1ste gaanderij, hoofdmuur beneden.

Wat de buddhisten vooral vertelden waren verhalen van “grote daden” van zelfopoffering en vroomheid, een “légende dorée”, die tot navolging opwekten. Ook de Buddha moet reeds van dit middel gebruik gemaakt hebben.
De goede daden, waarover in deze verhalen wordt verteld, werden oorspronkelijk door willekeurige personen, vaak ook door dieren, verricht. Door de buddhisten werden ze in tweeërlei vorm overgenomen. Meestal als djataka’s, d.w.z. als daden door de Buddha verricht in zijn vorige levens, die hij op grond van zijn volmaakte wijsheid kon overzien. Daarnaast echter ook als “awadana’s”, “acta sanctorum”, verricht door anderen dan de Buddha zelf. Van deze awadana’s is een aantal uitvoerig in reeksen van grote panelen uitgebeeld in de onderste reliëfserie van de 1e gaanderij, onder de reliëfs van de Buddhalegende.
Tot deze panelen behoren verschillende reliëfs die gerekend worden tot het allerbeste van Borobudur’s kunst. [Borobudur 81, 83] 

De voor de rondgang overgenomen teksten uit Korte Gids, 34-41 zijn hertaald en aangevuld met teksten uit Borobudur e.a. geschriften.

De Boroboedoer is het eenige Hindoe-Javaansche monument, waarop voorstellingen voorkomen van vaartuigen. [Nederlandsch Indië – Oud & Nieuw-8, 253] 


Op tien reliëfs van de Borobudur komen vaartuigen voor. In deze rondgang worden er 7 genoemd: 2.23, 2.53, 2.82, 2.86, 2.88, 2.108 en 2.115. Vervolgens zijn er één in de derde (3.54) en twee in de vierde rondgang (4.41 en 4.193) te zien.
De teksten over schepen zijn overgenomen uit Nederlandsch Indië – Oud & Nieuw-8, 227-245 


De rondgang begint bij de oostelijke trap.

Geschiedenis van prins Sudhana

Het verhaal van Manohara en Sudhana is geen djataka, maar een awadana. Sudhana wordt dus niet als toekomstige Buddha Ҫakyamuni, maar als een voorbeeld van een goed en vroom leven in het algemeen gepresenteerd. [Borobudur 85-86] 


1. In het rijk Noord-Pancala heerst grote voorspoed,

2. in Zuid-Pancala daarentegen ziet de koning op een rondreis overal ellende.

ILW Borobudur Mendut Tempelvoet 3e 01 ceremonienEr zijn verschillende manieren om te paard te zitten, gewoon “ruiter te paard” al dan niet alleen of met opgetrokken benen, zoals men in afgelegen streken nog wel eens met name vrouwen te paard ziet zitten. een houding die niet ongevaarlijk genoemd moet worden.

Interessant is de man met het opgeheven hakmes, die aan de stoet voorafgaat. Een oude man blijkens zijn stok. Met zijn wapen – dat ook een magische functie kan hebben – treedt hij op als een “magische pionier”, die slechte invloeden uit de weg moet ruimen. [Borobudur, 189] 


3. Daar de voorspoed in het Noordelijk rijk te danken is aan den invloed van een daar wonende naga (een watergeest in de gedaante van een slang of van een menselijk wezen met slangehuif), beveelt de koning van het Zuiden een brahmaan dien naga door toverformules weg te lokken. De naga vraagt bescherming aan den jager Halaka (rechts), die hem ook redt, als de brahmaan met zijn formulieren begint.

ILW Borobudur Mendut Tempelvoet 2e 03 Halaka

[Links van het midden:] De heremiet spreekt een bezwering uit bij een offervuur. Afgezien van hun vermagerde lichaam en enkele requisieten zijn de asceten te herkennen aan hun hoge haardos, opgebouwd uit ineengestrengelde haartressen. Ze worden bijeengehouden door lappen of banden die op den duur gaan domineren dat ze een tulband vormen. [Borobudur, 208] 


4. Uit dankbaarheid schenken de ouders van de naga hem een wonderlasso,

5. daarmee weet hij zich in het gebergte bij een ouden asceet meester te maken van de nymf Manohgara; haar gezellinnen vluchten.

ILW Borobudur Mendut Tempelvoet 2e 05 nymf Manohgara

ILW Borobudur Mendut Tempelvoet 2e 05 uitgemergelde asceetDetail van 5: een uitgemergelde asceet. →

6. Maar op het zelfde ogenblik, waarop dit geschiedt, komt prins Sudhana – toevallig een naamgenoot van de hoofdpersoon uit de Gandawyuha – langs de vijver en de jager ziet zich wel genoodzaakt zijn schone buit aan de prins aan te bieden.
Deze huwt Manohara en zij leven gelukkig, totdat een intrige er een eind aan dreigt te maken.

