Samengesteld en ingeleid door Olf Praamstra en Peter van Zonneveld 

Olivier in: Omstreden Paradijs, 70-73

[Jakarta 5 – Harmonie] 
[Jakarta 6 – Groote Huis] 

Johannes Olivier – Het leven van een oudgast – Batavia 1817-1825
Johannes Olivier (1789-1858) trad in 1817 in dienst van het Indische gouvernement, maar maakte zich door zijn opvliegende karakter en alcoholisme onmogelijk. In 1825 werd hij ontslagen. Terug in Nederland schreef hij verschillende boeken over zijn Indische ervaringen. In 1839 ging hij voor de tweede keer naar Indië, waar hij tot zijn dood als vertaler, onderwijzer en redacteur van de Javasche Courant werkzaam was. Een oudgast is iemand die lange tijd in Indië woont of gewoond heeft.

Een oudgast staat meestal vroeg op. Niet om bezigheden te verrichten, maar om de koele ochtendstond in te zuigen. Even voor zonsopgang komt hij in een kabaai en sarong uit zijn slaapkamer en gaat in de voorgalerij op en neer wandelen. Zijn morgengebed is gewoonlijk het temende geroep van ‘siapa ada’, in de uitspraak ‘sepada’ (Wie is daar?). Dan komt een slaaf of slavin tevoorschijn tot wie hij wederom op een slepende toon zegt: ‘minta koppie’ (Ik wil koffie). Zij brengt een kop koffie met een aangestoken pijp of aangestoken sigaar die ze haar heer in de mond steekt. Deze worden stilzwijgend genuttigd, terwijl de slavin op haar hurken zit en de wenken van haar heer gadeslaat.
Het naastvolgende commando is doorgaans ‘maoe mandi’ (Ik wil gaan baden). De slavin haalt zeep en een schone sarong en kabaai, en volgt haar heer in een bamboezen badhuisje aan de rivier. Hij werpt de kabaai af. Na zich omtrent een vierde van een uur gewassen en gebaad te hebben, trekt hij de schone sarong en kabaai aan, en bevindt zich nu, zoals men het in Indië noemt, recht ‘lekker’. Na het baden wordt een geruimen tijd doorgebracht met het stilzittend genot van de frisse ochtendlucht, onder een pijpje en nog een paar koppen koffie. Zitten is in Indië bijna liggen, want de benen moeten altijd horizontaal rusten, hetzij op een tweede armstoel, hetzij op de rand van een tafel. In dit postuur wacht hij geduldig tot hij eetlust bespeurt welke bij een gezond lichaam altijd door het baden bevorderd wordt.
Het ontbijt bestaat uit rijst, gebraden vis, koud vlees, kerrie, gebraden koteletten, eieren enz. met sambal, blatjang of trassie tot toespijs. Brood boter en kaas zijn mede op tafel voor degenen die aan een Hollands dejeuner de voorkeur geven. Wijn en bier worden ’s morgens zelden aangeboden, doorgaans drinkt men bij het ontbijt koffie en thee. Daar men al wat men in Indië verricht, zelfs de gewichtigste bezigheden, op zijn gemak doet, zal men zich niet verwonderen als met dit ontbijt een goed uur wordt doorgebracht.
Langzamerhand nadert de tijd waarop de ambtenaar zich naar zijn bureau moet begeven. Gevoelt hij hiertoe geen bijzonder sterke opwekking, zo laat hij door een jongen zeggen ‘Toena poenja badan trada sedap’ (Mijnheer voelt zich niet al te goed). Maar heeft zijn ontbijt hem wel gemaakt en voelt hij zich lekker, dan maakt hij zich gereed om zijn toilet te gaan maken en beveelt intussen: ‘pasang kareta’ (Span de wagen in). Het aankleden gaat schielijker dan men wel zou denken. Twee slavinnen trekken hun heer ieder een kous aan en helpen hem terwijl hij zijn sigaar nog uitrookt, met onderbroek, pantalon en laarzen. Aldus van onderen gekleed zijnde, staat hij op en laat zich hemd, das, bretels en vest aandoen. Een jongen geleid hem met een pajong boven het hoofd naar de wagen waarin hij half zittende, half liggende, met deftigheid tegen de koetsier zegt: ‘Djalan!’ (Rijden!). Een paar minuten daarna roept hij: ‘Djalan keras!’ (Hard rijden!), waarop de koetsier met slaan en klappen een verschrikkelijk geweld maakt.
