van Twist hem hebben laten blijken hoe hij over andere hun plicht verzakende ambtenaren dacht. Tijdens zijn ambtsperiode zijn om die reden verschillende Europese bestuursambtenaren ontslagen. F. C. Wilsen in zijn veelgelezen boek Lain doeloe, lain sekarang (1869) schrijft dat Duymaer van Twist 'met grove bijl erin hakte en iedereen wegjoeg die bedroog of slecht diende' (deel II, blz. 325). Misschien een andere keer of dezelfde keer, kan. Duymaer van Twist ook gezegd hebben wat hij eens aan Thorbecke schreef: 'Ik wens zozeer als iemand misbruiken te keren, met ernst, met kracht, met gestrengheid zelfs.'