Alberts – Namen noemen, 22-23

[Semarang 3 – Boot] 

Twee dagen later was de Johan van Oldenbarnevelt nog in de haven van Tandjong Priok. Het schip lag leeg en hoog aan de kade. Passagiers, ho maar. Het waren er om precies te zijn zeven. Twee tweede luitenants met hun vrouwen, nog een echtpaar en nog een meneer alleen. De rest van mijn medepassagiers hadden, voor zover ze ook naar Semarang of Soerabaja moesten, de voorkeur gegeven aan de luchtgekoelde vlugge treinreis boven de twee dagen durende warme kustreis, waarop het Indische gouvernement zijn minder kapitaalkrachtige ambtenaren onthaalde. Maar het schip was leeg en dat bleek eigenlijk wel een plezierige verandering na vijf weken uitverkochte hutten en dekken. De militaire afdeling zat ’s avonds in de eetzaal vier man sterk aan één tafeltje. Het overblijvende echtpaar deed desgelijks en de man alleen zat alleen met een gezicht alsof hij dat wel zo wilde. Ik ook wel. Ik had trouwens andere zorgen aan mijn hoofd dan een conversatie op niks af. Ik wilde namelijk eindelijk eens mijn uniform proberen. Het uniform van een ambtenaar bij het Binnenlands Bestuur was weliswaar niet indrukwekkend, maar toch ook niet zonder waardigheid. Het was uiteraard wit met een paar witte, huzaarachtige krullen op de mouwen en de witte epauletten waren versierd met een gouden lauwertakje en één balkje voor de controleurs, twee voor de assistenten-resident, drie voor de residenten en vier voor de gouverneurs. Ik heb het mijne de volgende dag, liggende op de reede voor Semarang, aangetrokken, maar toen waren alleen nog maar de twee luitenants met hun vrouwen aan boord en die waren alzo aan hun eigen pak gewend, dat ze aan het mijne geen aandacht schonken.

Alberts – Namen noemen, 23-24

[Surabaya 2 – Simpanghotel] 

De volgende dag voeren we in de ochtenduren de haven van Soerabaja binnen. Al is een schip nog zo leeg, er zijn altijd wel afhalers. Daar stond waarachtig Karel aan de kade, het schoolvriendje, met wie ik, in gezelschap van zijn ouders een jaar of twintig tevoren bijna door de vloer van de Amsterdamse taxi was gezakt. Hij was een man geworden van weinig woorden maar van grote daden. Al mijn vertogen over een zo snel mogelijk melden bij de gouverneur van Oost-Java wuifde hij weg. Hij zei: Ambtenaren hebben geen haast. Ik zal je de stad laten zien. Hij liet mijn bagage achteloos in een loods achter en verzekerde mij, dat alles over enige dagen in goede orde op mijn standplaats zou arriveren. Ik zei, dat ik mijn standplaats nog niet wist en hij zei: Als jij er achter kan komen kunnen zij er ook wel achter komen. Wie met die zij werden bedoeld was me niet duidelijk, maar ik dacht: Ik zal maar niet meer vragen.
Wel, we namen een taxi en we reden de stad in. De taxi’s in Soerabaja waren in die dagen open vierpersoons auto’s. We gingen op de achterbank zitten en de zaak begon te rijden. Karel gaf de chauffeur instructies op een zo korte en efficiënte manier als ik nadien niet vaak meer heb meegemaakt. Hij zei niet: Rij eerst naar de Rode Brug, ga vervolgens door de Arabische Kamp, enzovoort, enzovoort. Hij zei alleen maar op het juiste ogenblik: Kiri (links) of kanan (rechts). En tegen mij zei hij op het juiste ogenblik: De Rode Brug of: De Arabische Kamp. Zo reden we een uur lang kiri kanan kris kras door Soerabaja, door de lanen van Soerabaja, waar ik met uitzondering van die in de Arabische wijk, geen straten in kon zien. Tenslotte stapten we uit bij Hotel Simpang.
Om twee uur hadden we de rijsttafel achter de knopen en toen zei Karel: Je hoeft niet meer naar de gouverneur te gaan, want die zal het niet prettig vinden als je hem in de middag komt storen. Zo, dat was dan dat, maar ik begreep, dat ik me maar niet meer ongerust moest maken. Het moest dan maar de volgende ochtend worden.

Alberts – Namen noemen, 24-26

[Surabaya – Kantoor van de Gouverneur] 