Ambtenaren die pas beginnen en hun fortuin nog te maken hebben, nemen doorgaans hun toevlucht tot ijver en arbeidzaamheid. Zij komen vroegtijdig op het bureau, werken met lust en blijven tot laat aan hun schrijftafel. Dat voorname ambtenaren soms slechts een ogenblik op het bureau verschijnen om hun handtekening onder enige stukken te plaatsen en dan wederom ijlings vertrekken, is zo gewoon dat het nauwelijks vermelding verdient. Onder de ondergeschikte ambtenaren zijn diegenen de vlijtigste die de minste protectie genieten. Zij die door aanbeveling uit Europa zijn aangesteld, zijn de minst ijverigen, maar verreweg de meesten hebben pro forma een ontzaglijke drukte. Zij lopen met bundels papieren onophoudelijk heen en weer, uit de ene zaal in de andere, alsof zij met de gewichtigste zaken belast waren, en brengen de meeste tijd door met ijdel gesnap over fraaie paarden, bendies en barouche[t]s, jachtgeweren en jachthonden, en over dit of dat aardige meisje.
Ten drie uur of halfvier begeeft iedereen zich naar zijn woning en houdt het middagmaal. Ambtenaren van meer traktement begeven zich veel vroeger en altijd vóór twee uur naar huis. De eigenlijke oudgast echter houdt een geheel andere levenswijze. Hij vindt zijn voornaamste levensgenot in de kring van zijn huisgenoten. Zijn pijp roken, op een canapé sluimeren, zich door slavenmeiden laten knijpen, en wanneer hij behoefte gevoelt aan enige beweging, de wagen laten inspannen of een wandelingetje in zijn tuin doen. Hij eet doorgaans ten één ure. De tafel is gewoonlijk van inlandse zowel als van Europese gerechten rijkelijk voorzien. Men drinkt rode, rijnse en madeirawijn. De tafel wordt bediend door een tiental aardige slavinnetjes en alles is zodanig ingericht dat de maaltijd een der aangenaamste genietingen van de dag uitmaakt.
Na aldus een paar uren aan het middagmaal te hebben doorgebracht, doet men een paar toertjes in de tuin en begeeft zich ten drie ure naar bed. De oudgast heeft zijn ‘mossa’ (slavin) of ‘njai’ (concubine) altijd bij zich om hem bij het uitkleden behulpzaam te zijn, want men rekent het natuurlijk aangenamer zich bij dergelijke gelegenheden door een meisje dan door een slavenjongen te laten bedienen. Zij is daarbij gedienstig genoeg om ook in het bed te klimmen om met een doek de muskieten en desnoods met iets anders de slaap uit de ogen te verdrijven. Daarna laat zij voorzichtig de gordijnen vallen en met een ‘kipas’ (waaier) koelt zij de wangen des sluimerenden. Ten zes ure, tegen zonsondergang, staat men op, baadt en kleedt zich, en begeeft zich naar de theetafel. Men doet een klein toertje en brengt de avond met een partijtje whist of boston door. Sommige oudgasten zijn nog ware steunpilaren van de sociëteit De Harmonie en begeven zich derwaarts om ’s avonds hun partijtjes te maken.
Tegen tien uur ’s avonds wordt het souper opgedragen. Het onderscheidt zich weinig van het middagmaal; alleen wordt er geen soep en veel meer wijn genuttigd. Zodra de tafel afgenomen is, zit men in het zelfde postuur als na het diner, met de benen op tafel te roken en te drinken tot omtrent twaalf, soms één en ook wel eens tot twee uur, waarna men zich ter ruste begeeft en zich zolang door een zachte vrouwenhand laat ‘sapoe-sapoe’, ‘gosok-gosok’, ‘pidjit’, ‘tombok’, ‘tjoebit’, of ‘ramas’ (respectievelijk strelen, wrijven, masseren, stompen, knijpen en uitrekken en buigen der gewrichten) tot men in een aangename sluimering valt. De hieropvolgende tijdverkortingen laten zich vanzelf raden.