7. De koning, zijn vader, krijgt van een brahmaan de raad zijn zoon op een expeditie tegen opstandelingen te zenden.

ILW Borobudur Mendut Tempelvoet 2e 07 expeditie

8. Vóór zijn vertrek vertrouwt Sudhana de zorg voor zijn vrouw toe aan zijn moeder.

ILW Borobudur Mendut Tempelvoet 2e 08 Sudhana

9. Op zijn krijgstocht krijgt hij hulp van een troep wildemannen.

ILW Borobudur Mendut Tempelvoet 2e 09 wildemannen

10. Inmiddels heeft de koning een boze droom en volgens de brahmaan kan alleen het offeren van een nymf helpen, oftewel dat Manohara geofferd zou moeten worden.

11. Daar Manohara’s leven nu gevaar loopt, ontvlucht zij met hulp van haar schoonmoeder, door de lucht.

ILW Borobudur Mendut Tempelvoet 2e 11 ontvlucht

12. Enige tijd later komt Sudhana terug en biedt de schatting der onderworpen rebellen aan.

ILW Borobudur Mendut Tempelvoet 2e 12 rebellen

13. Hij ontdekt, dat Manohara verdwenen is en overlegt met zijn moeder.

14. Manohara is intussen bij haar vader Druma teruggekeerd, aan wie zij haar avonturen vertelt.

ILW Borobudur Mendut Tempelvoet 2e 14 Manohara

15. Sudhana gaat haar zoeken bij de asceet (afbeelding 5), waar zij een ring en een reisbeschrijving blijkt te hebben achtergelaten.

Maar vóór zij naar het land der Kinnara’s terugkeerde bracht zij een zegelring naar een heilige, die in de nabijheid van de rivier woonde, waar zij indertijd was gevangen. Voor het geval Sudhana zou trachten haar terug te vinden vertelde zij de heilige ook welke route hij naar het Kinnara-land zou moeten volgen. [Borobudur, 85] 


ILW Borobudur Mendut Tempelvoet 2e 15 zegelring

16. Even buiten de hoofdstad ziet hij een aantal vrouwen water halen, naar hij hoort voor het bad van prinses Manohara, die nog steeds ruikt naar haar verblijf in de wereld der mensen. Hij laat zijn ring vallen in een van de watervaten en doordat Manohara die in haar bad terugvindt, weet zij dat hij in de nabijheid moet zijn.

ILW Borobudur Mendut Tempelvoet 2e 16 prinses Manohara

[Geheel rechts laat Sudhana de ring vallen.]
Een van de allermooiste reliëfs van Borobudur, maar op een gedeelte van de hoofdmuur in de eerste gaanderij, dat erg geleden heeft van vochtigheid, algen en beschadiging is dat van de waterhalende kinnarameisjes, in de “geschiedenis van prins Sudhana”. Ze dragen het bronwater weg in bolronde watervaten, die op het hoofd gedragen worden, en vaasvormige met een ruim oor, van een type dat minder gebruikelijk is. [Borobudur, 168, 171] 


17. Zo bemerkt zij zijn aanwezigheid; maar Druma wil hem niet als schoonzoon erkennen, voor hij in een boogwedstrijd overwonnen heeft

ILW Borobudur Mendut Tempelvoet 2e 17 boogwedstrijd

18. en haar uit een menigte van volkomen gelijk van uiterlijk heeft weten te herkennen.
Nadat hij de proeven heeft afgelegd wordt Sudhana door de Kinnara-vorst als schoonzoon erkend.

ILW Borobudur Mendut Tempelvoet 2e 18 schoonzoon

19. Het paar geniet van spel en dans,

ILW Borobudur Mendut Tempelvoet 2e 19 spel dans

Links op het reliëf in de tweede rij een aantal musiciennes met slagkelkjes die tegen elkaar aan getikt worden (in elke hand één) en links beneden een groter bekken. Dáár ook enkele aerophonen; dwarsfluiten, en een merkwaardig voorwerp, een klankpot waarboven men de handen klapt (de pot is gedeeltelijk met water gevuld). Het is een ghatawadya, een instrument dat in Zuid-India nog zeer geliefd is en dat een sonore toon aan de klanken van het orkest toevoegt. [Borobudur, 194] 


20. en keert vervolgens naar Pancala, de mensenwereld terug, waar grote giften worden uitgedeeld.

