Samensteller Joop van den Berg, Uitgeverij BZZTOH, ’s-Gravenhage 1993

Lubis – Weg zonder eind in: Bersiap, 49-54

[Jakarta 10 – Grand] 

Mogtar Lubis – Weg zonder eind (fragment), Wereldbibliotheek n.v. 1969, vertaling door C.H. Schaap

Ze zouden gelijktijdig hun handgranaten weggooien en dan vluchten. Ze zouden die handgranaten te midden van de Nederlandse soldaten gooien, die dicht op elkaar uit de bioscoop kwamen.
Hij herinnerde zich nog hoe Hazil op een middag bij hen in huis was gekomen. Was het gisteren geweest of eergisteren? Of drie dagen geleden? Of een week geleden? Een maand? Een jaar? Tien jaar? Isah kon het zich niet meer herinneren en hij kon het ook niet natekenen, zover lagen de dagen die geen verband hadden met de handgranaten in de broekzakken, van hem af. Voor hem, die nu hier in het restaurant zat te wachten tot de bioscoop zou uitgaan.
Hij had het gevoel dat het die middag een ander was geweest die de deur voor Hazil had opengedaan. Iemand die in een andere wereld leefde. Niet hij. Hij zou niet zo krankzinnig zijn een handgranaat bij zich te hebben met de bedoeling die te midden van de menigte te gooien als de bioscoop uitging. ‘Ik ben geen vechter,’ had hij die middag tegen Hazil gefluisterd, toen deze hem het plan van het hoofdkwartier buiten de stad had uiteengezet. Er was altijd een hoofdkwartier buiten de stad. Altijd kwamen er bevelen van buiten de stad. ‘Het enthousiasme van de bevolking van Jakarta begint te minderen, zij twijfelt eraan of de vrijheidsstrijd wel zal slagen,’ aldus was de brief begonnen, een brief die hij niet gelezen en niet gezien had. Alleen Hazil had hem verteld dat die brief er was en dat hun groep opdracht had ondergrondse acties tegen de Nederlanders te beginnen. Ze moesten de bevolking bewijzen dat de vrijheidsstrijd overal doorging. Ze moesten aan de buitenwereld bewijzen dat ook in Jakarta, dat voor honderd procent door de Nederlandse militairen beheerst werd, de Republikeinse strijders de vijand konden aanvallen.
‘Ik ben geen vechter,’ had hij opnieuw gefluisterd en Hazil die hem aankeek, had eenvoudig geantwoord:
‘Ik ook niet. Ik ben een componist.’
Dat antwoord had het nog moeilijker voor hem gemaakt iets te zeggen, om tegenwerpingen of bezwaren te maken. Hij zag niet in dat het zin had handgranaten te gooien. Het zou een vergeefse onderneming zijn. Als Hazil boos op hem geweest was en tegen hem geschreeuwd had, had hij misschien koppig durven zijn, had hij hem durven weerstreven en weigeren.
Hij had het gevoel dat hij in een krankzinnige wereld leefde. Of was híj krankzinnig? Hij kon het niet meer onderscheiden. Of hij of de wereld was gek. Of Hazil was gek. Of het plan was gek. Of het hoofdkwartier buiten de stad was gek. Het was of hij in een pikdonker, ondoordringbaar bos was, waar hem overal de weg versperd werd, tot een mens gedwongen was zich over te geven en zich vast te klampen aan datgene waaraan hij zich het gemakkelijkste kon vastklampen. Hazil had hem daarna gezegd dat Rachmat en hij de handgranaten zouden gooien en dat Isah alleen mee moest om te kijken of ze succes hadden, of ze gevangen genomen werden of ter [plaatse neergeschoten, om vervolgens rapport uit te brengen over hun resultaat als ze niet slaagden en ter plaatse gepakt werden. Als ze slaagden, zou Isah meteen naar huis gaan en wachten tot een van hen bij hem kwam. Als Isah over twee dagen nog niets van hen gehoord had, betekende dat dat ze gevangen genomen waren en zou hij dat melden aan het hoofdkwartier in Krawang.