Djajadiningrat in: Omstreden Paradijs, 132-133

[Jakarta 4 – Europeese Lagere School] 

Achmad Djajadiningrat – Herinneringen – Batavia, 1891-1893
Pangeran Aria Achmad Djajadiningrat (1877-1943) kwam uit een Javaanse regentenfamilie in Bantam. Zijn oom en zijn vader zijn regent van Serang geweest, een functie die Djajadiningrat zelf ook zou vervullen, maar hij zou het nog verder brengen. Hij werd lid van de Volksraad en hoorde tot de eerste inheemse leden van de Raad van Indië Met de hulp van de Nederlandse controleur A.J.N. Engelenberg en de bekende arabist en islamoloog C. Snouck Hurgronje, ging hij in Batavia naar de Europese lagere en middelbare school. In 1899 slaagde hij voor het eindexamen van het gymnasium Willem III, de plaatselijke hbs (ook al suggereert de naam een ander schooltype).

Op zekere dag zei de heer Engelenberg tegen mij: 'Achmad, je moet morgen met mij mee naar Batavia.' Nadat wij hier wel tien scholen bezocht hadden, zei de heer Engelenberg: 'Je blijft nu te Batavia, je zult hier op school gaan om Hollands te leren. Doe steeds je best en schrijf je ouders en mij geregeld brieven. Morgen zal ik je naar de familie Kampschuur brengen, waar je in de kost komt.'
De volgende morgen bracht de heer Engelenberg mij naar dr. Snouck Hurgronje. Van hetgeen zij met elkaar bespraken, kon ik slechts dit begrijpen dat ik elke zondag bij dr. Snouck Hurgronje moest komen. Van dr. Snouck Hurgronje gingen wij naar de familie Kampschuur die op Motenvliet-Oost woonde. De heer Kampschuur was onderwijzer aan de vierde Europese Lagere School op Batoetoelis. Hij was een volbloed Hollander. Zijn echtgenote daarentegen was een Indische dame.
Nauwelijks was ik aan mevrouw Kampschuur overgegeven of ik onderging een gehele gedaanteverwisseling. Eerst moesten mijn lokken eraf, daarna kreeg ik afgedragen kleren van haar oudste zoon aan, die mij pasten. Toen de heer Kampschuur en zijn reeds schoolgaande kinderen thuiskwamen, leek ik niet meer op een Bantamse jongen, doch meer op een Ambonees of een lndo-Europeaan.
De heer Kampschuur had elf kinderen, waarvan vier zoons en zeven dochters, welke kinderen in leeftijd varieerden tussen twee en vijftien jaar. Ik ging niet dadelijk naar school. De heer Kampschuur vond het beter dat ik eerst in mijn doen en laten wat minder dorps zou zijn en wat beter Hollands zou spreken. Daarvoor moest ik veel met zijn kinderen spelen. Mevrouw Kampschuur nam mij, als zij 's ochtends bezoeken ging afleggen, geregeld mee.
Eindelijk zei mevrouw Kampschuur dat ik naar school zou gaan. Ik zou dan de school van de heer Kampschuur bezoeken. Hoewel ik nog niet voldoende Hollands kende, kwam ik toch dadelijk in de middelste klas der eerste afdeling te zitten. Misschien omdat ik vrij goed kon rekenen en veel van aardrijkskunde afwist, misschien omdat dat de klas van de heer Kampschuur was.
De eerste dagen liet men mij niet met rust. Van alle kanten werd ik uitgelachen en gehoond, wanneer ik een fout bij het spreken maakte. Ook mijn kleren vormden een mikpunt van spot. Intussen deed ik mijn uiterste best om [het] Hollands van de kinderen te leren spreken. Dankbare herinneringen dienaangaande heb ik aan de dochters van de heer Kampschuur. Het waren meisjes van elf, twaalf en dertien jaar, die mij spelenderwijs dagelijks conversatieles gaven in de Nederlandse taal.
Nadat ik vijf maanden bij de familie Kampschuur geweest was, vernam ik van de kinderen dat de familie met buitenlands verlof zou gaan. Na hun vertrek kwam ik door bemiddeling van de heer Engelenberg thuis bij de familie Meister, die naast de dierentuin woonde. Het was een echt Indische familie. Ik bleef de school op Batoetoelis bezoeken, maar na het vertrek van de familie Kampschuur maakte ik op school minder goede vorderingen. Daarom deed dr. Snouck Hurgronje moeite mij op een andere school te krijgen. Nu was de school van de heer Kruseman, de zesde Europese Lagere School op Kebon Sirih, de beste van die soort in zijn tijd.
Ik ging naar die school over. Niet zonder tegenzin nam de heer Kruseman mij als leerling aan. Hij vreesde namelijk dat wanneer een inlander op zijn school kwam, het gehalte van zijn leerlingen langzamerhand zou dalen, omdat de gegoede ouders zich er door zouden kunnen laten afschrikken. De heer Kruseman wilde daarom niet dat het ruchtbaar werd dat er zich onder zijn leerlingen een inlander bevond. De eerste dag dat ik bij hem op school kwam, zei hij dan ook: ‘Voortaan heet je niet meer Achmad, maar Willem van Bantam’.