ILW Borobudur Mendut Tempelvoet 2e 20 PancalaSudhana toonde op alle mogelijke manieren zijn weldadigheid en deugdzaamheid (hetgeen dan ook wel nodig was om dit op zichzelf zeer lieflijke en prachtig geïllustreerde verhaal van een “zwanejonkvrouw” een plaats in de Acta Sanctorum van het Buddhisme te kunnen geven!) [Borobudur, 85] 


[21 – 22]

23. Het reliëf is tot nu toe onverklaard gebleven, niettegenstaande het deel uitmaakt van de groep, waarin de zoo markante episodes zijn uitgebeeld van de overhandiging van een omlijst portret, eerst van een mannelijk, daarna van vrouwelijk persoon. Het onderwerpelijke paneel geeft de aanbieding te zien van het portret van de vrouw, dat aangebracht is of vervoerd zal worden met het ter linkerzijde afgebeelde vaartuig.

ILW Borobudur Mendut Tempelvoet 2e 23 vaartuig

ILW Borobudur Mendut Tempelvoet 2e 23 achterstevenHet reliëf is juist in den linkerhoek niet geheel voltooid geworden. De achtersteven van het schip en het water zijn deels nog slechts schetsmatig aangeduid. De golven zijn weer rijkelijk gestoffeerd met visschen. De flank van het vaartuig is behalve met den reeds vermelden blokkenband, versierd met een paar cirkelvormige schijven. Mogelijk moeten deze laatste opgevat worden als oogen, waarvan, zooals we bij de vlerkprauwen zien, de voor- en achtersteven van grootere schepen steeds zijn voorzien.
De enkelvoudige mast eindigt in een rechthoekig schijfblok. De bemanning is deels bezig het zeil te hijschen of te strijken. Een der mannen vischt met een hengel, een andere houdt een lijn vast met enkele visschen. Tegen den voorsteven zit een figuur onder iets, dat aan een zonnescherm doet denken. [Nederlandsch Indië – Oud & Nieuw-8, 227-245 – 3] 


[24-30]

 

Geschiedenis van Mandhatar.

31, 32. Koning Uposadha geeft rijkelijk aalmoezen om een zoon te krijgen.

ILW Borobudur Mendut Tempelvoet 2e 31 Koning Uposadha

33. Eens, als hij een reis ondernomen heeft tot bescherming van een kluizenaarsverblijf

ILW Borobudur Mendut Tempelvoet 2e 33 kluizenaarsverblijf

34. drinkt hij per ongeluk wijwater, dat voor een zwangerschapsoffer bestemd was.

35. Zodoende krijgt hij op ongebruikelijke wijze een zoon, Mandhatar,

ILW Borobudur Mendut Tempelvoet 2e 35 Mandhatar

36. wiens toekomstige grootheid, door een brahmaan voorspeld wordt,

ILW Borobudur Mendut Tempelvoet 2e 36 brahmaan

37. die dan ook rijkelijk wordt beloond.

38. Na een bezoek van den godenkoning Ҫakra,

ILW Borobudur Mendut Tempelvoet 2e 38 godenkoning Ҫakra

39. wordt de prins gehuldigd als koning.

40. De asceten in de buurt hebben uit woede over het geraas van de reigers de vleugels van deze dieren verlamd; de koning verzoekt hen zijn rijk te verlaten en zij vliegen weg.

ILW Borobudur Mendut Tempelvoet 2e 40 reigers

41. Mandahatar, in het bezit van wondermacht, doet rijst regenen,

42. en daarna kleren uit de lucht vallen,

ILW Borobudur Mendut Tempelvoet 2e 42 kleren

43. om ten slotte in zijn paleis een goudregen te veroorzaken.

ILW Borobudur Mendut Tempelvoet 2e 43 goudregen

44. Hij vertrekt met de koninklijke kleinoden ter verovering der wereld. d.w.z. het puikjuweel van een koningin, olifant, paard, werprad en edelsteen (gewoonlijk ook nog generaal en minister, zodat er dan zeven zijn; op Borobudur echter niet).

ILW Borobudur Mendut Tempelvoet 2e 44 verovering der wereld

45. Telkens moet men hem vertellen, wat er nog te veroveren overblijft.

ILW Borobudur Mendut Tempelvoet 2e 45 veroveren

46. Eindelijk is hij de gelijke van god Ҫakra geworden, die hem zijn halve troon afstaat.

47. In een gevecht van de goden met de demonen overwinnen de eersten met hun aardse bondgenoot.

48. Als hij op de vraag, wie overwinnaar is, van zijn dienaren hoort, dat hij zelf dat eigenlijk alleen is, wordt hij zó overmoedig,

49. dat hij Ҫakra onttronen wil, waarop deze zich van hem afwendt.

ILW Borobudur Mendut Tempelvoet 2e 49 onttronen

50.