De volgende ochtend wandelde ik het gouvernementskantoor binnen en ik wendde mij tot de hoofdmandoer, die mij bracht bij de afdeling Personeelszaken, die mij doorstuurde naar de resident ter beschikking, die mij vriendelijk in overweging gaf mij te doen aandienen bij de gouverneur. En even later zaten we tegenover elkaar: de gouverneur van het gewest en zijn jongste ambtenaar met nul dienstjaren, die door hem op een standplaats zou worden gesteld. Die standplaats, zo gaf hij me in het begin van ons gesprek te kennen, zou Soemenep zijn. Ik zei: O juist, Soemenep en ik dacht even na, maar mijn aardrijkskundig geheugen werkte niet mee: Ik dacht: Soemenep, Soemenep en ik wilde juist vragen: Soemenep? Maar ik kreeg de kans niet.
De gouverneur van Oost-Java, de heer Van der Plas, was een hoogst merkwaardige man. Hij was mager, hij droeg een baard en hij was een van de kwikzilverachtigste figuren, die het Indië van die dagen mocht bezitten.
Hij zat niet achter zijn bureau, maar in een van de twee fauteuils aan een klein rond tafeltje en ik mocht me in de andere fauteuil verbergen. Hij bleef op zijn plaats, maar het leek alsof hij de kamer rondsprong tijdens ons gesprek. Gesprek? Hij was alleen aan het woord, wat in dit geval niet zo’n bijzonder moeilijke opgave moet zijn geweest. Hij zei: Soemenep. Hij liet de naam van zijn lippen vallen als de klank van een gamelaninstrument, dat ik nog niet kende. Hij zei: Een heerlijk volk, die Madoerezen. Een prachtig volk. Ik dacht: Verdomme, dat is war ook, het ligt op Madoera. Hij zei: En de Oosterling? Er is geen loslippiger man dan de Oosterling. Hij vertelt u alles. Hij vertelt u zijn hele, zijn intiemste hebben en houden. Ze hebben er in Europa geen begrip van. Ze spreken daar over een mysterieuze ziel. Maar de Oosterling is de grootste kletsmeier, die er bestaat. U heeft twee jaar in Parijs gewerkt. U heeft daar natuurlijk Bousquet ontmoet.
Hij sprak de naam zo plotseling uit, dat het leek, alsof hij een musket afvuurde. Ik werd door het schot uit mijn verdoving gewekt en ik zei: Ja. Het was niet waar, maar wat had ik anders moeten zeggen? Ze hadden me indertijd een boekje gegeven, geschreven door professor Bousquet, een beschouwing over de Nederlandse koloniale politiek *], maar omdat ik meende toch wel met die politiek te maken te krijgen, had ik het werk onopengesneden gelaten. De gouverneur was ondertussen al uitgebarsten in een panégyrique terzake van de heer Bousqquet en terwijl ik nog naar dit verbijsterende verhaal zat te luisteren, zag ik, dat hij opstond. Ik stond ook op. Hij bracht me naar de deur van zijn kamer en hij zei toen heel menselijk en heel charmant: Het zal u wel meevallen. En toen stond ik op de gang
De gouverneur Van der Plas, naderhand Raad van Indië, zal in dit verhaal nog meer ter sprake komen. Hij was van een even bekwame als hardnekkige aanwezigheid, maar hij is tenslotte toch weggegaan. They just fade away. Het ging in zijn geval bijzonder langzaam en, zoals men naderhand zal zien, met waardigheid. Overigens zal men zich kunnen voorstellen, dat ik blij was weer buiten te zijn.
[*] zie Du Perron – Verzameld Werk VII, 412, 433-434]

Alberts – Namen noemen, 125-126

[Surabaya – Kantoor van de Gouverneur] 

Het duurde namelijk niet lang, of de haven van Soerabaja werd ijverig gebombardeerd door Japanse vliegtuigeskaders, waarvan het grootste volgens mijn waarnemingen uit zevenentwintig vliegtuigen moet hebben bestaan. Zevenentwintig vliegtuigen, hoog in de heldere lucht, zoals die in de middag van het einde der natte moesson boven onze hoofden spande, was een fascinerend, maar ook een afschuwelijk gezicht. De Japanners gooiden het grootste deel van hun bommen uit op de haveninstallaties aan de overwal en toen we er wat aan gewend waren, konden we aan de zuidkust van Madoera, bij Kamal, gaan staan kijken hoe aan de overkant van straat Madoera de vliegers hun doelen misten en raakten. Het was een tijd, waarin men, zonder uitzicht te willen hebben, van de eene dag in de andere leefde.
Maar dit uitzicht kwam toch. Toen ik op een dag naar Soerabaja moest om vijfentachtigduizend gulden te halen voor het uitbetalen van schadevergoedingen aan eigenaars van prauwen, hoorde ik bij het passeren van het Marine-etablissement, dat de vloot in de Javazee was verslagen en getorpedeerd en dat de Japanse landing ieder ogenblik kon worden verwacht. Ik reed naar het gouvernementskantoor en kreeg daar in pakjes tienduizend rijksdaalders uitgeteld. Het was een koffer vol en met die koffer reed ik nogal bedrukt terug naar de Oedjong om mij weer met de veerboot van de Madoera-Stoomtram naar mijn eiland te laten overzetten. Ik moest weer langs het Marine-etablissement en daar was het vernietigen van voorraden al in volle gang. Ik ging aan boord van de pont en vanaf het bovendek zag ik al de eerste rookpluimen de lucht in dwarrelen. Toen ik in Kamal aan land stapte had ik het bedriegelijke gevoel van op mijn eiland niets meer met die bende te maken te hoeven hebben. Even later kwam de kapitein van de veerboot mij met mijn koffer achterna. Die had ik op het dek laten staan.