Ido in: Omstreden Paradijs, 135-138

[Jakarta 6 – Van de Wall] 

Victor Ido – Een geestverschijning – Batavia 1893
De journalist en schrijver Victor Ido – pseudoniem van Hans van de Wall (1869-1948) – was een Indo-Europeaan die in Nederland een Europese opvoeding had gehad. Toen hij op zijn eenentwintigste in Indië terugkeerde, wilde hij aanvankelijk niets weten van geestverschijningen en stille kracht, totdat hij getuige was van een voorval dat hem er voorgoed van overtuigde dat er meer was tussen hemel en aarde dan een mens zich, zelfs in zijn dromen niet, kon voorstellen.

In 1893 stond te Batavia op Tanah Abang een Stamboeltent – bioscopen waren er nog niet – waar op een avond gedurende de voorstelling een moord was gepleegd op een jonge, rijke Chinees door een jongeman van ongeveer tweeëntwintig jaar. Het was de destijds zeer gevreesde schout Hinne, die de misdadiger aan de Justitie overleverde.
De moordenaar werd veroordeeld tot de doodstraf door ophanging, en de executie had plaats op het terras van het stadhuis in de benedenstad. Heel Batavia was er vol van, en nog zie ik de eindeloze stroom van mensen gaan langs beide zijden van Molenvliet naar de Kota. Immers, het was zo’n uiterst zeldzame gebeurtenis een niet-inlander aan de galg te zien bengelen. En Tol – ik zal de ongelukkige veroordeelde zo maar noemen, al luidde zijn familienaam anders – was in de Stamboelkringen een bekend type.
Het geval als tableau de moeurs had op mij, die zoiets nooit van nabij had vernomen, diepe indruk gemaakt, vooral om de door mijzelf uit het gehele rechtsgeding getrokken conclusie, dat de jeugdige delinquent het slachtoffer moest zijn geweest van een totaal verwaarloosde opvoeding en gebrek aan onderwijs. Mijn medelijden met Tol was onbegrensd, en zijn treurig lot had zich voor altijd in mijn gedachtenis geprent.
Enige dagen na de voltrekking van het doodvonnis had ik een eenvoudig bamboefluitje, een zogenaamde soeling, gekocht, met de bedoeling dit karakteristiek Javaans muziekinstrumentje eens naar Holland, aan een vriend, op te zenden als curiositeit.
Ik borg het ding in een der onderkastjes van mijn schrijftafel op, achter slot, en was het gauw alweer vergeten, toen ik op een avond – het was heldere maneschijn – terwijl ik met een huisgenoot en een logee in de voorgalerij zonder lamplicht zat ‘klimaat te schieten’, zoals men dat vroeger noemde, opeens muziek hoorde.
Wij herkenden het alle drie dadelijk als fluitmuziek, maar de melodie klonk zó liefelijk, zó weemoedig, zo ontroerend mooi, als kwam zij niet uit onze naaste omgeving maar uit andere, rustiger sferen. Ik stond op, liep naar de poort van het huis, om vandaar de omtrek met mijn oor beter te kunnen verkennen.
Mijn huisgenoot daarentegen begaf zich naar binnen, naar de bijgebouwen, misschien dat een der bedienden, geïnspireerd door de prachtige maannacht, naar een fluit had gegrepen, om zijn gemoed te luchten ...
Nergens konden wij de oorsprong van het melodieus geluid vinden. Wij zochten in alle richtingen, terwijl de fluit steeds zacht voort klonk. Nergens ... en toch, toen mijn huisgenoot en ik bij het doorzoeken van het huis elkaar weer in de kamer ontmoetten, waar mijn schrijftafel stond, waren wij plots als versteend.
Wij luisterden met de diepste aandacht, ongelovig, en ons gehoor werd met magnetische kracht geleid naar het onderkastje van de schrijftafel ...
Het kon geen vergissing zijn, het geluid der fluit kwam van daaronder.
Wij rilden van het hoofde tot de voeten en waren op dat moment sprakeloos.
Nu wij de plaats, vanwaar de muziek klonk, ontdekt hadden, werd het stil.
‘Het Javaanse fluitje’ riep ik eindelijk uit, mij de soeling herinnerend.
‘Maar hoe, in godsnaam ...?’