ILW Borobudur Mendut Tempelvoet 2e 50 geschenkartikeltjesEen bijzonder vreedzame bezigheid: de vervaardiging van een soort speelgoed en geschenkartikeltjes in de vorm van lemen beeldjes – hier kinnara’s, half mens, half vogel – en houtbewerking met de dissel. De tweede man van links heeft wellicht een passer in de hand, een gebogen stuk hout met een scherpe punt en een lus aan de andere kant. Aan de beschildering van één mens-vogeltje wordt de laatste hand gelegd, een blad vol wordt weggebracht. Figuurtjes van het hier afgebeelde genre werden en worden in Voor-Indië bij geboorte, huwelijk en andere feestelijke gelegenheden vervaardigd en aan vrienden aangeboden. [Borobudur, 179-180] 


[51-52]

53.

ILW Borobudur Mendut Tempelvoet 2e 53 twee masterBlijkbaar hebben we hier te doen met een twee-master van kleiner type dan de drie hiervoor behandelde. De vlerken toch zijn minder samengesteld; ze bestaan uit enkelvoudige gekromde uithouders met twee drijvers, voorzien van vier koppelingen, waarvan alleen de beide middelste dubbel zijn. De vleugels en de oogen, zoowel aan voor- als achtersteven, zijn hier het duidelijkst uitgebeeld. Dat de scheepsromp inderdaad is opgebouwd uit een tegen een geraamte getimmerde beplanking, blijkt uit enkele naden van planken, zichtbaar aan voor- en achtersteven.
Zeer opmerkelijk zijn ook de onder de vleugels voorkomende cirkelvormige versieringen, die wederom nergens ontbreken. Het is duidelijk dat wij hierin het waakzame oog hebben te zien, dat immer over de watervlakte tuurt en gedacht wordt het schip een veilige haven te verzekeren. [Nederlandsch Indië – Oud & Nieuw-8, 247] 


[54-55]

 

Geschiedenis van den Ҫibi-koning.

56. De koning koopt van een valk een duif los tegen een gelijk gewicht aan vlees van eigen lichaam.

ILW Borobudur Mendut Tempelvoet 2e 56 valk duif

57. Hij wordt daarop gehuldigd.

 

Geschiedenis van den Heilbegerige.

58. Een deugdzaam koning wenst de Leer te horen verkondigen.

59. Ҫakra in de gedaante van een wildeman belooft hem dit te zullen doen, mits de koning vervolgens zich in een vuurhaard zal storten.

60. Als de koning werkelijk deze voorwaarde vervult, verdwijnt de vuurhaard en betuigt Ҫakra in eigen gedaante zijn hulde.

[61-63]

 

Geschiedenis van Rudrayana.

64. Koning Rudrayana van Boruka ondervraagt enige uit Rajagrha gekomen kooplieden naar Bimbisara, de koning van die stad,

65. aan wie hij, na zijn lof vernomen te hebben, een brief stuurt.

ILW Borobudur Mendut Tempelvoet 2e 65 brief

↓ Detail van 65 en detail van 66: de gezanten komen terug met kostelijke spijzen.

ILW Borobudur Mendut Tempelvoet 2e 66 spijzenILW Borobudur Mendut Tempelvoet 2e 65 gezanten

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

67. Bimbisara ontvangt een hem door Rudrayana gezonden juwelenkistje

ILW Borobudur Mendut Tempelvoet 2e 67 juwelenkistje

68. en zendt een kist met kostbare stoffen terug.

ILW Borobudur Mendut Tempelvoet 2e 68 kist

69. Daarna stuurt Rudrayana zijn beroemd harnas,

70. en Bimbisara een rol met het portret van de Buddha.

ILW Borobudur Mendut Tempelvoet 2e 70 stuurt RudrayanaILW Borobudur Mendut Tempelvoet 2e 70 portret

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

71. Randrayana vraagt bijzonderheden over den Buddha,

72. en de monnik Mahakatyayana onderricht hem,

73. terwijl een non vervolgens in het vrouwenverblijf preekt.

74. Kort voor haar dood laat de koningin zich tot non wijden;

ILW Borobudur Mendut Tempelvoet 2e 74 dienaressenEen vorstelijke novice – vandaar de dienaressen, van wie er een het nonnenkleed gereed houdt – wordt gewijd tot non. Zij zit met geschoren hoofd geknield voor twee nonnen – het voor een initiatie vereiste aantal – en heeft de handen in dezelfde houding als de leerling op reliëf 1Ba 273 die zijn gelofte aflegt tegenover zijn leermeester. [Borobudur, 207] 


75. herboren in den hemel bezoekt zij haar echtgenoot, en op haar raad.

76. deelt Rudrayana zijn zoon Ҫikhandin mede, dat hij afstand doet van de regering om monnik te worden.

ILW Borobudur Mendut Tempelvoet 2e 76 monnik

77. Rudrayana als monnik wijst de aanbiedingen van Bimbisara af.

ILW Borobudur Mendut Tempelvoet 2e 77 Bimbisara

78. Horend dat zijn zoon slecht regeert, besluit Rudrayana orde op zaken te gaan stellen [rechts], terwijl Ҫikhandin dit vernemende, plannen smeedt om zijn vader te vermoorden [links].