Daarna kon Isah niet meer weigeren. Naast zijn angst ontstond een zekere verlegenheid en beschaamdheid tegenover hazil en Rachmat. Zij zouden het gevaarlijkste werk doen, terwijl hij alleen opdracht kreeg te kijken. Hij zei dat hij mee zou gaan en Hazil schudde hem de hand en deed alsof Isah erin had toegestemd zijn leven te offeren voor een belangrijk doel. Hazil had verder gezegd: ‘Als je eens goed nadenkt, wat doen wij dan eigenlijk? Wij lopen heen en weer, eten en slapen, en zeggen dat wij geheime ondergrondse strijders zijn. Maar we verbergen ons vol angst als de kampong doorzocht wordt. Ons hart klopt als we de Nederlandse militaire politie zien. We zeggen alleen maar dat we vechten. Maar wat doen we? Isah had niet geantwoord. Wat had hij kunnen zeggen? Gelukkig waren er maar twee nachten geweest tussen de keer dat Hazil bij hem geweest was en nu. Die nachten waren echter weer vol afschuwelijke spookbeelden geweest. Ze hadden hem overspoeld als de enorme golven van een stormachtige zee, hadden hem meegesleurd en verstikt, zodat hij telkens hijgend en overdekt van zweet wakker was geschrokken.
De volgende ochtend had hij steeds een zure smaak in zijn mond gehad. Erger dan anders. Hij had zich zwak gevoeld en de neiging gehad over te geven.
Ze hadden Fatimah niet verteld waar ze die avond heengingen. Hazil had dat voorgesteld. Ook Isah had een onzeker gevoel jegens Fatimah. De afgrond tussen hen was nu zo groot geworden, dat hij vaak als hij uit zijn afschuwelijke dromen wakker schrok en haar knap en gezond naast zich zag liggen slapen, het gevoel had dat hij naast een vreemde vrouw sliep. Een vrouw die hij niet kende. Hij wist dat hij met zijn eenzaamheid niet naar Fatimah kon gaan. Niet met zijn angst. Niet met zijn afschuw, met zijn hartzeer. Niet met zijn vreugde, met de vreugde die hij nog maar zelden voelde, net als de mens die uit het bos komt, en de bomen geleidelijk ziet verminderen, maar in de plaats daarvan in een harde droge woestijn komt.
Een vrouw passeerde op straat en liep vlak langs hun tafeltje aan de rand van het restaurant. Isah zag dat de vrouw naar hen keek. Vervolgens glimlachte ze. Ze wekte geen gevoelens bij hem op. Hij bemerkte zonder het te begrijpen, hoe Rachmat Hazil aanstootte en zei:
‘Die mag er zijn, Hazil. Kijk eens hoe ze met haar achterste wiebelt.’
‘Ach jij bent gek.’ Zei Hazil. ‘Als het maar een vrouw is, kwijl je al.’
Rachmat lachte, maar hield snel op met lachen en staarde naar de bodem van zijn glas. Het lamplicht speelde op de bodem van het glas en het restje bier erin met een beertje schuim herinnerde Rachmat aan iets. Het schuim op de mond van een guerrillajongen die dicht bij de Klender was neergeschoten. Het schuim had zich toen met rood bloed vermengd.
Rachmat schudde het hoofd.
‘Nu,’ zei Hazil en Rachmat en Isah schrokken op uit hun gedachten.
De bioscoop begon uit te gaan.
Ze stonden met z’n drieën op. Elk van hen wist wat hij doen moest. Hazil ging betalen wat ze gedronken hadden en verdween vervolgens in de menigte. Rachmat ging ook weg en bleef onder het afdak van een kleine kiosk staan. Isah stond voor het restaurant. Hij wachtte. Zijn opdracht luidde te wachten tot hij de handgranaten hoorde ontploffen en vervolgens te kijken of er met Hazil of Rachmet iets gebeurd was. Daarna moest hij zo vlug mogelijk naar huis gaan.
Terwijl hij daar aan de kant van de weg bij het restaurant stond te wachten, leek de tijd voor Isah ontzettend langzaam te verlopen. Voor de bioscoop verdrongen de mensen die naar huis wilden gaan zich als water uit een kanaal dat plotseling geopend is. Het gebel van de betja’s en het geroep van de betjavoerders die passagiers zochten, vermengden zich met het geluid van de claxons van auto’s waarvan de bestuurders geen geduld hadden. Een tram van lijn 1 naderde en stopte. De mensen verdrongen zich om als eerste in te stappen.
Nu, dacht Isah. Nu, nu, nu. Maar er kwam nog steeds geen ontploffing. Er kwam nu ook een ander gevoel bij hem op. Een gevoel van superioriteit, over de menigte, die zich als vee voor de bioscoop verdrong. Hij wist wat er zo dadelijk zou gebeuren. Zij niet. Dat gevoel vermengde zich met zijn angst, zodat hij een licht gevoel in zijn hoofd kreeg als een ballon die wil opstijgen.