Zonder de oplossing van het mysterie af te wachten liepen we snel naar onze logee toe, die nog steeds in het schemerdonker zat.
Toen wij aan weerszijden van haar hadden plaatsgenomen om haar onze bevinding te vertellen, zagen wij dat haar ogen gesloten waren als in een diepe slaap. Langzaam opende zij haar mond en duidelijk hoorden wij haar met een vreemde stem zeggen; ‘Niet bang zijn. Ik ben Tol, meneer. U weet wel, die opgehangen is. Ik had die Chinees niet willen vermoorden, maar bij de worsteling kwam mijn mes juist in zijn hart terecht. Deze vrouw, door wie ik spreek, is een groot trancemedium, meneer. Door haar sterke macht ik word aangetrokken. Toen ik zag ook het fluitje. Vroeger, in mijn leven, ik kon mooi daarop spelen, meneer ... Nu, meneer, misschien later ik kom terug als u mij toestaat, ’t is zo vreemd, dat ik niet dood ben ...’
De indruk van deze manifestatie was in één woord verbijsterend.
De volgende dag zou een van ons jarig zijn. Wij zouden het feestje in een intieme kring vieren.
Reeds om halfzeven waren de acht genodigden, die ook zouden blijven eten, aanwezig. De gaslampen konden niet op de gewone tijd ontstoken worden, want de huisjongen was ziek. Het gezelschap zat daardoor in het halfdonker, en natuurlijk werd het geval met de fluit van de vorige avond druk besproken. Er waren ongelovigen en gelovigen. De eersten verklaarden alles door hallucinaties, de laatsten spraken van onbekende natuurwetten, stille kracht, en van geesten.
Het was intussen bijna geheel donker geworden.
De logee voegde zich bij het gezelschap, hoorde even het levendige gesprek aan, en zei toen ’n beetje ongeduldig: ‘Ach, jullie met je geesten. Als er hier een geest is, laat hij dan de lampen aansteken, we hebben geen huisjongen ...’
Haar mond had zich na het laatste woord nog niet gesloten of floep! het ganse huis was met een toverslag verlicht, alle gaslampen branden.
Iedereen was met stomheid geslagen.
Toen de bezoekers over hun eerste verbazing heen waren, haastte ik mij pen en papier te halen en verzocht hun om het door allen beleefde evenement schriftelijk te willen getuigen, waaraan zij voldeden op één na. Deze vertrouwde zichzelf niet, zei hij. Waarschijnlijk was het, naar zijn mening, verbeelding geweest.
Wij raakten over de zonderlinge gebeurtenissen niet uitgepraat, en vóór wij ons er goed van bewust werden, was de tijd verstreken.
De gastvrouw noodde ons aan tafel. Het diner glom en blonk, en het zag er smakelijk en gezellig uit. Midden op tafel prijkte een grote schaal met hard gekookte, gepelde eieren voor de asperges.
Wij waren gezeten en enkele gasten probeerden het gesprek op iets anders te brengen dan het onderwerp tot nog toe met zo veel vuur en strijd behandeld. Maar het wilde niet lukken. Telkens kwam men onwillekeurig op de geschiedenis met het fluitje en van de gaslampen terug.
De ongelovige had het hoogste woord.
Opeens gilde een der aanzittende dames ’t uit, angstig met uitgestrekte arm naar het midden van de tafel wijzend: ‘Kijk, kijk dáár dáár ...’
Ten aanschouwe van het hele gezelschap schoven de eieren één voor één uit de schaal en wandelden gedurende een minuut in het rond.
Een diepe stilte hing over de tafel.
De ongelovige werd doodsbleek ...

Van der Heijden in: Omstreden Paradijs, 168-169

[Jakarta 5 – Maison Versteeg] 

J. van der Heijden – Batavia bij nacht – Batavia, omstreeks 1920
Van der Heijden was een avonturier die de hele wereld bereisde. Hij bracht zes jaar door in Batavia, Bandoeng en andere steden. Na zijn terugkeer verwerkte hij zijn indrukken van het nachtleven in Batavia in een realistische roman. Het Molenvliet is de lange doorgaande weg die het oude Batavia – de benedenstad – verbond met het nieuwe centrum – Weltevreden; Noordwijk is de belangrijkste winkelstraat.