ILW Borobudur Mendut Tempelvoet 2e 78 Ҫikhandin

79. Ҫikhandin hoort, dat zijn opdracht vervuld is [rechts] en gaat dan [links] gekweld van berouw over den moord van een vader en een heilige troost zoeken bij zijn moeder, die hem wijs maakt dat de vermoorde zijn vader niet was.

ILW Borobudur Mendut Tempelvoet 2e 79 vader

80. Dat ook die heiligheid niets betekende, wordt hem door boze ministers duidelijk gemaakt, die gedresseerde katten vanuit de stupa’s van twee overleden heiligen doen spreken.

ILW Borobudur Mendut Tempelvoet 2e 80 heiligheid

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


81. De koning beveelt nu Mahakatyayana onder de aarde te bedekken, doch deze verrijst weer en verkondigt den goede ministers Hiru en Bhiruka den aanstaanden ondergang der stad door een zandregen.

ILW Borobudur Mendut Tempelvoet 2e 81 Hiru Bhiruka

82. Daaraan gaat een edelstenenregen vooraf. De beide ministers schepen zich met hun schatten in.

ILW Borobudur Mendut Tempelvoet 2e 82 edelstenenregen

In het door den beeldhouwer uitgebeelde vaartuigje zullen we dus het laadprauwtje hebben te zien, waarmede de kostbaarheden naar het zeeschip moeten worden vervoerd. Hoe dit zij, het vaartuig komt nagenoeg geheel overeen met 115; alleen is de voorsteven niet afgeplat doch puntig. Begrijpelijk dat bij deze op het droge liggende djoekoeng het roer achterwege bleef. [Nederlandsch Indië – Oud & Nieuw-8, 227-245 – 2] 


83. Als Roruka onder het zand bedolven is, vertrekt Mahakatyayana met een gezel en de stadsgodin, welke laatste in Khara achterblijft, waar tevens een stupa op de nap van den monnik wordt opgericht.

ILW Borobudur Mendut Tempelvoet 2e 83 Mahakatyayana

Een stupa boven de staf van een heilige. Verering wordt bewezen door middel van een wierookbrander met waaier, een schelp (?), kransen en bloemen waaruit een hoge geurpluim oprijst. Aan het baldakijn boven de stupa hangen schellen, die in de wind kunnen klingelen. [Borobudur, 216] 
Dat de buddhistische kunst ons, ook op Indonesische bodem, nog wel eens voor andere, zij het dan kleinere raadsels en “afwijkingen” stelt, kunnen wij zien uit enkele voorbeelden van bestaande monumenten en van voorstellingen in reliëfs van Borubudur zelf [Borobudur 104] 