Toen de eerste ontploffing plaatsvond, realiseerde Isah zich dat niet. Het geluid kwam volkomen onverwacht voor hem, hoewel hij er de hele tijd op gewacht had. Pas toen de tweede granaat ontplofte, begreep Isah dat Rachmat en Hazil hun taak vervuld hadden. Nu was het zijn beurt, maar hij wist niet wat hij moest doen. De twee ontploffingen snel na elkaar hadden hem volkomen in de war gebracht. Alsof een enorme onzichtbare waaier de mensen voor de bioscoop en op het hele Senen plein wegvaagde. De mensen gilden en kermden en vluchtten overal heen. Sommige soldaten schoten. Andere soldaten schoten. Het geluid van het schieten met geweren en stenguns vermengde zich met het gillen en krijsen van de menigte.
Het duurde maar even voor het voor de bioscoop en op het Senenplein stil werd. Een paar betja’s waren achtergebleven, een omgeworpen blik met pinda’s die overal verspreid lagen, de tafel en de lege pan van een pisanggorengverkoper, het nog brandende vuur in een anglo. De winkels werden gehaast gesloten en de lampen gedoofd.
Ook het geluid van het schieten verdween. De stilte op het Senenplein werd even later verstoord door de sirenes van de jeeps van de Nederlandse militaire politie en van twee vrachtauto’s vol soldaten van de militaire politie. Hun witte helmen lichtten als doodshoofden op in het duister van de nacht.
Ze omsingelden snel en systematisch het Senenplein en begonnen de zaak te onderzoeken. Twee soldaten die voor de bioscoop op de grond uitgestrekt lagen, werden meteen naar een ambulance gebracht. Andere mensen die kermden omdat ze gewond waren, werden verzameld en ter plaatse verbonden. Enkele mannen van de militaire politie zochten met zaklantaarns naar stukken van de ontplofte handgranaten.
Isah was in paniek geraakt toen de tweede handgranaat ontplofte. Hij dacht er niet meer aan dat hij moest wachten om te zien wat er gebeurde, maar vluchtte in het wilde weg mee met de massa. Hij hield in, toen hij buiten adem raakte, wankelde, en had een gevoel alsof zijn borst zou barsten. De stroom vluchtende mensen was uitgedund. Hij kwam tot stilstand bij het hek van een afscheiding in een kleine straat. Hij was vreselijk bang.
Toen hij daar een paar minuten had staan leunen ging de deur van het huis open en keek een man naar buiten. Isah wilde hem toestemming vragen zich in zijn huis te verbergen. Toen de man hem zag, deed hij de deur snel weer dicht.
Toen de deur gesloten werd, nam de angst van Isah nog toe. Nu besefte hij pas goed wat er gebeurd was. Wat Rachmat en Hazil gedaan hadden. En zijn verbindingen met hen. De angst van de man die de deur snel dicht had gedaan, vergrootte zijn eigen angst. ‘Ik moet naar huis,’ fluisterde hij in zichzelf, terwijl hij het beven van zijn hart probeerde te beheersen, dat scherp pijn deed in zijn borst. Zijn hart begon echter erger te kloppen. ’Ik moet naar huis, ik moet terug naar huis, vlug, vlug,’ fluisterde hij
Hij liep weg, maar hield aan het einde van het pad in. Kwitang was leeg, stil en duister. Vanaf het punt waar hij stond, kon hij de trucks en jeeps van de Nederlandse militaire politie zien, die dicht bij de tramhalte van lijn 1 stonden.
Hij verliet het pad en liep snel in de richting van Kebon Sirih Prapatan. Isah had nog maar een paar passen gedaan, toen hij plotseling het geluid van een jeep hoorde die van achter hem snel naderde. Vlug sprong hij achter een boom en toen het licht van de lampen de plaats bereikte waar hij even tevoren geweest was, was Isah er niet meer. Hij leunde tegen de boom, opnieuw hijgend en zijn hart bonkend.
De jeep reed door, passeerde de brug en verdween vervolgens om de bocht van Kebon Sirih Prapatan. Isah liep verder. Hij liep snel en zijn hart klopte fel. Zijn angst was ten top gestegen nu hij daar alleen langs de eenzame, verlaten en duistere weg liep. Hij had het gevoel alsof hij spiernaakt was bij helder daglicht, gadegeslagen door zijn schoolkinderen, op weg naar de galg.