In de wazige lichtstralen der weinige lantaarns, die Noordwijk en Molenvliet, de slagaders van Batavia, slechts spaarzaam verlichtten, gonsden duizenden en duizenden insecten. De straat die overdag wemelt van auto's, sado's en allerhande andere voertuigen, lag thans nagenoeg verlaten, daar de kantoren, die alle in de zogenaamde benedenstad zijn gelegen, vanaf vijf uur 's namiddags zijn gesloten. Alleen enkele late boemelaars waren te zien onder de bomen langs de kali-kant en wandelden langzaam verder.
Enkele sado's, waarin de silhouetten zichtbaar waren van jonge inlandse vrouwen, reden langzaam met het klingelend geluid van de belletjes aan de kop van de kleine paardjes langs de weinige wandelaars, bij voorkeur als een van hen juist langs het licht van een lantaarn liep.
‘Dag sir, ga je mee?' klinkt het bijna fluisterend vanuit een sado.
‘Zo schat, hé, stop eens even!' is het wederantwoord. De sado staat ogenblikkelijk stil, de wandelaar buigt zich naar voren onder de kap van het vehikel en dan ontspint zich een fluisterend gesprek, afgebroken door zachte uitroepjes en gegiechel.
De aspirant-minnaar – voor een uurtje – die vleiend en in zinnelijk begeren met de handen haar benen betast, tracht haar over te halen zijn voorwaarden aan te nemen.
‘Doea roepia (Twee gulden), ja?'
Tida! Tidamaoe!' klinkt het quasi verontwaardigd terug.
Berapa dan, toetje!' doet de scharrelaar zich horen. Nog enig gefluister en de zaak is beklonken. De heer stapt in en slaat dadelijk zijn arm om het sjofel geklede meisje heen.
Pigi hotel!' snauwt hij tegen de koetsier. De man die zijn taak uitstekend verstaat, kijkt met een stalen gezicht voor zich en als enig antwoord legt hij de zweep over 't vurig paardje, dat daarop als een pij] uit de boog, onder rinkelend geluid van de sado-bel vooruitvliegt.
Dit is Noordwijk en Molenvliet bij nacht. Overdag zijn deze wegen de belangrijkste en deftigste verkeerswegen van Weltevreden. Bankgebouwen, grote kantoren, toko's en restaurants verheffen zich aan de kant van de weg en een onafgebroken stroom van voertuigen rept zich daarlangs heen en weer, op weg naar de Kota (de benedenstad) of vandaar terugkomend.
's Avonds na acht uur echter, wanneer ook 't gedistingeerd restaurant Rikkers en Versteeg is gesloten, verandert dit alles als bij toverslag en is het vanaf dat uur een der meest beruchte buurten der stad. Geen fatsoenlijke vrouw kan zich daar dan nog, zelfs niet onder geleide, vertonen, wil zij niet in opspraak komen, en de heren die men er dan nog vindt, zijn meestal boemelaars en losbollen, die op zoek zijn naar een ‘hippie' of een of ander avontuurtje willen beleven, want daarvoor bestaat hier kans te over. 'Hippies' zijn er bij hele troepjes; inlandse vrouwen, meestal gekleed in een aller-bespottelijkst kort jurkje, dat 'Europees' moet verbeelden; ze rijden in troepjes van vijf of zes, ieder apart in een sado gezeten, af en aan, en avontuurtjes kan men meer dan genoeg met hen ondervinden, zelfs met een zeer gevaarlijk tintje eraan, daar deze 'dametjes' bijna allen voorzien zijn van een inlandse en sommige zelfs van een Europese ‘beschermer', de zogenaamde souteneur, die de onvoorzichtige die het waagt ruw of onbeschoft tegen hen te zijn, maar al te graag een duchtig pak ransel toedient, om daarna even snel als hij gekomen is, weer met de stille trom de aftocht te blazen voordat er een politieagent bij de hand kan zijn. Gelukkig gebeuren dergelijke gevalletjes maar zelden op de openbare weg, omdat deze heertjes liever hun kans afwachten als hun slachtoffer zich in een donker kampongsteegje bevindt.