84. In Lambaka biedt men zijn metgezel de koningswaardigheid aan.

ILW Borobudur Mendut Tempelvoet 2e 84 Lambaka

85. In Wokkana wordt een stupa opgericht op ’s monniks staf.

86. Inmiddels sticht Hiru de stad Hiruka,

ILW Borobudur Mendut Tempelvoet 2e 86 Hiru Hiruka

ILW Borobudur Mendut Tempelvoet 2e 86 het schip van BorobudurHet hier uitgebeelde tafereel mag zonder twijfel gerekend worden tot de meesterstukken. Het is geen realistische nabootsing, doch een synthetische uitbeelding, die op voortreffelijke wijze het wezen van het vaartuig benadert. Men lette op de suggestieve wijze, waarop het voortsnellen van het schip is aangeduid door de voorover hellende masten, de gebogen ra’s met de sterk gezwollen zeilen en de actie van enkele schepelingen; op de eenvoudige mise en scène: de met visschen gestoffeerde, bewogen zee en de beide wolken.
De romp vertoont boven de waterlijn behalve een parelrand, een vijftal langsscheepsche ribben, waarvan de beide bovenste als railing schijnen dienst te doen. Op de beide onderste berghouten zijn de vlerken uitgebouwd. Deze bestaan uit een drietal uithouders, elk samengesteld uit een rechten en een gekromden spriet. Waar deze laatsten elkaar kruisen is een tweetal langsche koppelingen aangebracht, onderling verbonden door een viertal dubbele dwarsche koppelbouten. Aan het einde van de drie gebogen sprieten bevindt zich een tweede paar langsche verbindingsstukken, de eigenlijke drijvers, die steeds met het water in aanraking zijn. Bij het ‘voor-de-wind’ gaan, wanneer het schip slechts weinig zijwaarts helt, zal het eerstgenoemde paar langshouten zich vermoedelijk boven het wateroppervlak bevinden. Wanneer scherp ‘bij-de-wind’ wordt gezeild, zal het aan de lij-kant natuurlijk ondergedompeld worden en dan mede als drijver dienst doen.
Tusschen de tweede en derde der langsribben, van onderen af gerekend, bevinden zich 12 roeipoorten, hetgeen wijst op een ploeg van 24 roeiers.
Boven de derde langsrib ziet men 13 schuin binnenwaarts gerichte balkjes, welke oploopen tegen de onderzijde der railing. Met de langsribben vormen ze vakken, welke overeenkomen met de roeipoorten. Mogelijk hebben we hierin het geraamte te zien van een afdak, dat met matten of zeil kan worden ingedekt, wanneer de roeiers tegen de felle zon moeten worden beschut.
In het oog vallend zijn de oploopende voor- en achterplecht, doch bovenal de tegen den voor- en achtersteven aangebrachte bundel rondhouten, die zich waaiervormig naar boven toespitst. Wij menen er een versterking en bescherming der stevens in te zien [...] [of] om bij hooge zee de voor en achter inslaande golven te breken. [...] Buiten het achterschip is nog een kampanje of ‘schavotje’ uitgebouwd, waarop een schepeling zit.
Onmiddellijk achter den voorsten mast is een roef aangebracht, afgedekt met een zadeldak, welks schilden de gedaante hebben van een trapezium.
De stuurinrichting bestaat naar Indischen trant uit twee roerbladen, aangebracht ter weerszijde van den achtersteven.
Het vaartuig heeft een grooten mast en een kleinere mast. Beide bestaan uit voorover hellende tweebenige bokken, die naar voren en achteren met touwen geschoord worden.
Aan elk der masten bevindt zich een rechthoekig razeil, waarvan, ook blijkens de volgende afbeeldingen, de ra’s een schuine stand hebben. Aan de voorsteven ontwaren we nog een boegzeil. Indien wij goed zien is dit driehoekig en is de top bevestigd aan het einde van den hoogoploopenden steven; een der beide schoten is blijkbaar bevestigd aan den boegspriet, de andere loopt langs bakboord. [Nederlandsch Indië – Oud & Nieuw-8, 227-245 – 6] 
In dit reliëf klimt een man tegen de boegspriet en zit er een op het roer, als verzwaring? Of doet hij zijn gevoeg, zoals men wel eens denkt? Hoe dan ook, het zijn boeiende voorstellingen, vol actie en vooral wat dit reliëf betreft – “het” schip van Borobudur, zoals men pleegt te zeggen – soms meesterstukjes van compositie. [Borobudur, 193] 


87. keert Mahakatyayana in zijn woonplaats terug,

88. en sticht Bhiruka de stad Bhirukaccha.

ILW Borobudur Mendut Tempelvoet 2e 88 Bhiruka BhirukacchaRelief No. 88 vertoont een groote overeenkomst met het voorafgaande No. 86.
[de oploopende voor- en achterplecht, doch bovenal de tegen den voor- en achtersteven aangebrachte bundel rondhouten,/ de schepeling die buitenboord op het roerblad gehurkt zit.]
Beide geven ter rechter zijde een tafereel in volle zee te zien en ter linker zijde een episode te land, Zoo worden we ook getroffen door de groote gelijkenis der beide hier uitgebeelde vaartuigen. De vlerken zijn op dezelfde wijze geconstrueerd; alleen missen we op het bovenste paar drijvers de dwarskoppelingen.
De roeiers zijn blijkbaar in actie. Weliswaar blijven ze zelve onzichtbaar, doch uit de poorten komt een achttal roeiriemen te voorschijn met lepelvormig blad. Tusschen de tweede en derde der langsribben, van onderen af gerekend, bevinden zich 12 roeipoorten, hetgen wijst op een ploeg van 24 roeiers.
Vergelijken we [dit] relief met het voorafgaande, dan behouden we dezen eindindruk: het reliëf dat den zeiltocht van den goeden minister Hiroe verbeeldt is gewrocht door een kunstenaar, het tafereel dat de zeereis van den anderen goeden raadsman Bhiroe vertolkt, is gebeiteld door den artisan. [Nederlandsch Indië – Oud & Nieuw-8, 227-245 – 7] 

 


Geschiedenis van de kinnara’s (een wezen met vogellichaam en mensenhoofd).

89. Op de jacht is de koning van Benares getuige van wenende liefkozingen van een kinnara-paar.

ILW Borobudur Mendut Tempelvoet 2e 89 kinnara paar

90. Bij navraag verneemt hij, dat ze nog altijd bedroefd zijn, omdat ze gedurende hun duizendjarig leven één nacht van elkaar gescheiden zijn geweest.

ILW Borobudur Mendut Tempelvoet 2e 90 Vogels

ILW Borobudur Mendut Tempelvoet 2e 90 Vogels 02Vogels, onfeilbaar realistisch van lijn en postuur, voeren hun jongen, andere vlieden heen in snelle vlucht.
[Cohen – Van anarchist tot monarchist, 195] 


[91-94]

95.

ILW Borobudur Mendut Tempelvoet 2e 95 kinderen

Een reliëf waarvan de tekst nog niet geïdentificeerd is, is op zichzelf duidelijk genoeg: het gaat om kinderen die in het water spelen, dat uit een bron links tevoorschijn komt. Op de achtergrond vier moeders of verzorgsters, die ditmaal geen speciale kroon dragen [2 B 21]. Het naast de bron staande jongetje heeft een bij kinderen in de Hindu-Javaanse iconografie vaak voorkomend sieraad of embleem, dat als een halve maan achter de nek opsteekt. Ook het derde kind van rechts in het water heeft dit. Men heeft voor dit voorwerp verschillende verklaringen gegeven, die geen van alle bevredigend zijn (slippen van een hoofddoek, een aanduiding van een monnikskleed, de voorloper van de vorstelijke gelung tjentung van de wajangfiguren enz.). [In een afbeelding op de Mendut] is het aan het haar bevestigd en heeft het een ornamentpatroontje, zoals bij een metalen sieraad verwacht kan worden. Was dit niet het geval, dan zou men aan een soort aureool kunnen denken. Niet ieder kind heeft het, waarschijnlijk alleen kinderen van hogere rang. [Borobudur, 154] 


[96]

97

ILW Borobudur Mendut Tempelvoet 2e 97 slangenhuif

De ontmoeting van een koning met een Naga, een slang in menselijke gedaante maar met een vijfvoudige slangenhuif boven het hoofd

98

ILW Borobudur Mendut Tempelvoet 2e 98 saron

Rechts: Een bespeler van een saron, een Javaanse muziekinstrument dat bestaat uit zes of zeven bronzen, op een houten drager, die beslagen worden met een houten hamer.

[99-105]

 

Geschiedenis van Maitrakanyaka.

106. Maitrakanyaka geeft zijn moeder alle verdienste, die hij in allerlei beroepen,

ILW Borobudur Mendut Tempelvoet 2e 106 Maitrakanyaka

107. en ten slotte als goudsmid maakt, achtereenvolgens 4, 8, 16 en 32-voudig (rechts); als zij hem echter wil beletten op reis te gaan, trapt hij haar (links).

ILW Borobudur Mendut Tempelvoet 2e 107 goudsmid

ILW Borobudur Mendut Tempelvoet 2e 107 winstgevende beroepen

ILW Borobudur Mendut Tempelvoet 2e 107 ekaweni

Een van de “winstgevende beroepen” die de held uit het verhaal van Maitrakanyaka achtereenvolgens heeft uitgeoefend. Een goudsmid, die een ring en een geldzakje op een weegschaal tegen elkaar afweegt. Maar ook textiel en op de grond weer wat onduidelijke voorwerpen (goudstaven?) en nog een geldbuidel. [Borobudur, 167]  Een kenteken van de weduwe en in algemene zin van rouw en smart is de ekaweni, de “ene haarvlecht”, die wij aantreffen bij de knielende vrouw. Ook treurende vrouwen die geen weduwe zijn, laten wel het haar loshangen en worden zo afgebeeld – ten teken van haar smart.. [Borobudur, 214] 


108. Op zijn reis lijdt hij schipbreuk en komt op een eiland met vier nimfen,

ILW Borobudur Mendut Tempelvoet 2e 108 vier nimfen

ILW Borobudur Mendut Tempelvoet 2e 108 schipbreuk

De beeldhouwer heeft den noodtoestand uitgedrukt door de actie der schepelingen; enkelen zijn te water geraakt.
Het reliëf is helaas vrij sterk verweerd, doch we zien toch dat er geroeid wordt. We tellen een achttal riemen en ontwaren hier en daar een menschelijk hoofd, dat uit de roeipoorten te voorschijn komt. De tweebenige masten zijn beide voorzien van sporten. beide masten hebben een rechthoekig zeil met twee ra’s. Alleen het boegzeil vertoont hier een variatie. Het is niet driehoekig doch vierkant en is bevestigd aan twee ra’s, welke nagenoeg een verticalen stand hebben; duidelijk zien we de vier brassen, waarmede de uiteinden der ra’s bevestigd zijn. Het is duidelijk dat een boegzeil van de hier beschreven gedaante een tweevoudigen boegspriet vereischt. Op den eenen zichtbaren spriet, welke een geringere helling heeft dan die der beide voorafgaande reliëfs, zit een schepeling, die een der brassen van het boegzeil vasthoudt. Het zeil is niet driehoekig doch vierkant en is bevestigd aan twee ra’s, welke nagenoeg een verticalen stand hebben; duidelijk zien we de vier brassen, waarmede de uiteinden der ra’s bevestigd zijn. Midscheeps bevindt zich de roef; op het achterdek zien we nog een klein tentdak, dat vermoedelijk dient om den roerganger te beschutten. Ten slotte dient nog de aandacht gevestigd te worden op de eigenaardige topversiering van den voorsten mast, en de wimpels, waarbij er één is met vijf tongen. Opmerkelijk zijn voorts de vlaggen op den voor- en achtersteven. [Nederlandsch Indië – Oud & Nieuw-8, 245-247 – 8] 


109. dan op een met acht nimfen,

110. vervolgens bij zestien,

ILW Borobudur Mendut Tempelvoet 2e 110 zestien nimfen

111. en eindelijk bij twee-en-dertig.

112. Maar tenslotte bereikt hij de hel, waar zonen komen, die hun moeder trappen. Een man met een gloeiend rad op zijn hoofd nadert, wiens plaats hij in moet nemen. Als hij echter het voornemen opvat dat rad steeds te blijven dragen tot heil der mensheid, wordt hij weer verlost.

ILW Borobudur Mendut Tempelvoet 2e 112 heil der mensheid

114

ILW Borobudur Mendut Tempelvoet 2e 114 jachtstoet

Een aap, een paar reigers, opgeschrikt door het tumult van een naderende jachtstoet, staren, ontsteld, van een boomtop neer in de verte.
[Cohen – Van anarchist tot monarchist, 195] 



Hoofdmuur – bovenste reeks – 115.

Het reliëf verplaatst ons in een der laatste episoden der levensgeschiedenis van den Boeddha. De Tathagata bevindt zich op weg naar Benares om voor het eerst zijn Verlossende Leer te prediken en komt voor den sterk gezwollen Ganges-stroom te staan. Hij verzoekt den veerman hem over te zetten, doch deze eist dat eerst veergeld betaald wordt. Met de woorden: ‘Ik heb geen geld, mijn waarde’, zweeft de Meester door de lucht, naar de andere oever. De bedremmelde veerman valt bewusteloos ter aarde. Wanneer hij later de gebeurtenis vertelt aan koning Bimbisara, stelt deze alle monniken vrij van betaling van het veergeld.


ILW Borobudur Mendut Tempelvoet 2e 115 veergeld

Op de rechterzijde van het paneel is de aanlegplaats uitgebeeld. Onder een boom zit de onthutste veerschipper, zijn hoofd steunend met de rechterhand. Op den anderen oever staat de Tathagata op een lotuskussen; een aureool achter het hoofd.
Het tegen den aanlegsteiger gemeerde vaartuigje vertoont een schuin oploopenden, horizontaal afgeplatten voorsteven en een verticaal opgaanden, doch schuin afgeplatten achtersteven. Deze vormen vindt men nog heden terug in het overigens zeer gevarieerde djoekoeng-type uit verschillende deelen van den Archipel.
Het roer bestaat uit een dubbele stuurspaan, tusschen twee uitstekende dollen wederzijds tegen den achtersteven bevestigd. Vermoedelijk werden de spanen met rotan-stroppen vastgemaakt. Het veerschuitje is voorzien van een zonnetent, rustende op vier stijlen. De bij dergelijke djoekoengs vaak gebezigde pagaaien of schepriemen ontbreken; blijkbaar werd het vaartuig voortgeboomd. Een lange boom is zichtbaar tegen de achterzijde van de zonnetent. Het uiteinde is gevorkt. Duidelijker is deze gaffel zichtbaar bij den tweeden boom, die vertcaal op het aanlegsteigertje is geplant bij wijze van meerpaal. De djoekoeng is hieraan vastgesjord met een reep van touw of rotan. Het gevorkte einde dient natuurlijk om bij het boomen het indringen van den zetstok in den modderigen bodem te voorkomen. We vinden deze gaffels terug bij de boomen, waarmede nog heden ten dage de laadprauwen op de rivieren worden voortgestuwd. [Nederlandsch Indië – Oud & Nieuw-8, 227-245 – 1] 


3de halve-rondgang 
1ste gaanderij van de oostelijke trap via zuidelijke naar de westelijke trap
Balustrade boven 134 van de ½ van 372 reliëfs Verhalen vorige levens van de Boeddha.

4de rondgang 
1ste gaanderij van de westelijke trap via noordelijke naar de oostelijke trap
Balustrade boven en beneden 11 reliëfs.
en daarna
2de gaanderij van de oostelijke trap via zuidelijke tot de westelijke trap.
Hoofdmuur en balustrade boven en beneden 7 reliëfs.

5de Rondgang 
Bovenste terrassen en terug naar de ingang.

 

De laatste waarnemingen zijn gedaan in 2017.

De informatie in PDF formaat.